← Table of contents
Warda

DERDE BOEK. (continued 3)

Hendrik Cornelis Rogge translation

Thans hadden de rossen van den pharao den vijand bereikt en had zijne strijdbijl den eersten der Aziaten geveld. Rameri en drie andere zonen des konings streden aan zijne zijde op hunne wagens, en vóor hen de leeuwen. Wild was het gedrang, vreeselijk de woede der strijders; zinverbijsterend het gejoel van den slag, gelijk het bulderen der branding van den oceaan, die door een fellen orkaan tegen hooge granietrotsen wordt opgezweept.

Het was of Mena zich wist te verdubbelen, want terwijl hij in zijne linkerhand de teugels hield geklemd, waarmede hij de rossen nu eens vooruit deed snellen, dan achteruit trok, dan weder opzij wendde, al naar het noodig was in den drang van het gevecht, ontging hem geen enkele pijl, die op den koning werd gericht. Zijne oogen en zijn schild waren overal. De jonge held vertrok geen wenkbrauw, terwijl Ramses woedender nog dan zijne leeuwen onder steeds luider krijgsgeschreeuw en met vlammende blikken, zich, links en rechts er op inhouwende, al dieper en dieper waagde onder de drommen der vijanden.

In het schild van den wagenmenner staken reeds drie pijlen, die op Mena, niet op den koning waren gericht, en op de schacht van den eenen zag hij toevallig in Egyptisch schrift niet onduidelijk de woorden: »Dood aan Mena.”

Daar snorde een vierde pijl!

Hij volgde met de oogen de richting, van waar het wapen kwam, en terwijl een vijfde schot zijn schouder verwondde, riep hij den koning toe: »Wij zijn verraden! Zie daar, aan de overzijde! Paäker strijdt met de Cheta!”

De gids spande juist opnieuw zijn boog en kwam den wagen van Ramses zoo nabij, dat men hem verstaan kon, toen hij de pees aantrekkende, met krijschende stem uitriep: »Thans rekenen wij af, gij dief en roover! Nog is mijne bruid uwe vrouw, maar met dit schot maak ik Mena’s weduwe tot de mijne!”

Met geweldige kracht doorkliefde de pijl de lucht en trof den helm van den wagenmenner. Deze liet zijn schild zinken en bracht de hand aan zijn hoofd, dat dreunde van den schok. Hij hoorde Paäkers woedenden schaterlach, en voelde hoe een nieuwe pijl van zijn vijand hem door het handgewricht sneed. Zichzelven niet meer meester, wierp hij de teugels ver van zich weg, greep zijn strijdbijl, sprong, zijn plicht en zichzelven vergetende, van den wagen en stormde op den gids los.

Paäker wachtte hem af met zijn opgeheven slagzwaard. Zijne lippen waren doodsbleek, zijne oogen bloedrood, zijne wijduitstaande neusvleugels bewogen zich als die van een snuivend paard, en met giftig schuim op zijn schreeuwenden mond, wierp hij zich op zijn doodvijand.

De koning zag beiden met elkander worstelen, doch hij kon in dezen strijd niet tusschen beiden komen, want de teugels, die Mena had vastgehouden, sleepten langs den grond, en onbestuurd trokken zijne paarden, de leeuwen volgende, hem met zich voort.

De meeste zijner strijdgenooten waren gevallen. Voor hem en achter hem woedde het vreeselijk gevecht; doch Ramses stond vast als een rots, dekte zich met Mena’s schild, en zwaaide zijne doodelijke strijdbijl.

Daar zag hij hoe Rameri zich met zijn tweespan dicht bij hem aansloot. De jongeling streed heldhaftig, en Ramses riep hem toe: »Goed zoo, gij kleinzoon van Seti!”

»Ik wil heden een nieuw zwaard verdienen!” antwoordde de kroeskop zijn vader, en spleet een vijand den schedel.

Doch reeds waren zij van alle zijden door vijandelijke wagens omringd. De vader zag, hoe Danaërs de paarden van den jongeling neerhieuwen, en hoe al zijne metgezellen, en onder hen de beste strijders, hunne paarden omwendden en op de vlucht sloegen.

Daar werd ook een zijner leeuwen met eene lans doorboord. Het edele dier zonk neder, met een gehuil van woede en smart, dat boven alles uit werd gehoord. Reeds was hij zelf door een pijl licht verwond, had een zwaardhouw zijn schild gespleten, en was de laatste pijl afgeschoten.

Hoewel hij nog altijd links en rechts dooden deed vallen, zag Ramses toch zijne laatste ure naderen. Zonder de worsteling te staken, verhief hij zijne stem om luide te bidden en Amon’s hulp met hartstochtelijke woorden in te roepen.

Terwijl hij alzoo in doodsgevaar den heer des hemels om bijstand smeekte, ziet, daar vertoonde zich midden in het strijdgewoel naast zijne paarden een Egyptenaar van hooge gestalte. Hij nam de teugels op, en terwijl hij den koning eerbiedig groette, sprong hij achter hem op den wagen.

Ramses beefde voor de eerste maal. Geschiedde hier een wonder? Had Amon zijn gebed verhoord? Terwijl hij eenigszins schuw den blik richtte op zijn nieuwen wagenmenner, en op zijn gelaat de trekken van den afgestorven Mohar, den vader van den verrader Paäker, meende te herkennen, geloofde hij werkelijk, dat Amon diens gedaante had aangenomen, dat de god in eigen persoon tot hem was gekomen, om hem te redden.

»Er is hulp nabij!” riep zijn nieuwe wagenstrijder. »Nog maar een wijle stand gehouden, dan zijt gij gered, en voert gij de uwen ter overwinning!”

Toen verhief Ramses opnieuw zijn krijgsgeschreeuw. De dichtst bij zijnde Chetiet, die hem naderde, zonk ter aarde met verbrijzelden schedel, terwijl de raadselachtige helper aan zijne zijde hem nu eens met het schild, dat de koning hem had overgegeven, dekte, dan weder verschrikkelijke slagen uitdeelde.

Zoo gingen er met deze nieuwe worsteling eenige oogenblikken voorbij.

Daar liet zich weder boven het luid gewoel van den strijd trompetgeschal hooren. Ditmaal herkende Ramses zijne Egyptische hoornblazers, en van den lagen bergwand aan zijne rechterzijde wierpen, zonder zich over weg of steg te bekommeren, duizende lichtgewapende voetknechten van het legioen van Ptah onder aanvoering van Horus, zich in de flank der vijandelijke wagenstrijders.

De Egyptenaars zagen in welk gevaar de koning verkeerde. Met ware doodsverachting stormden zij op den vijand los, de wagenstrijders nederhouwende of op de vlucht jagende. Weldra stond de pharao gered onder de zijnen.

Maar de raadselachtige persoon, die hem in den nood had geholpen, was verdwenen. Hij was, door een pijl getroffen, ter aarde gezonken. Zoo is het einde van een mensch; en toch meende de koning, dat Amon zelf zijn redder was geweest.

Ramses gunde zichzelven, zijnen rossen en zijnen strijders maar een oogenblik rust; toen wendde hij zijn strijdwagen, reed den weg terug langs welken hij gekomen was, overviel de vijanden, die hem van zijne hoofdmacht hadden afgesneden, greep hen in den rug aan, terwijl zij nog worstelden met zijne reeds terugwijkende wagenstrijders, en voerde de meeste Aziaten, die aan de Egyptische pijlen en zwaarden ontkomen waren, als gevangenen mede.

Nadat hij zich wederom met zijne overige troepen vereenigd had, drong hij dieper in de vlakte door, stiet hier op Aziatische voetknechten en wagenstrijders, die met de zwaar gewapende Egyptenaars streden, en dreef hen in de wateren van den Orontes of van het meer van Kadesch. Het aanbreken van den nacht maakte een einde aan den strijd, die echter den volgenden morgen vroeg weder aanving.

Groote moedeloosheid had zich van de Aziatische bondgenooten meester gemaakt. Zich van de overwinning zeker wanende waren zij naar het slagveld opgetrokken. De gids Paäker had hun immers zijn koning verraden? Toen de pharao uittrok waren de beste wagenstrijders der Cheta heimelijk achter de stad geschaard en tegen Ramses afgezonden door de noordelijke opening van het dal, waardoor hij tegen Kadesch optrok. Gelijktijdig waren andere uitgelezen troepen, in het geheel twee duizend vijfhonderd wagens, door een dwarsdal getrokken, dat zij in den nacht bezet hadden, ten einde hem in de flank te vallen. Al deze plannen waren uitgevoerd, en desniettemin hadden de Aziaten eene geduchte nederlaag geleden en hunne voornaamste helden verloren, waaronder Titoere, den kanselier, en Chiropasar, den boekenschrijver van den koning der Cheta339), die het zwaard zoo goed kon hanteeren als het schrijfriet, en bestemd was de zege der Aziaten te schilderen en tot de nakomelingschap over te brengen. Ramses had den een, en zijn onbekende metgezel in den strijd, den ander met eigene handen verslagen, en behalve deze nog vele andere aanvoerders der Cheta en hunner bondgenooten.

De koning werd als een god met gejuich en lofgezangen in het leger begroet. Zelfs de tempelboeren en de in Opper-Egypte gelichte burgers, die door Ani omgekocht en den langdurigen strijd moede waren, werden door de algemeene geestdrift medegesleept. Zij prezen vroolijk den grooten held en koning, den machtige, die den nek van elken weerspannige wist te buigen. Zij brachten hulde aan den gelukkigen uitslag.

Nu werden de dooden en gewonden op het slagveld opgezocht. Onder de laatsten had men ook Mena gevonden.

Rameri werd vermist; in de eerstvolgende dagen werd het bekend, dat hij als gevangene in handen der vijanden was gevallen. Hij werd terstond tegen de in Mena’s tent teruggehoudene dochter van den vorst der Danaërs uitgewisseld.

Paäker was verdwenen, maar de geelvossen, die hem in den strijd hadden gevoerd, werden ongedeerd vóor zijn verbrijzelden en met bloed bevlekten wagen gevonden.

De Egyptenaars bezetten Kadesch. Chetasar, de vorst der Cheta, wendde pogingen aan, in zijn eigen naam en dien zijner bondgenooten, om met den pharao in vredesonderhandeling te treden. Doch het stond bij Ramses vast, dat hij hen niet hier, maar aan de grenzen van Egypte zijne vredesvoorwaarden zou voorschrijven. Er bleef voor de overwonnenen geene keuze, en de plaatsvervanger van den koning der Cheta, — hijzelf was gewond, — benevens twaalf vorsten van de aanzienlijkste volken, die tegen den pharao in het veld waren getogen, moesten zich bij zijn zegetocht aansluiten. Men bewees hun alle eer, en behandelde hen, alsof zij de koning zelf waren. Maar zij waren toch niets meer en niets minder dan zijne gevangenen.

De pharao wenschte geen tijd te verliezen, want zijn hart was vervuld van zwaarmoedige voorgevoelens. Over zijn anders zoo zonnig gemoed had zich een sluier uitgebreid van somberheid, die hem te voren geheel vreemd was. Voor de eerste maal was hij aan den vijand verraden door een Egyptenaar, die hem zoo na stond.

De daad van Paäker had het blijmoedig vertrouwen van den pharao geschokt. Toen de vorst der Cheta om vrede smeekte, had hij niet onduidelijk laten blijken, dat Ramses in zijn eigen huis veel met geweld van wapenen zou moeten beslechten. De koning voelde zich tegen Ani, de priesterschap en allen die hij in Egypte had achtergelaten meer dan opgewassen, maar het smartte hem diep wantrouwen te moeten gevoelen, en de onzekerheid viel hem zwaarder te dragen dan het ongeluk. Daarom verlangde hij naar Egypte terug.

Ook om nog iets anders gevoelde hij tegenzin den krijg voort te zetten. Mena, dien hij liefhad als zijn eigen zoon, die zijne minste wenken begreep, die, zoodra hij den wagen betrad aan hem behoorde, als ware hij een deel van zijn lichaam, bestuurde zijne rossen niet meer. Hij was door eene uitspraak van de legeraanvoerders van zijn ambt ontzet geworden. Hijzelf had dit oordeel moeten bevestigen als rechtvaardig en zacht, want door zijn gebieder prijs te geven om eigen wraak uit te oefenen had de wagenmenner een daad gepleegd, die eigenlijk met den dood gestraft moest worden. Sedert zijne worsteling met Paäker had de koning Mena niet wedergezien, maar met deelneming luisterde hij naar allen, die hem gedurig kwamen berichten, dat de zwaar gewonde in beterschap toenam.

Het opgewekt, beslist en wakker karakter van den pharao was wars van alle droomerij. Niemand had hem, zelfs in uren van de zwaarste vermoeienis, ooit aangetroffen in sombere en nevelachtige mijmeringen. Thans kon hij bijwijle strak voor zich staren, als ware zijn geest omfloersd, en schrikte hij dikwijls wakker, als iemand die plotseling uit den slaap wordt gewekt, wanneer de buitenwereld hare eischen aan hem deed gelden. Ontelbare malen had hij den dood in het aangezicht gezien en zijne dreigende blikken getrotseerd als die van elk anderen vijand, doch ditmaal was het hem geweest, als had hij reeds de kille hand van den overmachtigen tegenstander aan zijn hart gevoeld.

Ook het gevoel van machteloosheid, dat zich van hem had meester gemaakt, toen hij aan de willekeur van zijne onbeteugelde paarden was prijsgegeven, gelijk een blad dat door den wind wordt medegevoerd, en door een wonder gered werd, wilde hem maar niet verlaten. — Een wonder! — Was Amon werkelijk in menschelijke gedaante op zijn geroep verschenen; was hij inderdaad een zoon der goden en vloeide er goddelijk bloed in zijne aderen?

