TWEEDE BOEK. (continued 3)
Hendrik Cornelis Rogge translation
Katoeti zoowel als Paäker volgden met een kloppend hart elke harer bewegingen. Nu greep zij naar den beker, bracht dien aan de lippen, maar zette hem terstond weder neder, toen de Mohar opmerkte, dat zij haar ontbijt zoo laat gebruikte. Want terwijl een blosje hare wangen kleurde, antwoordde zij: »Tot hiertoe was ik recht lui, maar heden ben ik vroeg opgestaan, om nog in de morgenkoelte naar den tempel te gaan en te bidden. Gij weet zeker, wat er met den heiligen ram van Amon gebeurd is. Een vreeselijk ongeluk! De priesters waren geweldig ontsteld. Doch de edele Bek-en-Choensoe ontving mij en verklaarde mijn droom, en nu gevoel ik mij verlicht en recht vroolijk gestemd.”
»En dat alles zonder mij?” vroeg Katoeti, op zacht verwijtenden toon.
»Ik wilde u niet storen,” antwoordde Nefert. »En ’s morgens,” voegde zij er bij, op nieuw blozende, »neemt ge mij toch nooit mede naar de stad en den tempel.”
Wederom greep zij naar het bekertje, bekeek den wijn en zeide, zonder nog te drinken: »Wilt gij hooren wat ik gedroomd heb, Paäker? Het was een wonderbaar gezicht!”
De gids verkeerde in zulk eene spanning, dat hij bijna geen adem durfde halen. Toch verzocht hij haar te willen vertellen.
»Verbeeld u,” begon Nefert, en zij schoof het bekertje op het gladde voetje, dat reeds bevochtigd was door eenige overgestorte droppels, heen en weer. »Verbeeld u, Paäker, ik droomde van den Neha-boom219) daarginds in die groote kuip, die uw vader voor mij, toen ik nog een kind was, uit Poent heeft medegebracht, en die sedert zoo heerlijk is opgegroeid. Geen boom in den tuin is mij zoo lief als deze, want hij herinnert mij altijd aan uw onvergetelijken vader, die zooveel van mij hield.”
Paäker knikte toestemmend.
Nefert zag hem aan, brak haar verhaal af en zeide, toen zij zag dat zijne wangen gloeiden: »Het wordt heet. Wilt gij ook een dronk wijn of water?”
Terwijl zij dit zeide, nam zijzelve het bekertje op en dronk het half leeg. Eene rilling voer haar door de leden, en terwijl zij haar schoon gelaat tot een komisch lachje plooide, keerde zij zich om naar Katoeti, die achter haar stoel stond, en reikte haar den beker toe, zeggende: »Heden is de wijn toch wat al te zuur. Proef maar eens, moeder!”
De weduwe nam het zilveren bekertje in de hand, en bracht het werkelijk aan hare lippen, zonder die echter te bevochtigen. Toen zij den beker van den mond nam, zweefde er een lachje over haar gezicht, terwijl zij hare oogen richtte op den gids, die haar verschrikt aanstaarde. Bliksemsnel schoot de gedachte door haar brein: »Ik smachtend verliefd op hem, en hij vol angst voor zulk eene neiging!” — Hoe zelfzuchtig hare ziel ook was, hoe vol listen en lagen, zij was niet ruw, en toch had zij hartelijk in lachen kunnen uitbarsten, terwijl zij de schandelijkste daad haars levens beging. In goede luim gaf zij Nefert den wijn terug, en zeide: »Ik heb dien wel eens zoeter gedronken, maar de zure verfrischt meer in de hitte.”
»Dat is ook waar,” antwoordde de vrouw van Mena, ledigde den beker tot den bodem, en zeide, alsof het haar verkwikt had: »Nu wil ik ook mijn droom ten einde vertellen. Ik zag dan den Neha-boom, het geschenk uws vaders, fraai en duidelijk voor mij staan. Ja, ik meen zelfs zijn geur te hebben opgevangen, ofschoon de droomuitlegger zeide, dat dit niet mogelijk was, daar men in den droom niet ruiken kan. Vol bewondering naderde ik de schoone plant. Daar vertoonden zich opeens wel honderd bijlen in de lucht, en hieuwen, als door onzichtbare handen gedreven, op den armen boom zoo duchtig in, dat de eene tak voor, de andere na, en eindelijk ook de boom op den grond viel. Als gij nu meent, dat mij dit verontrustte, dan bedriegt ge u. Ik schepte veeleer vermaak in de blinkende bijlen en vliegende spaanders. Toen er eindelijk niets meer over was om te vernielen, behalve de wortel in de aarde, besloot ik den boom tot een nieuw leven te wekken. Mijne zwakke armen werden plotseling buitengemeen sterk, mijne voeten uitermate vlug. Ik haalde veel water uit den vijver en goot het op de wortels. Toen ik eindelijk van inspanning niet langer kon, vertoonde zich een zacht groen, ter plaatse waar de boom was afgehakt. Een knopje kwam te voorschijn, een groen blaadje wikkelde er zich uit los, een saprijk stengeltje schoot in een oogwenk naar boven, verhardde zich tot een stam, die zijne takken en twijgjes begon uit te spreiden, waaraan groene blaadjes wiesen en witte, roode en blauwe bloesems. Toen kwamen vele schoon gevederde vogels aangevlogen; zij zetten zich in de kroon van den boom en begonnen te zingen. Ach, mijn hart zong bij dit gezicht nog luider dan de vogels, en ik zeide tot mij zelve: dat die boom zonder mij gestorven zou zijn, en aan mij zijn leven te danken had.”
»Een schoone droom,” zeide Katoeti, »die mij den tijd herinnert, toen gij nog een jong meisje waart, en halve nachten lang wakker kondt liggen, terwijl gij allerlei wonderlijke sprookjes bedacht. Welke verklaring gaf de priester u?”
»O, hij beloofde mij van alles,” zeide Nefert, »en gaf mij de verzekering, dat het voor mij bestemde geluk, na gewelddadige stoornissen, eindelijk als het frissche groen zou ontluiken.”
»En Paäker’s vader schonk u den Neha-boom?” vroeg Katoeti, terwijl zij de veranda verliet, en naar buiten trad in den tuin.
»Mijn vader bracht hem voor u van de oostelijke grenzen naar Thebe,” zeide de gids, de laatste woorden van de weduwe bevestigende.
»Dat is het juist wat mij zoo hartelijk verheugt,” hernam Nefert. »Want ik had uw vader zoo lief; hij was mij zoo dierbaar, als ware hij mijn eigen vader geweest. Weet gij nog hoe wij samen den vijver omzeilden, hoe de boot toen omsloeg, en gij mij bewusteloos uit het water hebt gedragen? Nooit zal ik den blik vergeten, waarmede de kloeke man mij aanzag, toen ik in zijne armen weder bijkwam. Zulke verstandige en trouwhartige oogen als hij, heeft niemand ooit gehad.”
»Hij was goed en had u innig lief,” zeide Paäker, insgelijks de ure gedenkende, waarin hij het voor ’t eerst gewaagd had, het schoone bewustelooze kind een kus op de lippen te drukken.
»Hoe verheug ik mij,” riep Nefert, »dat de dag eindelijk gekomen is, waarop wij te zamen over hem kunnen spreken; dat de oude boosheid, die mijn hart zoo bezwaarde, eindelijk vergeten is! Ik heb nu ondervonden, hoe goed gij zijt! Mijn gemoed schiet vol, wanneer ik mij weder in mijne kindsheid verplaats en gedenk, hoe ik al het schoone en onvergetelijke van die jaren aan u en de uwen verschuldigd ben. Zie eens, hoe zich de hond, de groote Descher, tegen mij aandringt. Hij wil mij toonen, dat hij mij nog niet vergeten heeft! Al wat uit uw huis komt wekt in mij zulke vriendelijke herinneringen!”
»Wij hadden u allen ook zoo lief,” zeide Paäker, en zag haar daarbij met teederheid aan.
»En wat zag het er mooi uit in uw tuin!” vervolgde Nefert. »Deze bloemen, die ge mij gebracht hebt, moeten in het water gezet en lang bewaard worden, als een groet van de plek, waar ik zoo gelukkig en zorgeloos spelen en droomen kon!”
Bij deze woorden drukte zij hare lippen op de veelkleurige bloemen. Doch Paäker stond op, greep hare rechterhand en bedekte haar met vurige kussen.
Nefert schrikte, en trok haar hand snel terug. Hij strekte echter zijn arm uit, om haar, terwijl zij terugweek, te omvatten. Reeds raakte zijne bevende hand haar slanke middel aan, toen er een luid geroep uit den tuin werd vernomen. Het was Nemoe, die de galerij binnenvloog om te berichten, dat de prinses Bent-Anat gekomen was. Op hetzelfde oogenblik verscheen Katoeti en weinige oogenblikken later de lievelingsdochter van Ramses.
Paäker trad terug en nam afscheid, alvorens Nefert tijd had gevonden aan hare ontroering woorden te geven. Van vreugde dronken bereikte hij zijn wagen. Hij hield zich zeker overtuigd, dat de vrouw van den wagenmenner hem liefhad. Zijn hart jubelde en hij nam zich voor, de oude Hekt met goud te beloonen. Onverwijld reed hij naar het paleis, om den stadhouder Ani te verzoeken hem naar Syrië te laten trekken. Daar zou het gelden: hem of Mena!.....
TIENDE HOOFDSTUK.
Terwijl Nefert daar van verontwaardiging als aan den grond genageld stond, zoodat zij geene woorden kon vinden om hare vorstelijke vriendin te begroeten, maakte Bent-Anat met koninklijke waardigheid aan de weduwe haar besluit kenbaar om aan hare dochter de eereplaats op te dragen, die door den dood van hare aanzienlijke vriendin was opengevallen. Heden nog, zoo beval zij, moet de vrouw van Mena in het paleis haar intrek nemen.
Zóo had de prinses nog nooit tot Katoeti gesproken, en het kon de weduwe niet ontgaan, dat Bent-Anat met voordacht thans niet sprak op den ouden vertrouwelijken toon. »Nefert,” zeide zij tot zichzelve, »heeft mij bij haar aangeklaagd, en zij acht mij voortaan de vriendschap en goedheid, waarmede zij mij vroeger bejegende, onwaardig.”
Zij gevoelde zich beleedigd en verontrust tevens. Ofschoon zij zich zeer goed bewust was van de gevaren, waarmede zij bedreigd werd, nu de oogen van hare dochter geopend waren, werd haar hart toch pijnlijk aangedaan door de gedachte haar kind te zullen verliezen. De tranen die in haar oogen welden, en de weemoed die er lag in hare bevende stem, waren daarom oprecht gemeend, toen zij de prinses antwoordde: »Gij vordert de betere helft van mijn leven! Doch gij hebt te bevelen en ik te gehoorzamen.”
Bent-Anat gaf trotsch een wenk met de rechterhand, als om te bevestigen wat de weduwe had gezegd. Maar Nefert vloog naar hare moeder toe, sloeg de armen om haar hals en weende lang aan haar boezem. Ook in de oogen van de prinses parelden tranen, toen Katoeti eindelijk hare dochter tot haar leidde en nog een laatsten hartelijken kus op haar schoon voorhoofd drukte. Bent-Anat vatte Nefert’s hand en liet haar niet weder los. Zij verzocht de weduwe al de kleederen en sieraden harer dochter ter hand te stellen aan de dienstmaagden en huisslaven, die zij zenden zou.
»Vergeet toch niet de doos met gedroogde bloemen, en mijn godenbeeldjes en de amuletten,” vroeg Nefert. »Ook den Neha-boom, dien oom mij schonk, zou ik gaarne hebben.”
Aan hare voeten speelde haar wit katje met den op den grond gevallen bloemruiker van Paäker. Zoodra zij het beestje opmerkte, nam zij het op en gaf het een kus.
»Neem ook dat diertje mede,” zeide de prinses. »Gij speeldet er zoo gaarne mede.”
»Neen,” antwoordde Nefert, terwijl zij bloosde.
De prinses begreep haar, drukte hare hand en vroeg, terwijl zij op Nemoe wees: »De dwerg is immers ook uw eigendom? Zal hij u volgen?”
»Ik geef hem mijne moeder ten geschenke,” antwoordde Nefert. Daarop liet zij door den kleine haar kleed en hare voeten kussen, omarmde Katoeti nog eens en verliet den tuin met hare vorstelijke vriendin.
Zoodra Katoeti alleen was, ijlde zij naar hare kapel, waarin de beelden harer voorvaderen stonden, afgezonderd van die van Mena. Half klagend, half dankend wierp zij zich neder voor het beeld van haar gestorven echtgenoot. De scheiding was haar zeker moeilijk gevallen, en het gemis harer dochter vervulde haar hart met smart, doch het verloste haar tevens van een zwaren last, die als een berg hare borst beklemde. Sedert gisteren was zij te moede geweest als een wandelaar, die zijne schreden richt langs de helling van een diepen afgrond, terwijl zijn vijand hem op de hielen volgt. Weldra kreeg het gevoel van verlost te zijn van hetgeen haar bedreigde de overhand, en onderdrukte hare moedersmart. Het was alsof de afgronden waren aangevuld, als lag daar voor haren voet een effen weg, dien zij slechts te bewandelen had, om het laatste doel van haar streven te bereiken.
De weduwe, die anders zoo statig daarheen ging, doorliep nu haastig en in heftige beweging de paden van den tuin, toen zij uit de kapel was teruggekeerd. Voor de eerste maal, sedert die ongeluksbode kwam uit het leger te velde, gelukte het haar den stand der zaken duidelijk en klaar te overzien, en na te denken over de maatregelen, die Ani in de naaste toekomst nemen moest. Het slot van hare overwegingen was, dat alles goed stond, en dat het tijdstip gekomen was, om snel en kloek te handelen.
Toen de boden van de prinses verschenen, was zij kalm en bestuurde zij met overleg het inpakken van alle voorwerpen, die Nefert had verlangd mede te nemen. Zoodra dit was afgeloopen, zond zij den dwerg tot Ani met het verzoek, dat hij haar spoedig mocht bezoeken. Doch eer Nemoe nog het erf van Mena verlaten had, zag hij reeds de voorloopers van den stadhouder, en daarop zijn wagen, omgeven door de trawanten, die gewoon waren hem te volgen. Weinige oogenblikken later wandelde Katoeti met haar vorstelijken vriend in den tuin op en neder, vertelde hem dat Bent-Anat hare dochter had medegenomen, en herhaalde alles, wat zij in de laatste uren overwogen en vastgesteld had.
»Gij hebt met mannelijke kloekheid alles overlegd,” zeide Ani, »en ditmaal zult gij mij niet tevergeefs aanzetten. Ameni is bereid te handelen en Paäker verzamelt reeds zijne strijdbare lieden. Hij wil morgen nog het feest van het dal bijwonen, en overmorgen trekt hij naar Syrië.”
»Is hij dan bij u geweest?” vroeg Katoeti.
»Uit uw huis kwam hij regelrecht naar het paleis,” antwoordde Ani. »Zijne wangen gloeiden. Hij is tot het uiterste besloten, hoewel hij nog niet vermoedt, dat ik hem in mijne macht heb.”
Zoo voortpratende kwamen zij aan de veranda, waar Nemoe zich had opgehouden, die zich nu om te luisteren achter de bladplanten had verborgen. Zij zetten zich naast elkander neer aan Nefert’s ontbijttafel. Ani vroeg zijne vriendin, of Nemoe haar het geheim zijner moeder had toevertrouwd. Katoeti hield zich van alles onkundig, en speelde de rol eener door schrik en ontzetting aangegrepene moeder zoo bijzonder goed, toen zij de geschiedenis van den liefdedrank vernam, dat de stadhouder haar tot kalmte moest brengen door te verzekeren, dat de werking van zulke dranken maar eene inbeelding was.
»Nu versta, nu begrijp ik mijne dochter eerst,” zeide Katoeti echter. »Paäker moet den drank in haren wijn hebben gegoten, want zoodra Nefert heden morgen haar beker geledigd had, was zij als veranderd. Zij richtte tot Paäker de teederste woorden, en wanneer hij straks zich zoo blijmoedig ter uwer beschikking heeft gesteld, dan deed hij dit ongetwijfeld, omdat hij zeker meent te zijn van de liefde mijner dochter. De artsenij van de oude tooveres heeft waarlijk gewerkt!”
»Mogelijk zijn er toch wel zulke dranken,” zeide Ani nadenkend. »Maar zij zullen alleen de harten van jonge mannen kunnen doen winnen. Is dit het geval, dan maakt die oude slechte zaken, want de jeugd is op zichzelve wel in staat door hare betoovering liefde te wekken. Ja, als ik nog zoo jong was als Paäker! — Gij lacht om deze mijne verzuchting? Laat ik het maar uitspreken: ik ben een zuchtend oud man! Ja, waarlijk, een oud man, want de middag mijns levens ligt reeds achter mij. En toch, Katoeti, vriendin, verstandigste der vrouwen, verklaar mij dit eene! Toen ik jong was, werd ik zeer geliefd. Ik heb ook vele vrouwen liefgehad, maar ik beschouwde ze allen als speelgoed; zelfs mijne vroeg gestorvene gade maakte hierop geene uitzondering. En thans steek ik mijne hand uit naar eene jonkvrouw, wier vader ik zou kunnen zijn, niet om mij in haar bezit te verheugen, maar om haar dienstbaar te maken aan mijne plannen. En nu zij mij versmaadt, gevoel ik mij zoo verontrust, zoo zwaar als... ja, het verschilt niet veel of ik gelijk Paäker, die een liefdedrank kocht.”
»Hebt gij met Bent-Anat gesproken?” vroeg de weduwe.
»Ik was zoo onnoozel,” antwoordde Ani, »om de prinses hare afwijzing, die zij mij door u had laten overbrengen, met eigen mond te doen herhalen. Gij ziet het, mijn verstand heeft geleden.”
»En onder welke voorwendsels wees zij uw hand af?” vroeg de weduwe.
»Voorwendsels?” riep Ani. »Bent-Anat en voorwendsels! Dit moet erkend worden: deze vrouw bezit koninklijken trots en de groote Ma220) in eigen persoon is niet waarachtiger dan zij. Ik kom er rond voor uit: tegenover haar scheen mij alles wat wij in het schild voeren al zeer erbarmelijk! In mijne aderen vloeien nu eenmaal vele droppels van Thotmes’ bloed, en ofschoon het leven mij geleerd heeft den rug te krommen, zoo doet mij het bukken toch pijn. Het blijmoedig gevoel van tevredenheid met mijn toestand en met al mijne handelingen heb ik nooit gekend, want ik was altijd meer dan ik zijn mocht en deed minder dan ik had moeten doen. Om niet ten alle tijde een droefgeestig gezicht te zetten, lachte ik maar altijd. Mijn gelaat is met niets anders bedekt dan met de huid, waarmede mijne moeder mij ter wereld bracht, en toch draag ik altijd een masker. Ik dien hem, wiens heer ik meen te zijn, krachtens mijne geboorte. Ik haat Ramses, die mij, al of niet oprecht gemeend, zijn broeder noemt, en terwijl ik mij voordoe als bevestigde ik den grondslag zijner heerschappij, ben ik ijverig bezig om dien te ondermijnen. Mijn geheele bestaan is een leugen!”
»Maar het zal waarheid worden,” sprak Katoeti, »zoodra de goden u vergunnen te worden wat gij zijt, de echte koning van het land.”
»Zonderling,” zeide de stadhouder glimlachend. »De opperpriester Ameni bediende zich heden bijna van dezelfde woorden. De slimheid van priesters en vrouwen heeft veel overeenkomst; gij strijdt dan ook met gelijksoortige wapenen. In plaats van zwaarden bedient gij u van woorden, in plaats van lansen gebruikt gij strikken, die gij ons niet om het lichaam maar om de ziel werpt.”
»Wilt gij ons hiermede berispen of prijzen?” vroeg de weduwe. »In elk geval zijn wij niet onmachtig, en daarom bruikbare bondgenooten, zou ik meenen.”
»Dat zijt gij,” zeide Ani, wederom lachend. »Er vloeit toch in dit land geen traan, hetzij uit smart hetzij uit vreugde geweend, waarvan niet ten slotte een priester of eene vrouw de oorzaak is. In ernst, Katoeti, van tien groote gebeurtenissen hebt gij vrouwen in negen de hand in het spel. Gij zijt de aanleiding tot alles wat er thans wordt voorbereid. Ik wil u oprecht belijden, dat ik voor weinige uren, niettegenstaande ons laatste succes, mijne aanspraken op den troon zou hebben laten varen, indien de jonkvrouw Bent-Anat in plaats van neen, ja had gezegd.”
»Gij wilt mij wijs maken,” hernam Katoeti, »dat het zwakker geslacht met een krachtiger wil is begaafd dan het sterkere. Gij noemt ons dan in het huwelijk ook: ‚de meesteressen van het huis,’ en wanneer de ouders der burgers zwak worden, dan is het hier te lande de gewoonte, dat niet de zonen maar de dochters hen onderhouden. Maar wij vrouwen hebben ook onze zwakheden, en daaronder in de eerste plaats de nieuwsgierigheid. Mag ik vragen op welke gronden Bent-Anat u afwees?”
»Gij weet zoo veel,” antwoordde Ani, »dat gij alles wel moogt weten. Zij vergunde mij dan haar alleen te spreken. Het was nog vroeg en zij kwam juist uit den tempel, waar haar de oude en zwakke eerste profeet de reinheid teruggegeven had. In al hare jeugdige frischheid, schoon en fier trad zij mij te gemoet, sterk en gezond als eene godin en vorstin. Mij klopte het hart in den boezem, alsof ik nog een jongeling was, en terwijl zij mij hare bloemen toonde, zeide ik tot mij zelven: Gij zijt gekomen om door haar een nieuw recht op den troon te winnen, maar stemt zij er in toe de uwe te worden, dan wil ik Ramses’ trouwe broeder en stadhouder zijn, rust en geluk genieten aan hare zij en door haar, eer het te laat is. Wijst zij mij af, dan moge het noodlot worden vervuld; dan kies ik in plaats van liefde en vrede, de worsteling om de kroon, die aan mijn huis werd ontroofd. — Ik begon met mijn aanzoek, maar zij nam mij het woord uit den mond, noemde mij een edel man, een waardig minnaar...”
»Doch nu kwam het maar,” viel Katoeti in de rede.
»Het kwam,” hernam Ani bevestigend, »en wel in den vorm van een openhartig neen! Ik vroeg naar de gronden dezer weigering. Zij bad, dat ik mij met dit ‚neen’ tevreden zou stellen. Toen begon ik met meer kracht aan te dringen, tot zij mij in de rede viel, en op trotschen vastbesloten toon erkende, dat zij aan een ander boven mij de voorkeur gaf. Ik wenschte den naam van dien gelukkige te weten. Zij weigerde dien te noemen. Toen eerst begon mijn bloed te koken, mijn verlangen naar haar nog grooter te worden. Toch moest ik haar verlaten, afgewezen zonder hoop, en met een nieuw brandend gif in het hart.”
»Gij zijt ijverzuchtig,” zeide Katoeti. »En weet gij op wien?”
»Neen,” antwoordde Ani. »Maar ik hoop het door u te weten te komen. Wat hier in mijn binnenste woelt, weet ik geen naam te geven. Eén ding echter weet ik, en dat is, dat ik weifelde toen ik het paleis betrad, maar dat ik vast besloten was toen ik het verliet. Ik storm nu voorwaarts, om niet meer op mijne schreden terug te kunnen keeren. Van nu aan zult ge mij niet meer behoeven voort te drijven, maar veeleer tegen te houden. Als hadden de goden mij willen toonen, dat zij genegen zijn mij bij te staan, vond ik bij mijne tehuiskomst den opperpriester Ameni en den gids Paäker op mij wachten. Ameni zal voor mij in Egypte, Paäker in Syrië handelen. Mijne zegevierend uit Ethiopië teruggekeerde troepen, trekken morgen vroeg in triumf Thebe binnen, als had de koning aan hun hoofd gevochten. Zij zullen ook deelnemen aan het feest van het dal. Later zenden wij ze in het noorderland, en leggen ze in de vestingen, die Egypte tegen de uit het oosten komende vijanden beschermen221), Tanis, Pelusium, Daphne, en Migdol. Ramses verlangt, zooals gij weet, dat de onderhoorigen van de priesters geoefend, en hem als hulptroepen nagezonden zullen worden. Welnu, ik zend hem de helft der lijfeigenen, de andere helft zal mij dienen bij de uitvoering mijner plannen. De bezetting van Memphis, die Ramses geheel is toegedaan, wordt naar Nubië gezonden, en vervangen door troepen die op mijne hand zijn. Het volk van Thebe laat zich door de priesters leiden, en morgen zal Ameni het toonen, wie zijn ware koning is, wie aan den krijg een einde maken en de burgers van hunne drukkende lasten bevrijden zal. Zij zullen zien wie den goden welgevalliger is: de laatste nakomeling van het oude koningshuis of een uitwas van het nieuwe. De kinderen van Ramses zullen van het feest worden uitgesloten, want, ondanks hetgeen de eerste profeet van Amon in Thebe gezegd heeft, verklaart Ameni de prinses Bent-Anat voor onrein. De jonge Rameri heeft een misdrijf begaan, en Ameni, die nog andere grootere dingen in den zin heeft, zal hem uit het Seti-huis verbannen. Dat werkt op de menigte. Hoe de zaken in Syrië staan, weet gij. Ramses heeft veel te lijden van de Cheta en de met hen verbonden volken. De soldaten zijn bij duizenden te tellen, die dat eeuwigdurende in ’t veld liggen moede zijn, en als het er op aankomt, zullen zij ons aanhangen. Misschien zullen wij overwinnen, zonder dat het tot eene worsteling komt, ten minste wanneer Paäker zijn plicht doet. Thans is vóor alles noodig met spoed te handelen.”
»Ik herken den wikkenden en wegenden, den altijd behoedzamen talmer niet meer,” zeide Katoeti.
»Omdat voorzichtig overleg thans onvoorzichtigheid zou zijn,” antwoordde Ani.
»En wanneer nu de koning eens te vroeg bericht kreeg van alles wat hier omgaat?” vroeg Katoeti.
»Ik zeide het u reeds,” hernam Ani. »Wij hebben onze rollen verwisseld.”
»Gij dwaalt,” antwoordde de weduwe. »Ik dring ook thans op handelen aan. Maar ik mag u toch wel herinneren aan een maatregel van voorzorg, die volstrekt dient genomen te worden. Uwe brieven alleen en geene andere mogen in de eerste weken het leger bereiken.”
»Ook hierin stemt gij met den priester overeen,” zeide de stadhouder lachend, »want Ameni heeft mij denzelfden raad gegeven. Alle brieven, die de vestinglinie tusschen Pelusium en de Schelfzee willen passeeren, zullen worden aangehouden. Mijn schrijven alleen, waarin ik klagen wil over roovers uit de woestijn, die onze boden overvallen, mag den koning in handen komen.”