De hemelsche goden hadden hem buitengewone gunst bewezen, maar hij was toch niet meer dan een mensch; dat leerden hem de smarten zijner wonden, en de misleidingen, waarvan hij bijna het slachtoffer was geworden. Ja, hij moest zichzelven wel beschouwen als een veroordeelde, die genade had ontvangen in het oogenblik, waarop het vonnis zou worden voltrokken. Hij was een mensch als alle andere menschen, en hij wilde een mensch zijn. Hij verblijdde zich er over, dat ook voor hem de toekomst in nevelen was gehuld; dat hij tallooze zwakheden had, die hij deelde met hen die hij liefhad, vooral dat hij het bewustzijn in zich omdroeg, onder gelijke omstandigheden toch meer te vermogen dan al zijne tijdgenooten.

Spoedig na zijne overwinning brak Ramses met de vorsten der overwonnen volken in zijn gevolg naar Egypte op, nadat alle belangrijke bergpassen en vaste plaatsen in Syrië door zijne krijgslieden waren bezet. Hij zond twee zijner zonen naar Bent-Anat te Megiddo, om haar over zee naar Pelusium te brengen. Hij wist dat de bevelhebbers, die de havens der verste grondvesting in het oostelijkste gedeelte van zijn rijk bewaakten, hem trouw waren toegedaan. Tevens gaf hij zijne dochter bevel het schip niet te verlaten, tot hij zou aangekomen zijn, ten einde haar voor elken aanslag van den stadhouder te vrijwaren. Ook een groot deel van het oorlogsmaterieel en de meeste gekwetsten werden over zee naar Egypte gezonden.

TIENDE HOOFDSTUK.

Sedert den beslissenden slag bij Kadesch waren er bijna drie maanden verloopen. Heden werd de pharao, met zijne als overwinnaars terugkeerende troepen, gewacht in het sterke Pelusium, den sleutel van Egypte voor alle legers, die uit het oosten kwamen340).

Er waren schitterende toebereidselen gemaakt om den koning te ontvangen, en hij die de maatregelen voor het feest leidde, met een ijver die dubbel verrassend was, omdat hij anders zoo kalm van aard scheen te zijn, was niemand minder dan de stadhouder Ani. Overal zag men zijn wagen, nu eens bij de werklieden, die de triumfbogen met frissche bloemen moesten tooien, dan weder bij de slaven, die de houten leeuwen langs de straten, opzettelijk voor deze gelegenheid vervaardigd, met kransen omslingerden. Het meest en het langst zag men hem bij het kolossale houten paleis, in korten tijd opgetimmerd op de plaats waar vroeger de Hyksos gelegerd waren341). Daar zou het eigenlijk welkomstfeest worden gevierd en de pharao voorloopig met de zijnen verblijf houden.

Door samenwerking van vele duizende menschenkrachten was het gelukt in weinige weken dit prachtig gebouw te voltooien342). Er ontbrak werkelijk niets, wat een koning, die aan weelderigen glans gewoon was, maar in eenig opzicht begeerlijk kon toeschijnen. Een hooge op zichzelf staande trap leidde uit een keurig aangelegden tuin, die als uit het niet te voorschijn was geroepen, naar eene voorzaal, waarachter de eigenlijke feestzaal gelegen was. Deze laatste was buitengewoon hoog opgetrokken. Het houten dakgewelf, dat duizende sterren op een blauwen grond vertoonde en het firmament voorstellen moest, rustte op zuilen, waarvan sommige de gedaante hadden van dadelpalmen, andere van ceders van den Libanon. De breede bladeren en de fijnvertakte naalden er aan, bestonden uit kunstig vastgehecht en beschilderd weefsel. De zuilen waren over de geheele breedte van de zaal aan elkander verbonden door blauwachtig gaas. Alleen midden aan den oostelijken achterwand van deze zaal was dit gaas saamgestoken in den vorm van eene schelp, die, bezaaid met groen en blauw vloeispaath, paarlemoer, plaatjes van spiegelblank Moscovisch glas en andere blinkende sieraden, zich als een baldachijn over den hoogen troon van den pharao uitbreidde. Deze koninklijke zetel had de gedaante van een schild dat door leeuwen werd bewaakt, die aan zijne beiden zijden als leuningen rustten. Het geheel werd gedragen door vier geboeide Aziatische vorsten, die onder het gewicht van dezen last schenen te bezwijken.

De vloer van deze feestzaal was bedekt met zware tapijten, die eene voorstelling moesten geven van den zeebodem; want men zag op den blauwen grond de meest verschillende gedaanten van mosselen, visschen en waterplanten. Hier stonden rondom sierlijke tafels wel driehonderd zetels voor de grooten van het rijk en de aanvoerders van het leger. Overal hingen ontelbare lampen in de gedaante van leliën en tulpen, en in de voorzaal stonden groote korven met rozen gereed, die bij de aankomst voor den koning moesten uitgestrooid worden.

Ook de slaapvertrekken van den koning en de zijnen waren prachtig gemeubeld. Rijk geborduurde purperen weefsels hingen als tapijten langs de wanden neer. De zoldering was gedekt door blauw-wit gaas, in doffen opgenomen, alsof het lichte boven het hoofd zwevende wolkjes waren. De grond was in plaats van met tapijten, met giraffen-vellen belegd.

Meer naar de zijde van de stad waren de barakken opgeslagen voor de garden en lijfwachten des konings, alsmede de vorstelijke stallen, die van het paleis gescheiden waren door den tuin, die het van alle zijden omgaf. Een afzonderlijk, fraai verguld en met bloemen versierd paviljoen was bestemd om de paarden te herbergen, die den koning in den slag gereden hadden, en door hem aan den zonnegod waren gewijd.

Op dit oogenblik doorwandelde de stadhouder Ani met vrouwe Katoeti deze in allerijl opgetrokken feestzalen.

»Mij dunkt dat alles goed geslaagd is,” zeide de weduwe.

»Eén ding alleen weet ik niet uit te maken,” antwoordde de stadhouder. »Wat moet ik het meest bewonderen: uw vindingrijke geest, of uw smaak?”

»Laten wij daarover thans niet spreken,” hernam de weduwe met een glimlach. »Indien ik in eenig opzicht lof verdien, dan is het voor mijn ijver om u te dienen. Wat moest er in dit moerassig oord343), waar de lucht vervuld is van hinderlijke insecten, al niet wordt uitgedacht, gewaagd, geordend en afgedaan, eer dit gebouw er stond! Nu is het voltooid, maar voor hoe lang?”

Ani zag naar den grond, terwijl hij herhaalde: »Voor hoe lang?” — Daarna ging hij aldus voort: »Eén groot waagstuk is reeds mislukt. Ameni is koel geworden en verroert zich niet meer. De troepen, waarop ik reken, zijn mij misschien nog toegedaan, maar veel te weinig in aantal. De Hebreën, die hier hunne kudden hoeden, en die ik voor mij heb gewonnen door hen van dwangarbeid te ontheffen, hebben nimmer wapenen gedragen. Bovendien, gij kent dit volk! Zij kussen de voeten van den roemrijken overwinnaar, al moesten zij ook om hem te naderen door het bloed hunner kinderen waden. Het ontbreekt mij aan vertrouwen. En behalve dit.... het is,... er heeft zich... nu ja, de sperwer, die de oude Hekt voor mij verzorgt, is juist heden zoo ziek en afgemat....”

»Hij zal zich morgen des te trotscher weer oprichten, als gij een man zijt,” zeide Katoeti, en hare oogen vonkelden van toorn. »Gij kunt thans niet meer terug! Hier in Pelusium neemt Ramses, die als een god door u ontvangen wordt, uw feest aan. Ik ken den koning! Hij is te trotsch om wantrouwend te zijn, en zoo ingenomen met zichzelven, dat hij niets moeielijker toegeeft, dan dat hij zich in een mensch, onverschillig of het een vriend is of een vijand, zou hebben vergist. Hij zal den man, die hijzelf, toen hij hem tot zijne stadhouder benoemde, voor den waardigsten in het land verklaarde, ongaarne verdoemen. Heden nog behoort zijn oor aan u, morgen reeds aan uwe vijanden, en er is in Thebe te veel geschied, dan dat het zou kunnen uitgewischt worden. Gij zijt den leeuw gelijk, die tusschen zijn wachter en de traliën staat. Laat gij thans den tijd ongebruikt voorbijgaan, dan zit gij in de kooi; maar voelt gij heden uw kracht en toont gij een leeuw te zijn, dan is het met hem die u temde gedaan!”

»Gij houdt niet op mij aan te zetten,” hernam Ani. »Maar wanneer nu, nadat Paäker’s zoo voortreffelijk uitgevoerd plan is mislukt, ook uw aanslag eens verkeerd uitvalt?”

»Zoo staat het met uw zaak niet slimmer dan thans,” antwoordde Katoeti. »De goden, niet de menschen besturen de elementen. Is het waarschijnlijk, dat gij zulk een prachtig gebouw met zooveel zorg zult hebben doen voltooien, om het te verbranden? Wij hebben en behoeven niemand, die van ons plan kennis draagt!”

»Maar wie zal den brand steken in de vertrekken, die door Nemoe en mijn stommen slaaf met stroo en pek zijn gevuld?” vroeg Ani.

»Ik,” antwoordde Katoeti vastbesloten, »en met mij nog iemand die van Ramses niets te verwachten heeft.”

»En wie zal dat zijn?”

»Paäker.”

»Is de Mohar dan hier?” vroeg de stadhouder verschrikt.

»Gij hebt hem zelf gezien.”

»Gij vergist u,” zeide Ani. »Ik zou ...”

»Herinnert gij u dien eenoogigen zwarte, met zijn grijs hoofd, die u gisteren mijn schrijven overbracht? — Dat is de zoon mijner zuster.”

De stadhouder bracht de hand aan zijn voorhoofd, en prevelde, terwijl eene rilling hem door de leden voer: »Die arme!”

»Hij is vreeselijk veranderd,” zeide Katoeti. »Hij had zich niet eens behoeven te verven, om zelfs voor zijne moeder onkenbaar te zijn. In het gevecht met Mena heeft hij een oog verloren. Een zwaardsteek van mijn schoonzoon verwondde zijne longen, zoodat hij moeilijk spreekt en ademhaalt. Het vleesch van zijne breede schouders is verdwenen, en zijne stevige beenen, waarop hij vroeger zoo pochte, zijn thans dunner dan die van een neger. Zonder aarzelen liet ik hem onder mijne dienaars verwijlen. Mijn aanslag kent hij nog niet, maar ik weet dat hij ons helpen zal, al bedreigden hem ook duizend dooden. Om der goden wil, draal en wankel nu niet langer! Wij zullen den boom voor u schudden, zorg gij slechts bij de hand te zijn, als het er morgen op aan zal komen de vruchten op te rapen. Eén ding echter moet ik verlangen. Beveel den opzichter der wijnschuren dat hij het druivennat niet spare, opdat de garde en de Sardische wachters ons niet storen. Ik weet dat gij bevel hebt gegeven, van de vijf schepen, die den inhoud van uwe wijnschuren hierheen brachten, maar drie te ontladen. Ik dacht dat de toekomstige beheerscher van Egypte ten minste niet zoo angstvallig spaarzaam zou zijn!”

Om Katoeti’s lippen speelde een trek van minachting, terwijl zij deze woorden sprak.

Ani merkte het op en zeide: »Gij houdt mij voor schroomvallig. Nu ja, ik stem het toe, het zou mij wel zoo lief zijn, wanneer ik kon maken dat vele dingen, die ik op uw aandrijven heb gedaan, niet gebeurd waren. Ik zou ook gaarne van dezen nieuwen aanslag afzien, hoe zorgvuldig wij alles ook bij den aanleg en de versiering van dit gebouw hebben voorbereid. Den wijn wil ik er aan geven. Inderdaad, er zijn wijnkruiken bij, die nog uit den tijd van mijn vader afkomstig zijn. Doch het moet zoo zijn. Gij hebt gelijk! Er is reeds te veel gebeurd, dat ’s konings toorn gaande zal maken. Gij zijt verstandig! Doe wat gij goed acht. Ik slaap na het feest in het kamp der Ethiopiërs.”

»Zij zullen u tot koning uitroepen, zoodra die overweldigers verbrand zijn,” riep Katoeti. »Als er maar eenigen schreeuwen, zoo volgen de anderen vanzelf, en al hebt gij Ameni ook vertoornd, hij huldigt u altijd nog liever dan Ramses. — Daar komt hij, zie, daarboven wapperen reeds de vanen!”

»Zij naderen,” zeide de stadhouder. »Nu nog éen ding! Zorg gij er persoonlijk voor, dat de prinses Bent-Anat de voor haar bestemde vertrekken betrekt. Zij mag niet in den brand omkomen.”

»Nog altijd dezelfde?” vroeg Katoeti schalks en toch niet zonder bitterheid lachende. »Wees niet bezorgd; hare vertrekken liggen gelijkvloers en zij zal gewaarschuwd worden.”

Ani zeide haar vaarwel. Hij wierp nog een blik in de groote zaal en sprak daarna zuchtende: »Mijn gemoed is beklemd; ik wenschte dat deze dag en nacht voorbij waren!”

»Het komt mij voor,” zeide Katoeti met een glimlach, »dat er veel overeenkomst is tusschen u en deze schoon versierde feestzaal, die er thans zoo verlaten, haast huiveringwekkend uitziet. Maar dat alles zal heden avond veranderen, wanneer zij met gasten gevuld is. Tot koning zijt gij geboren, en toch nog geen koning. Gij zult eerst geheel uzelf zijn, wanneer kroon en schepter u toebehooren.”

Ani dankte haar met een lachje en verliet haar. Katoeti prevelde echter voor zichzelve: »Bent-Anat zal met de overigen verbranden; ik heb geen lust de heerschappij over dezen met haar te deelen!”