»Wijs gehandeld!” zeide de weduwe. »Laat ook de havens van de Schelfzee bewaken en toezicht houden op de schrijvers. Wanneer gij koning zijt, zult gij weten wie hunner u wel, en wie u kwalijk gezind was.”
Ani schudde ontkennend het hoofd en zeide, in antwoord op deze laatste opmerking: »Dat zou mij in groote moeielijkheden brengen, want wilde ik hen, die thans hun koning aanhangen, bestraffen en de anderen verheffen, zoo zou ik de trouwe dienaars moeten verstooten en met de ontrouwe regeeren. Gij behoeft niet te blozen, mijne vriendin, want wij zijn van éenen bloede, en uw belang is ook het mijne.”
Katoeti greep de haar toegestoken hand en zeide: »Dat is zoo. Ook verlang ik geen ander loon, dan het huis mijner vaderen op nieuw te zien oprichten.”
»Misschien zal het gelukken,” hernam Ani, »maar voor hoe korten tijd, wanneer niet — wanneer niet.... Denk eens na, Katoeti, tracht eens uit te vorschen, waartoe gij de hulp van uwe dochter kunt inroepen. — Wie is hij toch dien zij — Gij weet wien ik bedoel. — Wien heeft Bent-Anat lief?”
De weduwe verschrikte, want met eene heftigheid, die geheel in strijd was met zijne gewone hoffelijkheid, had Ani de laatste woorden uitgeroepen. Maar spoedig plooide haar gelaat zich weder tot een glimlach, terwijl zij voor den stadhouder de weinige jonge edelen optelde, die den koning niet in het leger gevolgd maar te Thebe gebleven waren. »Zou het haar broeder Chamoes zijn?” vroeg zij eindelijk. »Deze is wel-is-waar in het leger; intusschen....”
Op dit oogenblik liep Nemoe, wien geen woord van het gehouden gesprek ontgaan was, de open zaal binnen, als kwam hij zoo juist uit den tuin, en zeide: »Vergeef mij, meesteres, maar ik heb daar wonderlijke dingen gehoord.”
»Spreek!” zeide Katoeti met een wenk.
»De edele prinses Bent-Anat, de goddelijke dochter van Ramses, moet openlijk in eene liefdesbetrekking staan met een priester van het Seti-huis.”
»Onbeschaamde!” riep Ani, en het was of zijn toornige blik den dwerg wilde doorboren. »Bewijs wat gij zegt, of ik laat je de tong uit den mond halen!”
»Ben ik een lasteraar en verrader van den staat, dan moogt ge mij volgens de wet de tong laten uitsnijden,” zei de kleine onderworpen, hoewel met een ondeugend lachje. »Maar ditmaal mag ik haar zeker behouden, want wat ik zeg kan ik bewijzen. Gij weet dat Bent-Anat onrein is verklaard, omdat zij een uur of langer in het huis van een Paraschiet vertoefde. Daar had zij eene samenkomst met den priester. Bij eene tweede in den Hathor-tempel van Hatasoe, werd zij overvallen door Septah, den eersten Horoscoop van het Seti-huis.”
»Wie is die priester?” vroeg Ani, schijnbaar bedaard.
»Een man van lage afkomst,” antwoordde Nemoe, »dien men kosteloos in het Seti-huis heeft laten opvoeden, en die zich thans als droomuitlegger en verzenmaker bekend heeft gemaakt. Hij heet Pentaoer, en men moet erkennen, dat hij er schoon en deftig uitziet. Hij gelijkt op een haar den overleden vader van den gids Paäker. — Hebt gij hem wel eens gezien, mijn vorst?”
De stadhouder gaf een teeken van toestemming, fronste zijn voorhoofd en zag naar den grond. Doch Katoeti vervolgde:
»Dwaze die ik ben! De dwerg heeft gelijk! Ik zag hoe hare wangen zich kleurden, toen haar broeder de verzekering gaf, dat alle knapen om zijnentwil tegen Ameni zouden opstaan. Zeker, zij denkt aan Pentaoer en aan geen ander.”
»Het is goed,” zeide Ani, »wij zullen zien!”
Met deze woorden nam hij afscheid van de weduwe, die, terwijl hij in den tuin verdween, in zichzelve prevelde: »Hij was heden zoo beslist en zoo helder, als ik dat niet van hem gewoon ben. Maar de ijverzucht begint hem reeds te verblinden en zal hem weldra doen gevoelen, dat hij mijne scherpe oogen niet missen kan.”
Nemoe was den stadhouder nageloopen. Achter het vijgenboschje riep hij hem aan en fluisterde snel, terwijl hij zich eerbiedig boog: »Mijne moeder weet zeer veel, edele heer! De heilige Ibis222) schroomt niet het moeras te doorwaden, wanneer zij op buit uitgaat; waarom zoudt gij ook niet eens goud in het stof gaan zoeken? Ik weet wel hoe ge de oude ongemerkt spreken kunt.”
»Spreek op,” bromde Ani.
»Werp haar voor éen dag in de gevangenis, verhoor haar en laat haar dan loopen, met een geschenk, als zij u gediend heeft, in het tegenovergesteld geval met een pak slagen. Maar gij zult iets onuitsprekelijk gewichtigs vernemen, dat zij zelfs voor mij hardnekkig verzwijgt.”
»Wij zullen zien,” antwoordde de stadhouder, wierp den kleinen man eenige gouden ringen toe en besteeg zijn wagen.
In de nabijheid van zijn paleis had zich zulk eene dichte menschenmassa verzameld, dat de stadhouder een of ander onheil duchtte. Hij beval zijn wagenmenner de paarden wat in te houden, en eenige soldaten van de politie, zijne voorloopers te helpen. Doch het scheen dat eene blijde boodschap hem wachtte, want bij de poort van het slot hoorde hij duidelijk het gejubel der menigte, en in het voorhof van het paleis vond hij een gezantschap uit het Seti-huis, dat hem en heel het volk op last van Ameni het bericht kwam brengen van een groot wonder. Want het hart van den door wilde dieren verscheurden ram van Amon was teruggevonden in de borst van den vromen, gestorven profeet Roeï.
Ani steeg dadelijk van zijn wagen, knielde neder voor het aangezicht der menigte, die zijn voorbeeld volgde, hief biddend de handen omhoog en dankte de goden met luider stem. Toen hij na eenige oogenblikken weder was opgestaan en het paleis was binnengetreden, kwamen eenige slaven naar buiten, die op last van Ani brood onder de menigte verdeelden.
»De stadhouder heeft toch eene milde hand,” zeide een schrijnwerker uit Thebe tot eene vrouw, die bij hem stond. »Zie eens hoe wit dit brood is. Ik steek het bij mij en breng het aan mijne kinderen.”
»Geef mij een stukje,” riep een naakte jongen, greep den schrijnwerker het broodje uit de hand en liep weg, terwijl hij zeer behendig tusschen de beenen der menschen doorsloop.
»Krokodillengebroed!” schreeuwde de man, die zijn deel verloren had. »De onbeschaamdheid dier jongens wordt met den dag erger.”
»Ze zijn hongerig,” zeide de vrouw, om den knaap te verontschuldigen. »Hun vaders zijn te velde en hunne moeders hebben niet anders voor hen dan papyrus-merg en lotuskorrels”223).
»’t Moge hem goed bekomen,” zeide de schrijnwerker. »Dringen wij wat naar de linker zijde. Daar komt een dienaar met nieuwe brooden.”
»De stadhouder moet zich bijzonder verblijden over dit wonder,” zeide een schoenmaker. »Hij spaart er geen geld voor.”
»Er is ook in lang niets dergelijks gebeurd,” sprak een mandenmaker, zich in het gesprek mengende, »en Ani verheugt het zeker uitermate, dat juist Roeï met dat heilige hart werd begenadigd. — Gij vraagt waarom? Domkop, die ge zijt! Hatasoe is Ani’s grootmoeder.”
»En Roeï was profeet in den Hatasoe-tempel,” zeide de schrijnwerker.
»De priesters aan de overzijde zijn aanhangers van het oude koningshuis,” verzekerde een bakker. »Dat weet ik.”
»Alsof dat een geheim was!” zeide de schoenmaker. »De oude tijden waren ook beter dan de tegenwoordige. De krijg verslindt alles, en zeer fatsoenlijke lieden loopen nu barrevoets, omdat zij het leder niet betalen kunnen. Met den buit ziet het er ook mager uit sedert het laatste jaar. Ramses is een groot krijgsheld en een zoon van Ra, maar wat vermag hij zonder de goden, wien het thans in Thebe niet meer schijnt te bevallen? Waarom anders zoekt het heilige hart van den ram zich eene nieuwe woning in de Nekropolis, en wel in de borst van een aanhanger van het oude....”
»Houd je mond,” waarschuwde de mandenmaker, »daar komt de politie-wacht.”
»Ik moet ook aan mijn werk,” zeide de bakker, »want ik heb voor het feest van morgen mijne handen vol.”
»Ik ook,” zuchtte de schoenmaker, »want wie kan den koning der goden barrevoets in de Nekropolis volgen?”
»Gij zult mooi geld verdienen,” hernam de mandenmaker.
»Het zou nog al wat zijn,” antwoordde de schoenmaker, »als men beter hulp had; maar de gezellen zijn allen in den krijg. Men moet zich behelpen met onhandige jongens. En dan die vrouwen! De mijne heeft zich voor de processie een nieuw kleed aangeschaft, en voor de kinderen, zelfs voor de kleine, halsbanden gekocht. Men eert wel gaarne zijne dooden, en zij vergelden het ons ook dikwijls door hun bijstand, maar wat die offers mij kosten is niet te zeggen. Nog meer dan de helft van mijne verdienste gaat daarmee heen.”
»In mijne eerste droefheid over mijne overledene vrouw,” zeide de bakker, »heb ik mij verbonden elke nieuwe maan een kleiner en elk jaar een grooter offer te brengen. De priesters schelden niets kwijt van eene gelofte, en de tijden worden steeds slechter. Bovendien is de afgestorvene mij kwalijk gezind, en even ondankbaar als bij haar leven. Want verschijnt ze mij in den droom, dan heeft zij geen goed woord voor mij en kwelt mij als altijd.”
»Zij is thans een lichtende en alwetende geest,” zeide de vrouw van den mandenmaker, »en ge zijt haar zeker ontrouw geweest. De verheerlijkten weten alles wat op aarde gebeurt en gebeurd is.”
De bakker kreeg toevallig eene hoestbui, doch de schoenmaker riep: »Bij Anubis, den heer der onderwereld, ik wensch vóor mijn oudje te sterven, want wanneer zij bij Osiris te weten komt wat ik hier op aarde al zoo gedaan heb, en zij in staat zal zijn zich in elke gedaante te veranderen, waarin zij maar wil, dan verschijnt ze mij zeker elken nacht, om mij als kreeft te knijpen, of als eene zware nachtmerrie mij te benauwen.”
»Als gij ’t eerst sterft,” hernam de vrouw, »dan komt zij toch later bij je in de onderwereld, waar zij je ook zal doorzien.”
»Dat is minder gevaarlijk,” sprak de schoenmaker lachend, »want dan ben ik zelf een verheerlijkte, en ligt ook haar verleden voor mij open. Dat zal ook wel zoo voortreffelijk niet zijn. En werpt ze mij met den schoen, dan werp ik haar met de leest.”
»Kom mede naar huis,” zeide de mandenmakersvrouw, terwijl zij haar man met zich voorttrok. »Ge hoort hier niets goeds.”
De omstanders lachten, doch de bakker sprak: »Het is meer dan tijd om heen te gaan; ik moet in de Nekropolis zijn vóor het donker wordt, en mijne tafel laten opslaan voor het feest van morgen. Mijne waren staan dicht bij den smallen ingang van het dal. Breng je kleinen maar bij mij, schoenmaker, dan zal ik ze wat zoetigheid geven. — Vaart gij met mij naar de overzijde?”
»Mijn jongere broeder,” antwoordde de schoenmaker, »is reeds met de waren aan den overkant. We hebben nog werk voor onze klanten in Thebe, en nu sta ik hier mijn tijd te verbabbelen! — Zoudt ge denken dat het wonderhart van den heiligen ram morgen vertoond zal worden?”
»Wel zeker,” zeide de bakker. »Vaarwel! Daar zijn mijne kisten.”
ELFDE HOOFDSTUK.
Tegelijk met den bakker lieten honderde lieden, ondanks het vergevorderde uur, zich naar de Nekropolis overzetten. Het was hun geoorloofd daar, onder het oog der veiligheidsbeambten, in den nacht, die aan het feest voorafging, te vertoeven. Zij toch moesten de tafels voor hunne handelsartikelen en de schutdaken daarboven in gereedheid brengen, hunne waren uitstallen en hunne tenten opslaan. Want zoodra de zon zich den volgenden morgen zou vertoonen, was alle handelsverkeer op den heiligen stroom verboden, en mochten slechts feestbarken en zulke booten van Thebe afvaren, die de bedevaartgangers voor de groote processie, mannen, vrouwen en kinderen, burgers en vreemdelingen naar gindschen oever hadden over te voeren.