Uit alle deelen van Egypte waren mannen en vrouwen saamgestroomd, om den terugkeerenden overwinnaar en zijne troepen aan de grenzen van zijn rijk te ontvangen344).

Elk eenigszins aanzienlijk priestercollege had Ramses eene deputatie tegemoet gezonden. Het college van de Nekropolis van Thebe zond vijf zijner medeleden, met den opperpriester Ameni en den tweeden profeet van het Seti-huis, den ouden Gagaboe, aan het hoofd. De in het wit gekleede dienaars der godheid naderden in statigen optocht de brug, die over den oostelijken, den Pelusinischen Nijlarm voerde in het eigenlijke, door de wateren van den heiligen stroom bevruchte Egypte345).

De trein werd geopend door de afgevaardigden van den eerwaardigen Ptah-tempel te Memphis, welken Mena, de eerste koning wiens hoofd de kroon van Opper- en Neder-Egypte sierde, reeds gesticht zou hebben, en tot welks opperhoofd de oudste zoon van Ramses, Chamoes, was benoemd. Hierop volgden zij, die door het niet minder eerwaardige Heliopolis waren afgezonden. Daarachter kwamen zij, die den rijkstempel en die de Nekropolis van Thebe vertegenwoordigden. Maar weinige leden dezer gezantschappen droegen het eenvoudig witte kleed van de dienaars der godheid, daar de meesten getooid waren met het panthervel der profeten. Elk hield een langen staf in de hand die met rozen, leliën en groen loof was omwonden. Velen droegen gouden armen met gebogene handen, in welker holte, bij de nadering des konings, kostbaar reukwerk zou worden ontstoken. Onder de afgevaardigden van de Amon-priesters van Thebe bevonden zich ook enkele aanzienlijke vrouwen346), die bij den dienst van den god werkzaam waren. Daarbij zag men ook Katoeti, die kort geleden, op uitdrukkelijk verlangen van den stadhouder, onder haar was opgenomen.

De opperpriester Ameni liep nadenkend naast den profeet Gagaboe voort.

»Wat is toch alles gansch anders uitgekomen dan wij dachten en wenschten!” zeide de laatste zacht. »Wij zijn boden met verzegelde brieven; wie kent den inhoud?”

»Ik begroet Ramses met een blijmoedig hart,” antwoordde Ameni op beslisten toon. »Na alles wat hem voor Kadesch wedervoer, keert hij niet terug, gelijk hij was toen hij te veld trok. Hij weet nu wat hij aan Amon verschuldigd is. Zijn zeer geliefden zoon heeft hij reeds in dienst gesteld van den god van Memphis. Hij heeft beloofd prachtige tempels te bouwen, en den hemelschen goden rijke geschenken te geven. En Ramses is gewoon zijne geloften beter gestand te doen, dan die lachende zwakhoofd daar op den wagen.”

»Ik maak mij beangst over Ani,” zeide Gagaboe.

»De pharao zal hem niet straffen, zeker niet,” verzekerde de opperpriester. »En hij heeft niets van hem te vreezen, want dit wankelend riet is, zonder krachtigen steun, een speelbal der winden.”

»Wat groote dingen hebt gij toch niet van hem verwacht!”

»Niet van hem, maar door hem, als hij door ons werd geleid,” hernam Ameni zacht, maar met nadruk. »Dat ik hem opgaf, is geheel zijne eigene schuld. Hij heeft onzen eersten wensch, den dichter Pentaoer te sparen, in den wind geslagen; geen eedbreuk ontzien om ons te bedriegen, en een der heerlijkste werken der goden, want dat was de dichter, te vernietigen, om eene nietsbeduidende beleediging. Het valt moeilijker te strijden tegen arglistige zwakheid dan tegen redelijke kracht. Zouden wij den man, die ons Pentaoer ontstolen heeft, met eene kroon beloonen? Het valt ieder mensch zwaar een weg, dien men eenmaal heeft ingeslagen, te verlaten en een beteren te kiezen, een reeds half ten uitvoer gelegd plan op te geven om een ander te volgen, dat beter uitzichten opent. Doet hij het, dan loopt hij gevaar door de menschen van onbestendigheid beschuldigd te worden. Doch wij zien noch rechts noch links, en wanneer wij handelen in het algemeen belang, behoeven wij ons niet te houden binnen de perken, die door wet of gewoonte voor de daden van gewone menschen zijn gesteld. Wij treden terug even voor de bereiking van het doel; wij laten hem vallen, dien wij omhoog hieven, en verheffen den man, dien wij zelven hadden neergeworpen, tot de hoogste hoogte. Om kort te gaan, wij bekennen voor onszelven, en hebben ons sedert eeuwen aan die leer gehouden. Elke weg is goed, die tot het groote doel voert, namelijk om der priesterschap de heerschappij over dit land te verzekeren. Ramses, door een wonder gered, die komt met de belofte om tempels te bouwen, zal zijn dorst naar groote daden niet meer als krijgsman maar als bouwmeester trachten te lesschen. Hij zal ons noodig hebben, en hem die ons noodig heeft, kunnen wij leiden. Ik huldig thans met blijdschap den zoon van Seti.”

Ameni had nog niet uitgesproken, toen de vlaggen aan de masten vóor de eerepoorten werden geheschen. Aan gene zijde van den Nijl gingen stofwolken op, en het geklank van bazuinen liet zich hooren. Daar vertoonden zich de paarden, die Ramses naar het slagveld hadden gereden. De koning mende ze zelf en zijn aangezicht straalde van vreugde, toen de zijnen hem aan de andere zijde van de brug met een onbeschrijfelijk gejuich begroetten, toen tienduizenden hem met tranen van ontroering en geestdrift ontvingen, en een regen van tallooze geurige bloemen en knoppen, van groen loof en palmtakken voor zijne voeten neder viel.

Ani ging allen die den pharao ontvingen vóor. Hij wierp zich deemoedig voor de paarden in het stof, kuste de aarde, en overhandigde den koning den op een zijden kussen liggenden gouden schepter, die hem zoolang was toevertrouwd.

De koning riep hem genadig tot zich, en toen Ani zijn gewaad greep om het te kussen, boog Ramses zich tot hem neder en raakte met zijne lippen het voorhoofd van zijn plaatsvervanger aan. Hij verzocht hem vervolgens zijn wagen te bestijgen en de teugels van zijne rossen in handen te nemen.

In ’s konings oogen parelden tranen van dankbaarheid. Men had hem dus niet misleid. Als een gelukaanbrengend en geliefd vader, niet als een straffend gebieder, kon hij het land weder betreden, voor welks grootheid en welvaart hij leefde. Tot in het diepst zijner ziel bewogen, ontving hij den welkomstgroet der priesters, en met hen bad hij voor het oog van de verzamelde volksmenigte.

Vervolgens liet hij zich naar het voltooide praalgebouw brengen. Vroolijk besteeg hij den hoogen voortrap. Boven gekomen, begroette hij vandaar de zich verdringende menigte zijner saamgestroomde onderdanen. Tweeduizend rijk getooide stieren en even zooveel tamme antilopen347), die als een dankoffer aan de goden voor zijn behouden terugkomst zouden geslacht worden, getemde leeuwen en luipaarden, vreemde boomen, op welker takken bontgevederde vogels zich wiegden, giraffen, wagens met struisvogels bespannen, dat alles en nog meer zag hij voorbij voeren, terwijl hij den stoet wachtte, die van de haven kwam, met Bent-Anat, in een draagstoel gezeten, aan het hoofd.

Ten aanzien van het geheele volk omarmde Ramses zijne dochter. Hij meende, dat hij zijne onderdanen moest laten deelen in het geluk en de hartelijke dankbaarheid, die hem vervulden. Zoo schoon als heden was zijn meest geliefd kind hem nog nooit voorgekomen. Zijn hart werd ontroerd, want zij herinnerde hem zijne gestorvene gemalin348), op welke zij hoe langer hoe meer scheen te gelijken.

De vrouw van Mena was hare vorstelijke vriendin gevolgd als draagster van haar waaier. Zij knielde voor den pharao, terwijl deze zich verheugde over het wederzien van zijne dochter. Thans merkte hij ook Nefert op, en beval haar vriendelijk op te staan, zeggende: »Wat moet ik heden al niet beleven! Ik heb ondervonden, dat hetgeen ik weleer voor het grootste geluk hield, toch nog overtroffen kan worden. En nu zie ik, dat ook het schoonste zich nog tot hooger schoonheid kan ontwikkelen. Mena’s ster is eene zon geworden.”

Bij deze woorden gedacht Ramses zijn wagenmenner. Een oogenblik rimpelde zich zijn voorhoofd, toen boog hij langzaam het hoofd, met nedergeslagen oogen. Bent-Anat kende deze beweging haars vaders. Zij was de voorbode van een dier vriendelijke, ook weleens ondeugende plannen, waarmede hij de zijnen placht te verrassen. Ditmaal zag hij echter langer dan gewoonlijk naar beneden.

Eindelijk hief hij het hoofd weder op, en liefderijk schitterden zijne groote oogen, toen hij zijne dochter vroeg: »Wat heeft uwe vriendin wel gezegd, toen zij hoorde dat haar gemaal eene vreemde schoone in zijne tent genomen en daar maanden lang geherbergd heeft? Ik vraag de volle waarheid, Bent-Anat!”

»Ik ben Mena dankbaar voor deze daad,” antwoordde de prinses, »die zeker licht te vergeven zal zijn, omdat gij er over spreekt met een glimlach, want zij bracht zijne vrouw tot mij. Hare moeder schold op haar echtgenoot met bittere hardheid, maar zij bleef gelooven in zijne trouw en verliet zijn huis, daar zij niet kon verdragen hem te hooren belasteren.”

»Is dat waar?” vroeg Ramses.

Nefert knikte toestemmend met het schoone hoofd, en een tweetal tranen rolde langs hare blozende wangen.

»Hoe goed moet hij zijn,” riep de koning, »wien de goden zulk een geluk laten te beurt vallen! Ceremoniemeester! Beveel Mena, dat hij mij heden aan tafel bediene, gelijk vóor den slag bij Kadesch. Hij wierp in het gevecht de teugels weg, toen hij zijn vijand zag; laat hij nu oppassen, dat hij met den beker niet hetzelfde doe, wanneer zijne geliefde meesteres349) hem aan den maaltijd met deze beide oogen zal aanzien. Gij vrouwen zult aan het maal deelnemen.”

Nefert zonk dankend voor den koning op de knieën, doch hij keerde zich van haar af, om de waardigheidsbekleeders te begroeten, die gekomen waren om hem te verwelkomen, en reed daarna naar den tempel, waar hij het slachten der offers bijwoonde, en zijne gelofte, namelijk dat hij uit dankbaarheid voor zijne redding uit doodsgevaar een prachtigen tempel te Thebe zou stichten, voor de priesterschap en geheel het volk plechtig herhaalde. De geestdrift waarmede hij ontvangen werd, waar hij zich ook vertoonde, was zonder wederga. Zijn weg voerde hem ook voorbij de haven en de tenten, waarin de gewonden verpleegd werden, die te scheep naar Egypte vooruitgezonden waren. Hij groette allen van zijn wagen met bijzondere vriendelijkheid.

De stadhouder Ani mende weder de paarden. Hij liet de edele dieren langzaam door de rijen der herstellenden stappen. Maar plotseling gaf hij de teugels een hevigen ruk. De paarden steigerden en waren met moeite weder rustig in gang te brengen. Getroffen zag Ramses om. Waar de paarden waren geschrikt, had ook hem eene huivering aangegrepen, want hij meende den persoon gezien te hebben, die te Kadesch zijn leven had gered.

Had de blik eener godheid de paarden doen schrikken? Moest het eene zinsbegoocheling heeten, of was zijn redder inderdaad een sterfelijk mensch, en als gewonde van het slagveld teruggekeerd? De man, die naast hem de teugels hield, had de oplossing kunnen geven, want Ani had Pentaoer herkend, en daarbij vol ontzetting in de teugels gegrepen.

ELFDE HOOFDSTUK.

De zon was reeds ondergegaan, toen de koning andermaal bij het houten praalgebouw aankwam. In de dagheldere feestzaal, die door ontelbare lampen werd verlicht, bewogen zich thans in bonte mengeling de gasten, die den koning met ongeduld wachtten. Bij Ramses’ verschijning bogen zij zich, elk naar zijn rang, meer of minder diep. De pharao zette zich op zijn troon met al zijne kinderen in een breeden halven cirkel om hem heen. Dáar gingen zijne getrouwen vóor het begin van den maaltijd, hem een voor een voorbij. Hij had voor elk een vriendelijk woord of ten minste een blik, waardoor hij ieder wist te eeren en voor zich te winnen, en blijde hoop wekte in aller harten.

»Indien er,” zeide hij tot zichzelf, »in mijne koninklijke waardigheid iets is, dat stellig goddelijk mag heeten, dan is het zeker dit, dat het mij zoo gemakkelijk valt anderen gelukkig te maken. De voorvaderen kozen zich de giftige Uraeus-slang tot symbool hunner vorstelijke waardigheid, omdat wij even snel als zij kunnen dooden350). Toch rust het vermogen om gelukkig te maken op onze eigene lippen en in onze eigene oogen, terwijl wij een werktuig noodig hebben, wanneer wij straffen moeten.”

»Neemt mij de Uraeus-kroon van den schedel,” zeide hij, toen hij van zijne troon afdaalde, om aan den feestdisch plaats te nemen, »legt mij heden een bloemenkrans om het voorhoofd.”

Onder de plechtigheid der begroeting verwijderden zich twee mannen uit de zaal, de stadhouder Ani en de opperpriester Ameni. De eerste gaf aan eenige veiligheidsbeambten bevel in de legerplaats, voor de gewonden bij de haven opgeslagen, den dichter Pentaoer op te zoeken, dezen, zonder opzien te wekken, naar zijne tent over te brengen en daar te bewaken tot hij terug zou keeren. Hij bezat den drank nog van de oude Hekt, die den scheepsgezagvoerder het verstand had moeten benemen, en het stond hem vrij den dichter daar als gast en niet als gevangene te begroeten. Pentaoer kon hem kwaad doen, hetzij dat Katoeti’s aanslag gelukte of mislukte.

Ameni had het gebouw verlaten, om den ouden Gagaboe een bezoek te brengen. Deze had bij de feestelijke ontvangst te lang in de brandende zon moeten staan, en was bewusteloos naar de tent gedragen, waarin hij met den opperpriester verblijf hield, en die op geringen afstand van die des stadhouders was opgeslagen. De overste van het Seti-huis vond den grijsaard geheel hersteld, en maakte zich gereed zijn wagen te bestijgen en tot het feest terug te keeren, toen de gerechtsdienaars van den stadhouder Pentaoer langs hem heen voerden.

De gevangene trok, door zijne deftige gestalte, onwillekeurig Ameni’s aandacht. De dichter herkende den opperpriester, riep hem bij zijn naam, en weldra stonden beiden hand in hand tegenover elkander. Toen de wachters zich hierover schenen te verontrusten, gaf de opperpriester te kennen wie hij was. Hij verheugde zich oprecht over het behoud en het wederzien van den meest geliefden zijner leerlingen, wiens dood hij sedert maanden had betreurd. Met vaderlijke teederheid beschouwde hij zijne mannelijke gestalte, en beval de dienaars, die zich voor zijne hooge waardigheid bogen, »zijn vriend” op zijne verantwoording niet in de tent van Ani maar in zijne eigene te brengen.

Pentaoer vond daar den ouden Gagaboe, die onder het herhaald uitroepen van »Ach!” en »Helaas!” van vreugde over zijne redding weende als een kind. Alles wat Ameni den dichter zou hebben kunnen verwijten, scheen vergeten te zijn. Ameni liet hem terstond bekleeden met een nieuw wit gewaad, hield niet op hem met bewondering aan te zien, en klopte hem gedurig met zijne trotsche hand op den schouder, als ware Pentaoer zijn eigen verloren en teruggevonden zoon.

Haastig moest de dichter mededeelen al wat hij had doorleefd. Hij vertelde van zijne gevangenschap en van zijne bevrijding bij den heiligen Sinaï, van zijne ontmoeting met Bent-Anat, en dat hij mede gestreden had in den slag bij Kadesch, dat hij door een pijl was gewond, maar door Warda’s vader gevonden. Hij verzweeg alleen wat hij voor Bent-Anat gevoelde, en dat niemand anders dan hij den koning had gered.

»Een uur geleden,” zoo besloot hij, »zat ik alleen in mijne tent en zag naar de lichten in het paleis daarginds, toen de veiligheidsbeambten, die daar buiten wachten, mij het bevel overbrachten, dat ik hen volgen moest naar Ani’s tent. Wat wil hij toch van mij? Ik heb allen grond te onderstellen, dat hij mij kwalijk gezind is.”

Gagaboe en Ameni wisselden een blik, dien zij wederkeerig verstonden. De laatste ging daarop in allerijl heen, want reeds te lang was hij van het feest weggebleven. Alvorens zijn wagen te bestijgen, gebood hij de wachters hunne posten weder te betrekken; hij nam op zich den stadhouder mede te deelen, dat zijn gast tot het einde van het feest in zijne tent zou vertoeven. De soldaten voldeden hieraan, zonder zich verder over Pentaoer te bekommeren.

Ameni bereikte vóor hen het paleis en trad de feestzaal in, toen de stadhouder reeds aan zijne gasten hunne plaatsen had aangewezen.

De opperpriester ging rechtstreeks op Ani toe, boog zich voor hem en zeide: »Vergeef mij mijn langdurig uitblijven; maar eene buitengewone verrassing hield mij terug. De dichter Pentaoer leeft, gelijk gij weet, en ik noodigde hem tot uw terugkeer als gast in mijne tent, om den profeet Gagaboe op te passen.”

De stadhouder verbleekte, terwijl hij Ameni sprakeloos en met glazige oogen toelachte. Maar spoedig herstelde hij zich en zeide: »Gij ziet, door welk eene onwaardige verdenking gij mij gekrenkt hebt. Ik wilde morgen uw lieveling weder bij u brengen.”

»Vergeef ons dan, dat wij u zijn voorgekomen,” zeide Ameni en nam zijn plaats in, in de nabijheid van den pharao.

Honderde slaven vlogen de zaal binnen, beladen met kostelijk tafelgereedschap. Gouden en zilveren mengvaten, uitmuntende door sierlijk drijfwerk, werden op raderen de zaal ingereden, en op de schenktafels geplaatst. In keurig beschilderde houten schelpen en lotusbloemen, die van de zoldering afhingen, waren kinderen geplaatst. Zij wierpen over het doorzichtig gaas, dat de zalen verbond, als uit de wolken rozen en viooltjes op de gasten neder. Uit voor het oog onzichtbare bijzalen weerklonk harpspel en gezang, en van een zes el hoog gouden altaar in het midden van de zaal, steeg de geur op van kostelijk en bedwelmend reukwerk.

De koning, onder wiens titels die van »zoon van den zonnegod” behoorde, straalde als ware hijzelf de zon. Zijne kinderen waren weder allen rondom hem; Mena schonk heden als in vroeger dagen den beker voor hem in. Al wat er aanzienlijk was in het land zag hij om zich heen geschaard, en verheugde zich met hem over zijne overwinning en zijne terugkomst.

Tegenover hem zaten de vrouwen, en vlak voor hem zij, die hij het liefst zag, Bent-Anat en Nefert. De raad aan Mena gegeven, dat hij den beker goed vast moest houden, scheen niet overbodig geweest te zijn, want maar al te dikwijls richtte hij zijn blik van de koninklijke bokaal op zijne aanminnige vrouw, uit wier mond hij nog geen welkomstgroet had kunnen vernemen, wier hand hij nog niet weder had aangeraakt.

Al de gasten verkeerden in eene feestelijke stemming.

Ramses verhaalde van den slag bij Kadesch, waarop de opperpriester van Heliopolis zeide: »Nog tot in later tijd zullen de zangers uwe daden prijzen.”

»Niet hetgeen ik verricht heb,” viel de koning hem in de rede, »moet hun lied verheffen, maar de genade van den god, die uw gebieder wonderbaar redde en de Egyptische wapenen de zege verleende over tallooze vijanden.”

»Zaagt gij den god met eigene oogen, en in welke gedaante verscheen hij u?” vroeg Bent-Anat.

»Het was een wonder,” antwoordde Ramses ernstig, »maar hij geleek den overleden vader van den verrader Paäker. Mijn redder was hoog van gestalte en schoon van gelaat. Hij had eene zware stem die door de ziel drong, en hij slingerde de strijdbijl als een speeltuig.”

Ameni had opmerkzaam naar ’s konings woorden geluisterd. Onder eene diepe buiging zeide hij nu met bescheidenheid: »Indien ik jonger was, zou ikzelf misschien beproeven, gelijk het de gewoonte was bij de vaderen, deze heerlijke daad van een god en zijn verheven zoon bij het feestmaal in een lied te verheerlijken. Maar het zoetvloeiende van onze stem verdwijnt met de jaren, en het oor van den hoorder luistert liever naar jongere zangers. Niets ontbreekt aan uw feest, milde Ani, als de dichter, die in geestdrift bij snarenspel de groote daad van onzen vorst bezingt. Toch vertoeft in onze nabijheid de door de godheid begenadigde Pentaoer, de edelste kweekeling van het Seti-huis.”

Bent-Anat verbleekte, en de aanwezige priesters, die het verlies van den door geheel Egypte gewaardeerden jongen dichter hadden betreurd, gaven niet onduidelijk hunne vreugde en verbazing te kennen.

De koning had door zijne zonen, met name door Rameri, Pentaoer hooren roemen, en gaf gaarne zijne toestemming, toen Ameni hem vroeg, of hij den dichter, die in den slag bij Kadesch had medegestreden, roepen en tot het voordragen van een feestgezang uitnoodigen mocht.

De stadhouder was niet zeer op zijn gemak, en zag met een bleek gelaat in zijn beker. Ameni stond echter op, om Pentaoer zelf te halen, en voor den koning te brengen.

Gedurende Ameni’s afwezigheid werden nieuwe gerechten opgedragen. Achter elken gast was een zilveren bekken met rozenwater, waarin zij van tijd tot tijd de vingers doopten om ze te reinigen. De dienende slaven stonden met rijk gestikte doeken om de handen af te drogen351) gereed, terwijl andere de verwelkte kransen van het hoofd en den hals der gasten wegnamen, om ze door frissche te doen vervangen.

»Gij zijt bleek, mijn kind,” zeide Ramses, zich tot Bent-Anat richtende. »Wanneer gij u vermoeid gevoelt, zal onze neef u zeker veroorloven het feest te verlaten. Maar ik dacht, gij moest toch blijven, tot de algemeen geprezen dichter zijn lied zal hebben gezongen. Wie zoo geroemd wordt als hij, heeft eene zware taak, als hij de hoorders wil bevredigen. — Doch waarlijk, mijne dochter, gij maakt mij ongerust. Wilt gij ook heengaan?”

De stadhouder was opgestaan en zeide dringend: »Door uwe tegenwoordigheid hebt gij mijn feest eer aangedaan. Daar het u echter schijnt te vermoeien, bid ik u mij te veroorloven u met de vrouwen naar de voor u bestemde vertrekken te geleiden.”

»Ik blijf,” antwoordde Bent-Anat zacht, maar beslist, en zag met een kloppend hart naar den grond, want het goedkeurend gemompel der gasten zeide haar, dat Pentaoer de zaal was binnengekomen.

Bescheiden, maar toch in verwarring gebracht door den ongewonen glans, die hem hier omgaf, trad de dichter, door Ameni geleid, vóor den koning. Hij droeg weder het lange witte gewaad van de priesters van het Seti-huis, en de struisveder, die de ingewijden onderscheidde, op het voorhoofd. Eerst toen hij vlak voor den koning stond sloeg hij de oogen op, wierp zich voor hem neder, en wachtte op een wenk van den pharao om weder op te staan.

Maar Ramses talmde lang, want de aanblik van dezen tot hem opzienden jongeling ontroerde hem. Was dit de gewaande god? Was dit dan zijn redder? Werd hij weder door de gelijkheid bedrogen, of droomde hij?

Alle feestgenooten zagen zwijgend naar den pharao, die daar roerloos zat, en den dichter.

Eindelijk gaf Ramses een wenk, Pentaoer stond op en zijn aangezicht werd donkerrood gekleurd, toen hij Bent-Anat in zijn nabijheid aanschouwde.

»Gij streedt voor Kadesch?” vroeg Ramses met bewogen stem.

»Zooals gij zegt,” antwoordde Pentaoer.

»Men roemt u als dichter,” ging de koning voort, »en wij verlangen mijne wonderbare redding in een lied te hooren verheerlijken. Wilt gij het beproeven, laat u dan een snarenspeeltuig brengen en zing.”

De dichter boog en zeide: »Mijne gaven zijn bescheiden, maar ik wil het beproeven, de schoonste daad te prijzen voor den held zelven die haar volbracht met den bijstand der goden.”

Ramses gaf een wenk en Ameni liet zijn leerling eene groote gouden harp overhandigen.

Pentaoer tokkelde de snaren zacht met zijne vingers, liet zijn hoofd rusten tegen den top van den krommen balk der harp, staarde lang in de ruimte, verhief zich toen in al zijn lengte, greep krachtig in de snaren, en ontlokte daaraan volle tonen, die in stoute rythmen als krijgsmuziek ver door de zaal klonken. Daarna begon hij in recitatief te berichten, hoe Ramses voor Kadesch zijn legerplaats had opgeslagen, hoe hij zijne troepen had geordend en tegen de Aziatische bondgenooten der Cheta in het veld had gebracht.

Gaandeweg nam zijne stem toe in omvang en kracht; geweldiger klonken de tonen, zoodra hij het keerpunt van den strijd, de redding van den koning, toen hij door de vijanden omsingeld was, begon te bezingen. Zich hoog oprichtende luisterde de pharao, toen Pentaoer zong352).