In de zalen en laboratoriën van het Seti-huis was insgelijks meer drukte dan gewoonlijk. De heiligverklaring van het wonderhart had de toebereidselen tot het feest voor korten tijd afgebroken. Thans werden weder hier de koren geoefend, daar de repetitie gehouden van de vertooning, die op het heilige meer224) zou worden uitgevoerd, ginds de godenbeelden afgestoft en bekleed225), en de kleuren der heilige emblemen verfrischt. Sommigen waren bezig met de pantherhuiden en verdere kleedingstukken van het priesterlijk ornaat te luchten en in orde te brengen, anderen poetsten de schepters, wierookpannen en overige koperen gereedschappen, nog anderen tooiden de feestbark op226), die bij de processie moest worden rondgedragen. De jongere kweekelingen vlochten, onder toezicht van de tempelhoveniers, in het heilige bosch van het Seti-huis guirlanden en kransen, om de landingsplaats, de sphinxen, den tempel en de godenbeelden te versieren. Aan de met koper beslagene masten227) vóor de pylonen werden de vanen geheschen, en purperkleurige zeilen gespannen over het midden van het groote voorhof, om straks de brandende zonnestralen te weren.
Richtte men den blik naar eene der nevenpoorten, dan kon men den opzichter der offergaven opmerken, die reeds nu het vee, het koren en de vruchten in ontvangst nam. Dit was de schatting, die op het feest van het dal, door burgers uit alle deelen des lands aan het Seti-huis werd gebracht. Schrijvers die alles wat werd afgeleverd aanteekenden, Neokoren die de gaven aannamen, en lijfeigenen, die voor den landbouw werden gebruikt, stonden den priester bij dit werk ter zijde.
Ameni was nu eens bij de zangers, dan weder bij de wonderdoeners, die voor het volk verrassende gedaanteverwisselingen moesten vertoonen. Pas had hij zijne bevelen gegeven aan de Neokoren, die den troon en de zetels voor den stadhouder, de gezanten van de andere priestercollegiën des lands228) en de profeten van Thebe opsloegen, of hij begaf zich weder naar de priesters, die de reukwerken in orde brachten, en naar de dienaars, die de duizende lampen voor den feestnacht gereed maakten en ophingen. Kortom, hij was overal, hier een woord van goedkeuring sprekende, daar de tragen wat aanzettende. Toen hij overtuigd was dat alles goed ging, beval hij een der heilige vaders Pentaoer te roepen.
De jonge priester had zich, na afscheid genomen te hebben van Rameri, den uit het Seti-huis verbannen zoon van Ramses, met zijn vriend Nebsecht in diens studeerkamer teruggetrokken. De arts liep onrustig tusschen zijne flesschen en kooien op en neer. In koortsachtige spanning nu eens een bundel planten met den voet wegschoppende, dan weder met zijn vuist op de tafel slaande, vertelde hij Pentaoer, terwijl zijne anders stijve ledematen in heftige beweging waren, in welk een toestand hij zijn studeervertrek bij zijne terugkomst had gevonden. Zijne lievelingsvogels waren verhongerd; zijne slangen hadden zich weten vrij te maken; ook zijn aap was, misschien wel uit angst voor de gevaarlijke dieren, losgebroken.
»Dat beest, dat monster!” riep hij toornig, »heeft de potten met kevers omgeworpen, de kist met het meel, dat ik mijne vogels en wormen te eten geef, opengemaakt en zich daarin rondgewenteld. Het heeft mijne messen, naalden, tangen, mijne stiften, cirkels en rietpennen het venster uitgeworpen. Toen ik de kamer inkwam, zat hij zoo wit als een Ethiopische slaaf die dag en nacht den molen draait, daarboven op de kast. Hij hield de rol, die mijne aanteekeningen bevat over den bouw van het dierlijk lichaam, de resultaten van jarenlange studiën, in zijne voorpooten, en zat er met zijn scheeven kop ernstig in te kijken. Ik wil hem het geschrift afnemen, ja wel: hij springt met de rol het venster uit, zet zich neer op den rand van den put, plukt en bijt daar woedend den papyrus in flarden. Ik spring hem na, maar hij kruipt in den emmer, trekt aan den ketting, en laat zich, terwijl hij mij spottend aangrijnst, in den put naar beneden. Ik trek hem naar boven, maar hij springt met de rest van mijn geschrift er weer in.”
»Is het arme beest verdronken?” vroeg Pentaoer.
»Ik heb hem met den emmer er weer uitgevischt en in de zon te drogen gelegd. Maar het hielp niet; hij had ook allerlei artsenijen gedronken en is heden middag gestorven. Mijne aanteekeningen zijn ook verloren. Veel heb ik nog overgehouden, maar over het geheel kan ik toch weer van voren aan beginnen. Gij ziet het, de apen hebben het zoowel als de wijzen op mijne studiën voorzien. Daar in de lade ligt het beest!”
Pentaoer had bij het verhaal van zijn vriend eerst gelachen, en toen zijn verlies betreurd. Thans vroeg hij met eenige bezorgdheid: »Ligt het dier dáar? Gij vergeet toch niet, dat het in den tempel van Toth bij de boekerij verpleegd moest worden? Het behoorde tot de heilige soort van hondskop-apen229) en alle goede kenteekenen werden er aan gevonden. De bibliothecaris heeft het u toevertrouwd om zijn ziek oog te genezen.”
»Nu, dat is weer gezond geworden,” antwoordde Nebsecht losweg.
»Maar zij zullen het lijk ongeschonden van u verlangen, om het te balsemen,” hernam Pentaoer.
»Zullen zij?” prevelde Nebsecht, en hij zag daarbij zijn vriend aan als een knaap, van wien men een appel terugvraagt, dien hij sedert lang heeft opgegeten.
»Ge hebt zeker weer wat heel fraais uitgevoerd!” riep Pentaoer, met een vriendelijke bedreiging.
De arts knikte en zeide: »Ik heb het beest geopend en zijn hart onderzocht.”
»Gij zijt toch op harten verzot, als waart gij een behaagziek meisje!” riep de dichter. »Wat is er toch van het menschenhart geworden, dat de oude Paraschiet u zou bezorgen?”
Nebsecht vertelde nu zonder terughouding, wat Warda’s grootvader voor hem had gedaan; dat hij het hart van een mensch had onderzocht maar daarin niets gevonden, wat ook niet in het hart van een dier te vinden was. »Maar ik moet het zien werken in samenhang met de overige organen van een mensch,” riep hij opgewekt, »en mijn besluit staat vast. Ik verlaat het Seti-huis, en zal de Kolchyten vragen mij in hun gild op te nemen. Als het niet anders zijn kan, verricht ik aanvankelijk den dienst der laagste Paraschieten.”
Pentaoer deed den arts opmerken, welk een slechten ruil hij zou doen, en zeide eindelijk, toen Nebsecht hem met vuur tegensprak: »Dat opensnijden van harten keur ik af. Gij zelf zegt dat gij er niets door geleerd hebt. Keurt gij het goed, schoon, of ook maar nuttig op zichzelf?”
»Wat geef ik er om,” antwoordde Nebsecht, »of dat wat ik onderzoek goed of slecht, schoon of leelijk, nuttig of ijdel schijnt. Ik wil weten hoe het is, verder niets!”
»Alzoo uit bloote nieuwsgierigheid,” riep Pentaoer, »wilt gij de zaligheid van duizenden in gevaar brengen, het ellendigste handwerk bij de hand nemen, en deze edele werkplaats verlaten, waar wij streven naar verlichting, naar inwendige loutering en waarheid!”
De natuuronderzoeker kon een spottend lachje niet bedwingen.
Maar nu zwollen ook van verontwaardiging de aderen op het voorhoofd van Pentaoer, en dreigend klonk zijn stem, toen hij, vroeg: »Gelooft gij waarlijk, dat uwe vingers en oogen de waarheid hebben gevonden, waarnaar edele geesten sedert duizende jaren zoeken, met inspanning van al hunne krachten? Met uw onverstandig wroeten in het stof daalt gij af tot den zinnelijken mensch, en hoe zekerder gij meent de waarheid gegrepen te hebben, des te meer zijt gij het schandelijk slachtoffer van uwe ellendige dwaling!”
»Zoudt gij denken dat, indien ik meende werkelijk de waarheid te bezitten, ik nog naar haar zoeken zou?” vroeg Nebsecht. »Hoe rijker ik word in ervaring en in wetenschap, des te dieper gevoel ik, wat er aan ons kunnen en weten ontbreekt.”
»Dat klinkt zeer bescheiden,” hernam de dichter, »doch ik weet maar al te wel, hoe uw onderzoek u er toe brengt, de waarde er van te overschatten. Alles wat gij met uwe oogen zien en met uwe vingers tasten kunt, schijnt u boven allen twijfel verheven, en met een voornaam glimlachje noemt gij in uw hart alles onwaar, wat met uwe ervaring in strijd is. Maar uwe ervaringen reiken niet verder dan de zinnelijke wereld, en gij vergeet dat er dingen zijn, die tot een ander gebied behooren.”
»Van deze dingen draag ik geen kennis,” antwoordde Nebsecht bedaard.
»Wij ingewijden,” vervolgde de dichter, »schenken ook daaraan onze opmerkzaamheid. Voor eeuwen zijn er onder ons volk reeds vermoedens uitgesproken over hun wezen en hunne werkzaamheid; ontelbare geslachten hebben die vermoedens getoetst, goedgekeurd, en ze ons als geloofsartikelen nagelaten. Al ons weten is gebrekkig: toch vermogen bevoorrechte profeten een blik in de toekomst te slaan; toch worden aan vele stervelingen magische krachten verleend. Dat is echter in strijd met de wetten van de stoffelijke wereld, die gij alleen wilt erkennen, en laat zich nochtans zoo gemakkelijk verklaren, wanneer wij eene hoogere orde van zaken aannemen. Gods geest leeft zoowel in ons als in de natuur. De zinnelijke mensch kan het niet verder brengen dan tot het alledaagsche weten, maar bij de profeten werkt de goddelijke eigenschap van het weten onvermengd; zij bezitten de alwetendheid. De wonderdoener heeft bij de uitvoering van zijne bovennatuurlijke werken niet alleen over menschelijke krachten te beschikken, maar ook over de geheel onbeperkte goddelijke kracht, dat is de almacht.”
»Loop heen met uwe profeten en wonderen!” riep de arts.
»Ik dacht,” antwoordde Pentaoer, »dat toch ook de orde in de natuur, die gij niet loochent, u dagelijks de heerlijkste wonderen doet aanschouwen. Ja, de Eenige wijkt van tijd tot tijd opzettelijk van de gewone orde der dingen af, ten einde dat deel van zijn wezen, hetwelk wij onze ziel noemen, op het verheven geheel te richten, waartoe zij behoort. Heden weder hebt gij gezien, hoe het hart van den heiligen ram....”
»Maar man!” viel Nebsecht zijn vriend opeens in de rede. »Het heilige hart is niet anders dan het armzalige hart van een hamel, dat een beschonken soldaat voor eene kleine som heeft gekocht van een vetweider, en dat bij eene onreine op het erf geslacht is. Een gevloekte Paraschiet stak het in de borst van Roeï en...en.” Bij deze woorden trok hij de lade open, wierp den dooden aap en eenige kleedingstukken op den grond, en haalde eindelijk een albasten schaaltje te voorschijn, dat hij den dichter voorhield — »en de spieren in deze zoutoplossing, dat orgaan hier, heeft eens in de borst van den profeet Roeï geklopt. Mijn hamelhart zullen zij morgen in processie ronddragen! — Ik zou het u wel dadelijk verteld hebben, indien ik mijzelven niet het stilzwijgen had opgelegd, terwille van dien ouden man, en dan... Maar man! man, wat scheelt er aan?”
Pentaoer had zich van zijn vriend afgewend, bedekte zijn aangezicht met beide handen, en steunde, als ware hij overvallen door hevige hoofdpijn.
Nebsecht begon te begrijpen, wat er in den dichter omging. Hij naderde hem als een kind, hetwelk zijne moeder iets wil afsmeeken, dat het eigenlijk niet vragen mag. Aarzelend bleef hij achter hem staan, en waagde het niet hem aan te spreken. Zoo verliepen er eenige oogenblikken.
Plotseling verhief Pentaoer zich in zijn volle lengte, strekte de handen hemelwaarts en riep: »Gij Eenige, al laat gij in den zomernacht ook sterren van den hemel vallen, zoo houdt toch uwe eeuwige onveranderlijke wet, in schoone harmonie, de nimmer rustenden230) in hunne banen. Gij heldere geest, die de wereld vervult, die u in mij openbaart als ik een afschuw gevoel van de leugen, werk in mij voort, wanneer ik denk als Licht, wanneer ik handel als Goedheid, wanneer ik spreek als Waarheid, — ja steeds als Waarheid!”
De dichter ontboezemde deze woorden uit innige overtuiging. Nebsecht hoorde ze aan, als waren het de toonen uit een verre schoone wereld. Liefderijk naderde hij den vriend en bood hem de hand. Pentaoer greep haar aan, drukte haar stevig en zeide: »Dat was een bange worsteling! Gij weet niet wat Ameni voor mij geweest is, en nu, nu....”