»Toen verhief zich de koning met vroolijker moed, De wapenen grijpend, omgord met het pantser, Gelijk aan den Baäl in ’t uur van den strijd. De rossen, zoo edel, bestemd hem te dragen — „In Thebe de zege”, zoo heette het eene, Het andere werd „Bevredigde Noera” genoemd. Zij waren gesproten van ’s Zonnegods rossen, Den liev’ling van Amon, den koning der waarheid, Dien zich de god Ra tot een stadhouder koos. Vooruit dringt de koning, hij stort zich te midden Der golvende rijen ellendige Cheta. Hij, geheel onverzeld, want geen ander was met hem! En toen hij gezien werd door de oogen der zijnen, Die achter hem waren, toen werd hij omsingeld Door meer dan twee duizend vijandelijke wagens. Versperd was hem de aftocht door tallooze benden Ellendige Cheta, en allerlei volken, Met dezen verbonden: de krijgers van Arad, Het Mysische heer en Pisidische strijders, Er waren drie mannen op iederen wagen En broederlijk waren zij allen vereenigd. „Geen vorst bleef bij mij, geen hoofdman der troepen, Geen leider der schutters, geen menner der wagens! Verlaten zelfs had mij ’t ontmoedigde voetvolk, De ruiters zelfs vloden, geen hunner hield stand, Om met mij getrouw aan mijn zijden te vechten.” Zoo sprak de Verhevene en riep in gebede: „God Amon, mijn vader, ik weet wie gij zijt! Vergat ooit de vader den zoon dien hij liefheeft? Vergat ik u ooit bij al wat ik deed? Heb ik niet gewandeld en stond ik niet stille, Uw woord steeds gehoorzaam, ’t gebod van uw mond? Wel is hij verheven, de heer van Egypte, Toch is hij voor uw’ onuitspreek’lijke grootheid Zoo klein als een zwervende stam der woestijne. Wat dan beteek’nen voor u die Semieten? Amon maakt kracht’loos al wie hem miskennen, Maar ik? Schonk ik u niet ontelbare gaven? Met gevangenen vulde ik uw heilige woning, Ik stichtte u een tempel zoo prachtig, zoo hecht, Dat hij zelfs millioenen van jaren kan duren. Ik vulde uwe schuren met alles wat mijn is. Ik bood u heel de aarde om uw rijk te vergrooten, En dertigmaal duizend der krachtigste stieren Liet ik voor u slachten op geurige houtmijt. Ook liet ik verrijzen verheev’ne pylonen En plantte daarvoor de bewimpelde masten. Ik deed obelisken u wijden uit Aboe353) En eeuw’ge steenen u ter eere bewerken. Voor u doorklieven mijn schepen de golven Opdat zij u brengen de schatting der volken. Zoo deed ik bestendig, want wel is rampzalig Het lot van die tegen uw raad zich verzetten. En nochtans regeert gij, met goedheid en liefde Als een zoon zijnen vader, zoo roep ik u, Amon Zie neder op mij, wien tallooze benden Van volken omringen, zoo vreemd aan uw harte. Tegen mij zijn verbonden de natiën alle, Ik sta hier alleen en geen ander is bij mij. Ik hen hier door al mijn voetvolk verlaten, Mij zoekt zelfs geen ruiter met angstigen blik, Ik riep hen, en niemand vernam mijne woorden, Toch weet ik: de wil van den machtigen Amon Heeft grooter kracht dan millioenen soldaten, Dan honderdmaal duizende wagens en ruiters, Dan tienmalen duizend der eigene broeders En bloeiende zonen in ’t hechtste verbond. Het werk van de menschen, hoe groot hun getal zij, Wordt nietige schaduw bij ’t werk van uw hand, Het woord uit uw mond bestuurde mijn daden, Ik was steeds gehoorzaam als Amon gebood. Zoo roep ik u aan, en mijn lof zal weerklinken Tot verr’ heen aan de uiterste grenzen der aarde.” Ja! tot aan Hermonthis drong door zijne stemme354) En Amon verscheen op zijn smeekende bede. Hij reikte de hand hem. Hij juichte van vreugde En achter hem sprak hij: „Ik snel u ter hulp, O Ramses, en zal aan uw zij met u strijden! Ik ben het, uw vader, wiens handen u dragen. Meer ben ik voor u dan honderdmaal duizend. De dapperheid eer ik, als sterkste der sterken, Een heldenhart vond ik, dat geef ik mijn zegen. En dat, wat ik voorneem, wordt zeker vervuld.” Toen wierp hij, den krijgsgod gelijk, met zijn rechter De gevleugelde lans, en hief op met zijn linker De wichtige strijdbijl en velde den vijand. Hij sloeg hem als Baäl in ’t uur van den slag. Vijand’lijke wagens, ze vlogen in stukken; Tweeduizend vijfhonderd. De rijders versagen; Niet een hunner vindt meer een hand om te vechten; De vrees grijpt hen aan en verlamt hunne leden. Zelfs weten zij niet meer hun pijlen te richten, Tot ’t slingeren der lanzen ontbreken de krachten, Nu dringt hij de scharen, zij storten in ’t water....”

In de ruime feestzaal was eene doodelijke stilte.

Ramses had den dichter onafgebroken aangestaard, als wilde hij zijn beeld geheel in zijne ziel opnemen, om het daar te plaatsen naast en te vergelijken met een ander, dat hem sedert dien dag van Kadesch onvergetelijk was. Er was geen twijfel meer aan, zijn redder stond voor hem!

Eene oogenblikkelijke opwelling volgende, viel hij den dichter midden in het gezang, dat hem zoo diep trof, in de rede en riep zijnen feestgenooten toe: »Eere zij dezen man, want de godheid koos zijne gestalte om uw koning te redden, toen hij alleen stond, en de duizenden hem omringden!”

»Heil Pentaoer!” ruischte het door de wijde zaal.

Daar stond Nefert op en overhandigde den dichter blozend den ruiker, dien zij op haar boezem had gedragen. Ramses gaf haar zichtbaar zijne goedkeuring te kennen en richtte een vragenden blik op zijne dochter.

Bent-Anat beantwoordde zijn blik met al de innigheid eener oprecht kinderlijke liefde. Zij had hem begrepen en scheen alleen zijne goedkeuring te vragen, toen zij den krans, die hare schoone haren had gesierd, van het hoofd nam, en dezen, naar den dichter toegaande, om zijne slapen legde, gelijk eene bruid haar verloofde tooit voor de bruiloft.

Ramses was getroffen door deze daad van zijn kind, die door de aanwezige gasten met luide teekenen van bijval werd beantwoord. Met een ernstigen blik beschouwde hij Bent-Anat en den jongen man. Aller oogen waren vol spanning op den koning en den dichter gericht, het scheen als had Ramses de tegenwoordigheid der feestgenooten vergeten, en stond hij daar alleen met zijne gedachten.

Langzamerhand was er verandering in zijne trekken te bespeuren. Zijn gelaat klaarde op, als een in nevelen gehuld landschap, wanneer de stralen der lentezon doorbreken. Toen hij zijne oogen weder ophief, verkondigden zij dat er blijdschap was in zijn helder gemoed. En Bent-Anat wist, wat hij haar wilde zeggen, toen hij eerst haar, daarna haar vriend, wiens hoofd nog altijd den bloemenkrans droeg, met welgevallen aanzag.

Eindelijk keerde Ramses zich van de twee geliefden af en riep hij de feestgenooten toe: »Het middernachtelijk uur is reeds voorbij, en ik verlaat u thans. Morgenavond noodig ik u allen, en u Pentaoer in het bijzonder, als mijne gasten in deze zelfde feestzaal. Vult nog eens de bekers, wij willen ze ledigen op den langen duur van den vrede, die volgen zal op overwinningen, met behulp der goden bevochten. Laten wij ook met dezen dronk mijn vriend Ani danken, die ons hier zoo heerlijk heeft onthaald, en die het rijk, terwijl wij in het buitenland toefden, getrouw en zorgvuldig heeft bestuurd.”

De gasten beantwoordden den dronk des konings, die den stadhouder trouwhartig de hand schudde. Hierop verliet Ramses de zaal, omstuwd door zijne stafdragers en kamerheeren, nadat hij Ameni, Mena en de vrouwen een wenk had gegeven hem te volgen.

Nefert mocht nu eerst Mena begroeten, om dadelijk weer afscheid van hem te nemen. Zij had gehoor gegeven aan de dringende bede van Katoeti, om dezen nacht niet bij Bent-Anat door te brengen, maar bij hare moeder, die haar in vertrouwen zooveel had mede te deelen. Katoeti’s wagen bracht haar haastig naar hare tent.

In de voorzaal, die tot zijn bijzondere vertrekken leidde, nam Ramses van de zijnen afscheid. Nadat zijn gevolg zich verwijderd had, wenkte hij Bent-Anat, en vroeg haar op goedigen toon: »Wat dacht ge wel bij uzelve, toen gij uw krans den dichter op het hoofd druktet?”

»Wat ieder ander meisje in Egypte denkt, die hetzelfde doet,” antwoordde de prinses met vertrouwelijke openhartigheid.

»En uw vader?” vroeg Ramses.

»Mijn vader weet, dat ik hem gehoorzaam zou zijn, ook wanneer hij het zwaarste van mij mocht verlangen, namelijk dat ik mijn levensgeluk aan hem ten offer zou brengen. Maar ik geloof dat hij.... dat gij mij hartelijk liefhebt, en ik vergat de ure niet, waarin ge mij gezegd hebt, dat gij, na den dood mijner moeder, voor mij vader en moeder te gelijk wildet zijn, en dat gij zoudt trachten mij te begrijpen, gelijk zij mij zeker begrepen zou hebben. Doch waartoe zijn er tusschen ons vele woorden noodig! Ik bemin Pentaoer, met de eerste liefde van geheel mijn hart, en niet sedert heden. Hij heeft getoond, dat hij de hoogste eere waardig is. Maar al ware hij ook nog zoo nederig van afkomst, de hand uwer dochter zou toch macht genoeg bezitten, om hem te verheffen boven alle vorsten des lands.”

»Zij heeft deze macht, en gij moogt er gebruik van maken,” sprak de koning. »Gij zijt, gedurende den tijd dat uw leidsman en vader u aan uzelve moest overlaten, trouw gebleven aan uwe beginselen en aan de waarheid. Ik heb in u het beeld uwer moeder lief, en van haar leerde ik, dat een rechtschapen vrouwenhart beter dan mannelijke wijsheid den goeden weg weet te vinden. Ga nu ter ruste en bestel voor morgen een nieuwen krans, want gij zult dien noodig hebben, mijn lieve dochter!”

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Maan en sterren schitterden aan het onbewolkte hemelgewelf boven de Pelusinische vlakte. De witte koppen der duizende tenten, waarin hier de teruggekeerde krijgslieden sliepen, ginds de Egyptenaars, die herwaarts waren gekomen om den koning mede te ontvangen, zagen er in de nachtelijke schemering als zoovele sneeuwheuvels uit.

In de legerplaats der soldaten was het bijzonder vroolijk toegegaan. Drie ontzaglijke, met kransen getooide wijnzakken, geplaatst op een wagen, die door niet minder dan dertig ossen werd getrokken, waren door de straten, die de tenten van elkander scheidden, onophoudelijk heen en weder gereden. Bij elke beweging vloeide het druivennat, en toen de duisternis begon te vallen, werden op vele plaatsen van het kamp schenktafels opgeslagen, waarbij de dienaars van den stadhouder de troepen met kwistige hand van rooden en witten wijn voorzagen.

De tenten van de Egyptische burgers, die den pharao kwamen begroeten, waren van het prachtige gebouw, dat Ani liet optrekken, alleen gescheiden door den in allerijl aangelegden tuin, in het midden van welken het zich verhief. Dit terrein was rondom door rasterwerk afgesloten. Het verblijf van den stadhouder zelven onderscheidde zich van alle andere door grootte en pracht. Aan zijne rechterzijde waren de lichte woningen opgeslagen van de afgevaardigden der priestercollegies, aan de linkerzijde die van het personeel van zijn hofstaat. Onder de laatsten waren ook de tenten van zijne vriendin Katoeti, eene grootere voor haar eigen gebruik en verschillende kleinere voor haar dienstpersoneel.

Achter Ani’s woning stond nog eene tent, die geheel omgeven was door een hoogen loozen wand van lijnwaad. Daarin hield de oude Hekt haar verblijf, die Ani heimelijk in zijne eigene boot had medegevoerd. Alleen Katoeti en zijne meest vertrouwde dienaars wisten, wie achter de linnen omheining van die geheimzinnige tent haar bijzonder leven leidde.

Terwijl de gasten in Ani’s feestzaal maaltijd hielden, zat Hekt neergehurkt op den zandigen bodem van hare enge woning, die door een kegelvormig linnen-dak was bedekt. Zij haalde zwaar adem. De krampachtige aandoeningen van het hart, waaraan zij sedert lang had geleden, herhaalden zich menigvuldiger en brachten haar leven ernstig in gevaar. Vóór haar brandde een klein lampje uit roode gebakken aarde, en in haar schoot zat een zieke sperwer. Het diertje dook telkens in zijne veeren en sloot zijne witachtige oogleden, maar grimmig opende het de oogen, zoo vaak Hekt het in hare dorre hand nam, om wat lucht te blazen in zijn krommen snavel, die nog altijd lust gevoelde om van zich af te bijten.

De kleine Scheraoe lag aan de voeten der tooveres op eene mat te slapen. Zij gaf thans het kind een schop met den voet, en zeide, toen het zich slaapdronken oprichtte: »Gij hebt jonge ooren. Het kwam mij voor dat er in Ani’s tent eene vrouw schreeuwde. Hoort ge wat?”

»Waarlijk,” zeide de kleine. »Dat klinkt als gehuil. — Maar nu was het een gil. Het kwam van dáár, uit Nemoe’s tent.”

»Kruip hier door,” beval de oude, »en zie wat er gaande is?”

Het kind gehoorzaamde. De heks hield zich inmiddels weder met den vogel bezig, die nu niet meer zat, maar op zij gevallen was, doch nog altijd zijne klauwen trachtte te gebruiken, wanneer zij hem aanpakte.

»Hij sterft,” prevelde de oude, »en die ik Ramses noemde wordt steeds glanziger. Dat is nu alles onzin, en toch.... toch! Het spel van den stadhouder loopt op zijn eind en hij verliest het! Daar rekt het gedierte zich nog eens uit, daar zinkt zijn kop op zij, daar kruipt het ineen, daar bijt het nog eens in mijn kleed, en — nu is het dood!”

Een tijdlang bleef zij met den dooden sperwer in haar schoot zitten, eindelijk nam ze hem op, en wierp hem in een hoek van de tent, daarbij roepende: »Goeden nacht, koning Ani, er komt niets van je kroon!”

De oude zag peinzend naar den grond en mompelde weder in zichzelve: »Wat zouden ze nu nog in het schild voeren? Wel twintigmaal heeft hij gevraagd, of het groote plan al of niet gelukken zou. Alsof ik dat beter wist dan hij! Ook Nemoe zinspeelt op allerlei dingen, maar voor de eerste maal wil hij niet spreken. Er wordt iets voorbereid, en ik, ik..? Daar komt het weer.”

Hekt drukte de hand op haar hart, sloot hare oogen, en op haar aangezicht vertoonde zich trekken van hevige smart. Zij merkte niet dat Scheraoe terugkwam; zij hoorde niet dat hij haar bij den naam riep, en haar weder verliet, toen zij geen antwoord gaf. Zoo bleef zij wel een uur lang bewusteloos; toen ontwaakte de levensgeest weder, doch het was haar als vloeiden, in plaats van warm bloed, koude druppels haar langzaam door de aderen.

»Als ik voor mij een sperwer had bewaard,” zoo prevelde zij verbitterd in zichzelve, »dan zou deze weldra den ander in den hoek volgen! — of Ani woord zal houden en mij zal laten balsemen? Hoe zal hij dat kunnen, nu het ook met hem op het eind loopt! Zij zullen mij laten verrotten en vergaan, en voor mij is er geen leven na dit leven, geen wederzien van Assa.”

Lang zweeg de oude, ten laatste begon zij weder te mompelen, op den grond starende: »De dood brengt toch verlossing, al ware het enkel van de kwelling der herinnering. — Maar er is toch een leven aan gene zijde des grafs; ik laat de hoop daarop niet varen, ik wil het niet! Alle afgestorvenen zullen daar gelijke rechten hebben en aan dezelfde wetten onderworpen zijn. — Waar zal ik hem dan vinden, bij de zaligen of bij de verdoemden? En waar zal ik komen, ik? — ’t Is mij onverschillig! Hoe dieper de afgrond is, waarin zij mij neerstooten, des te beter! — Kan Assa, als hij zalig geworden is, zich zalig blijven gevoelen, als hij ziet, tot hoever hij mij gebracht heeft? Ze moeten mij balsemen, ik mag niet verderven en verwaaien, mij niet oplossen in niets!”

Terwijl zij deze woorden mompelde, trad Nemoe zacht hare tent binnen. Toen Scheraoe de oude vrouw bewusteloos had gevonden, was hij naar Nemoe geloopen, om hem mede te deelen, dat zijne moeder met geslotene oogen en stervende op den grond lag.

Zoodra de oude den dwerg bemerkte, zeide zij: »Het is goed dat gij komt. Ik zal wel dood zijn vóor de zon opgaat.”

»Moeder!” riep de kleine man verschrikt. »Gij zult leven, en een beter leven leiden als gij tot hiertoe hebt gedaan, want groote gebeurtenissen zijn er op til.”

»Ik weet het, ik weet het,” zeide de heks. — »Naar buiten Scheraoe! — Fluister mij nu in het oor wat gij voornemens zijt te doen.”

De dwerg kon zich niet onttrekken aan den blik harer oogen, waarmede zij hem aan zich kluisterde! Hij naderde haar en zeide zacht: »Het gebouw, waarin de koning met de zijnen slaapt, is van hout. Tusschen de wanden en onder den vloer is stroo en pek aangebracht. Zoodra zij ter ruste gegaan zullen zijn, steken wij de lont in brand. De wachters zijn smoordronken en slapen.”

»Goed verzonnen,” prevelde Hekt. »Hebt gij dit plan uitgedacht?”

»Mijne meesteres en ik,” zeide Nemoe niet zonder trots.

»Gij verstaat de kunst om aanslagen te smeden,” zeide de oude, »maar in de uitvoering zijt gij niet zoo sterk. Bleef het plan geheim? Hebt gij degelijke helpers?”

»Niemand weet er iets van,” antwoordde de dwerg, »behalve Katoeti, Paäker en ik. Wij steken met ons drieën het gebouw op de afgesproken plaatsen in brand. Ik ben bezig bij de vertrekken van Bent-Anat; Katoeti, die men overal toelaat, begeeft zich binnen in het gebouw naar de trap, die tot de hoogere verdieping leidt, en door een slag op een veer in elkander stort. Paäker plaatst zich onder de vertrekken des konings.”

»Goed, goed, dat kan gelukken,” zeide de oude, steunend. »Maar wat was dat voor eene vrouwenstem, die schreeuwde in je tent?”

De dwerg draalde met zijn antwoord.

»Spreek zonder schroom,” zeide Hekt. »Doode vrouwen zwijgen!”

De dwerg, die beefde van innerlijke ontroering, onderdrukte de bedenkingen die hij nog had, en zeide haastig: »Ik heb Warda, de verdwenen kleindochter van den Paraschiet Pinem, teruggevonden en hierheen gelokt, want zij en geene andere zal mijne vrouw worden, als Ani koning is, en Katoeti groot wordt, en mij vrijlaat en rijk maakt. Zij staat in dienst van de prinses Bent-Anat, slaapt in haar voorvertrek en moet niet met hare meesteres verbranden. Zij wilde volstrekt naar het paleis terug, en daar zij als eene mug in het vuur zou vliegen, en zij daarin niet mag omkomen, zoo bond ik haar vast.”

»Heeft zij zich niet verweerd?” vroeg de oude.

»Als eene waanzinnige,” antwoordde de dwerg, »maar de stomme slaaf van den stadhouder, die op bevel van zijn heer mij heden in alle dingen moet gehoorzamen, heeft mij geholpen. Wij hebben haar ook den mond dichtgebonden, opdat men haar schreien niet zou hooren.”

»Laat gij haar alleen, wanneer gij aan het werk gaat?” vroeg de tooveres.

»Haar vader blijft bij haar.”

»De roodbaard Kaschta?” vroeg de tooveres verbaasd. »Maar heeft hij ulieden dan niet in stukken geslagen als aarden potten?”

»Hij verroert zich niet,” zeide Nemoe lachend, »want toen ik hem vond, maakte ik hem met Ani’s ouden wijn zoo smoordronken, dat hij neerligt als een mummie. Door hem ben ik te weten gekomen, waar Warda zich schuil hield. Ik ging naar haar toe en lokte haar mede, terwijl ik haar vertelde, dat haar vader doodelijk ziek was geworden, en liet haar bidden hem nog eens te bezoeken. Zij liep naast mij voort als een gazel, en toen zij den roodbaard daar roerloos zag liggen, wierp zij zich naast hem op den grond en verlangde water om zijn voorhoofd af te koelen. Want hij redeneerde als in eene ijlende koorts van ratten en muizen, die hem overvallen hadden. Toen het later werd, wilde zij tot hare meesteres terug, en wij moesten wel geweld gebruiken. — Wat is zij schoon geworden, moeder! Gij zoudt het nauwelijks kunnen gelooven!”

»O, zeker kan ik het begrijpen,” zeide Hekt. »Gij zult wel op haar mogen passen, wanneer zij eens de uwe is.”

»Ik zal haar behandelen als de vrouw van een aanzienlijke,” sprak Nemoe, »en eigene vrouwen betalen om haar te bewaken! Maar Katoeti is zoo even met de vrouw van Mena teruggekeerd, de sterren dalen en zoo straks.... Dat was reeds het eerste teeken! Als Katoeti ten derde male fluit, gaan wij aan ’t werk. Leen mij uwe tonderdoos, moeder, ze is beter dan de mijne.”

»Ziedaar,” zeide Hekt, »ik heb haar niet meer noodig. Gewis, het is met mij gedaan! Hoe beven uwe handen! Houd de doos goed vast, anders valt zij op den grond, vóor gij vuur gemaakt hebt.”

De dwerg zeide de oude vaarwel, en zonder zich te verroeren, liet zij toe, dat hij haar bij het afscheid nemen kuste.

Toen hij haar verlaten had, luisterde zij, diep ademhalend, in de stilte van den nacht. Hare verstandige oogen vonkelden en allerlei gedachten schoten pijlsnel door haar rusteloos brein. Toen zij het tweede teeken uit het zilveren fluitje der weduwe vernam, richtte zij zich hoog op en prevelde: »De ongeluksvogel Paäker, zijne ijdele tante en die dreumes zijn ook tegen Ramses niet opgewassen. Ani’s sperwer is dood; hij heeft niets van de toekomst te wachten, en ik niets van hem. Maar als Ramses wilde, als de ware koning verplichting aan mij had, dan, ja dan kon mijn oud lijk.... Juist, dat is het! Ja waarlijk, zoo moet het zijn!”

Zoo sprekende richtte zij zich met moeite op, hinkte, krom gebogen en bevende, op haar stok naar het midden van de tent, stak daar een fleschje en een mes bij zich, en sleepte zich met inspanning harer laatste krachten naar Nemoe’s tent, op het oogenblik dat het laatste gefluit werd gehoord. Hier vond zij Warda aan handen en voeten gebonden, en Kaschta in diepen dronkemans-slaap op den grond liggende. Het meisje rilde van schrik, toen zij de heks zag, en de naast haar knielende kleine Scheraoe stak zijne handen smeekend en afwerend naar de oude uit.

»Daar, neem dit mes, jongen,” zeide de heks, »snijd de banden door, waarmede ze dat arme ding gebonden hebben. De papyrus-touwen355) zijn stevig, gebruik het lemmet als zaag!”

Terwijl de kleine blijmoedig zijne krachten inspande, om haar bevel te gehoorzamen, wreef zij met het geestrijke vocht uit het fleschje dat zij medenam Kaschta’s slapen, en druppelde een weinig op zijne lippen. De roodbaard kwam langzaam bij, rekte zich uit en nam met verbazing wat hem omringde op. Zij reikte hem water en beval hem te drinken.

Toen Warda, van hare banden bevrijd, voor haar stond, zeide zij: »De goden hebben u, blank meisje, tot gewichtige dingen uitverkoren. Luister goed naar hetgeen de oude Hekt u zegt. Het leven van den koning en zijne kinderen is in groot gevaar. Ik wil u en de zijnen redden, en verlang daarvoor geen ander loon, dan dat hij mijn lijk laat balsemen en in Thebe begraven. Zweer mij, dat gij dat aan hem zult overbrengen, wanneer gij hem gered hebt.”

»Om der goden wil, wat zal er dan gebeuren?” riep Warda, buiten zichzelve van angst.

»Zweer, dat gij voor mijne begrafenis zult zorgen,” herhaalde de tooveres.

»Ik zweer!” schreeuwde Warda. »Maar bij uw leven....”

»Katoeti, Paäker en Nemoe zijn uitgegaan, om het paleis, waarin Ramses slaapt, aan drie zijden in brand te steken. Hoort ge het, Kaschta? — IJlt nu beiden de brandstichters achterna! Wekt de bedienden! Tracht den koning te redden!”

»Voort, vader, voort!” riep het meisje, en beiden vlogen in de duisternis weg.

»Zij is braaf en zal woord houden,” prevelde de oude, en beproefde of zij zich naar haar tent terug kon slepen. Maar halverwege begaven haar de krachten. De kleine Scheraoe wilde haar ondersteunen, maar hij was te zwak om haar te helpen. Zij strekte zich uit in het zand op den weg en tuurde in de verte. Daar zag zij, hoe uit het feestpaleis, dat als eene donkere massa voor haar lag, eerst eene al lichter en lichter wordende wolk te voorschijn kwam, en vervolgens zwarte rook, hoe daarna eene heldere vlam hoog uitsloeg en een dichte regen van vonken opsteeg.

»Loop naar de legerplaats, jongen!” riep zij. »Roep ‚brand!’ en wek allen die slapen!”

Scheraoe holde luid schreeuwende weg.

Hekt greep op eens naar haar hart en prevelde: »Daar is het weer!” — »Aan de andere zijde, Assa!” — En weder: »Assa!” Nog eens vertrok zij de lippen om ze voor altijd te sluiten.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Katoeti had haar ongelukkigen neef Paäker verborgen gehouden in eene der tenten van hare bedienden. De man had, na op het slagveld van Kadesch zwaar verwond te zijn, onder onlijdelijke smarten langs hem alleen bekende paden zich voortgesleept tot aan het hol, dat Kaschta aan Pentaoer had gewezen. Met behulp van een ezel, dien hij van een Syrischen boer had gekocht, kon hij het zoover brengen. Hier vond hij zijn trouwen Ethiopischen slaaf, die hem verpleegde, tot hij zich sterk genoeg gevoelde, om zijne reis naar Egypte te vervolgen.

Onder de grootste ontberingen kwam hij verkleed als een Ismaëlitisch kameeldrijver, te Pelusium. Zijne dienaren, die hem zouden kunnen verraden, had hij in het hol achtergelaten. Eer men hem de sterkten liet passeeren, op bepaalden afstanden gebouwd, op de landengte, die de Middellandsche- en Schelfzeeën aan elkander verbonden, ten einde Egypte te verdedigen tegen de invallen der nomadische Schaoe-stammen356), werd hij aan een streng verhoor onderworpen. Men vroeg hem onder anderen, of hij den Mohar, die den koning had verraden, en van wien men eene beschrijving gaf, niet had ontmoet. Niemand dacht in dien uitgeteerden, vuilen eenoogigen kameeldrijver den breedgeschouderden en sterkgespierden wegverkenner van den pharao voor zich te zien. Om zich nog meer onkenbaar te maken, kocht hij van een arts een in dien tijd veelvuldig gebruikt middel om het haar te verven357), en smeerde daarmede zijn lichaam in.

Katoeti was met den stadhouder Ani lang vóor hem te Pelusium aangekomen, om toezicht te houden op den bouw van het paleis. Als een bedelende neger, met een palmtak in de hand, waagde Paäker het haar te naderen. Zij gaf hem een aalmoes en vroeg hem naar zijn vaderland; want ook den geringste zocht zij hier voor zich te winnen. Maar ofschoon zij zijn antwoord met schijnbare deelneming aanhoorde, zoo herkende zij hem toch niet. Dit gaf hem moed. Hij kwam den volgenden dag opnieuw tot haar, en noemde haar eindelijk zijn naam.