Hij had nog niet uitgesproken, toen voetstappen werden gehoord, die de kamer van den arts naderden. Een jong priester kwam de vrienden roepen, om terstond te verschijnen in de vergaderzaal der ingewijden. Een oogenblik later betraden beiden de door lampen helder verlichte zaal, waar de zitting werd gehouden. Geen van de leidslieden uit het Seti-huis ontbrak. Ameni zat aan eene langwerpige tafel op een hoogen troon. Aan zijne rechterhand had Gagaboe, de tweede, aan zijne linker- de derde profeet des tempels plaats genomen. De hoofden der afzonderlijke priesterklassen, en onder hen de eerste der Horoscopen, waren insgelijks aan de tafel gezeten, terwijl de overige priesters, allen in hunne sneeuwwitte linnen kleederen, zich in een grooten dubbelen halven cirkel hadden geschaard, in welks midden zich het beeld verhief van de godin der waarheid en gerechtigheid. Achter Ameni’s troon stond de bontgeschilderde gestalte van Toth met den ibis-kop, den god die de maat en de orde der dingen bewaarde, die met wijze redenen de goden zoowel als de menschen raad gaf, en de wetenschappen en kunsten beschermde. In eene nis aan het uiterste einde van de zaal kon men de trias der goden van Thebe opmerken, tot wie Ramses I en zijn zoon Seti, de grondvester dezer inrichting, met offers naderden. De priesters waren streng volgens hunne waardigheid en den tijd hunner opneming in het mysterie geordend. Pentaoer zat geheel onderaan.
Tot hiertoe hadden de eigenlijke beraadslagingen in deze vergadering nog geen aanvang genomen, want Ameni vroeg slechts, luisterde naar de antwoorden en gaf bevelen met betrekking tot het feest, dat den volgenden dag gevierd zou worden. Alles scheen goed te zijn voorbereid en geordend, zoodat men verwachten mocht, dat de plechtige feestviering zonder stoornis zou afloopen. De heilige schrijvers klaagden alleen over de schrale ontvangst van offervee, daar de boeren gebukt gingen onder zware krijgslasten. Zij betreurden ook, dat aan de processie ditmaal de elementen zouden ontbreken, die daaraan den grootsten luister plegen bij te zetten, namelijk de koning en zijne familie.
Deze laatste omstandigheid wekte het ongenoegen van eenige priesters. Zij waren van oordeel, dat het zeer bedenkelijk was, de beide kinderen van Ramses, die in Thebe vertoefden, van de deelneming aan de feestviering uit te sluiten.
Toen Ameni dit hoorde, stond hij op. »Wij hebben,” zeide hij, »den knaap Rameri uit dit huis moeten verbannen, en Bent-Anat voor onrein verklaard. Al hebben de meer toegevende bestuurders van den Amon-tempel te Thebe haar ook vrijgesproken, zoo mag zij voor rein gehouden worden aan de overzijde, waar men enkel denkt aan het leven, maar niet hier. Want op ons rust de taak de zielen op den dood voor te bereiden. De stadhouder, de kleinzoon van den grooten koning dien men onttroond heeft, zal bij de processie verschijnen in al den glans van zijn hoogen rang. Ik zie, mijne vrienden, dat ge u hierover verbaast! Weet voor heden slechts dit éene. Groote dingen worden voorbereid, en het kan gebeuren, dat weldra eene nieuwe, lieflijk schijnende zon des vredes zal opgaan over ons door den krijg verarmd volk. — Er gebeuren wonderen en ik aanschouwde in den droom een vrome, die zich gemakkelijk laat leiden, op den troon van den vertegenwoordiger van Ra op aarde. Hij luisterde naar onze stem; hij gaf ons wat ons toekomt; hij bracht onze naar het leger gezondene onderhoorigen op onze akkers terug; hij wierp de altaren der buitenlandsche goden omver en verjoeg onreine vreemdelingen van onzen heiligen bodem.”
»Gij zinspeelt op den stadhouder Ani!” riep de eerste der Horoscopen.
Er ontstond eene levendige beweging in de vergadering. Ameni ging echter voort: »Misschien was de persoon, dien ik in den droom zag, hem niet ongelijk. In elk geval is dit zeker: hij had de trekken van den echten en rechtmatigen afstammeling van Ra, dien Roeï aanhing, in wiens borst het heilige hart van den ram een toevlucht zocht. Morgen zal dit onderpand der goddelijke genade den volke getoond worden, en nog een ander wonder zal het worden kenbaar gemaakt. Hoort en looft de beschikkingen van den Allerhoogste. Een uur geleden kreeg ik het bericht, dat onder de kudden van Ani te Hermonthis een nieuwe Apis is ontdekt, dragende al de heilige teekenen.”
Andermaal ontstond er eene groote beroering onder de luisterende schare. Ameni liet aan de uitingen van verrassing onder de priesters den vrijen loop. Eindelijk sprak hij: »Gaan wij thans over tot het afdoen van de laatste vraag! Aan den priester Pentaoer, hier tegenwoordig, werd het ambt van feestredenaar opgedragen. Hij heeft zwaar misdreven, doch ik meen dat wij hem eerst na het feest mogen verhooren, en hem de vereerende vervulling van dezen plicht niet mogen ontzeggen, gedachtig aan zijne reine bedoelingen. Deelt gij mijn wensch? Verheft niemand zijn stem hiertegen? — Treed dan vooruit, gij jongste van allen, wien deze heilige vereeniging zulk eene groote taak toevertrouwt!”
Pentaoer stond op en plaatste zich eerst vóor Ameni, ten einde op diens verlangen een schets te ontwerpen, in breede en scherpe omtrekken, van hetgeen hij tot het volk en de aanzienlijken dacht te spreken. De vergadering, en zelfs zijne tegenstanders, luisterden naar hem met welgevallen. Ook Ameni prees hem en zeide daarop: »Ik mis maar éen onderwerp, waarbij gij langer moet stilstaan en dat gij met bijzondere warmte moet behandelen. Ik bedoel het wonder, dat heden ons zoo getroffen heeft. Het komt er op aan te toonen, dat de goden het heilige hart....”
»Veroorloof mij,” viel Pentaoer den opperpriester in de rede, en zag hem ernstig in zijne doordringende, nog kort geleden door hemzelve bezongene oogen. »Veroorloof mij u dringend te verzoeken, mij niet tot verkondiger van het nieuwe wonder te verkiezen.”
Op het gelaat van al de hier verzamelde ingewijden was verbazing te lezen. Menigeen zag eerst zijne buren, dan den dichter, eindelijk Ameni vragend aan. De laatste kende Pentaoer en wist dat geen luim van het oogenblik maar ernstige overwegingen hem hadden moeten doen weigeren. Was het niet geweest alsof zijne heldere stem aarzelend, ja met tegenzin de woorden: »het nieuwe wonder” had uitgesproken? Hij twijfelde derhalve aan de echtheid van het goddelijk teeken!
De profeet nam Pentaoer bedaard en onderzoekend met zijne oogen op, en zeide toen: »Gij hebt gelijk, mijn vriend. Alvorens het oordeel over u is uitgesproken, en gij weder voor ons staat in dezelfde reinheid, die wij bij u zoo hoog waardeeren, is uw mond niet waardig het goddelijk wonder den volke te verkondigen. Tast diep in uwe eigene ziel, en toon den vromen het afschuwelijke van het kwade, wijst hun ook den door u thans te betreden weg van reiniging des harten. Ik zelf zal het wonder verkondigen.”
Dit besluit van den meester werd door de in ’t wit gekleeden met blijdschap begroet. Ameni drukte den een dit, den ander dat nog eens op het hart. Na allen een onbepaald stilzwijgen over het verhandelde, inzonderheid over den meegedeelden droom te hebben bevolen, sloot hij deze bijeenkomst. Alleen den ouden Gagaboe en Pentaoer verzocht hij te blijven.
Zoodra zij alleen waren vroeg Ameni den dichter: »Waarom hebt gij geweigerd aan het volk het wonder te verkondigen, dat alle priesters uit de Nekropolis met vreugde vervult?”
»Omdat gij mij geleerd hebt,” antwoordde de dichter, »dat waarheid de hoogste trap is, die men bereiken kan, en dat er geen hoogere is.”
»Dit leer ik u andermaal in deze ure,” hernam Ameni. »En daar gij deze leer belijdt, zoo vraag ik u, in den naam van de lichtdochter van Ra: twijfelt gij aan de echtheid van het wonder, dat tastbaar duidelijk voor onze oogen is geschied?”
»Ja, ik twijfel,” antwoordde Pentaoer.
»Blijf volharden op den hoogen trap der waarheid,” ging Ameni voort, »en zeg ons verder, opdat ook wij het weten mogen, welke bedenkingen u beletten te gelooven.”
»Ik weet,” antwoordde de dichter, somber vóor zich ziende, »dat het hart, aan hetwelk de menigte goddelijke eer zal bewijzen, waarvoor zelfs ingewijden zich nederbuigen, als ware het een tempel voor de ziel van Ra, gescheurd is uit de bloedende borst van een gemeen stuk vee, en dat het heimelijk in de kanopen is gelegd, die de ingewanden van den profeet Roeï bevatten.”
Ameni deed van schrik eene schrede achterwaarts, en Gagaboe riep: »Wie heeft dat gezegd? Wie kan dat bewijzen? ’t Is of men oud moet worden, om van dag tot dag schrikkelijker dingen te hooren!”
»Ik weet het,” zeide Pentaoer op stelligen toon, »maar ik moet den naam verzwijgen van hem, die het mij heeft medegedeeld.”
»Dan gelooven wij dat gij dwaalt, en dat een bedrieger den draak met u stak,” zeide Ameni. »Wij zullen onderzoeken, wie zulk een leugen uitstrooit, en hem niet ongestraft laten! Het is zondig de stem der godheid te hoonen, en ieder die gewillig zijn oor leent aan de leugen, is ver van de waarheid. Heilig, ja driemaal heilig, verblinde dwaas, is het hart, dat ik morgen met deze handen aan het volk denk te toonen, en waarvoor ook gij u, zij ’t niet gewillig, dan toch gedwongen zult nederwerpen, aanbiddende in het stof. Ga nu heen en overdenk de woorden waarmede gij morgen de zielen van het volk zult stichten. — Weet nog dit: Ook de waarheid heeft verschillende trappen, en hare gestalte is even menigvuldig als die der godheid. Gelijk de zon zich niet voortbeweegt langs eene effen baan en een rechten weg; gelijk ook de sterren gebogene paden bewandelen, die wij vergelijken met de kronkelingen van de slang Mehen231); zoo staat het den uitverkorenen, die ruimte en tijd overzien en aan wie het te beurt viel over het lot der menschen te mogen beschikken, — dien uitverkorenen staat het vrij, zelfs wordt hun geboden langs kronkelende wegen te wandelen, om een hooger doel te doen zegevieren. Gij verstaat die wegen niet, en in uwe onnoozelheid meent gij, dat zij ver afwijken van de paden der waarheid. Gij ziet het heden alleen, maar wij zien ook de toekomst, en wat wij u als waarheid aanbieden, dat hebt gij te gelooven! Vergeet ook vooral niet: de leugen bevlekt, maar de twijfel vermoordt de ziel!”
Ameni had met groote gemoedsbeweging gesproken. Toen Pentaoer zich zwijgend verwijderd had, en hij met Gagaboe alleen was, riep hij uit: »Waar moet het nu heen? Wie bezoedelt toch den reinen kinderlijken zin van dezen hoogbegenadigden jongeling?”
»Hij bederft zichzelven,” zeide Gagaboe. »Hij schuift de oude wet op zij, daar hij voelt, dat er eene nieuwe wet in zijn scheppenden geest is ontwaakt!”
»Doch wetten,” hernam Ameni, »ontstaan vanzelf en groeien als schaduwrijke wouden; er is nooit iemand, die ze maakt! Ik had den dichter lief, maar ik moet hem toch inbinden, anders wast hij als de hooggezwollen Nijl, die de dammen doorbreekt. En wat hij daar zegt van het wonder....”
»Hebt gij daar aanleiding toe gegeven?” vroeg Gagaboe.
»Bij den Eenen, neen!” zeide Ameni.
»Doch Pentaoer is waarheidlievend, en geneigd te gelooven,” hernam de oude bedenkelijk.
»Ik begrijp het,” hernam Ameni. »Wat hij zeide zal geschied zijn. Doch wie heeft het gedaan, en hem in deze misdaad ingewijd?”
Beide priesters zagen nadenkend vóor zich. Ameni brak het eerst het stilzwijgen af, zeggende: »Pentaoer trad met Nebsecht hier binnen, en beiden zijn boezemvrienden. Waar was de arts, terwijl ik in Thebe vertoefde?”
»Hij verpleegde het door Bent-Anat verwonde kind van den Paraschiet Pinem, en bleef daar drie dagen lang,” antwoordde Gagaboe.
»En het was Pinem,” sprak de opperpriester, »die de borst van Roeï geopend heeft. Nu weet ik wie Pentaoer’s geloof aan het wankelen heeft gebracht. Het was die wroetende stamelaar. Hij zal het mij boeten. — Denken wij nu aan het feest van morgen, maar overmorgen neem ik dien zonderlingen kwant in ’t verhoor, en ik zal onverbiddelijk streng zijn!”
»Laat ons liever den natuuronderzoeker rustig verhooren,” zeide Gagaboe. »Hij is een sieraad van onzen tempel, want hij doorgrondt vele dingen, en is een man van buitengewone bekwaamheid.”
»Dat alles kunnen wij overwegen na het feest,” viel Ameni den ouden profeet in de rede. »Er is nu nog veel gereed te maken.”
»En later nog meer te overleggen,” hernam Gagaboe. »Wij zijn een gevaarlijken weg ingeslagen. Gij weet het, ik blijf een stormlooper, niettegenstaande ik, wat mijne jaren betreft een grijsaard ben. Helaas, ik was nooit te schroomvallig! Maar Ramses is een geweldig man en mijn plicht gebiedt mij u te vragen: Verleidt uw haat u niet tot een al te haastig en al te onvoorzichtig optreden tegen den koning?”