De weduwe bleef niet ongeroerd voor de vreeselijke verandering, die er met haar neef was geschied. Hoewel zij wist dat Ani zelfs allen met den dood had bedreigd, die gemeenschap mochten houden met den verrader, zoo nam zij hem toch in haar dienst, want zij kon den tot wanhoop gebrachten vijand van den koning en van haren schoonzoon nooit beter gebruiken dan thans. De verminkte, de vervolgde en vogelvrij verklaarde gids, trok zich geheel in zichzelven terug, en hield zich op een afstand van de overige bedienden. Uit de minachting waarmede hij op geringe lieden neerzag, bleek, dat zijn hoogmoed nog niet gebroken was. Aan Katoeti’s dochter dacht hij maar zelden, en dan als in een droom, want de haat had de liefde geheel uit zijne ziel gedrongen. Slechts éen ding was er dat hem het leven nog waarde deed hebben, het was de hoop om te mogen medewerken tot het verderf en getuige te kunnen zijn van den dood zijner vijanden.

Zoo bood Paäker zich der weduwe als een welkom werktuig aan. De eigenaardige glans, die zijn overgebleven oog deed schitteren, toen zij hem deelgenoot maakte van het plan, om ’s konings vertrekken in brand te steken en te beletten, dat zoowel Mena als de pharao ontkwam, gaf haar te verstaan, dat zij in den gids den zekersten van alle helpers had gevonden.

Vóor de aankomst van Ramses had Paäker het tooneel zijner werkzaamheid nauwkeurig onderzocht. Onder de vensters van de koninklijke vertrekken, die wel veertig voet boven den beganen grond verheven waren, liep eene smalle borstwering. Deze bedekte de uiteinden der balken, waarop het met pek verzadigde en met stroo gedekte roosterwerk rustte, dat de planken van de verdieping droeg, in welke zich ’s konings vertrekken bevonden. De openingen, waartusschen de brandende lont moest worden ingeschoven, zou de gids teruggevonden hebben, ook al ware hij aan beide oogen blind geweest.

Toen Katoeti voor de eerste maal haar fluitje deed hooren, sloop hij naar zijn post. Geen schildwacht riep hem aan, want de weinige wachters, die in de onmiddellijke nabijheid van het houten gebouw op post waren gesteld, sliepen vast, door den zwaren wijn van den stadhouder bevangen. In den vorm van versieringen waren in het hout van de buitenzijde eenige insnijdingen aangebracht. Met behulp hiervan klouterde Paäker naar boven tot op eene hoogte van twee manslengten. Dáar was eene touwladder vastgemaakt, langs welke hij verder klom. Weldra stond hij op de borstwering, waarboven zich de vensters der koninklijke vertrekken bevonden, en waaronder het vuur moest worden aangebracht.

Ramses’ slaapkamer was helder verlicht. Zonder gezien te worden, kon Paäker er een blik in slaan, en elk woord verstaan, wat daar binnen werd gesproken. De koning zat in een leuningstoel en zag naar den grond. De stadhouder Ani stond voor hem en de wagenmenner Mena naast zijne legerstede, met ’s konings slaaprok in de hand.

Thans hief Ramses het peinzend hoofd op, en zeide, terwijl hij den stadhouder met oprechte hartelijkheid de hand reikte: »Laat mij, waarde neef, dezen schoonen dag goed besluiten! Terwijl ik reeds op het punt was geloof te slaan aan hetgeen tot uw nadeel werd verteld, door hen die zich al te bezorgd over mij maken, heb ik u een trouw vriend bevonden. Wantrouwen is mijn hart anders ten eenemale vreemd, maar hier werkten velerlei dingen te zamen, die mijne ziel benevelden, en zoo kwam ik er toe u onrecht te doen. Dat doet mij leed, oprecht leed, en ik schaam mij niet u vergeving te vragen, dat ik aan uwe goede gezindheid heb kunnen twijfelen. Gij zijt mijn vriend, en dat ik de uwe ben, dat zult gij ondervinden! Ziedaar mijn hand! Geef mij de uwe, en geheel Egypte zal weten, dat Ramses geen man zoo onvoorwaardelijk vertrouwt als zijn stadhouder Ani. — Ik draag aan u de eerewacht over mijn slaapvertrek op. Wij deelen dezen nacht dit vertrek te zamen. Ik rust hier, neem gij, wanneer ik mij ter ruste leg, plaats op het bed daartegenover!”

Ani had Ramses de hand gereikt, thans stond hij bleek tegen over hem. Paäker zag hem vlak in het gezicht, en het kostte hem moeite niet in een luiden schaterlach uit te barsten.

Ramses merkte niet op in welk een onrust de stadhouder verkeerde, want hij had Mena reeds een wenk gegeven, om dichter bij hem te komen.

»Ook met u,” zeide hij, »wensch ik af te rekenen, voor ik mij heden ten ruste begeef. Gij hebt het geloof van uwe trouwe gemalin op eene harde proef gesteld, en daar zij u oprecht liefheeft, en zelve de ontrouw niet kent, heeft zij vast op u gebouwd, met een kinderlijken eenvoud, die dikwijls verstandiger is dan het overleg der wijzen. Ik beloofde u de vervulling van een wensch, wanneer het blijken zou dat ik mij vergiste, toen ik meende dat Nefert na het gebeurde aan u zou twijfelen. Zeg mij nu, wat gij verlangt!”

Mena zonk op de knieën, kuste herhaaldelijk het gewaad van zijn vorst en sprak: »Ik smeek om vergeving; niets anders verlang ik dan vergiffenis! Ik heb zwaar misdreven, dat weet ik, maar hoonend werd ik uitgedaagd. Ik zag de eerlooze hand van den nijdigen verrader, dien men thans, gelijk ik weet, als eene pad verafschuwt, zich onbeschaamd uitstrekken naar mijne reine vrouw.”

»Wat was dat?” zeide de koning. »Het kwam mij voor dat ik buiten gesteun hoorde.”

Hij stond op, en ging naar het venster, zag naar buiten, maar kon den gids niet opmerken, want deze had met zijn oog elke beweging des konings gevolgd, en ging zoodra het klagend geluid aan zijne boezem was ontsnapt, languit op de borstwering liggen.

Mena knielde nog altijd, toen Ramses hem weder naderde. »Vergeef mij!” riep hij opnieuw, »Laat mij weder aan uwe zijde op den wagen staan en uwe paarden mennen! Ik leef slechts en ben alleen iets waard door u en uwe genade, mijn koning, mijn heer, mijn vader!”

Ramses gaf zijn vriend een teeken om op te staan, en zeide: »Uwe bede was reeds vervuld, vóor zij door u werd uitgesproken. Ik acht mij toch uw schuldenaar ter wille van uwe brave vrouw! Breng Nefert, niet mij, uw dank. En wij allen, laat ons heden met buitengewone geestdrift de hemelsche goden prijzen. Wat heeft deze dag mij niet al gegeven! Hij deed mij u beiden, twee verloren gewaande vrienden, terugvinden, en eindelijk schonk hij mij een nieuwen zoon!”

Een zacht gefluit drong door de nachtlucht. Het was het derde teeken van Katoeti. Paäker blies den tonder aan, stak dien in de opening onder de borstwering, en richtte zich daarna op om weder te luisteren, zonder te denken aan het gevaar waarin hij zichzelven bracht.

»Ik bid u,” zeide de stadhouder, den pharao naderende, »mij te vergunnen heen te gaan. Ik weet de eer die gij mij bewijst te waardeeren, maar de inspanningen der laatste dagen hebben mijne krachten uitgeput. Ik kan mij ter nauwernood op de been houden, en de eerewacht...”

»Zal aan Mena zijn toevertrouwd,” viel Ramses hem in de rede. »Slaap hier gerust, waarde neef! De anderen zullen des te meer overtuigd worden, dat ik alle mistrouwen jegens u verre van mij heb gezet! — Geef mij mijn nachtgewaad, Mena! — Nog dit éene moet ik u zeggen: De jeugd zoekt de jonkheid, Ani! Bent-Anat heeft zich een echtgenoot gekozen, harer waardig, den redder van mijn leven, den dichter Pentaoer. Hij ging door voor een man van geringe afkomst, voor een zoon van den hovenier, die in dienst staat van het Seti-huis. En wat ben ik nu te weten gekomen van den opperpriester Ameni? Hij is de echte zoon van den edelen Mohar zaliger, en die eerlooze en boosaardige verrader Paäker is het kind van den hovenier. Eene heks uit de Nekropolis heeft de kinderen verwisseld! Dat is het beste geschenk van dezen dag, want reeds is de weduwe van den Mohar, de edele vrouw Setchem, herwaarts gebracht, en ik zou gedrongen zijn geweest tusschen twee vonnissen te kiezen: of haar als moeder van den gevluchten booswicht naar de Ethiopische steengroeven te zenden, óf haar voor de oogen van geheel het volk te laten onthoofden. — Om der goden wil, wat was dat?”

Door het open venster was de rauwe kreet uit de borst van een man naar binnen gedrongen. Terstond daarop volgde een slag, als viel er eene zware massa van een groote hoogte naar beneden.

Ramses en Mena vlogen naar het venster, maar verschrikt traden zij terug, want een dikke rook kwam hen tegemoet.

»Roept de wachters!” beval Ramses.

»Vlieg naar beneden, Ani!” riep Mena. »Ik verlaat mijn heer niet weder in het gevaar.”

De stadhouder ijlde de deur uit, als een veroordeelde uit zijn kerker. Doch hij had nog maar weinige schreden voorwaarts gedaan, daar stortte de eenige trap die naar de bovenverdieping voerde in elkaar, vóor hij dien bereiken kon. Katoeti had deze door een enkelen hamerslag doen vallen, toen zij het binnengedeelte van het paleis in brand had gestoken. Ani zag nog het fladderen van haar kleed, terwijl zij de vlucht nam. Hij balde de vuisten bij het uitroepen van haar naam, en zonder te weten waar hij terecht zou komen, vloog hij het lange voorportaal door waarop de kamers van den pharao uitkwamen.

Het vreeselijk geweld, veroorzaakt door het instorten van den trap, drong den koning en zijn wagenmenner insgelijks het vertrek te verlaten.

»Daar ligt de trap! Dat wordt ernst!” zeide Ramses gelaten. Hij ging in zijne kamer terug en plaatste zich voor het venster, om vandaar het gevaar te overzien. Reeds sloegen de vlammen helder uit aan den noordelijken vleugel van het paleis, zoodat de nacht, die reeds voor de morgenschemering begon te wijken, daghelder werd. Alleen de zuidelijke vleugel van het groote gebouw was nog ongedeerd.

Mena vestigde zijne aandacht op de borstwering, van welke Paäker naar beneden was gestort. Hij klom het venster uit, onderzocht het hout onder zijne voeten en bespeurde dat het stevig genoeg was om onderscheidene personen te dragen. Hij zag overal rond en richtte zijn oog met gespannen aandacht naar den vleugel, die nog niet door de vlammen was aangetast.

»Het gebouw wordt met boosaardig opzet in brand gestoken,” schreeuwde hij opeens uit. »Zie daarheen! Daar zit een man, die bezig is vuur tusschen het hout te steken.”

In een oogwenk sprong hij weder in het vertrek, dat zich reeds met rook begon te vullen, rukte ’s konings pijlkoker en boog, die hijzelf boven zijn bed had opgehangen, van de wand, legde een pijl aan de pees, mikte lang en met een gil viel de brandstichter neder.

Later vond men den dwerg Nemoe met den pijl van den wagenmenner midden in het hart. Na den vloer onder Bent-Anat’s vertrekken in brand gestoken te hebben, had hij den vleugel van het paleis, waarin Warda’s vriend Rameri en de andere zonen des konings sliepen, insgelijks willen aansteken.

Mena sprong opnieuw uit het venster en onderzocht het uitstek. Het vertrek van den pharao vulde zich inmiddels meer en meer met rook. Reeds drongen de vlammen hier en daar door de voegen der planken heen.

Zoowel buiten als binnen het paleis begon beweging te komen.

»Brand! Brand! Moord! Hulp! Redt den koning!” schreeuwde de roodbaard uit al zijne macht, gevolgd door eenige lijfwachten, die hij ijlings had gewekt.

Warda was in het paleis gevlogen, om Bent-Anat, welker vertrekken zij kende, te roepen.

De koning was achter Mena het venster uitgeklommen en riep de soldaten van de borstwering toe: »De helft van ulieden ga het gebouw binnen, en trachtte allereerst de prinses te redden. De andere helft zorge, dat het vuur den zuidelijken vleugel niet aantast. Ik zal beproeven daarheen te komen!”

Maar Nemoe’s vuur had brand doen ontstaan en ook daar vertoonden zich de vlammen, waartegen nu de soldaten worstelden met inspanning van alle krachten. Hun luid geschreeuw werd gehoord te midden van het knetteren en knappen van het droge hout, dat door de laaie vlammen werd verteerd, van het geschetter der bazuinen en geroffel der trommen, waarmede de troepen werden gewekt.

Thans verschenen ook de prinsen aan de vensters hunner vertrekken. Zij hadden in allerijl hunne mantels tot eene lijn aan elkander geknoopt, waarlangs zij zich een voor een aflieten. Ramses moedigde hen aan door zijn woord, maar hijzelf zag zich in zijn voortgang belemmerd. De tamelijk breede borstwering die hen droeg omgaf wel-is-waar het geheele gebouw, doch was bij elke tien schreden afgebroken door afstanden van eene manslengte. Daarbij woekerde het vuur steeds voort. De knetterende vonken spatten over hem en Mena heen, als het kaf rondom den landman, die met zijn schudgavel de graanhalmen op een hoop werpt358).

»Laat hieronder stroo op een hoop brengen,” beval Ramses met eene stem, die boven het geweld van den brand uit werd gehoord. »Alleen een sprong naar beneden kan ons redden!”

Reeds sloegen de laaie vlammen uit het koninklijk vertrek. Het was onmogelijk daar weder binnen te gaan. Maar noch Ramses noch Mena verloren hunne tegenwoordigheid van geest.