»Ik gevoel geen haat tegen Ramses,” antwoordde Ameni ernstig. »Als hij de kroon niet droeg, zou ik hem kunnen liefhebben. Ik ken hem alsof ik zijn broeder was, en weet in hem alles wat groot is te waardeeren, wat meer zegt: ik wil gaarne erkennen, dat hem niets ontsiert wat klein moet heeten. Als ik niet wist hoe sterk hij was, zouden wij hem wel met geringe middelen kunnen doen vallen! Doch gij weet zoo goed als ik, dat hij onze vijand is. Niet de uwe noch de mijne persoonlijk, ook niet van onzen goden, maar de vijand van de door hunne oudheid eerwaardige inzettingen, naar welke dit volk en dit land bestuurd moeten worden. Daarom is hij inzonderheid de vijand van hen, wier levensroeping is de heilige leer van den voortijd te verdedigen, en een vorst den weg te wijzen; van de priesterschap bedoel ik, die ik leiden moet en voor welker rechten ik kamp met alle geestelijke middelen. Bij deze worsteling bekleeden, zooals gij weet, volgens onze geheime wet, de goden alles met den glans van het reine licht der waarheid, ook wat anders als leugen, verraad en arglistig doemwaardig schijnt. Gelijk de arts het mes en het vuur gebruikt om kranken te genezen, zoo mogen wij onze toevlucht nemen tot schrikkelijke maatregelen om het geheel te redden wanneer het bedreigd wordt. Gij ziet mij thans strijden met elk wapen, dat mij ten dienste staat, want blijven wij rustig afwachten, zoo zullen wij weldra van leiders der staatkundige aangelegendheden tot slaven des konings vernederd worden.”
Gagaboe gaf een teeken van instemming. Ameni vervolgde echter met klimmende warmte, sprekende in rhytmische volzinnen, waarin hij de bevelen der godheid placht te verkondigen, zoo vaak hij uit het Allerheiligste kwam: »Gij waart mijn meester, ik acht u zeer hoog, daarom moogt gij nu alles vernemen, wat mij beweegt en vast doet besluiten, den vreeslijken kamp te aanvaarden. Dit huis zoo gij weet, was voor mij gelijk ook voor Ramses de kweekplaats, en het was wijs van Seti dat hij hier zijnen zoon met andere knapen liet leeren. Slechts de kroonprins en ik wij wonnen de prijzen, in werken en spelen. Wel was hij mijn meester in vlugge bevatting, in stoute gedachten; mijn nauwgezetheid was grooter en dieper mijn denken. Vaak spotte hij met mijn moeitevol streven; doch mij scheen zijn schittrend vermogen slechts ijdele begoochling te zijn. Ik werd een gewijde, maar hij stuurde het roer van den staat met zijn vader; ten laatste alleen, toen Seti niet meer was. Wij werden ouder, maar onveranderd bleef steeds de diepste grond van ons wezen. Hij stormde naar buiten tot heerlijke daden! volken bij volken wierp hij ter aarde; en door de stroomen bloeds zijner burgers verhief hij den glans van d’ Egyptischen naam tot duizelingwekkende hoogte.
»Ik sleet mijn leven in ijverig werken, ik leerde de jeugd en bewaakte de inzetting, die het samenwonen der menschen regelt en het volk met de godheid verbindt. Met ijver doorzocht ik de schriften der oudheid, en menig heerlijk woord heb ik van haar wijzen vernomen. ’k Vergeleek met elkander ’t verleden en ’t heden. Wat waren de priesters? Hoe zijn ze geworden tot dat wat ze zijn? Wat toch, zoo wij er niet waren, wat werd dan Egypte? Geen wetenschap bloeit er, geen kunst, geen vermogen, die wij niet verwierven, bedachten en kweekten. Wij kroonden de vorsten, wij noemden ze goden en leerden het volk ze als goden dienen. Want de menigte zoekt een hand die haar leidt, waarvoor zij kan beven, als voor de vuist van het overmachtige noodlot. Gaarne dienden wij den god op zijn troon, die als de Eene naar eeuwige wetten, naar onze wet gebood en heerschte. Uit ons midden koos hij zijn raadsliên, wat tot heil is voor ’t land dat deden wij hem weten. Hij hoorde ons gewillig aan en voerde het uit. De oude koningen waren de handen, wij, de priesters, wij waren het hoofd. En nu, mijn vader! Wat zijn wij geworden? Wij worden gebruikt om het volk bij het geloof te bewaren. Want als het ophield de goden te eeren, hoe zou ’t zich dan voor den pharao buigen? Veel waagde Seti, en meer nog zijn zoon, daarom begeerden zij beiden de hulpe des hemels. Een vrome is Ramses, hij offert vlijtig en mint het gebed. Voor hem zijn wij onmisbaar als wierookvat-slingeraars en hecatomben-slachters, als die voor hem bidden en zijn droomen verklaren, maar zijn raadslieden zijn wij niet meer. Mijn Osirische vader, een waardiger opperpriester dan ik, bad den zijnen, op last van den grooten raad der profeten, hij zou het vermetele plan laten varen, door een bevaarbaar kanaal de noordelijke zee te verbinden met de onreine golven der Schelfzee. Den Aziaten alleen komt zulk een werk ten goede232). Doch Seti sloeg onzen raad in den wind233). Wij wilden ’s lands oude verdeeling bewaren, doch Ramses voerde de nieuwe in, tot schade der priesters. Wij waarschuwden voor nieuwe bloedige oorlogen, en de koning trok weder en weder te velde. Wij bezitten de oude geheiligde brieven, die onze boeren van krijgsdienst ontslaan; gij weet het hoe hij ze laatdunkend verscheurde. Sinds oude tijden mag niemand in dit land voor vreemde goden tempels bouwen, en Ramses begunstigt de zonen der vreemden, en bouwt in ’t Noorderland niet alleen, maar ook in het oude eerwaardige Memphis en hier in het vreemden-kwartier in Thebe, altaren en statige heiligdommen voor de bloedige leugengoden234) van ’t oosten.”
»Gij spreekt als een ziener,” riep de oude Gagaboe. »En wat gij zegt is in alle opzichten waar! Wij heeten nog priesters, maar zelden wordt onze raad gevraagd. ‚Gij hebt de menschen in eene andere wereld een heerlijke toekomst te bereiden’, heeft Ramses gezegd, ‚maar hun lot op aarde bestuur ik alleen’!”
»Zoo sprak hij,” ging Ameni voort. »En al had hij niet anders gezegd dan dát, hij zou reeds daardoor zijn geoordeeld! Hij en zijn huis zijn onzen rechten vijandig, en vijanden mee, van dit ons edel land. Behoef ik u te zeggen, wat pharao’s stamboom is? Eens noemden wij de van ’t oosten komende scharen, die ons vaderland als sprinkhaan-zwermen overvielen, die het hebben uitgemergeld en gekneveld, ‚pestplagen en roovers’. Tot deze behoorden Ramses’ vaderen. Toen Ani’s vaderen de Hyksos verdreven, verkreeg de dappere familie van ’t stamhoofd, wier nazaat thans Egypte regeert, het voorrecht aan den Nijl te verblijven. Zij diende in het leger, zij trad op den voorgrond, en eindelijk gelukte het den eersten Ramses de troepen voor zich te winnen, en het oude, in ketterijen verwarde geslacht der echte zonen van Ra van den troon te berooven. Ongaarne erken ik ’t: de rechtgeloovige priesters — uw grootvader was onder hen, en de mijne — ondersteunden den koenen roover der kroon, die de oude leer trouwhartig aanhing. Niet minder dan honderd voorzaten van mijn huis en niet minder van ’t uwe en vele andere priestergeslachten, zijn hier aan den heiligen Nijl gestorven. Van Ramses’ vaderen kennen wij er slechts tien, en wij weten van dezen, dat zij behoorden tot uitlandschen stam, tot de bende der Amoe! Als alle Semieten, zoo is ook hij. Zij houden van zwerven en noemen ons ‚ploegers’235), bespottend de wijze afgemeten orde, waarin wij, den zwarten bodem bebouwend, in nuttigen arbeid des geestes en des lichaams, den langen dood te gemoet gaan. Zij dwalen rond om buit te behalen, en stuwen het zeeschip door ziltige wateren, en kennen geen vast en dierbaar tehuis. Waar winst is te halen, daar strijken zij neder; is er niets meer voor hen te rooven, dan slaan zij elders hun woning weer op. Zoo nu was Seti, zoo is ook Ramses! Een jaar verblijven zij wel in Thebe, maar trekken dan weg, de grenzen over ten oorlog. Zich vroom te onderwerpen, naar den raad te vernemen der wijze vermaners, zij verstaan ’t niet en zullen ’t nooit leeren. Gelijk de vaders zoo zijn ook de kinderen! Denk aan de vermetele daad van Bent-Anat. Pharao, zeide ik, stelt de vreemden op prijs. Hebt gij bedacht wat dat wel beteekent? Ons doel is naar ’t hoogere en edele te streven; wij hebben ons aan de banden der zinnen ontworsteld tot verzorgers der zielen. Ook de armste leeft veilig, beschermd door de wetten, en door ons neemt hij deel aan de gaven des geestes. Heerlijke schatten van kunst en van kennis worden door ons den rijken geboden. Zie nu naar den vreemdeling! Nomadenzwermen, in armzalige tenten, doortrekken in ’t oost en ’t west de woestijn. In ’t zuiden bidt een verdierlijkt gepeupel tot vederschachten en ellendige goden, die zij slaan, als ’t geluk hun ontbreekt. In het noorden vindt men geordende staten; maar wat zij aan kunst en aan kennis bezitten, dat danken zij ons voor het meeste; en altijd nog bloeden op hun altaren, als afgrijselijke offers, de lijken van menschen. Slechts afval van ’t goede, die schenkt ons de vreemdeling, dus is het verstandig zich van hem te keeren, dies is hij ook bij onze goden gehaat. En Ramses, de koning, is vreemdeling, door zijn bloed en zijn neiging, zijn hart en zijn aanschijn. Zijn geest vliegt al verder, dit land is voor hem te bekrompen. Hoe vlug ook zijn geest zij, wat waarachtig hem goed is zal hij nimmer begrijpen. Hij luistert naar raad niet, hij benadeelt Egypte; dus zeg ik: naar beneden met hem van den troon!”
»Naar beneden met hem!” herhaalde Gagaboe in geestdrift.
Ameni reikte den grijsaard zijne van opgewondenheid bevende hand, en ging kalmer voort: »De stadhouder Ani is van vaders en moeders zijde een echte zoon van het land. Ik ken hem door en door, en weet dat hij wel is waar verstandig maar angstvallig voorzichtig is, en dat hij ons in ons voormalig, ons rechtmatig toekomend erfdeel weder herstellen zal. Hier valt de keus niet zwaar. Ik heb gekozen en ben gewoon door te zetten, wat ik eens begonnen ben. Gij weet nu alles en zult mij helpen!”
»Met lijf en ziel!” riep Gagaboe.
»Versterk dan ook de harten onzer medepriesters,” zeide Ameni, afscheid nemende. »Ieder ingewijde mag vermoeden wat er eigenlijk gebeurt, maar het mag volstrekt niet uitgesproken worden.”
TWAALFDE HOOFDSTUK.
De zon was op den negen en twintigsten morgen van de tweede maand der overstrooming236) reeds opgegaan, en de burgers en burgeressen, de grijsaards en de kinderen, de vrijen en de slaven in Thebe brachten het opgaand daggesternte hunne hulde, onder de leiding der priesters, voor de poorten van den tempel, waartoe het door hen bewoonde kwartier van de stad behoorde. De inwoners van Thebe stonden in familie-groepen bijeen voor de pylonen, wachtende op den optocht der priesters. Zij wilden zich daarbij aansluiten om zoo te trekken naar den grooten rijkstempel en van dezen uit met de feestbarken den stroom over te steken naar de Nekropolis.
Heden, op het feest van het dal, werd Amon, de groote god van Thebe, in plechtstatigen optocht overgebracht naar de doodenstad, ten einde daar, zooals de priesters zeiden, te offeren voor zijne ouders in de andere wereld237). Zijn tocht ging naar het westen, en gelijk daar het stoffelijk overschot der menschen rust vond in de graven, zoo waren daar ook de millioenen zonnen verdwenen, waarop dagelijks een nieuwe gevolgd was, weder uit den nacht verrijzende. Het verjongde licht, zeiden de priesters, vergeet het uitgebluschte niet, waaruit het geworden is; het brengt als Amon daaraan zijne hulde, om de vromen te herinneren, dat zij de afgestorvenen niet mogen vergeten, waaraan zij hun leven hadden te danken. »Breng offers,” zoo luidde eene godsdienstige spreuk, »aan uw vader en uwe moeder, die in het dal der graven rusten, want dit is den goden welgevallig, die deze gaven willen aannemen, als waren ze aan henzelven gebracht. Bezoek uwe ontslapenen dikwijls, opdat uw zoon voor u moge doen, wat gij voor hen doet”238).
Het feest van het dal was een doodenfeest, maar het droeg geen somber karakter; het werd niet met gejammer en weeklachten gevierd. Het was integendeel een vroolijk feest, gewijd aan de liefdevolle nagedachtenis van de zoodanigen, die men ook na den dood nog bleef liefhebben. Men verhief het geluk dier gezaligden en herdacht hen vriendschappelijk, terwijl men, gezellig in de grafkapel of vóor hunne groeve gezeten, offers bracht en maaltijd hield. Ouders en kinderen sloten zich bij elkander aan. De huisslaven volgden hen met voorraad van spijzen en fakkels, om het donkere graf te verlichten, of ze ook te ontsteken, wanneer men laat in den nacht huiswaarts keerde. Ook de armste had reeds een dag te voren gezorgd voor een plaatsje op een der groote schuiten, die de bedevaartgangers den stroom moesten overzetten. De barken der aanzienlijken lagen schitterend getooid aan den oever gereed, wachtende op de eigenaars met hun gevolg. De kinderen hadden ’s nachts van het heilige feestschip van Amon gedroomd; want de moeders hadden hen verteld, dat dit vaartuig in pracht weinig onderdeed voor de heerlijkheid der gouden zonneschuit, waarin de zonnegod met zijn gevolg den oceaan des hemels bevoer.
Reeds wemelde het van priesters op de oevertrappen van den rijkstempel, van burgers op de kade en van booten op den vloed. Reeds overstemden de ruischende tonen der feestmuziek het gejoel der volksmenigte, waaronder de een den ander te midden van stofwolken verdrong, om de barken en booten te bereiken. Reeds waren alle huizen en hutten van Thebe ontvolkt, en zag men in gespannen verwachting het oogenblik te gemoet, waarop de godheid uit de tempelpoort te voorschijn zou treden. Maar nog altijd ontbraken de leden der koninklijke familie, die anders op dezen dag gewoon waren te voet naar den grooten tempel van Amon te gaan. Onder de menigte vroeg de een den ander, waarom Bent-Anat, de schoone dochter van Ramses, zoo lang uitbleef, en het opbreken van de processie deed vertragen.
Reeds hieven de priesters hunne gezangen aan achter de tempelmuren, die het volk verhinderden de veelkleurig beschilderde voorhoven te zien. Reeds had de stadhouder met een luisterrijk gevolg het heiligdom betreden. Reeds werden de deuren van het feestgebouw geopend en vertoonden zich de enkel met een schort gekleede knapen, die voor de godheid op den weg bloemen moesten strooien. Reeds verkondigden de wierookgeuren, dat Amon naderde — maar nog altijd vertoonde de dochter van Ramses zich niet.
Allerlei geruchten werden verbreid, waaronder zeer onzinnige. Dit stond in elk geval vast, en werd ook tot teleurstelling van het volk door de tempeldienaars bevestigd: de prinses nam geen deel aan de processie; Bent-Anat was uitgesloten van het feest van het dal. Zij stond met haar broeder Rameri en de vrouw van Mena op het balkon van haar vaderlijk paleis, uitziende naar den stroom en het naderen der godheid. Gisteren morgen had de oude opperpriester van Amon te Thebe, Bek-en-Choensoe, haar de reinheid teruggegeven, maar aan den avond was hij haar komen melden, dat Ameni haar verbood de Nekropolis te betreden, zoolang de goden van het westen haar voor het misdrevene geene vergeving hadden geschonken. Terwijl zij nog in den staat van onreinheid verkeerde, had zij den Hatasoe-tempel betreden en dien bevlekt, en Bek-en-Choensoe moest toestemmen, dat de overste van de doodenstad in zijn recht was, wanneer hij het gebied van het westen voor haar sloot. Bent-Anat had toen Ani’s hulp ingeroepen, maar ofschoon de stadhouder haar zijn tusschenkomst beloofde, zoo kwam hij toch laat in den avond tot haar, om haar mede te deelen, dat Ameni onvermurwbaar bleef, ook zelfs voor zijne bede. De stadhouder had haar hierover zijn leedwezen betuigd, maar tevens den raad gegeven, elke aanleiding tot openbare ergernis te vermijden, de eerwaarde gestrengheid van Ameni niet te trotseeren en zich niet op het feest te laten zien. Terzelfder ure had vrouwe Katoeti den dwerg Nemoe tot hare dochter gezonden, om deze uit te noodigen met haar aan den optocht deel te nemen, en in het voorvaderlijk graf te offeren. Doch Nefert had haar doen antwoorden, dat zij van hare meesteres en vriendin niet konde of wilde scheiden.
Bent-Anat had aan de voornaamste personen van hare hofhouding vergunning gegeven om het feest mede te vieren, en hun verzocht harer bij deze schoone plechtigheid te willen gedenken. Toen zij van het balkon het volk zag samenstroomen, en de booten wemelden op den stroom, ging zij in haar vertrek terug. Zij riep Rameri tot zich, die in woede losbrak over de onbeschaamdheid van Ameni, vatte zijne beide handen en zeide: »Wij hebben beiden misdreven, broeder! Laten wij de gevolgen van onze schuld geduldig dragen, en handelen alsof onze vader bij ons was.”
»Hij zou den overmoedigen priester het panthervel van de schouders scheuren,” riep de prins, »wanneer deze het waagde in zijne tegenwoordigheid u zoo te vernederen.” En bij deze woorden rolden tranen van boosheid langs zijne jeugdige wangen.
»Wees nu niet langer toornig,” antwoordde Bent-Anat. »Gij waart nog klein, toen vader voor de laatste maal aan dit feest deelnam.”
»O, ik herinner mij dien morgen zeer goed,” riep Rameri, »en ik zal dien nooit vergeten.”
»Ik dacht het wel,” zeide Bent-Anat. — »Blijf gerust, Nefert; gij zijt immers nu mijne zuster! Hoor! het was op een heerlijken morgen. Wij, kinderen, waren feestelijk uitgedost verzameld in de groote zaal des konings. Toen liet hij ons roepen in deze vertrekken, die onze moeder bewoond had. Weinige maanden geleden was zij gestorven. Hij nam ons een voor een bij de hand en zeide aan elk, dat hij hem alles vergaf wat hij misdreven had, mits hij er ernstig berouw over had, en drukte ieder een kus op het voorhoofd. Toen wenkte hij ons tot zich, en zeide zoo bescheiden, alsof hij een onzer was, en niet de geduchte koning: ‚Misschien heb ik ook iemand uwer onrecht gedaan, of hem niet volledig recht laten wedervaren. Ik ben mij daarvan niet bewust, maar als het gebeurd is, dan doet het mij leed!’ — Toen vlogen wij allen naar hem toe, want ieder wilde hem kussen. Hij weerde ons echter lachend af en zeide: ‚Van een ding heeft ieder van u een gelijk deel genoten, gelijk gij wel weet; ik bedoel de liefde uws vaders. Nu zie ik dat gij mij weder wilt geven, wat ik u schonk.’ — Hij herinnerde ons daarop onze overledene moeder en zeide, dat ook de hartelijkste vader niet in staat was het gemis eener moeder te vergoeden. Toen hing hij ons een schoon tafereel op van de zelfverloochenende liefde, waarmede de afgestorvene zich geheel aan ons had gewijd, en noodigde ons uit aan hare rustplaats met hem te bidden en te offeren. Dáar moesten wij beloven harer waardig te leven, niet enkel in het groote, maar ook in het kleine. Want juist dat kleine vormde het leven, gelijk de uren den dag en het jaar. — Wij grooteren drukten toen elkander de handen, en nooit ben ik zeker beter geweest dan in die ure, en aan het graf mijner moeder!”
Nefert sloeg hare oogen op, waarin tranen blonken, en zeide: »Als men zulk een vader heeft, moet het gemakkelijk vallen goed te blijven.”
»Heeft uw moeder ook niet altijd aan den morgen van dezen feestdag goede woorden in uw hart gelegd?” vroeg Bent-Anat.
Nefert bloosde en zeide: »Het werd altijd laat met ons toilet, en dan moesten wij ons haasten, om ter rechter tijd in den tempel te komen.”
»Kom, laat mij dan heden uwe moeder zijn!” sprak Bent-Anat. »En ook de uwe, Rameri. Weet gij ook nog, hoe vader aan de hofbeambten en dienaars vergeving schonk, en hoe hij hun zoowel als ons op het hart drukte, op dien dag elke opwelling van toorn in onze borst te onderdrukken? ‚Bij dit feest,’ zeide hij, ‚behoort niet enkel een rein kleed, maar ook een onbevlekt hart.’ Derhalve, broeder, geen boos woord meer over Ameni, wien zijn wet waarschijnlijk tot zulke eene gestrengheid dwingt. Onze vader zal dit alles vernemen en richten. Het hart is mij zoo vol, als moest het overvloeien. Kom, Nefert, geef mij een kus, en ook gij, broeder! Ik ga thans in mijne kapel, waar de beelden der voorvaderen staan, om aan mijne moeder te denken en aan de zalige geesten onzer geliefden, waaraan ik heden niet offeren mag.”
»Ik ga met u,” zeide Rameri.
»Nefert,” sprak Bent-Anat, »blijf gij hier en snijd zoo vele van mijne bloemen, als gij wilt. De schoonste moogt gij nemen! Vlecht daarvan een krans, en wanneer die gereed is, laten wij hem door een bode met andere gaven naar de overzijde brengen, die zorgen moet dat hij in het graf van Mena’s moeder gelegd wordt.”
Toen broeder en zuster na een half uur tot de jonge vrouw terugkeerden, hield Nefert twee sierlijke kransen in de hand, éen voor de gestorvene koningin, en éen voor Mena’s moeder.
»Ik zal de kransen overbrengen,” riep Rameri, »en in de graven nederleggen.”
»Ani meent, dat het beter zal zijn, wanneer wij ons niet aan het volk vertoonen,” zeide Bent-Anat waarschuwend. »Men merkt ter nauwernood op, dat gij onder de scholieren wordt gemist, maar....”
»Maar ik wil mij niet als zoon van Ramses, maar als een tuinmansjongen laten overzetten,” viel de prins haar in de rede. »Hoort gij het bazuingeschal? Thans dragen zij den god naar buiten!”
Rameri betrad het balkon, de beide vrouwen volgden hem en richtten hare blikken naar de plaats, waar de stoet zou scheep gaan. Met hare scherpe oogen konden zij alles overzien.
»Ik troost mij met de gedachte,” zeide Rameri, »dat het een magere en armzalige optocht239) zal zijn, zonder mijn vader en ons. Hoe statig rollen de tonen der muziek! Nu komen de vederdragers240) en zangers. Daar is de eerste profeet van den rijkstempel, de oude Bek-en-Choensoe. Wat ziet hij er eerwaardig uit! Maar het loopen begint hem moeielijk te vallen. Nu nadert de godheid; reeds vang ik de wierookgeuren op....”
Bij deze woorden wierp de prins zich op de knieën, en de vrouwen volgden zijn voorbeeld, toen zich ten eerste een prachtige stier vertoonde, in wiens helder gladde huid de zon zich spiegelde. Hij droeg eene gouden, met glanzend witte struisvederen getooide schijf tusschen de horens. Daarachter, voorafgegaan door eenige waaierdragers, verscheen de god zelf, nu en dan zichtbaar, maar meestal voor het oog der menigte onzichtbaar, door de groote halfronde, aan lange staven bevestigde schermen van zwarte en witte struisvederen, waarmede de priesters hem beschaduwden. Geheimzinnig als zijn naam was ook zijn gang, want hij scheen op zijn kostbaren zetel langzaam van de tempelpoort naar den stroom te zweven. Zijn troon stond op eene tafel met kostelijke bouquetten en bloemguirlanden getooid, bedekt met een kleed van purper goudbrocaat, dat tevens de priesters bedekte, die den god op zijn troon langzaam en met gelijkmatige schreden voortdroegen.
Zoodra de godheid in het feestschip eene plaats had gevonden stonden broeder en zuster benevens Nefert van hunne knieën op. Er kwamen nu priesters te voorschijn, die een kist droegen met de altijd groene heilige boomen van Amon, en toen op nieuw het gezang der liederen en de geur van den wierook ooren en oogen bereikten van hen, die van het feest waren uitgesloten, prevelde Bent-Anat: »Nu zou mijn vader zijn gekomen.”
»En gij!” riep Rameri, »en onmiddellijk daarachter Nefert’s gemaal met de garde. Neef Ani gaat te voet. Hoe zonderling heeft hij zich gekleed; juist het tegengestelde van een sphinx241)!”
»Hoe zoo?” vroeg Nefert.
»Een sphinx,” antwoordde Rameri lachend, »heeft het lichaam van een leeuw en het hoofd van een mensch, en neef draagt om zijn lichaam een vreedzaam priesterlijk gewaad en op zijn hoofd den helm van een krijgsman.”
»Ware de koning hier, de leven schenkende,” zeide Nefert, »gij zoudt onder zijne dragers niet worden gemist, Rameri.”
»Zeker niet!” gaf de prins ten antwoord. »Het zou er ook anders uitzien als de heldengestalte van onzen vader op zijn gouden troon was gezeten; achter hem zou het beeld van waarheid en gerechtigheid beschermend zijne vleugelen over hem uitspreiden, vóor hem zou zijn geweldige metgezel in den slag, de leeuw, nederliggen, en boven hem zou een troonhemel versierd met Uraeus-slangen zich welven. — De Horoscopen en de Pastophoren met de standaarden en godenbeelden en kudden van slachtvee, schijnen geen einde te nemen! Ziet eens, ook het Noorderland heeft zijne feestgezanten gezonden, als ware onze vader hier. Ik onderscheid de teekenen op de standaarden242). Herkent gij de beelden der koninklijke voorvaderen, Bent-Anat? — Niet goed? Ik ook niet; maar het scheen mij toe als was het de eerste Ahmes, de verdrijver der Hyksos, waarvan onze grootmoeder afstamt, en niet grootvader Seti, die den stoet opende, zooals het toch behoorde te zijn. — Daar komen de krijgslieden! Het zijn de regimenten die Ani heeft uitgerust, en die eerst heden nacht als overwinnaars uit Ethiopië terugkeerden. Hoort hoe het volk hen toejuicht! Zij hebben zich ook dapper gedragen. — Denkt eens, Bent-Anat en Nefert, wat dat zijn zal, als onze vader terugkeert met wel honderd gevangen vorsten, die zijn tweespan, door uwen Mena bestuurt, deemoedig volgen, met al onze broeders, de edelen des lands, en de garden op hunne prachtige wagens!” —
»Helaas,” zuchtte Nefert, »zij denken nog niet aan hunne terugkomst!”
Terwijl telkens nieuwe regimenten van den stadhouder, muziekkoren en vreemde dieren243) zich in den optocht vertoonden, voer het feestschip van Amon van de landingstrap af. Het was een voortreffelijk groot vaartuig geheel van glanzend gepolijst en rijk met goud ingelegd hout. De boorden prijkten met versiersels van gesmolten glas, alsof het zoovele smaragden of robijnen waren244). De masten en de raas waren verguld, en van de laatste hingen purperen zeilen af. Rondom het schip, zijne masten en zijn touwwerk slingerden zich guirlanders van leliën, doorvlochten met rozen. De priesters zaten op elpenbeenen zetels. — De Nijlboot van den stadhouder was niet minder rijk. Het houtwerk blonk van al het verguldsel. Het kajuithuisje was bekleed met veelkleurige Babylonische tapijten. Aan de snebbe zag men, gelijk weleer aan de zeeschepen van Hatasoe, een gouden leeuwenkop, waarin als oogen twee groote robijnen vonkelden.
Nadat de priesters zich hadden ingescheept en de heilige bark aan gindschen oever was geland, stormde het volk op de booten los, die weldra, soms tot zinkens toe geladen, den stroom langs de geheele lengte van Thebe en in zijn gansche breedte zoo bedekten, dat de zon maar hier en daar een plekje vond, om zich in het geelachtige water te spiegelen.
»Nu ga ik toch het pak van een hovenier leenen,” riep Rameri, »en laat ik mij met de kransen overzetten.”
»Wilt gij ons dan alleen laten?” vroeg Bent-Anat.
»Maak het mij niet te moeielijk, zuster,” smeekte Rameri.
»Ga dan,” zeide de prinses. »Als onze vader hier was, hoe gaarne voer ik dan met u naar de overzijde!”
»Waag het met mij!” hernam de jongeling. »Mogelijk is er voor u ook wel eene vermomming te vinden.”
»Dwaasheid!” antwoordde Bent-Anat, en zag Nefert vragend aan, die de schouders ophaalde, als wilde zij zeggen: »Wat gij wilt is mij goed.”
Die oogentaal der vriendinnen was den slimmen Rameri niet ontgaan, en met levendigheid riep hij uit: »Gij zult met mij gaan, dat kon ik u wel aanzien. Iedere bedelaarsknaap werpt heden zijne bloemen in het algemeene graf, dat de mummie zijns vaders bevat, en de kinderen van Ramses en de vrouw van zijn wagenmenner zouden uitgesloten zijn en hunne afgestorvenen geen krans mogen brengen?”
»Ik zou het graf door mijne tegenwoordigheid bezoedelen,” zeide Bent-Anat blozend.
»Gij, gij!” riep de prins terwijl hij zijne zuster omhelsde en kuste. »Gij, het beste en grootmoedigste schepsel dat er leeft; gij, die altijd gereed zijt om smarten te lenigen en tranen te drogen; gij het schoone evenbeeld van onzen vader, zoudt onrein zijn! Eer geloof ik, dat de zwanen onder ons zoo zwart zijn als de kraaien, en de rozenranken hier aan het balkon scheerlingstruiken. Bek-en-Choensoe heeft u de reinheid teruggegeven, en wanneer Ameni....”
»Ameni is echter in zijn recht,” zeide Bent-Anat vriendelijk, »en gij weet, wat wij beloofd hebben. Ik wil heden geen kwaad woord over hem hooren.”
»Goed dan! Hij heeft zich goed en genadig jegens ons betoond,” hernam Rameri spottend, terwijl hij zich diep boog met het aangezicht naar de Nekropolis gekeerd, »en gij zijt onrein! Betreed dan, wat mij betreft, het graf en den tempel niet, maar blijf met ons onder het volk. De wegen dáar aan de overzijde zijn zoo teergevoelig niet; zij worden toch dagelijks door onreine Paraschieten en huns gelijken betreden. Wees verstandig, Bent-Anat, en kom mede! Wij verkleeden ons, ik geleid u, ik leg de kransen op hunne plaats, wij bidden te zamen vóor de groeve, wij zien den heiligen optocht, en de werken der wonderdoeners, en hooren de feestrede. Bedenkt eens dat Pentaoer, niettegenstaande alles wat zij tegen hem hebben, haar houden mag. Het Seti-huis wil heden schitteren, en Ameni weet zeer goed dat Pentaoer, als hij den mond opent, dieper indruk te weeg brengt, dan alle wijze heeren, wanneer zij te zamen zingen in het heilige koor! Kom dan mede, zuster!”
»Het zij zoo!” sprak Bent-Anat, opeens besloten.
Rameri schrikte, toen hij dit haastig gesproken woord vernam, dat hem echter verblijdde. Nefert zag Bent-Anat vragend aan, om echter hare groote oogen weldra weder neder te slaan. Zij toch wist wie de uitverkorene was van hare vriendin, en in haar binnenste rees de angstige vraag: »Waar zal dit op uitloopen?”
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Een uur later voer eene slanke, zeer eenvoudig gekleede burgervrouw, bij welker jeugdig gelaat eenige donkere plooien op voorhoofd en wangen slecht wilden passen, over den Nijl, vergezeld van een donker gekleurden opgeschoten jongen en een tenger knaapje. Het was moeielijk in dit drietal de fiere Bent-Anat, den lichtkleurigen Rameri en de schoone Nefert te herkennen. Deze laatste maakte, in het lange witte kleed van de kweekelingen eener priesterschool, alles behalve een slecht figuur. Toen zij aan wal waren gestapt, werden zij gevolgd door de beide sterke en trouwe opzichters van de draagstoeldragers der prinses. Zij had hun bevolen, dat zij den schijn moesten aannemen, als stonden zij in geenerlei betrekking tot hunne meesteres en die haar vergezelden.
De vaart over den Nijl had lang geduurd. De vorstelijke broeder en zuster hadden daarbij ondervonden, met hoeveel tegenspoeden gewone stervelingen te worstelen hebben om tot een doel te geraken, dat zij die een kroon dragen als vanzelf bereiken. Want niemand baande hun den weg; geen boot week voor hun uit. Ieder was er op uit hun den voorrang te betwisten, en eerder dan zij aan genen oever te landen. Toen zij eindelijk bij de landingstrap uitstegen, was de processie reeds aan het Seti-huis genaderd. Ameni was haar tegemoet gegaan, met zijne zangerskoren, en had aan den Nijloever den god ontvangen. De profeten van de Nekropolis plaatsten hem met eigene handen in de heilige van cederhout en verguld zilver kunstig vervaardigde Sam-bark245) van het Seti-huis, die overal met edelgesteenten was bezet. Dertig Pastophoren namen het kostbaar vaartuig op hunne schouders en droegen het door de sphinxenlaan, die de haven met den tempel verbond, in het allerheiligste van het Seti-huis, waar Amon vertoefde, terwijl de feestgezanten uit alle provinciën des lands hunne offergaven in het voorhof van het heiligdom nederlegden. Op weg naar den tempel liepen Kolchyten vooruit, om naar oud gebruik zand voor den god te strooien246).
Na verloop van een uur trad de processie weder naar buiten. Zij bewoog zich in eene zuidelijke richting voorwaarts, rustte het eerst in den reuzentempel van Amenophis III, voor welken de twee grootste kolossen van het Nijldal als wachters stonden, en daarna in den tempel van den grooten Thotmes, die nog zuidelijker was gelegen247). Daar keerde zij om, ging vlak langs de oostelijke helling van het Libysch gebergte, waarin tal van graven waren248), besteeg vervolgens de terrassen van den tempel van Hatasoe, dien wij kennen, hield zich in de nabij dit heiligdom gelegen graven der oudere koningen249) eenige oogenblikken op, en bereikte tegen zonsondergang het eigenlijke feestterrein, aan den ingang van het dal, waarin het graf van Seti was aangelegd250), terwijl zich in de naar het westen loopende dwarsdalen eenige groeven bevonden van pharao’s uit het onttroonde koningshuis. Men was gewoon dit gedeelte van de Nekropolis bij het licht der lampen en het schijnsel der fakkels te bezoeken, voordat de god terugkeerde, en vóor de tegen middernacht aanvangende feestspelen op het heilige meer in het zuidelijkste gedeelte van de doodenstad. Achter den god werd in eene vaas van doorzichtig kristal, die op een hoogen staak bevestigd was, opdat iedereen het zou kunnen zien, het heilige hart van den ram rondgedragen.
Onze vrienden sloten zich, nadat zij, zonder door iemand herkend te zijn, hun krans op het rijke offeraltaar hunner koninklijke voorvaderen gelegd hadden, eerst laat in den middag aan bij de volksmenigte, die de processie volgde. Bij de groeve van Mena’s voorvaderen bestegen zij de oostelijke helling der Libysche bergen. De stamvader van Mena, Neferhotep, een profeet van Amon, had dat graf laten aanleggen, welks enge ingang door een groote volksmassa als belegerd was. Want in de eerste in de rots uitgehouwen grafkamer zat, bij elk feest, een harpspeler het doodenlied te zingen van den sedert lang ontslapen profeet, en van zijne gemalin en zuster. Zijn huiszanger had het gedicht. Het was in de tweede grafkamer in den wand gebeiteld, en Neferhotep had aan het bestuur van de doodenstad een stuk grond vermaakt, met de verplichting, dat de inkomsten ervan gebruikt moesten worden tot bezoldiging van een harpspeler, die verplicht was zijn lied bij elk doodenfeest, onder begeleiding van snarenspel te zingen. De wagenmenner Mena kende dit doodenlied van zijn stamvader zeer goed, en had het Nefert dikwijls voorgezongen, terwijl zij hem met de luit begeleidde. Want ook in de uren van vreugde, ja, bij voorkeur in deze, gedachten de Egyptenaars aan hunne dooden. Zij luisterde nu met die haar vergezelden naar den harpspeler, die zong251):
»Ruste in vrede deze groote! Schenker van de schoonste gaven! Sinds de heerschappij der goden, Moet het kroost der menschen sterven. Ouden wijken voor de jongen. Schitterend rijst de nieuwe zongod Elken morgen, nadat de oude Rust vond in den schoot van ’t westen252). . . . . . . . . . . . . . . . Vier nu, mijn profeet, den feestdag! Geur’ge zalven, specerijen Bieden wij, en bloemenkransen Slingren wij om borst en armen Uwer veelgeliefde zuster, Die daar neerzit aan uw zijde. Laat ons voor uw vriendelijk aanschijn Lied’ren zingen, snaren tokk’len: Laat toch achter u de zorgen, Wees gedachtig aan de vreugde, Tot de dag der reize nadert, Als men landend rust mag vinden In het rijk, waar allen zwijgen.”
Toen de zanger zweeg, drongen eenige lieden de eenvoudige grafkapel binnen, om hun dank voor dit lied uit te spreken in het nederleggen van eenige bloemen op het offeraltaar van den profeet. Nefert en Rameri traden insgelijks het graf binnen, en de eerste legde, nadat zij in een lang en stil gebed den verheerlijkten geest van den gestorvene had aangeroepen, om Mena te beschermen, haar krans naast de mummie-groeve, waarin de moeder van haar gemaal rustte.
Vele leden van het hofgezin gingen zelfs rakelings de koningskinderen voorbij zonder hen te herkennen. Zij haastten zich nu om op het feestterrein te komen, maar het gedrang was zoo groot, dat de vrouwen zich nu en dan genoodzaakt zagen in een graf uit te wijken. In alle grafkapellen vonden zij de offeraltaren met gaven overladen, en in de meeste de familiebetrekkingen gezellig bijeen, die onder het genot van vleesch en vruchten, bier en wijn, hunne afgestorvenen gedachten, alsof het reizigers gold, die ver van den geboortegrond hun geluk hadden gevonden, en die men vroeger of later hoopte weer te zien. De zon neigde reeds ten ondergang, toen zij op het eigenlijk feestterrein aankwamen.
Welk een levendig tooneel deed zich hier aan hen voor. Overal stonden tafels en tenten met eetwaren, voornamelijk met zoet gebak voor de kinderen, en verder met dadels, vijgen, granaatappelen en andere vruchten. Onder lichte afdaken, die echter voldoende waren om de zonnestralen te weren, zag men sandalen te koop, en goed voor kleedingstukken in alle stoffen en kleuren. Daar vond men snuisterijen, amuletten, waaiers en zonneschermen, geurige reukwerken van allerlei soort, kortom al wat men verlangen kon voor het offeraltaar zoowel als voor de toilettafel. De korven der hoveniers en bloemenverkoopster waren reeds ledig, maar de wisselaars hadden nog handen vol werk, en aan de schenk- en dobbeltafels ging het reeds levendig toe. Vrienden en bekenden begroetten elkander met vrome spreuken, terwijl kinderen elkander hunne nieuwe sandalen, en de koeken die zij met dobbelspel gewonnen hadden, of de koperen ringetjes die zij hadden gekregen en nog heden besteed moesten worden, lieten kijken. Het meeste succes hadden wel de wonderdoeners van het Seti-huis. Eene menigte toeschouwers zat, op den grond neergehurkt, rondom hen geschaard; men had echter vrijwillig voor de kinderen de eerste rijen ingeruimd.