Toen de wagenmenner den laatsten der twaalf prinsen den grond zag bereiken, bracht hij zijne handen aan den mond en riep uit al zijn macht, als door een roeper, Rameri, den laatsten die de reddende lijn zou gaan gebruiken, toe: »Haal de lijn in de hoogte, en pas op dat zij niet beschadige, totdat ik kom!”

Rameri volgde het bevel, en eer Ramses het verhinderen kon, was Mena over den afstand gesprongen, die het eene gedeelte der borstwering van het andere scheidde. Den koning en den prinsen, die van beneden toezagen, stolde het bloed in de aderen, toen Mena ten tweede male den ontzettenden sprong waagde. Eene enkele misstap, en het zou hem gaan als zijn doodvijand Paäker.

Terwijl zij die beneden waren hem met ingehouden adem volgden, en er niet anders werd gehoord dan het sissen en knetteren der vlammen, het knappen der berstende houtkwasten, het dof gedreun der neerstortende binten, en in de verte het gezang van een priesterkoor, dat uit de legerplaats het tooneel van den brand naderde, knielde Nefert, die door den kleinen Scheraoe was gewekt, op den grond, en bad uit het diepst harer ziel tot de reddende goden. Hare oogen volgden daarbij elken sprong van haar echtgenoot, en zij beet zich de lippen aan bloed, om toch geen kreet te slaken. Zij gevoelde dat hij grootmoedig en goed handelde, en dat hij verloren zou zijn, wanneer zijne opmerkzaamheid ook maar voor éen oogenblik werd afgetrokken van dien afgrijselijken weg.

Daar stond hij naast Rameri. Hij bond zich het eene einde van de uit mantels en doeken saamgebondene lijn om het lichaam. Thans gaf hij Rameri, die zich aan het vensterkozijn vasthield, het andere eind in de hand, en maakte zich gereed om andermaal de gevaarlijke sprongen te wagen. Nefert zag hoe hij een aanloop nam. Zij hield beide handen op de saamgeklemde lippen, om toch niet te schreeuwen. Zij kneep de oogen dicht, en toen zij ze weder opende was de eerste sprong gelukt. Ook bij den tweeden bewaarden de hemelsche goden hem voor vallen. Bij den derden sprong strekte Ramses nog intijds de handen uit, om hem te grijpen en voor vallen te bewaren. Nadat hij het einde der lijn van zijne heupen had losgemaakt, maakte hij haar stevig vast aan een uitstekenden balk, waarbij de koning hem ondersteunde en hielp. Nu liet Rameri het andere einde van den breeden en zwaren mantelketen los en volgde Mena. Ook den prins, die in het Seti-huis niet te vergeefs zich bij de gymnastische spelen geoefend had, gelukten de vreeselijke sprongen.

Weldra stond nu de pharao gered op den grond. Rameri volgde hem en ten laatste ook Mena. Zoodra zijn voet den vasten bodem betrad, kwam zijne teergeliefde vrouw hem het zweet van de kloppende slapen wisschen.

Ramses vloog terstond naar den noordelijken vleugel van het paleis, waarin Bent-Anat had vertoefd. Hij vond haar behouden terug, maar handenwringende, want haar jeugdige lieveling Warda was in de vlammen verdwenen, nadat het meisje zelve haar gewekt en met de hulp haars vaders gered had.

Kaschta liep langs den brandenden buitenwand van het paleis heen en weer, en rukte wanhopig zich de borstelige haren uit het hoofd. Nu eens riep hij met luider stem zijn kind bij den naam, dan weder stond hij te luisteren met ingehouden adem. Het zou waanzin zijn geweest, op goed geluk in het ontzaglijk groote brandende gebouw te gaan zoeken.

De koning had den beklagenswaardigen vader nauwelijks opgemerkt of hij stelde hem aan het hoofd der soldaten, wien hij bevolen had den wand van het gewezen verblijf van Bent-Anat in te slaan, om te beproeven of het nog mogelijk was het verloren kind te redden. Kaschta liet zich eene bijl geven, en hief dien reeds op om het hout te verbrijzelen. Daar meende hij bij een luik van de onderste verdieping, dat op Katoeti’s bevel stevig gesloten was, geklop te hooren, dat van binnen uit het gebouw kwam. Hij volgde het geluid aandachtig. Er was geen twijfel aan, er werd geklopt.

Met inspanning van al zijne krachten wrong Kaschta den bijl tusschen den wand en het luik, dat eindelijk open sprong. Dichte zwarte rookgolven drongen door deze nieuwe opening naar buiten. Daar zag hij, te midden van dichte nevelen een man op het punt van te bezwijken, terwijl hij Warda in zijne armen hield. Op hetzelfde oogenblik sprong Kaschta naar binnen, en rukte, te midden van rook en vonkenregen, zijne dochter uit de armen van haren redder, die reeds half gestikt ineen zeeg. Hij sprong met zijn dierbaren lichten last weder naar buiten, en toen hij, op veiligen bodem gekomen, zijne lippen zacht op hare geslotene oogleden drukte, werden zijne oogen vochtig. In zijne verbeelding zag hij weder het beeld der vrouw, die haar ter wereld bracht, die als eene eenzame palmboom de dorre woestijn zijns levens had opgeluisterd.

Doch maar enkele oogenblikken liet hij aan zijne gewaarwordingen den vrijen loop, Bent-Anat zelve nam Warda uit zijne armen over, en hij ijlde naar het brandende gebouw terug. Hij had den redder van zijn kind maar al te goed herkend; het was de priester Nebsecht, die sedert het gebeurde bij den Sinaï de prinses niet had verlaten, en als haar lijfarts, met haar gevolg in hare vertrekken een onderkomen had gevonden. Nu het luik weg was, kwam er een sterke luchtstroom door de opening het vertrek binnen. De heldere vlammen sloegen reeds het venster uit. Toch leefde Nebsecht nog, want zijn gekerm drong door rook en vuurgloed naar buiten.

Kaschta drong andermaal door het venster binnen. Die achter hem stonden zagen, dat de zolderbalken van het vertrek reeds begonnen te buigen, en waarschuwden hem. Ja, de koning zelf gebood hem terug te keeren. De roodbaard zat echter reeds op het kozijn, en terwijl hij naar beneden riep: »Ik heb mij met mijn bloed tot zijn schuldenaar verklaard. Tweemalen heeft hij mijn kind gered, thans betaal ik hem mijne schulden!” verdween hij in het brandend vertrek.

Een oogenblik later vertoonde hij zich weder met Nebsecht, wiens wit gewaad reeds door de vlammen gezengd was, op de armen. Men zag nog hoe hij met zijn last meer en meer het venster naderde. Een menigte soldaten, en onder hen ook Pentaoer, drongen naar voren om te helpen, en vingen den bewusteloozen arts dien Kaschta het venster uittilde, in hunne armen op.

De roodbaard maakte zich gereed hem te volgen, maar eer hij den sprong had gedaan, stortten de balken der zoldering boven hem in elkaar, en begroeven den rechtschapen zoon van den Paraschiet.

Pentaoer liet zijn bewusteloozen vriend Nebsecht in een tent dragen, en hielp de artsen, die zijne brandwonden verbonden.

De dichter was in een ernstig gesprek met den opperpriester verdiept, toen het brandalarm werd vernomen. Ameni had hem medegedeeld, dat hij niet de zoon was van een hovenier, maar dat hij uit een der edelste huizen van het land was gesproten. De grondvesten van zijn uitwendig leven werden als onder zijne voeten weggerukt. Ameni’s verhaal verplaatste hem als uit een hut in een paleis, en toch toonde Pentaoer zich noch buitengewoon verrast, noch uitermate verheugd. Zoo zeer was hij gewoon lief en leed niet van buiten, maar van binnen te ervaren. Zoodra hij het geroep van brand had gehoord, was hij naar het toneel van het onheil gevlogen, en had zich, toen hij het gevaar overzag waarin Ramses verkeerde, aan het hoofd gesteld van de vele soldaten, die uit de legerplaats kwamen toeschieten, ten einde te beproeven of het ook mogelijk was den pharao van binnen uit het gebouw ter hulp te komen.

Onder de wagenstrijders die hem volgden, was ook Katoeti’s lichtzinnige zoon, die zich voor Kadesch gunstig had onderscheiden en deze nieuwe gelegenheid aangreep om zijn moed te toonen. Het instorten der wanden belemmerde deze schare, die met ware doodsverachting trachtte voort te dringen, ten laatste verder te gaan. Zij trok zich echter eerst terug, nadat velen uit hun midden gestikt en onder brandende balken verpletterd waren. De eerste die hier om het leven kwam, was Nefert’s broeder, Katoeti’s zoon.

Warda was naar de naastbijzijnde tent gebracht. Haar schoon hoofdje rustte in Bent-Anat’s schoot, en Nefert trachtte haar in het leven terug te roepen, terwijl zij hare slapen wreef met een geestrijk vocht. De lippen der jonkvrouw bewogen zich zacht. Voor het oog harer verbeelding vertoonde zich nog eenmaal alles, wat zij in het laatste uur doorleefd en geleden heeft. Zij zag hoe zij met haar vader door de legerplaats voortijlde, en met hem, langs den bekenden weg, in de vertrekken der prinses doordrong, terwijl hij de deuren insloeg, die door Katoeti gesloten waren. Zij zag hoe Bent-Anat, door haar gewekt, haar achterna kwam met haar gevolg. Zij herinnerde zich droomerig haar schrik, toen zij, dicht bij de deur, waardoor zij gered zouden zijn, bespeurde, dat zij haar kleinood, het eenige erfdeel harer gestorvene moeder, in haar koffer had achtergelaten, en hoe zij haastig was omgekeerd, alleen door den arts Nebsecht opgemerkt. Nog eenmaal doorleefde zij den angst, die zij had uitgestaan, toen zij het kleinood weder op haar boezem had geborgen, en den schrik die haar overmeesterde, toen op den terugweg rook en vlammen haar tegensloegen. Wederom gevoelde zij zich de krachten ontzinken, en was het haar, als nam de zonderlinge priester met zijn wit gewaad haar opnieuw in zijne armen. Zij zag als in den droom andermaal hoe zijne oogen met innige teederheid op haar gericht waren, en lachte half dankbaar, half onwillig, als zij dacht aan het zachte kusje, dat hij, eer de sterkere armen haars vaders haar aangrepen, op hare lippen had gedrukt.

»Wat is zij toch schoon!” zeide Bent-Anat. »Ik geloof dat de arme Nebsecht niet dwaalde, toen hij vertelde, dat hare moeder eene aanzienlijke vrouw uit het buitenland is geweest. Zaagt gij ooit sierlijker handen en voeten? En hare huid is zoo doorzichtig als Phoenicisch vloeispaath.”

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Terwijl de vriendinnen Warda weder bijbrachten en liefderijk verpleegden, liep vrouwe Katoeti in hare tent onrustig op en neder. Kort nadat zij was weggeslopen om het gebouw in brand te steken, had het geschreeuw van den kleinen Scheraoe hare dochter gewekt. Zij vond Nefert’s rustbed verlaten, toen zij, bevende over al hare leden en met zware handen, van haar misdadig werk terugkeerde.

Notes in this chapter

Note 1 · Op de afbeelding van den slag op de pylonen van het Ramesseum te Thebe, is boven een der gevallen Cheta deze naam en deze titel te lezen.Note 2 · Zie Lepsius, Chronologie der Aegypter, S. 338 f. waar alle aanvallen, die het Nijldal uit het oosten heeft moeten verduren, opgeteld worden.Note 3 · Het Abaris van Menotho is Pelusium, zooals wij in ons Aegypten und die Bücher Mose’s, I. S. 209, bewezen hebben. Van de oude wallen met inspNote 4 · Volgens Herodotus (II, 107) zou dit houten gebouw te Daphne bij Pelusium zijn opgetrokken, volgens Diodorus (I, 57) te Pelusium zelf. Wij kuNote 5 · Volgens eene, hoewel onjuiste etymologie bij Strabo p. (802) zou Pelusium, afgeleid van het Grieksche woord „pelos,” beteekenen „moerasstad.Note 6 · Aan den noordelijken wand van den tempel van Karnak is ons de schoonste voorstelling van zulk eene feestelijke ontvangst bewaard gebleven. DNote 7 · Het orakel van Amon gaf aan de bewoners van Marea en Apis, twee steden aan de Lybische grenzen, ten antwoord, dat alles tot Egypte behoorde,Note 8 · De zoogenaamde Pallakieden, die wij het menigvuldigst aantreffen bij de vereering van Amon, maar ook bij den dienst van godinnen, als Isis eNote 9 · De pracht van het feest, dat wij Ani laten geven, zinkt geheel in het niet, wanneer wij het vergelijken met hetgeen Ptolemaeus Philadelphus Note 10 · Zij heette Isis Nefert.Note 11 · Zie boven bl. 219.Note 12 · Zie boven bl. 47.Note 13 · In meer dan een griekschen papyrus van het Louvre werden servetten (ekmageia) vermeld. Ook op de afbeeldingen van gastmalen uit den ouden tiNote 14 · Bijna woordelijke vertolking van een gedeelte van het oud-Egyptisch heldendicht, „het epos van Pentaoer” geheeten. Zie boven bl. 415.Note 15 · Elephantine.Note 16 · In den Egyptischen tekst wordt ook het volgende door Ramses in den eersten persoon gesproken.Note 17 · Uit de papyrus-plant werden niet enkel bladen om te schrijven, maar ook touwen vervaardigd. Met papyrus-strikken waren ook de schipbruggen sNote 18 · Ebers, Aegypten und die Bücher Mose’s. S. 78.Note 19 · In den papyrus-Ebers vind men vele recepten tot bereiding van middelen om het haar te verven. Van een dier middelen zou Schesch, de moeder vNote 20 · Men bedenke, dat het graan in Egypte niet gedorscht, maar door ossen getreden werd. De halmen, die rechts en links uit den cirkel werden ges
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings