DERDE BOEK. (continued 2)
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Wien ik mijne hand schenk,” antwoordde Bent-Anat met vastheid, »dien maak ik tot een vorst. Doch al kon ik Pentaoer ook verheffen tot heerscher over de geheele wereld, zoo zou hij toch altijd meer zijn en beter dan ik.”
»Maar uw vader?” vroeg Nefert bescheiden.
»Hij is mijn vriend; hij hoort en verstaat mij. Als ik bij hem ben, zal hij alles vernemen. Ik ken zijn vaderlijk en koninklijk hart.”
Beiden zwegen een geruimen tijd. Eindelijk zeide Bent-Anat: »Ik verzoek u licht te laten brengen, want ik wil mijn weefsel afmaken.”
De vrouw van Mena stond op. Buiten de deur van de tent kwam zij Warda tegen, die dadelijk haar hand greep en haar zwijgend met zich mede trok.
»Wat hebt gij, meisje? Gij beeft,” zeide Nefert.
»Mijn vader is hier,” antwoordde Warda gejaagd. »Hij bewaakt gevangenen uit de mafkat-groeven. Onder hen zijn twee aan elkander vastgeketende mannen. Een van dezen — gij moet niet schrikken — een van dezen is de dichter Pentaoer. — Blijf! om den wil der goden, blijf, en hoor mij verder! Ik heb mijn vader reeds tweemaal gezien en met hem gesproken, toen hij met andere dwangarbeiders hierlangs kwam. Pentaoer moet heden bevrijd worden, maar Bent-Anat mag nog van niets weten; want wanneer mijn plan mislukt....”
»Kind! Meisje!” viel Nefert haar met levendigheid in de rede. »Hoe kan ik u helpen?”
»Beveel den hofmeester, dat hij aan den drijver der gevangenen, uit naam der prinses, een vollen lederen zak wijn moet brengen. Neem dan uit Bent-Anat’s reis-apotheek306) het fleschje, dat den drank tegen de slapeloosheid bevat, waarvan zij ondanks uw herhaald verzoek nooit iets wil nemen. Ik wacht hier buiten en zal er gebruik van weten te maken.”
Nefert vond den hofmeester dadelijk en beval hem Warda met een zak wijn te volgen. Daarna keerde zij tot de prinses terug en opende de reis-apotheek.
»Wat zoekt gij?” vroeg Bent-Anat.
»Een middel tegen hartkloppingen,” antwoordde Nefert. Zij stak heimelijk het verlangde fleschje hij zich, dat eenige oogenblikken later in Warda’s handen was overgegaan. Het meisje verzocht den hofmeester den zak te willen openen, en haar den wijn te laten proeven. Terwijl zij scheen te drinken, goot zij den slaapdrank in het druivensap, en liet vervolgens het geschenk van Bent-Anat aan de dorstige drijvers brengen.
Toen dit bezorgd was, ging Warda naar de keukentent, waarvoor zij een jongen Amalekiet op den grond vond zitten, te midden van de dienaars der prinses. Hij sprong op, zoodra hij het meisje gewaar werd, en zeide: »Heden breng ik vier schoone patrijzen307), die ik zelf heb geschoten, en voor u dezen fraaien turkoois, dien mijn broeder bij eene rots heeft gevonden308). Deze steen brengt geluk en is goed voor de oogen. Hij schenkt overwinning op vijanden en verdrijft booze droomen”309).
»Ik dank u,” zeide Warda en vatte, terwijl zij den hemelsblauwen steen aannam, den jongeling bij de hand en trok hem met zich in het donker.
»Hoor eens, Salich!” sprak zij zacht, zoodra zij zich ver genoeg van de anderen meende verwijderd te hebben. »Gij zijt een brave jongen, en de dienstmaagden hebben mij verteld, dat ge mij eene ster310) hebt genoemd, die van den hemel op aarde was gevallen om eene vrouw te worden. Dat zegt men alleen van iemand, die men gaarne mag lijden. Dat ge mij genegen zijt en aan mij denkt, toont gij dagelijks, door de bloemen die ge mij brengt, als gij het wild, dat uw vader heeft geschoten, aan den hofmeester aflevert. Zeg mij nu eens: wilt ge mij en tevens de prinses een grooten dienst bewijzen? Ja? En gaarne?” — »Ja! O, dat wist ik wel. Nu hoor dan. Een vriend van de verhevene vrouw Bent-Anat, die heden nacht hierheen zal komen, moet éen dag, misschien wel gedurende meerdere dagen, voor zijne vervolgers verborgen worden gehouden. Zou hij, of zouden zij, want het zijn er misschien twee, in het huis van uw vader, dat hoog boven aan den heiligen berg moet liggen, een onderkomen en bescherming kunnen vinden?”
»Wien ik mijn vader breng,” zeide de jongeling, »is hem welkom, en wij verdedigen eerst onze gasten en dan ons zelven. — Waar zijn die vreemdelingen?”
»Zij zullen binnen weinige uren komen. Wilt gij hier wachten tot de maan hoog aan den hemel staat?”
»Totdat de laatste van al de duizende manen, die achter de bergen verdwijnen, ondergaat.”
»Goed dan. Wacht aan gene zijde van de beek, en breng hen naar uw huis, die u driemaal mijn naam noemen. Gij weet toch hoe ik heet?”
»Ik noem u de zilverster, maar zij noemen u met den naam Warda.”
»Juist! Gij brengt de vreemdelingen naar uwe hut, en wanneer zij daar door uw vader zijn opgenomen, komt gij terug om het mij mede te deelen. Ik houd hier aan de deur van de tent de wacht. Het spijt mij dat ik arm ben en het u niet vergelden kan, maar de prinses zal uw vader vorstelijk weten te beloonen. Wees waakzaam, Salich.”
Het meisje verdween en begaf zich naar de drijvers der gevangenen, wenschte hen even een genotvollen avond en ijlde daarna naar Bent-Anat terug, die haar met bezorgdheid over de volle lokken streek, en vroeg waarom zij toch zoo bleek zag. »Ga wat liggen,” zeide de prinses vriendelijk. »Gij hebt de koorts. Zie maar, Nefert, men kan de beweging van het bloed zien in de blauwe aderen op haar voorhoofd!”
Intusschen waren de drijvers aan het drinken. Zij prezen den koninklijken wijn en dezen gelukkigen dag. Toen Warda’s vader voorsloeg ook de gevangenen een slokje te laten proeven, riep een zijner gezellen: »Komaan dan, het arme vee mag zich ook wel eens vroolijk maken.”
De roodbaard vulde een grooten beker en reikte dezen het eerst aan een falsaris, die met den man die hem had aangegeven was saamgeklonken. Daarop naderde hij Pentaoer en fluisterde hem in het oor: »Drink niet, maar blijf wakker!” Toen hij ook naar den arts wilde gaan om dezen te waarschuwen, kwam een zijner gezellen hem voor en riep, terwijl hij Nebsecht den beker toestak: »Daar roerdomp, drink ook eens! — Kijk eens hoe hij slurpt! Thans kan zich zijn stotterend mondwerk vlug genoeg bewegen.”
VIJFDE HOOFDSTUK.
Nadat de drinkende soldaten een uur in uitgelaten vroolijkheid hadden doorgebracht, begonnen zij zich al meer en meer vermoeid te gevoelen. De maan stond nog niet hoog aan den hemel, toen allen reeds waren ingeslapen, behalve Kaschta en Pentaoer. De eerste stond voorzichtig op, luisterde naar de ademhaling van elk zijner gezellen, naderde daarop den dichter, ontsloot de ringen, waarmede de ketting aan zijne en Nebsecht’s enkels bevestigd was, hoewel hij te vergeefs beproefde den arts te wekken.
»Volg mij,” riep hij den dichter toe, nam Nebsecht op zijne schouders en haastte zich naar de plek aan de beek, die Warda hem had uitgeduid.
Zoodra hij driemaal den naam zijner dochter had genoemd, kwam de jonge Amalekiet te voorschijn. »Volg dezen,” riep de soldaat den dichter toe, »voor den arts zal ik wel zorgen.” »Hem laat ik niet achter!” zeide Pentaoer beslissend. »Mogelijk kan het water hem wakker maken.”
Zij dompelden Nebsecht in de beek, die zoowat half ontwaakte en door zijne begeleiders, nu eens ondersteund dan weder gedragen, langs het ruwe rotspad wankelend en struikelend naar boven werd gebracht, zoodat zij met hem voor middernacht aan het doel hunner wandeling, de hut van den Amalekiet, aanlandden.
De oude jager sliep reeds, maar zijn zoon wekte hem, en deelde hem mede wat Warda hem gezegd en beloofd had. Doch de brave bergbewoner behoefde door geen uitzicht op belooning tot gastvrijheid opgewekt te worden. Hij ontving den dichter met trouwhartige vriendelijkheid, legde den arts, die weder vast was ingeslapen, op eene mat neder, en spreidde Pentaoer een leger van loof en dierenvellen. Hij riep zijne dochter, liet hem de voeten wasschen, en toen hij de lompen zag die zijn lichaam bedekten, gaf hij hem zijn eigen feestkleed.
Pentaoer vlijde zich op dit eenvoudig rustbed neder, dat hem zachter voorkwam dan het zijden bed eener koningin. Toch kon hij den slaap niet vatten. De afwisselende aandoeningen, die zijn hart vervulden, overmeesterden en verwarden zijn verstand. De sterren stonden nog aan den hemel, toen hij van zijn leger opsprong en, nadat hij den arts daarop had nedergelegd, naar buiten snelde.
Naast de woning van den jager ontsprong eene frissche bron. Hij ging daarheen en dompelde zijn gezicht in het ijskoude water. Daarna liet hij het een en andermaal over zijn gansche lichaam stroomen. Het kwam hem voor, dat hij zich tot in het diepst zijner ziel moest reinigen, niet enkel van het stof van zoovele weken, maar ook van spijt en moedeloosheid, van smaad en bitterheid, van elke aanraking met al wat laag en gemeen is. Toen hij eindelijk de bron verliet en naar de hut terugkeerde, gevoelde hij zich zoo rein als aan den morgen van een feestdag in het Seti-huis, wanneer hij zich gebaad en frissche kleederen van sneeuwwit linnen aangetrokken had. Hij greep nu naar het feestkleed van den jager, trok het aan en ging toen weder verder onder den blooten hemel.
Voor hem verhieven zich ontzaglijke rotsgevaarten als zwarte onweerswolken, en daarboven welfde zich de donkerblauwe hemel, waaraan duizenden sterren vonkelden. Het zalig gevoel van vrijheid en reinheid verhief zijne ziel, en de lucht die hij inademde was zoo frisch en fijn, dat hij, als door vleugels of onzichtbare handen gedragen, langs het steile pad naar de donkere massa van bergtoppen opklom.
Hij ontmoette een steenbok, die schuw voor hem uit den weg ging. Het beest beklauterde vluchtend met zijn wijfje een steilen rotswand. Hij riep het echter toe: »Ik zal u niets doen, ik niet.”
Toen hij op een klein plateau, aan den voet van een veeltandigen graniettop, was aangekomen, bleef hij stilstaan. Wederom hoorde hij eene bron in zijne nabijheid murmelen. Het gras, dat door zijne voeten werd betreden, was vochtig en met eene dunne glinsterende ijslaag bedekt, waarin de sterren zich spiegelden, die gaandeweg begonnen te verbleeken. Hij zag op naar de nimmer rustende en toch eeuwig stilstaande hemellichten. Hij liet zijn blik dwalen langs de toppen der bergen, in de diepte en de oneindige verte.
Langzamerhand kwam er licht in de duisternis. Het verdwijnen van den nacht bracht teekening in de donkere massa. Al duidelijker traden de vormen van het gebergte te voorschijn met zijne schemerende toppen, omgeven door lichte wolkjes, gelijk aan den rook van een smeulend vuur. Uit de oase en de andere dalen aan zijne voeten stegen grijze dampen op. Eerst hingen zij zwaar en in groote massa neder, daarna verdeelden zij zich en zweefden als spelende wolkjes tot hem en den helderen hemel op.
Laag beneden hem dreef een groote adelaar op zijne wieken, het eenig levend wezen, dat zijn oog in den ganschen omtrek bespeurde. De geheele natuur rondom hem bewaarde een plechtig stilzwijgen, dat door geen geluid werd gestoord. En toen de adelaar neerstreek en uit zijn oog verdween, toen de nevelen al lager schenen te zinken, zeide hij tot zichzelven, dat hij hier alleen stond, hoog verheven boven al het geschapene; dat hij de godheid nabij was.
Eene diepe ademtocht bewoog zijne borst. Hij gevoelde zich gestemd als in de ure, die op zijne wijding was gevolgd, toen hij voor het eerst in het allerheiligste was geleid. Maar het was toch nog iets geheel anders. In plaats van zware wierookgeuren, ademde hij thans eene reine en fijne lucht in, en machtiger dan weleer het gezang der priesters, greep hem hier de indrukwekkende stilte van dit gebergte in de ziel. Het kwam hem voor dat de godheid thans zelfs het geringste stamelen van zijne lippen moest vernemen. En toch was zijn hart zoo vervuld van eerbied en dankbaarheid, dat het hem drong in een luid gezang uitdrukking te geven aan al de verhevene aandoeningen die hem overweldigden. Maar zijn mond verstomde, en zwijgend knielde hij neder om te bidden en te danken.
Eerbiedig zag hij rondom zich heen. Waar was hier het oosten, dat in Egypte door eene lange heuvelreeks zoo duidelijk was aangewezen? Ja, daar ginds, waar thans boven de oase de hemel. begon op te klaren. Aan zijne rechterhand lag het zuiden, het heilige land van den Nijl en van de goden der watervallen. Doch hier golfde geen waterstroom; en waar was hier een plekje voor de zichtbare werkzaamheid van Osiris en Isis, en voor den uit eene lotusbloem te midden van het dichte papyrus-riet opwassende Horus, of voor de zegenende godinnen Rennoet en Zefa311)! Tot welke van al de godheden kon hij hier de handen opheffen?
Er verhief zich een zachte luchtstroom; de nevelen losten zich op, gelijk rustelooze schaduwen voor het woord van den bezweerder. De kroon van den heiligen berg Sinaï met zijne vele inzinkingen vertoonde zich aan zijn oog in scherpe omtrekken, en beneden hem kwamen de kronkelingen der dalen en verder de donkerkleurige, zachtbewogen oppervlakte der zee steeds duidelijker te voorschijn. Alles bleef stil. Zonder door eene menschelijke hand te zijn aangeraakt, was alles zoo wonderbaar samengevoegd tot een groot en heerlijk geheel. Maar was alles niet aan de wetten van het Al onderworpen, alles niet vol van de godheid?
Hij wilde zijne handen dankbaar opheffen tot Apheroe312), den wijzer der wegen; maar hij gevoelde zich daartoe niet in staat. De goden, wier lof hij zoo dikwijls aan het volk had verkondigd in bezielende woorden, en die toch alleen aan de boorden van den Nijl beteekenis, een vaderland, een gebied voor hunne heerschappij bezaten, schenen hem nu zoo oneindig klein toe.
»Tot u,” prevelde hij, »bid ik niet! Hier, waar mijn blik als die eener godheid het oneindige omvat, hier voel ik den Eenen, hier is hij mij nabij, hier roep ik hem aan, hier wil ik hem danken!”
En wederom verhief hij zijne handen en bad overluid: »Gij Eenige! — Gij Eenige! — Gij Eenige!”
Meer kon hij niet uitbrengen, maar een verheven lof- en danklied vervulde zijn borst, terwijl hij deze woorden uitsprak.
Toen hij eindelijk oprees, zag hij een man naast zich staan van hooge gestalte, met doordringde oogen. Zijn uiterlijk was vol waardigheid als dat eens konings, ofschoon hij een eenvoudig herderskleed droeg.
»Heil u!” zeide de onbekende, op diepen en plechtigen toon. »Gij zoekt den waren god.”
Pentaoer sloeg een onderzoekenden blik op den zwaar gebaarden man. »Nu herken ik u,” zeide hij ten laatste. »Gij zijt Mesoe313). Ik was nog maar een knaap, toen gij het Seti-huis verliet, maar uwe trekken bleven onuitwischbaar in mijne ziel geprent. Even als u, heeft Ameni ook mij ingewijd in de leer van den Eenen.”
»Hij kent hem niet,” antwoordde de andere, nadenkend, en zag naar den oostelijken gezichteinder, die reeds helderder begon te lichten.
Daar kleurde zich den hemel purperrood en de toppen van den met een ijssluier omhangen granietberg begonnen te vonkelen en stralen te schieten, zooals een donkere diamant, die de zonnestralen heeft ingedronken. De zon werd zichtbaar, en Pentaoer keerde zijn aangezicht naar het groote hemellicht, om te bidden zooals hij gewoon was.
Toen hij weder opstond, knielde ook Mesoe neder, maar hij keerde zich van de zon af.
Na zijn gebed voleindigd te hebben, vroeg Pentaoer hem: »Waarom hebt gij u afgewend van de verschijning van den zonnegod? Ons werd toch geleerd hem tegen te zien als hij nadert.” »Omdat ik,” antwoordde zijn metgezel ernstig, »tot een ander bid dan gij. De zon en alle gesternten zijn in zijne hand, wat de ballen zijn voor spelende kinderen. De aarde is de voetbank zijner voeten, de stormwind is zijn adem, en de zee is in zijne oogen het drupje gelijk, dat aan dit grasscheutje hangt.”
»Leer mij dien machtige kennen, tot wien gij bidt,” zeide Pentaoer.
»Zoek hem!” hernam de ander, »en gij zult hem vinden, want gij komt uit de school van het lijden en de beproeving. Op deze plaats, op een morgen als dezen, heeft hij zich aan mij geopenbaard.”
De vreemdeling keerde zich om, en weldra verdween hij achter eene rots voor het oog van den dichter, die nadenkend in de verte staarde.
Vervuld van allerlei gedachten, daalde Pentaoer af naar het dal en naderde de hut van den jager. Weldra bleef hij stilstaan, want hij hoorde menschelijke stemmen. Doch rotsen hielden de naderenden voor zijn oog verborgen. Eindelijk verschenen de zoon van zijn gastvriend, een man in Egyptische kleeding, eene vrouw van hooge gestalte, naast welke een meisje vlug voortliep, en nog eene andere vrouw, die door slaven in een draagstoel werd gedragen. Pentaoer ontroerde, want hij herkende Bent-Anat en die haar vergezelden. Zij verdwenen echter weder bij het jagershuis.
Diep ademhalend bleef Pentaoer staan, als ware hij aan den rotswand genageld. Zoo stond hij lang, zeer lang, zonder zich te verroeren. Hij hoorde niet dat zachte schreden hem naderden en zich weder verwijderden; hij voelde niet dat de zon hem en den porfierwand achter hem, met gloeiende stralen bescheen; hij merkte de vrouw niet op, die hem langzaam te gemoet kwam. Doch evenals een doove, die opeens het gehoor terug ontvangt, zoo schrikte hij op, toen hij zijn naam hoorde noemen, en — van welke lippen!
»Pentaoer!” riep Bent-Anat andermaal. De dichter opende zijne armen; de dochter des konings zonk aan zijne borst, en hij trok haar tot zich, als wilde hij haar vasthouden en levenslang niet meer loslaten.
Intusschen rustten zij, die de prinses begeleidden, voor de hut van den jager uit.
»Zij vloog hem om den hals; ja dat heb ik gezien,” zeide Warda. »Ik zal het nooit vergeten! Het was alsof de blinkende zee daarginds zich had opgericht en den heiligen berg omhelsd!”
»Kind! Hoe komt ge toch aan zulke gedachten?” vroeg Nefert.
»Uit het hart, diep uit het hart!” zeide Warda. »Ik ben zoo onuitsprekelijk gelukkig!”
»Gij hebt hem gered en zijne weldaad vergolden. Ik begrijp dat u dit reden tot blijdschap geeft.”
»Dat is het niet alleen,” zeide Warda. »Ik vreesde reeds den moed te zullen verliezen, maar nu zie ik toch weder, dat de goden rechtvaardig zijn en goed.”
De vrouw van Mena knikte haar toe en zuchtte: »Deze twee zijn gelukkig!”
»En zij verdienen het te zijn,” hernam het meisje. »Als Bent-Anat stel ik mij de godin der waarheid voor, en er is geen ander man in Egypte aan Pentaoer gelijk.”
Nefert zweeg een poos; toen vroeg zij zacht: »Hebt gij Mena ook gezien?”
»Hoe zou ik?” antwoordde Warda. »Wacht maar, ook uw tijd zal komen. Ik geloof, dat ik heden als eene profetes een blik in de toekomst kan slaan! Maar laten wij gaan zien of de arts Nebsecht nog altijd ligt te slapen. De drank dien ik in den wijnzak heb uitgegoten, moet wel sterk zijn.”
»Dat is hij,” hernam Nefert, en volgde het meisje in de hut.
Daar lag de arts nog altijd op zijn leger en sliep met wijd-geopenden mond.
Warda knielde bij hem neder, zag hem in het aangezicht en zeide: »Hij is zoo verstandig en weet alles, toch ziet hij er nu zoo onnoozel uit! Ik zal hem wekken.”
Zij trok een grashalm uit het stroo, en zeer ondeugend begon zij daarmede zijn neus te streelen.
Nebsecht hief het hoofd even op, niesde en sliep weder in. Warda schaterde het uit van lachen met haar zilver stemmetje. Daarna bloosde zij en zeide: »Dat was toch verkeerd van mij. Hij is zoo goed en grootmoedig!”
Nauwelijks had zij dit gezegd, of zij greep de hand van den slapende, bracht die aan hare lippen, en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Nu ontwaakte hij. Hij sloeg de oogen op, en prevelde, nog half droomend: »Warda, lieve Warda!”
Het meisje stond op en vloog weg, gevolgd door Nefert.
Toen Nebsecht weder op zijne voeten stond en rondzag, bevond hij zich alleen in de vreemde jagershut. Hij ging naar buiten, waar hij het gevolg van Bent-Anat aantrof, dat niet zonder bezorgdheid de dingen besprak, die gebeurd en die nog te verwachten waren.
ZESDE HOOFDSTUK.
Eeuwen geleden hadden de bewoners der oase zich reeds aan de pharao’s onderworpen, en betaalden zij hun schatting. Daarvoor was hun als een voorrecht toegestaan, dat geen Egyptisch soldaat zonder hun verlof hun grondgebied mocht betreden. De Ethiopiërs hadden Bent-Anat’s tenten en hunne eigene legerplaats dan ook opgeslagen buiten de eigenlijke oase. Het kwam echter weldra tot allerlei vechtpartijen tusschen de soldaten, die met hun tijd geen weg wisten, en de Amalekieten. Die twisten liepen nu en dan bloedig af, en kregen een zeer ernstig aanzien, toen op zekeren avond eenige dronken soldaten Amalekietische meisjes bij het waterputten overvielen.
Heden morgen vroeg had een der drijvers, toen hij wakker geworden was, Pentaoer en Nebsecht gemist. Hij had hierop zijne kameraden, waaronder Warda’s vader zijne plaats weder had ingenomen, dadelijk gewekt. De bewakers der dwangarbeiders snelden woedend over het gebeurde naar den bevelhebber der Ethiopiërs. Zij deelden hem mede, dat twee gevangenen ontkomen waren, en dat het wel niet anders kon, of ze werden door de Amalekieten verborgen gehouden. Deze beantwoordden den eisch om de vluchtelingen, waarvan zij trouwens niets wisten, uit te leveren met spottende woorden. De hoofdman werd hierdoor zoo verbitterd, dat hij besloot de oase met geweld te doorzoeken, ja werkelijk rukte hij, nadat men zijn bode had gehoond, met de grootste helft zijner manschappen de vrijplaats der Amalekieten binnen.
De zonen der woestijn waren te wapen gevlogen. Zij weken terug voor de gesloten gelederen der Egyptenaars, die, zich zeker wanende van de overwinning, hen vervolgden tot aan de plaats, waar het dal wijder wordt, en zich om een rotsheuvel314) heenbuigt. Hierachter stond de hoofdmacht der Amelekieten verborgen, die, zoodra de Ethiopiërs zonder eenig kwaad vermoeden den heuvel voorbij gemarcheerd waren, opeens voor den dag kwamen en hen in den rug vielen. Tegelijk keerden de vervolgden zich om, en schoten hunne pijlen en wierpen hunne lansen op de in verwarring gebrachte soldaten, van welke er maar weinigen ontkwamen. Onder deze laatsten was ook de hoofdman, die licht gewond en razend van woede zich aan het hoofd stelde van de afdeeling, die tot bewaking van Bent-Anat was achtergebleven. Hij beval de drijvers der gevangenen hem insgelijks te volgen en drong opnieuw de oase binnen.
Aan de mogelijkheid dat de prinses zou kunnen ontvluchten, dacht hij niet. Nauwelijks had zij echter den laatsten harer wachters zien verdwijnen, of de ceremoniemeester en allen die haar begeleidden verklaarden, dat nu het tijdstip gekomen was om te vluchten. Het dienstbaar personeel was de koningsdochter geheel toegedaan. De lieden belastten zich met hetgeen men voor dagelijksch gebruik het meest noodig had, namen draagstoelen en lastdieren mede, en terwijl het gevecht in de oase woedde, voerde de jonge Salich hen naar de hoogten van Sinaï en de woning zijns vaders. Onderweg bereidde Warda de prinses voor op de ontmoeting, die haar bij den jager wachtte. Wij weten reeds hoe Bent-Anat den dichter vond.
Beiden wandelden hand in hand langs het bergpad, tot zij gekomen waren aan een schaduwrijk plekje, bij eene vooruitspringende rots. Pentaoer belegde die met mos, zij zetten zich daarop naast elkander neder, openden voor elkander hunne harten en vertelden de geschiedenis van hunne liefde en hun lijden, van hunne omzwervingen en hunne redding.
Toen de dochter van den jager tegen den middag voorbijkwam met eene kan vol geitenmelk, en hun aanbood hiervan te drinken, vulde Bent-Anat een en andermaal de schaal van eene kalebas voor den geliefde. Haar hart gevoelde zich trotsch, toen zij hem zoo bediende, en het zijne werd vervuld met den ootmoedigen wensch, dat hij zijn bloed, ja zijn leven voor haar mocht kunnen geven.
Aanvankelijk hadden zij, verdiept in het verledene en genietende van het tegenwoordige, weinig aan de toekomst gedacht. Terwijl zij elkander honderdmaal herhaalden wat ze sedert lang wisten, en toch nimmer genoeg konden hooren, vergaten zij het onmiddellijk gevaar, waarin zij nog verkeerden. Na het eenvoudig maal kwam de golfslag van ’s dichters ziel, die sedert zijn morgengebed zoo hoog ging, langzamerhand tot bedaren. Had hij tot dusverre gemeend te kunnen vliegen, nu voelde hij dat zijn voet nog de aarde drukte. Bedaard begon hij met Bent-Anat te overleggen, wat hun in de naaste toekomst te doen stond. In ernstig gesprek, dat veel had van eene beraadslaging, en waarbij de zalige vreugde die uit hunne oogen straalde weinig paste, daalden zij hand in hand naar de hut van hun gastvriend af.
Halverwege kwam de jager hun reeds tegemoet, geleid door zijne dochter. Naast hen ging een deftig man, in de volle wapenrusting van het hoofd der Amalekieten, die de oase bewoonden. Beiden bogen zich en kusten den grond voor de voeten van Bent-Anat en Pentaoer.
Zij zeiden vervolgens vernomen te hebben, dat de prinses door de Ethiopische troepen met geweld in de oase werd teruggehouden. Nadat de vorst der woestijn, Abocharabos315), aan Pentaoer, dien hij voor een zoon des konings hield, en Bent-Anat de verzekering had gegeven, dat hij en de zijnen den pharao Ramses, die hunne rechten steeds geëerbiedigd had, geheel waren toegedaan, verhaalde hij niet zonder trots, dat de Ethiopiërs, op enkelen na, die door hem gevangen werden gehouden, allen door zijne manschappen waren neergeschoten.
»Zij zijn gewoon,” zeide hij, »tegen de zwarte hondsche lafaards van Koesch te vechten. Maar wij zijn mannen en weten ons te verweren, als de leeuwen in onze dalen. Moeten wij voor de overmacht wijken, dan weten wij ons als de steenbok in de rotskloven van het gebergte te verschuilen.”
Bent-Anat, wien de vreemde man met zijne bliksemende oogen en zijn adelaarsneus, terwijl zijne bruine wangen nog de sporen droegen van een zwaardhouw, wel beviel, beloofde hem, dat zij hem en de zijnen bij haar vader zou aanbevelen. Zij sprak den wensch uit, zich onder leiding van Pentaoer, haar verloofde, zoo spoedig mogelijk naar het leger des konings te begeven.
Het opperhoofd had Bent-Anat, terwijl zij sprak, en Pentaoer met zijne oogen goed opgenomen, en zeide nu: »Gij, koningsdochter, gelijkt de maan, en uw metgezel den zonnegod Doesaris316). Behalve Abocharabos,” en hij sloeg op zijne borst, »en zijne vrouw, ken ik geen paar menschen gelijk aan u beiden. Tot Hebron zal ikzelf u geleiden met eenige van mijne beste krijgslieden. Maar er is haast bij het werk, want ik moet terug zijn, eer de verraderlijke man, die thans over Mitzraïm317) gebied voert en die u vervolgde, nieuwe troepen tegen u uitzendt. Trekt nu naar beneden. Geen hoen wordt bij uw tenten gemist! Morgen breken wij op, eer de dag aanlicht.”
Bij de jagershut begroette Pentaoer het gevolg der prinses. De ceremoniemeester kon hem niet zonder schroom aanzien. De koning had hem wel toen hij opbrak bevolen, Bent-Anat in alles te gehoorzamen, als ware zij de koningin zelve, maar zulk eene keus van een toekomstig gemaal was ongehoord. Hoe zou Ramses dat alles opnemen?
Nefert verheugde zich over de edele gestalte van den dichter, en gaf telkens de verzekering, dat hij als een jongere broeder geleek op haar gestorven oom, den vader van den gids Paäker.
Warda werd niet moede hem en de prinses in stilte te beschouwen. Zij zag hem niet meer aan voor een hooger wezen, maar het schoone paar vertoonde zich aan haar als een tastbaar gelukkig voorteeken van Nefert’s en mogelijk ook van hare eigene liefde.
De arts Nebsecht hield zich op een behoorlijken afstand. De hoofdpijn, die hem lang geplaagd had, was door de frissche berglucht voorbijgegaan. Toen Pentaoer hem de hand drukte, zeide hij: »Nu is er een einde gekomen aan ons lustig schelden! Het gaat toch zonderling toe met den loop van ’s menschen levenslot! Van nu aan trek ik altijd in den strijd met u aan het kortste einde, want de groote orchestmeester, tot wien gij bidt, heeft de disharmonieën in uw leven werkelijk heel aardig opgelost.”
»Het klinkt waarlijk als deed u dit leed; maar ook voor u zal alles ten beste keeren.”
»Dat betwijfel ik,” antwoordde de arts, »want ik zie nu duidelijk, dat ieder mensch een instrument op zichzelf is, uit goed of slecht hout, bruikbaar of onbruikbaar, reeds voor zijne geboorte zoo gemaakt in een geheimzinnige werkplaats. Zeker iets, ik weet niet hoe ik het noemen zal, speelt er rondom hem, en naarmate dat het instrument gemaakt is, klinkt het goed of kwaad. Gij zijt een windharp. Hoe lieflijk klinkt het, wanneer de adem van het lot u in beweging brengt! Maar ik ben een windwijzer, en tracht altijd juist aan te duiden uit welken hoek de wind waait, maar daarbij knars ik, dat u en anderen de ooren er van zeer doen. Ik ben al tevreden, wanneer het aan dezen of genen schipper gelukken mag, naar mijne aanwijzing het zeil goed te richten. Maar in den grond is mij dit ook onverschillig! Ik wil draaien zonder mij van de wijs te laten brengen; of anderen het opmerken of niet, wat doet het er toe?”
Toen Pentaoer met Bent-Anat en haar gevolg afscheid namen van den jager, wien de koningsdochter rijkelijk met geschenken had overladen, ging de zon reeds ter ruste. De getande kroon van den Sinaï baadde in een gloed, als bestond zij enkel uit robijnen, waarachter een brandend gedeelte van het aardrijk lag te smeulen.
Den volgenden morgen brak men op voor de reis naar het leger des konings. Abocharabos, het Amalekieten-hoofd, begeleidde de karavaan, waartoe nu ook Warda’s vader behoorde. Hij was door de bewoners der oase gevangen genomen, maar op verzoek der prinses in vrijheid gesteld. Bij het eerste halt moest Kaschta vertellen, hoe het hem gelukt was Pentaoer in plaats van naar de steengroeven van Chennoe naar de bergwerken van het Sinaïtisch schiereiland te doen brengen.
»Ik wist,” zoo begon de soldaat op zijne eenvoudige manier, »door Warda, waarheen deze man gebracht moest worden, die zijn leven voor ons, arme schepsels, in de waagschaal had gesteld; en ik zeide tot mijzelven, dat ik hem redden moest. Maar denken is mijne zaak niet, en ik kon nooit plannen maken. Het zou dan ook gekomen zijn tot eene of andere daad van geweld, die waarschijnlijk slecht ware afgeloopen, wanneer een ander mij niet op een denkbeeld had gebracht, nog voordat Warda mij vertelde welk gevaar Pentaoer bedreigde.
»De zaak heeft zich aldus toegedragen. Ik zou de mannen, die veroordeeld waren tot den dwangarbeid in de mafkat-groeven over den Nijl leiden, naar de plaats waar het schip in de Nekropolis zou afvaren. Die arme schelmen mogen hunne betrekkingen aan de haven van Thebe aan de overzijde vaarwel zeggen. Honderdmaal heb ik dat aangezien, maar ik kon er nooit aan wennen, ofschoon men toch anders voor zooveel onverschillig wordt. Dat luid gejammer, dat wild gehuil is nog het ergste niet. De ondervinding heeft mij geleerd, dat zij die het hardst schreeuwen, zich het eerst in hun lot weten te schikken. Maar hen grijpt de ellende het meest aan die er doodsbleek uitzien, wier lippen wit worden, wier kin beeft alsof het vroor, wier droge oogen strak in de ruimte staren. Er was toen ook weer veel naarheid te zien en te hooren. Het meest had ik te doen met een man, dien ik sedert lang kende. Hoeni heet hij, en hij behoorde bij den tempel van Amon, waar hij opzichter was van hen, die den heiligen ram moeten verplegen. Ik had hem dikwijls ontmoet, als ik de arbeiders bewaakte, die de groote zuilenzaal moesten voltooien. Hij was bij iedereen geacht, en vervulde onberispelijk zijn plicht. Doch eens verzuimde hij dien. Het was juist in den nacht, gij zult het u nog herinneren, toen de wolven in den tempel doorbraken en den ram verscheurden en het heilige hart in de borst van den profeet Roeï werd overgebracht. Eén moest er voor boeten, en dit trof den ongelukkigen Hoeni, die voor zijne nalatigheid werd veroordeeld tot dwangarbeid in de mafkat-groeven. Zijne opvolgers zullen nu wel oppassen.
»Er was niemand die Hoeni uitgeleide deed. Toch wist ik dat hij eene vrouw had en vele kinderen. Hij zag zoo bleek als dit doek, en was een dergenen wien de smart het hart verteert. Ik ging naar hem toe, en vroeg waarom de zijnen niet kwamen? Hij had in zijn huis afscheid genomen, gaf hij mij ten antwoord, want zijne kinderen mochten hem niet zien onder moordenaars en falsarissen. Acht onverzorgde schapen waren bij de moeder te huis, en nog kort geleden had een brand al wat zij bezaten vernield. Er was geen kruimel in huis, om zoovele van honger gapende monden te voeden. Dat vertelde hij mij niet zoo geregeld, neen, het eene woord viel hem zoo na het andere uit den mond, gelijk dadels uit een gescheurden zak. Ik moest ze stuk voor stuk oprapen, en toen hij zag dat ik medelijden met hem gevoelde, toen brak hij los en zeide: ‚Mij kunnen ze voor mijn part naar de goudmijnen sturen, of in stukken hakken; maar dat mijne kinderen nu honger moeten lijden, dat.... dat!’ Daarbij sloeg hij zich tegen het voorhoofd. —
»Ik ging heen om Warda vaarwel te zeggen, en op weg tot haar herhaalde ik gedurig: ‚dat, dat!’ Daarbij zag ik den man vóor mij en die acht schapen van kinderen. Als ik rijk was, dacht ik, zou ik dezen helpen! Ik kom bij mijn dochtertje, zij vertelt mij van al het geld, dat de arts Nebsecht haar geschonken had en stelt mij voor Pentaoer te redden. Daar komt ineens de gedachte bij mij op: het geld krijgen de kinderen van Hoeni, en hijzelf laat zich daarvoor naar Ethiopië sleepen. Ik loop naar de haven, spreek met den man, vind hem volgaarne bereid, geef het geld aan de vrouw, en in den nacht bij de inscheping gelukt het mij de verwisseling te doen plaats hebben. Pentaoer kwam bij mij op mijn schip onder den naam van den ander, en Hoeni voer naar het zuiden onder den naam van Pentaoer. Ik had den man niet verzwegen, dat hij niet naar Chennoe, maar naar de goudmijnen zou worden gevoerd. Niets valt zwaarder dan iemand te bedriegen, dien men het gemakkelijkst bedriegen kan. Dat gebeurt dan ook zelden. Men heeft er pleizier in een sluwen of een sterken beet te nemen, maar wie kan een kind of een zieke misleiden? Trouwens, Hoeni zou toen vanzelf in een der vuurpotten van de hel zijn afgedaald, zonder te klagen. Hij heeft dan ook vol goeden moed van mij afscheid genomen.
»Het overige, en hoe wij hierheen gekomen zijn, weet gij zelve. — In Syrië zult gij in dit jaargetijde veel van den regen te lijden hebben. Ik ken het land, want ik heb vandaar vele krijgsgevangenen naar Egypte gebracht. Ik ben daar vijf jaren geweest onder de afdeeling van den grooten Mohar, den vader van den gids Paäker.”
Bent-Anat dankte den braven man. Hierop zetten Pentaoer en Nebsecht zijn verhaal voort.
»Gedurende de vaart,” zeide de arts, »was ik zeer bezorgd voor Pentaoer, want ik zag dat hij innerlijk verkwijnde. Maar in de woestijn kwam hij weder bij, en als wij halt hielden fluisterde hij mij dikwijls schoone liederen in het oor, die hij op marsch had gedicht.”
»Vreemd!” voegde Bent-Anat er bij. »Ook ik heb mij beter gevoeld, sedert ik in de woestijn was.”
»Zeg ons het versje toch eens op van de beytherân-plant”318), verzocht Nebsecht.
»Kent gij dat kruid?” vroeg de dichter aan de prinses. »Het groeit hier op vele plaatsen. — Daar is het! Ruik maar hoe het geurt, wanneer men den vetten stengel op de blaadjes wrijft. Mijn versje is zeer eenvoudig. Het viel mij in, na vele andere liederen, waarvan gij de beste reeds kent.”
»Zij prezen alle dezelfde godin,” zeide Nebsecht lachend.
»Maar uw versje?” vroeg Bent-Anat.
De dichter sprak zacht:
„Vaak zag ik ’t needrig plantje beytherân Rijk bloeiend in het dor woestijnzand staan; Geen vezeltje, geen blad dat zich onthult Of ’t spreidt dien zoeten geur die ’t gansch vervult, Hoe kan in d’armen bodem der woestijn Een plant zoo rijk aan zulke gaven zijn? En hoe ontwaakt het lang ontslapen lied In ’t aaklig oord waar slechts de dood gebiedt?”
»Schrijft gij aan de woestijn niet toe, wat gij aan de liefde verschuldigd zijt?” vroeg Nefert.
»Ik heb beiden te danken. Maar ik moet bekennen, dat de woestijn een uitnemende arts is voor eene kranke ziel. Uit de eindelooze eentonigheid rondom ons, trekken wij ons geheel terug in ons binnenste. De zinnen rusten; ongestoord en zonder inwerking van buiten is het ons hier gegeven elke gedachte tot het laatste uit te spinnen, elk gevoel na te sporen tot in zijne fijnste ontleding. In de steden is ieder altijd maar een deel van een groot geheel, waarvan hij afhankelijk is, waaraan hij geeft en waarvan hij terugontvangt. De eenzame wandelaar door de woestijn is echter geheel aan zichzelven overgelaten. Nagenoeg afgezonderd van elken grooten kring van menschen, moet hij zich met zijn eigen ik tevreden stellen, en daarin zoeken wat inhoud en kleur kan geven aan zijn bestaan. Hier, waar het tegenwoordige bescheiden op den achtergrond treedt, vindt ook de denkende geest, die zich gaarne in het oneindige verliest, geene grenzen.”
»Ja, in de woestijn kan men goed denken,” bevestigde Nebsecht. »Hier is mij duidelijk geworden, wat ik in Egypte slechts vermoedde.”
»En dat is?” vroeg Pentaoer.
»Vooreerst,” antwoordde de arts, »dat ik en wij allen inderdaad niets goeds weten. Vervolgens, dat de ezel de roos wel mag liefhebben, maar de roos niet den ezel. Het derde moet ik voor mij zelven houden, want dat is juist mijn geheim, en ofschoon het ook alle menschen aangaat, niemand bekommert zich daarom. Ceremoniemeester, hoe komt dat toch? Gij weet precies hoe diep de menschen zich naar hun stand voor de prinses te buigen hebben, en gij vermoedt niet hoe zoo’n ruggegraat is samengesteld!”
»Wat zou mij dat ook geven?” antwoordde de andere met eene wedervraag. »Ik heb alleen op het uitwendige te letten, terwijl gij zeker dag en nacht het inwendige beschouwt. Anders zou uw haar wel gladder en uw kleed minder morsig zijn.”
Het reisgezelschap kwam zonder buitengewone wederwaardigheden bij de oude stad der Chetieten, Hebron, nam daar afscheid van Abocharabos en de zijnen, en trok nu verder naar het noorden, onder het zeker geleide van Egyptische troepen.
Hier nam Pentaoer van de prinses afscheid, en Bent-Anat zeide hem zonder eene klacht vaarwel. Warda’s vader, die in den dienst van den ouderen Mohar alle wegen en paden in Syrië nauwkeurig had leeren kennen, begeleidde den dichter, terwijl de arts Nebsecht bij de vrouwen terugbleef. Hun goed gesternte scheen met het vertrek van Pentaoer te zijn ondergegaan, want in het Samaritaansch gebergte vielen hevige regens, die de wegen bijna onbruikbaar maakten, de tenten doornat deden worden en hen dikwijls dwongen tot een minder wenschelijk oponthoud. In Megiddo319) werden zij door den bevelhebber der Egyptische bezetting met hooge eer ontvangen, en zij waren gedwongen hier langer te vertoeven, want Nefert, die met bijzonderen ijver tot spoed had aangedrongen, was ziek geworden, en de arts Nebsecht moest haar verbieden in dit jaargetijde verder te reizen.
Warda werd bleek en stiller. Bent-Anat zag met bezorgdheid van dag tot dag het teeder rood van de wangen van hare schoone lieveling verdwijnen; wanneer zij echter vroeg wat er aan scheelde, kreeg zij een ontwijkend antwoord. Het meisje had geene enkele maal in tegenwoordigheid der prinses Rameri’s naam genoemd, en ook haar kleinood niet getoond. Zij toch meende dat alles wat er tusschen haar en den prins was voorgevallen een geheim was, dat haar niet alleen toebehoorde. Er was ook nog iets anders dat haar den mond sloot. Zij was met hartstochtelijke liefde aan Bent-Anat gehecht, en zij beeldde zich in dat de prinses, als zij haar alles vertelde, haar broeder zou berispen of ten minste om hare neiging lachen zou als over een kinderspel. Als dat eens gebeurde, begreep zij de zuster van Rameri niet langer te kunnen lief hebben.
Reeds bij het eerste grensstation was een bode te paard naar het leger des konings gezonden, met de vraag welken weg de prinses en haar geleide van Megiddo zouden moeten inslaan. Deze keerde nu met een korten en beslissenden, maar teederen brief terug, door den pharao met eigene hand geschreven, waarin hij zijne dochter beval Megiddo, de veilige voorraadschuur van het leger, de goed versterkte plaats, die door een groot garnizoen werd verdedigd en de toegangen tot het noorden en midden van Palestina van de zeezijde beheerschte, niet te verlaten. Meer dan een veldslag, schreef hij, zou er thans moeten geleverd worden, en zij wist dat de Egyptenaars hunne vrouwen en dochters van krijgstochten uitsloten, om haar des te zekerder te bewaren voor den vrede, als het heerlijkst loon na den zege.
Terwijl de vrouwen te Megiddo toefden, trok Pentaoer met Kaschta en eene kleine bereden bende, die de bevelhebber van Hebron hem had medegegeven, verder naar het noorden. Hijzelf zat deftig te paard, hoewel het op deze reis de eerste keer was dat hij er een besteeg. Het was alsof de rijkunst hem was aangeboren. Zoodra hij van de andere ruiters de handgrepen had afgezien, en hij zich vertrouwd had gemaakt met de natuur van het paard, was het zijn hoogste genot een vurig ros te temmen en te berijden. Hij had zijn priesterkleed in Egypte gelaten. Hier droeg hij een wapenrok, een zwaard en een strijdbijl, als een volmaakt krijgsman, en de volle baard, die zich gedurende zijne gevangenschap had ontwikkeld, hing nu neder op zijne borst.
Warda’s vader zag hem dikwijls verwonderd aan en zeide dan: »Men zou haast denken dat de Osiris geworden Mohar, met wien ik meer dan eens langs dezen weg ben getrokken, uit de dooden is opgestaan. Evenals gij zag hij er uit en sprak hij, evenzoo riep hij de manschappen toe, zóo zat hij te paard en hield hij de teugels, als de weg al te slecht was voor zijn wagen”320).
Geen van alle lieden, die Pentaoer onder zijn bevel had, was hem meer dan een huurling, behalve de roodbaard. Daarom reed hij den trein het liefst vooruit, altijd denkende aan hetgeen achter hem lag, zelden aan hetgeen hem wachtte, en in den regel alles, wat zich op den weg aan hem voordeed, met een geopend oog waarnemende.
Weldra had hij den Libanon bereikt. Tusschen dit gebergte en den Antilibanon voert een weg door Coele-Sirië321). Hij verblijdde zich met eigene oogen de met heldere sneeuw bedekte, wijd en zijd in den omtrek schitterende bergtoppen te zien, waarvan de krijgslieden zoo gaarne vertelden. Het land tusschen beide hooge bergketenen was vruchtbaar en rijk gezegend. Ruischende stortbeken en wilde stroomen spoedden zich van beide berghellingen naar het dal. Pentaoer kwam langs dezen weg vele dorpen en steden voorbij, maar de meesten hadden door den krijg geleden. De trekossen der boeren, de kudden der herders waren weggedreven, en wanneer een wijngaardenier, die zijn wijnstok opbond, den naderenden hoefslag vernam, dan vluchtte hij in de bergkloven en bosschen.
Overal vertoonden zich de sporen van ploeg en spade, maar thans lagen de meeste velden braak, want de jongere boeren stonden onder de wapenen. Tuinen en weiden waren door de soldaten vertreden, huizen en hutten uitgeplunderd, vernield of verbrand. Alles droeg de sporen van den verwoestenden krijg, alleen de eiken- en cederwouden verhieven zich trotsch en ongedeerd langs de hellingen der bergen. Men zag er geheele bosschen van platanen en Sint-Jansbrood-boomen, en in de engten en spleten van het weinig ontwikkelde kalkgebergte, dat het vruchtbare laagland begrensde, wies altijd groenend struikgewas.
In dit jaargetijde was er geen gebrek aan water en zag alles er even frisch en saprijk uit. Pentaoer vergeleek dit land daarom met Egypte, en merkte op hoe hier andere krachten werkzaam waren, die dezelfde uitwerkingen hadden. Hij dacht aan den morgen op den Sinaï, en zeide weder tot zichzelven: »Hier werken andere dan onze goden, en de oude meesters hadden geen onrecht, die de vreemdelingen voor goddeloozen scholden, en de oningewijden, voor wie het geheim van den Eenen verborgen bleef, waarschuwden, om toch het vaderland niet te verlaten.”
Hoe meer hij de legerplaats des konings naderde, des te levendiger hield hij zich in zijne verbeelding met Bent-Anat bezig, des te sneller sloeg van tijd tot tijd zijn hart, wanneer hij dacht aan de ure, waarop hij den koning zou ontmoeten. Over het geheel was hij vol blijmoedig vertrouwen, dat hijzelf dwaas moest noemen, maar waartegen hij niet in staat was zich te verzetten.
Ameni had hem dikwijls berispt over zijne al te groote bescheidenheid en zijn gebrek aan eerzucht, wanneer hij zich gaarne bij anderen achterstelde. Dat herinnerde hij zich nu, en hij moest er om lachen. Want hij begreep zichzelven hoe langer hoe minder. Niettegenstaande hij zich honderdmaal herhaalde, dat hij van lage afkomst was, een arme en verbannen priester, toch kon hij de overtuiging maar niet onderdrukken, dat hij zeker recht bezat om Bent-Anat tot zijne vrouw te vragen.
En wanneer nu de koning hem eens zijne dochter weigerde, en hem deze stoutmoedigheid met zijn leven liet betalen? — Maar hij wist dat hij onder den moordbijl geen wenkbrauw zou vertrekken; dat hij zelfs gelukkig zou sterven. Want wat Bent-Anat hem geschonken had, dat bezat hij; dat kon geen god hem ontnemen.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Pentaoer had zich met zijne ruiters enkele malen te verdedigen tegen vijandige bergbewoners, die plotseling uit de wouden te voorschijn kwamen en hen op het lijf vielen. Toen zij nog maar een paar dagreizen van hun doel verwijderd waren, geraakten zij in een bloedigen kamp met eene bende vijandelijke stroopers, die tot eene grootere legerafdeeling scheen te behooren.
Kaschta, die toonde dat hij hoe langer hoe meer met alle wegen bekend was, naarmate men dichter bij Kadesch322) kwam, ging op verkenning uit. Hij keerde niet zonder bezorgdheid terug, daar hij groote scharen van Cheta had gezien op den weg, dien zij moesten doortrekken.
Hoe kwamen die vijanden hier in den rug van de Egyptische hoofdmacht? Zou Ramses een nederlaag hebben geleden? Gisteren hadden zij nog Egyptische soldaten ontmoet, die hun mededeelden, dat de koning in zijn legerplaats was en zich voorbereidde tot een grooten slag. Deze beslissende slag kon toch sedert nog niet geleverd zijn, en geen enkel vluchteling van het Egyptische leger was hun te gemoet gekomen.
»Als wij nog maar twee uren door kunnen rijden, zonder aangevallen te worden,” zeide Warda’s vader, »dan weet ik wel raad. Daar ginds is eene bergkloof, en vandaar uit liep vroeger een pad over hoogten en laagten naar de vlakte van Kadesch. Niemand kende dat pad, behalve de Mohar en zijne meest vertrouwde dienaars. Halverwege ligt een verborgen hol, waarin wij ons menigmaal dagen lang ophielden. De Cheta geloofden, dat mijn heer tooverkracht bezat en zich onzichtbaar kon maken, want wanneer zij op de loer lagen bij onze tochten langs dezen weg, waren wij plotseling verdwenen, zeker niet in de wolken, maar in het hol, dat de Mohar zijn Toeat323) noemde. Ziet gij niet tegen het klimmen op, en wilt gij u getroosten eenige uren het paard aan den teugel achter u te leiden, dan wijs ik u den weg, en kunnen wij morgen avond in het leger zijn.”
Pentaoer liet nu den roodbaard den trein vooruit rijden. Zonder op vijanden te stuiten, kwamen zij aan den kloof tusschen de bergen, waardoor eene diepe beek zich in het dal stortte. Kaschta sprong van zijn paard, en die hem volgden deden desgelijks. Nadat de paarden in het water waren getrokken, wischte hij zorgvuldig het spoor der hoeven uit tot aan den heerweg. Vervolgens ging het een halfuur stijgende tegen het water in. Eindelijk bleef hij voor een dicht oleander-boschje staan, zocht nauwkeurig naar het pad en baande zich gemakkelijk een weg door het geboomte, toen hij het gevonden had. Zij die hem vergezelden en vooral de paarden, die met inspanning moesten klauteren, volgden hem niet zonder moeite.
Zij kwamen vervolgens in een woud van hemelhooge ceders. Nu eens moesten zij tusschen rotsblokken doorworstelen, dan weder bestond het pad enkel uit gladde rolsteenen, die aan de hoeven der paarden geringen weerstand boden. Het ging berg op, berg af. Soms moesten zij door dicht struikgewas heen, of kleine beken over, die door den winterregen zeer gezwollen waren. De weg werd hoe langer hoe moeielijker, want het begon donker te worden. Wolken bedekten den hemel en er vielen zware regendruppels.
»Spoedt u mannen, en blijft dicht bij mij!” zeide Kaschta. »Nog een half uur, en dan zijn wij op het droge, als ik ten minste het pad niet bijster raak.”
Daar viel een paard neer. De ruiter die er bij liep richtte het met moeite op. Het begon harder te regenen, de nacht werd donkerder, en de roodbaard bleef meer dan eens staan, om met de handen het pad te zoeken. Tweemaal meende hij het verloren te hebben, maar hij gaf zich geen rust, voordat hij het oude spoor weder ontdekt had. Eindelijk bleef hij staan en riep Pentaoer bij zich.
»Hier moet het hol zijn,” zeide hij. »Houdt u vlak achter mij. — Het is mogelijk dat wij hier lieden vinden van den gids Paäker. Toen zijn vader leefde, was hier altijd spijsvoorraad en een vuurboor. — Ziet gij mij? Houd u aan mijn kleed vast en buk, tot ik u toeroep dat gij u weder kunt oprichten. Houd ook uw bijl gereed. ’t Zou kunnen zijn dat zich thans Cheta of roofdieren hier genesteld hadden. — Mannen, wacht hier op ons! Zoo aanstonds roepen wij u, om mede binnen te komen.”
Pentaoer drong achter zijn gids door de natte struiken voort, kroop met hem door een lagen gang, en bleef eindelijk met hem op een rotsplateau staan.
»Wees toch voorzichtig,” zeide Kaschta, »houd linksaf; aan de rechterzijde is een diepe afgrond. — Ik riek rook. — De hand aan de bijl! Er moeten menschen in het hol zijn. Wacht een oogenblik! Ik zal ook de manschappen hierheen brengen.”
De roodbaard ging terug, en Pentaoer luisterde in de richting, uit welke de rook tot hem scheen te komen. Hij meende nu eene smalle lichtstreep te bespeuren; duidelijk hoorde hij ook eerst klagen, daarna schelden. Al tastende ging hij een weinig vooruit, terwijl hij zich aan den rotswand hield, die zich aan zijne linkerzijde verhief. Het licht werd al helderder en scheen wel door de spleet van eene deur te komen.
De soldaat was weder bij Pentaoer gekomen. Beiden luisterden en de laatste fluisterde zijn gids in het oor: »Zij spreken Egyptisch; ik heb enkele woorden verstaan.”
»Des te beter,” antwoordde de soldaat. »Paäker of zijne lieden zullen dan daarbinnen zijn. De deur is er nog, maar zij is gesloten. Wanneer men met vier harde en drie zachte slagen aanklopt, zal men opendoen. — Kunt gij wat verstaan?”
»Een smeekt, dat men hem bevrijden zal,” antwoordde Pentaoer, »en scheldt daarbij op een verrader. De ander heeft eene ruwe stem, en zegt dat hij zijn meester gehoorzamen moet. Nu kermt hij, die zooeven sprak, hoort gij wel? Thans bezweert hij den ander bij de ziel zijns vaders, zijn boeien los te maken. Hoe vertwijfelend klinkt zijne stem. — Klop aan, Kaschta, ik geloof dat wij juist ter rechter tijd komen! Klop aan, zeg ik u!”
De roodbaard klopte eerst vier maal en daarna driemaal. Uit het hol klonk een kreet. Men hoorde hoe een zware verroeste grendel werd teruggeschoven. De ruw getimmerde deur ging open, en eene rauwe stem vroeg: »Zijt gij het, Paäker?”
»Neen,” antwoordde de roodbaard. »Ik ben Kaschta. Kent ge mij niet meer, Noebi?”
De man die alzoo werd aangesproken, de ons bekende Ethiopische slaaf van den gids, ging achteruit en vroeg: »Leeft gij nog? Wat brengt gij?”
»Deze man zal het u zeggen,” antwoordde Kaschta, en ging achteruit, om Pentaoer vooruit te laten komen.
De dichter trad op den zwarte toe. Het licht van het vuur, dat in het hol brandde, scheen hem met vollen gloed in het aangezicht. De oude slaaf staarde hem aan, en week onder allerlei teekenen van ontzetting terug. Hij wierp zich ter aarde, huilde luid als een hond, wien zijn booze meester een schop tegen het lijf geeft en riep uit: »Hij heeft het bevolen, geest van den Mohar, hij heeft het bevolen!”
Pentaoer stond als aan den grond genageld, en was niet in staat een woord te spreken. Want van het vuur kroop een jongeling, aan handen en voeten gebonden, naar hem toe, en riep met diep ontzag, maar toch met eene teederheid, die den dichter diep ontroerde: »Red mij, ziel van den Mohar, red mij, vader!”
Toen verhief de dichter zijne stem en zeide: »Ik ben geen geest van den afgestorvene, maar de priester Pentaoer. En ik herken u, jongeling! Gij zijt Horus, Paäkers broeder, die met mij in het Seti-huis werd opgevoed.”
De gevangene naderde hem bevende, zag hem scherp aan en riep: „Wie gij ook zijn moogt, gij gelijkt mijn vader in gedaante en stem. Maak mijne banden los en red mij, want een schrikkelijk, een ongehoord en vloekwaardig verraad bedreigt ons, den koning en allen.”
Pentaoer trok zijn zwaard en sneed de lederen riemen los, waarmede de handen en de voeten van den jongeling waren omwonden.
Wederom vrij ademhalende, en de goden overluid dankende, rekte de verloste zijne bevrijde ledematen, en zeide: »Als gij Egypte liefhebt en den koning zijt toegedaan, volg mij dan. Misschien is het nog tijd het vreeselijk plan te verhinderen, het verraad te verijdelen.”
»De nacht is duister,” zeide de soldaat, »en de weg naar het dal gevaarlijk.”
»Al moest het ons het leven kosten, gij moet mij volgen!” riep de jongeling, greep Pentaoers hand, en nam hem mede naar buiten.
De Ethiopische slaaf trachtte, nu hij overtuigd was dat Pentaoer niet de geest van zijn gestorven meester was, maar de priester van het Seti-huis, dien hij voor de hut van den Paraschiet had zien worstelen, langs Paäkers broeder heen te sluipen. Doch Horus bemerkte het, greep hem in zijn wollig haar en hield hem vast.
De slaaf begon weder luid te huilen en riep klagend: »Als gij ontkomt, zal Paäker mij dooden! Dat heeft hij gezworen.”
»Wacht!” riep de jongeling. Hij sleepte den slaaf met zich voort, wierp hem in het hol terug en sloot de deur met een zwaren balk, die voor dit doel op den grond lag.
Nadat de manschappen den lagen rotsgang weder doorgekropen en buiten gekomen waren, woei een hevige wind hun in het aangezicht. »Zie hoe de wolken jagen,” zeide Horus, »weldra zal een storm ze verstrooien. — Laat nu paarden brengen, Pentaoer, want wij hebben geen oogenblik te verliezen.”
De dichter beval Kaschta, dat hij de manschappen zou doen opbreken, maar deze zeide: »De ruiters zoowel als de paarden zijn uitgeput, en in de duisternis kan men slechts langzaam vooruitkomen. Geef éen uur rust, voor de paarden om gevoerd te worden en voor de mannen om zich wat te versterken en te warmen. Tegen dien tijd gaat ook de maan op, en met frissche beesten halen wij op een helderen weg het verlorene driedubbel in.”
»De man heeft gelijk,” zeide Horus, en voerde Kaschta naar een hol, waarin gerst en dadels voor de paarden, en eenige zakken vol wijn werden bewaard.
Weldra brandde er een helder vuur, en terwijl eenige lieden voor de paarden zorgden en anderen een warm maal kookten, liepen Horus en Pentaoer ongeduldig op en neder.
»Waart gij sedert lang gebonden, toen wij kwamen?” vroeg de dichter.
»Gisteren is mijn broeder mij op het lijf gevallen,” antwoordde Horus. »Hij is ons onbereikbaar ver vooruit. Wanneer hij zich naar de Cheta begeeft, en wij niet vóor het aanbreken van den dag in het Egyptische leger komen, dan is alles verloren.”
»Denkt Paäker werkelijk aan verraad?”
»Aan verraad, zwart verraad!” riep de jongeling. »O mijn Osirische vader.”
»Vertrouw mij,” zeide Pentaoer, bijna op smeekenden toon, terwijl hij den jongeling naderde, die bitter klagende, zijn aangezicht met de handen bedekte. »Wat voert Paäker toch in het schild? Hoe is uw broeder uw vijand geworden?”
»Hij is de oudste van ons beiden,” zeide Horus met bevende stem. »Toen onze vader stierf, was ik eerst sedert kort uit het Seti-huis ontslagen. Met zijne laatste woorden vermaande hij mij dat ik Paäker als hoofd van ons huis zou eerbiedigen. Hij is heerschzuchtig en ruw. Hij kan niet dulden dat een ander een wil heeft, die van den zijnen verschilt. Ik verdroeg alles en was hem gehoorzaam, dikwijls tegen mijne betere overtuiging. Twee jaren bleef ik bij hem; toen ging ik naar Thebe en nam daar eene vrouw, die nu met mijn kind bij mijne moeder woont. Voor zestien maanden ben ik naar Syrië teruggekeerd, en wij trokken weder te zamen door het land. Maar nu kon ik niet langer een gedwee werktuig zijn van mijn broeder, want ik was trotscher geworden. De vader van mijn kind, dacht ik, mag geen knecht zijn, ook niet van zijn broeder. Wij doorleefden te zamen kwade uren. Maar het leven werd mij bijna ondragelijk, toen Paäker, na geruimen tijd in Thebe te hebben doorgebracht, voor acht weken terugkeerde, prikkelbaarder en wilder dan ooit te voren. Hij werd te meer verbitterd, toen de koning hem te kennen gaf, dat mijne berichten hem beter bevielen dan de zijne. Van mijne kindsheid ben ik teergevoelig geweest. Zij zeiden allen dat ik mijne moeder geleek. Maar wat Paäker mij lijden liet met woord en daad, dat is... dat vermag...”
De stem begaf den spreker, en Pentaoer gevoelde hoe diep hij leed, toen hij voortging: »Wat mijn broeder in Egypte overkomen is, weet ik niet. Hij is zeer gesloten en schijnt, noch onder vreugde, noch onder smart, behoefte aan deelneming te gevoelen. Maar uit los daarheen geworpen woorden, kwam ik te weten, dat hij niet slechts den wagenmenner Mena, die hem onrecht gedaan moet hebben, doodelijk haat, maar dat hij ook verbolgen is op den koning. Ik meende hem te moeten waarschuwen, doch maar eens; want als men hem weerstreeft, kent zijn toorn geen grenzen. En hij is toch mijn oudste broeder.
»Sedert eenige dagen wordt in het leger een beslissende slag voorbereid, en wij werden gelast de sterkte en de positie van het vijandelijke leger te verkennen. De koning had mij, niet hem opgedragen het bericht op te stellen. Gisteren vroeg was ik met mijn rapport en de teekening gereed. Toen zeide mijn broeder, dat hij een en ander naar het leger zou brengen, terwijl ik hier moest wachten. Ik weigerde dit, daar de koning niet van hem maar van mij het rapport had verlangd. Hierop begon hij te razen als een waanzinnige, wierp mij voor de voeten, dat ik mij zijne afwezigheid ten nutte had gemaakt, om mij in des konings gunst te dringen, en eischte gehoorzaamheid als hoofd van onzen stam en in naam van onzen vader.
»Ik zat besluiteloos neder, toen hij het hol verliet om de paarden op te halen. Daar viel mijn oog op eenige zaken, die de oude Ethiopiër van mijn vader bij elkander bond, om er het lastpaard mede te beladen. Er was eene schriftrol bij, die ik voor de mijne hield. Ik zag haar in, maar — wat moest ik vinden! Met levensgevaar had ik tot het midden in de legerplaats der Cheta weten door te sluipen en bevonden, dat zij de kern van hun leger samentrokken in een door bergen gedekt dwarsdal van den Orontes, ten noord-oosten van Kadesch; doch in de rol stond, met Paäker’s eigene hand geschreven, dat dit dal vrij was, en de weg er door heen breed en zeer geschikt voor ’s konings strijdwagens. Ook andere opgaven waren vervalscht, en toen ik verder zijne zaken doorsnuffelde, vond ik tusschen pijlen in zijn koker, waarop de woorden ‚Dood aan Mena!’ te lezen stonden, een ander rolletje. Ik grijp het er uit en ik verstijfde, toen ik zag aan wien het gericht was.”
»Aan den koning der Cheta?” vroeg Pentaoer ontroerd.
»Aan den overste van zijne dienaars, Titoere”324), ging Horus voort. »Beide rollen hield ik in mijne hand, toen Paäker het hol weder binnenkwam. Verrader! riep ik hem toe. Doch hij wierp mij snel en handig den strik, waarmede hij de paarden had opgevangen, om den hals, en toen ik half verwurgd ineenzeeg, bond hij mij met hulp van den zwarte, die hem gehoorzaamt als een hond. Hij liet den slaaf achter om mij te bewaken, stak de rollen bij zich en vlood heen. — Maar zie, daar vertoonen zich de sterren en weldra zal de maan opgaan.”
»Op, mannen!” riep Pentaoer. »De drie beste paarden voor Horus, mij en Kaschta! Gij overigen blijft hier achter!”
Toen de roodbaard de rossen voorbracht, kwam de maan juist achter de wolken te voorschijn, en een uur later bereikte het drietal de vlakte. Hier sprongen zij op hunne rossen en joegen in gestrekten galop naar het meer van Kadesch, dat zij bij het opgaan der zon reeds in de verte grauwachtig zagen schemeren. Al nader en nader komende, bemerkten zij aan den boomloozen westelijken oever zwarte massa’s, die zich heen en weer bewogen. Stofwolken verhieven zich en bliksemende lichtstralen schoten op, alsof een spiegel het zonneschijnsel weerkaatste.
»De slag heeft reeds een aanvang genomen,” riep Horus, en wierp zich hijgend over den hals van zijn paard.
»Maar alles is nog niet verloren,” zeide de dichter, en zette zijn paard aan, opdat het dier zijne uiterste krachten mocht inspannen. De andere twee volgden hem, maar eerst zeeg Kaschta’s paard van vermoeienis neer, daarna ook dat van Horus.
»Van den linkervleugel kan nog redding komen,” riep Paäker’s broeder. »Ik weet waar die te vinden is en loop er te voet heen. Gij zult den koning gemakkelijk vinden, wanneer gij den stroom volgt tot aan de steenen brug. In het dwarsdal, duizend schreden verder, ten noordwesten van de vesting, zal het leger uit hinderlagen overvallen worden. Tracht er door te komen en Ramses te waarschuwen. Het wachtwoord der Egyptenaars is de naam van Ramses’ lievelingsdochter, Bent-Anat. Maar al hadt gij ook adelaarswieken en kwaamt gij nog ter rechter tijd bij hem, zij zullen hem toch overweldigen, wanneer het niet gelukt met den linkervleugel den vijand in den rug te vallen.”
Pentaoer joeg weder voort, maar eerlang bezweek ook zijn paard. Toen begon hij uit al zijn macht te loopen, steeds het wachtwoord ‚Bent-Anat’ roepende, waarvan het geluid zijne kracht scheen te verdubbelen, tot hem een vijandelijke bode te paard tegenkwam. Hij sloeg den man er af, sprong in zijne plaats op het paard en vloog naar de kampplaats, alsof hij ter bruiloft ging.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Terwijl onze vrienden dit nachtelijk avontuur hadden, was alles in de koninklijke legerplaats druk in de weer. Vóor zonsopgang zouden de troepen opmarcheeren tot den veldslag, die reeds zoo lang was voorbereid.
Paäker had den koning met eigene hand zijn verkenningsrapport overhandigd. Nadat er krijgsraad was gehouden, werd aan elke troepenafdeeling voorgeschreven, in welke richting zij het eerst moest optrekken.
Het korps, dat den naam droeg van den zonnegod Ra, rukte uit het zuiden op over Schabatoen325), ten einde de oostzijde van het meer om te trekken en den vijand in de flank te vallen. Het korps van Seth, waartoe de soldaten uit Neder-Egypte behoorden, was uit Arnam aangekomen en zou het centrum uitmaken. De koning zelf was voornemens met de keurbende der wagenstrijders het dal te volgen, dat zich met de Orontes-vlakte vereenigde en, volgens de opgave van den gids, breed en goed te berijden was. Terwijl de troepen den vijand bezighielden, kon hij den Orontes op eene doorwaadbare plaats overschrijden, en de vesting Kadesch aan de noordwest-zijde van achteren aanvallen. Het korps van Amon, met de Ethiopische hulptroepen, zou hem dan als achterhoede volgen langs een anderen weg, die volgens de verraderlijke opgaven van den Mohar zich met zijne operatie-linie verbond. Het korps van Ptah eindelijk hield zich als reserve bij den linkervleugel.
De soldaten hadden zich niet als gewoonlijk te slapen gelegd. Wachtpatrouilles van zwaar gewapenden, met een schild van halvemans-hoogte in de eene, een slagzwaard of een spits dolkzwaard in de andere hand, bewaakten het leger326), waar, om talrijke vuren, de rustende krijgers in kringen gezeten waren. Hier ging de wijnzak van mond tot mond; dáar braadde men vleesch aan houten spitten; elders werd reeds het lot geworpen over den nog te behalen buit, of mora gespeeld. Daarbij ging het levendig toe, en de legerwachten moesten gedurig soldaten, die ernstig handgemeen raakten, uit elkander halen.
In de nabijheid van de omheiningen, waarbinnen de paarden stonden, waren de smeden bezig, want er moesten nog hoeven beslagen en lanspunten gescherpt worden. Ook de dienstknechten van de wagenstrijders hadden nog volop werk. Want vele strijdwagens waren over de bergen gekomen; men had ze uit elkander moeten nemen en in stukken op de ruggen der paarden en ezels moeten laden327). Thans zette men de lichte voertuigen weder in elkaar en smeerde de raderen.
In het oostelijke gedeelte van het legerkamp waren, in de nabijheid van een baldechijn, waaronder de standaarden bewaard werden, talrijke priesters werkzaam. Zij zegenden de krijgers, slachtten offers en zongen hymnen. Vaak werden hunne vrome liederen echter overstemd door het luid gejoel van spelers en drinkers, door den hamerslag of het hevig gebalk der ezelhengsten en het gehinnik der paarden. Somwijlen liet zich ook het luid gebrul hooren van de getemde leeuwen des konings328), die hem in den slag altijd volgden en heden niet gevoederd werden, om hunne woede te prikkelen.
Midden in het leger stonden de tenten van den pharao, omgeven door die van de garden en wagenstrijders. De hulptroepen van elk volk waren bij elkander gelegerd en tusschen hen lag telkens een legioen zwaar gewapende Egyptische soldaten en boogschutters. Hier zag men zwarte Ethiopiërs met hunne verwarde haren, waaruit enkele vederen opstaken. Daar waren de schoon en regelmatig gebouwde »zonen des zands”, uit de Arabische woestijn, die Egypte van de Schelfzee scheidde, bezig krijgsdansen uit te voeren, de heupen krampachtig schuddende en hunne lansen zwaaiende. Ginds lagen de blanke Sarders met hunne metalen helmen en groote zwaarden. Elders kon men de helderkleurige Libyërs opmerken, kenbaar bovendien door hunne getatoeëerde armen en de struisvederen op den schedel; alsmede spitsbaardige bruine Arabieren, allen bij hunne paarden, strijdende deels met lansen, deels met pijl en boog, thans biddende tot de sterrengeesten. Even verschillend als deze hulptroepen er uitwendig uitzagen, was ook de klank hunner taal, doch allen gehoorzaamden het commando van Ramses.
Betrad men het terrein waar de koninklijke tenten waren opgeslagen, dan kon men in het midden een licht gebouwd tempeltje zien, met de beelden van de goden van Thebe en die van ’s vorsten voorvaderen. Men kon thans reeds van buiten den wierookgeur opvangen, want alle priesters waren verplicht, aan den avond vóor een veldslag totdat hij beslist was, te offeren aan Amon, den koning der goden, aan de overwinning-gevende godin van het zuiden Necheb, en aan den krijgsgod Menth. Naast de tent waar de pharao sliep, stond het afgesloten perk zijner leeuwen. Vóor de tent waarin de krijgsraad vergaderde, waren hooge masten met vanen opgericht. Binnen de wijde ruimte van deze laatste was het nu stil, maar des te levendiger ging het toe in de keukententen en de daarmede verbondene wijnmagazijnen.
De tent die de groote, langwerpig rechthoekige oppervlakte bedekte, waar Ramses gewoonlijk met de zijnen spijsde, was boven alle andere thans helder verlicht. Zij was van alle zijden omgeven door bontkleurige lampen. Sardische, Libysche en Egyptische lijfwachten bewaakten de ingangen met uitgetogen zwaarden, en schenen zóo doordrongen te zijn van het gewicht hunner taak, dat zij zelfs geen acht gaven op de schotels en kannen, die de dienaars van den pharao, uitsluitend zonen van de voornaamste familiën, voor de deuren van de tent in ontvangst namen van keuken- en magazijnbeambten. Het schuine dak en de wanden van deze pronkzaal, die in korten tijd moest kunnen opgebouwd en afgebroken worden, bestond uit sterk en ondoordringbaar purperkleurig tapijtwerk, dat te Memphis geweven en door Phoeniciërs in Tanis geverfd was. Kunstenaars van Saïs hadden in deze kostbare stof ontelbare malen met zilverdraad de gier van Necheb, het symbool der overwinning, gestikt. Het cederhout der pijlers waarop de tent rustte, was met goud beslagen, en de koorden, die het lichte bouwwerk aan den grond bevestigden, waren uit dun zilverdraad en zijde gevlochten329).
In deze tent nu waren meer dan honderd mannen gezeten aan een nachtelijken maaltijd. Zij hadden aan vier tafels plaats genomen. Aan drie van deze zaten, op lichte tabouretten, de aanvoerders van het leger, de voornaamste priesters en de koninklijke raadslieden. Aan de ver van de andere verwijderde vierde tafel merkte men de koninklijke prinsen op. De pharao zelf zat aan eene afzonderlijke, van die zijner zonen afgescheiden hoogere tafel, op een troon, die rustte op de vergulde beelden van geboeide Aziaten. Tafel en troon stonden op eene kleine verhevenheid, die met pantherhuiden was belegd, doch Ramses zou, ook zonder haar, boven allen ver hebben uitgestoken. Men kon hem goed zien, want het was in deze zaal, door de overvloedige verlichting, daghelder. De pharao was een man van reusachtige gestalte. Dat indrukwekkend gelaat met dien zwaren baard; dat hooge voorhoofd, bedekt met den diadeem, in het midden waarvan de koppen van twee Uraeus-slangen, dragen de kronen van Opper- en Neder-Egypte, te voorschijn kwamen, deden terstond in hem den gebieder herkennen. Een breede halsband van edelgesteenten bedekte halverwege zijne borst, terwijl de andere helft was bekleed met een draagband in den vorm van eene sjerp. De naakte beneden- en bovenarmen waren met gouden ringen getooid. De regelmatige lichaamsvormen van dezen man waren als uit metaal gegoten, waartoe de koperkleurige gladde huid, die over zijn sterk gezwollen spieren was gespannen, niet weinig bijdroeg.
Thans was hij onder de zijnen gezeten, en met rechtmatigen vaderlijken trots zag hij op zijne bloeiende zonen neder. Hij was als een leeuw in rust, maar ook zóo was hij een leeuw gelijk, en iets buitengewoons mocht men van hem verwachten, wanneer hij zou opstaan, en de reuzenhand, die nu het brood verdeelde, zich tot een vuist zou ballen. Er was aan dezen man niets kleins, maar toch ook niets wat schrik wekte, want al straalde uit zijn oog de glans van den heerscher, zoo getuigden zijne woorden toch van bijzondere goedheid. Die zware uit zijn breede borst wellende stem, die boven het slaggewoel kon worden gehoord, beschikte ook over weeke en hartveroverende tonen. Dank zij zijne opvoeding, was hij, onder het volle bewustzijn van zijne macht en grootheid, in den vollen zin des woords een mensch gebleven, want geene aandoening van het menschelijk hart was hem vreemd.
Achter den koning stond een jong man, deze reikte hem den beker toe, dien hij aan zijne lippen bracht, het edele vocht met welgevallen proevende. Het was Mena, de wagenmenner en vriend des konings. De gestalte van dezen edelman was slank en toch krachtig, buigzaam en toch rustig. Zijn schoon besneden gelaat, met die vrijmoedig rondziende oogen, toonde dat hij zelfbewustzijn aan goedhartigheid paarde. Deze man mocht minder beteekenen in eene raadsvergadering, waar het gold bedachtzaam te overleggen, des te hooger waarde had hij als een beminnenswaardig, dapper en trouw strijdgenoot.
Onder de prinsen zat Chamoes330) het dichtst bij den koning. Hij was van allen de oudste en eerst onlangs bekleed geworden met de waardigheid van opperpriester van Memphis. De kroeskop Rameri, die op weg naar het leger gevangen was geraakt, maar voor een losgeld was vrijgekocht, had, als een der jongste prinsen, naast zijn broeder Mernephtah aan het benedeneinde van de tafel plaats genomen.
»Hoe dreigend klinkt alles wat gijlieden vertelt!” zeide de koning. »Elk van u, aanklagers, spreekt de waarheid, maar uwe liefde voor mij benevelt uwe oogen. Wat Rameri mij verhaalt, wat Bent-Anat mij schrijft, wat de opzichter van Mena’s stoeterij mij omtrent Ani bericht, en wat mij nu en dan uit Egypte wordt overgebracht, houd niets in, wat mij verontrusten kan. Ik ken onzen neef en weet, dat hij het zich op den geleenden troon zoo gemakkelijk maken zal als maar mogelijk is; doch als wij terugkeeren, zal hij zich weder op een smalleren zetel weten te schikken. Voor groote ontwerpen en koene daden is hij de man niet, maar hij is zeer bruikbaar om uit te voeren, wat door anderen wordt vastgesteld en gereed gemaakt, en daarom koos ik hem tot mijn plaatsvervanger.”
»Doch Ameni,” liet Chamoes zich hooren, terwijl hij eerbiedig voor zijn vader boog, »schijnt zijne eerzucht te hebben doen ontvlammen, en hem met raad te steunen. De leider van het Seti-huis is een stout en wijs man, en de helft der priesterschap staat achter hem.”
»Ik weet het,” antwoordde de koning. »Die heeren zijn boos op mij, omdat ik hunne onderhoorigen, die hunne akkers bebouwen, onder de wapenen riep. ’t Is inderdaad kostelijk volk, dat ze mij gezonden hebben! Met den eersten pijl vliegt hun moed reeds weg! Zij zullen morgen de legerplaats bewaken; daarvoor zullen zij goed zijn, ten minste wanneer men hun aan het verstand brengt dat, als zij zich de tenten laten ontnemen, ook het brood, het vleesch en de wijnzakken in de handen der vijanden vallen. Als Kadesch stormerderhand wordt ingenomen, dan zullen de tempels aan den Nijl het beste deel van den buit hebben, en gijzelf, mijn jonge opperpriester van Memphis, gij zult uwe stadgenooten kunnen toonen, dat Ramses genegen is, wat hij de dienaars der godheid met schepels ontneemt, met mudden weder te geven.”
»Ameni’s ontevredenheid,” hernam Chamoes, »heeft nog een dieper grond. Uw groote geest zoekt en vindt zijn eigen weg.....”
»Die heeren echter,” ging Ramses, hem in de rede vallende, voort, »zijn gewoon ook den koning te leiden, en ik, ik wijs hen niet terug. Ik voer heerschappij in de plaats van den hoogsten god, maar ik ben geen god, al bewijzen zij mij ook als zoodanig eere. Met een deemoedig hart wil ik gaarne mijn verkeer met de hemelsche goden, en ook dat van mijn volk aan hunne tusschenkomst overdragen. Maar de menschelijke belangen bestuur ik naar mijne eigene inzichten. — En nu niet verder over dit onderwerp! Het stuit mij tegen de borst aan vrienden te twijfelen, en ik gevoel zoo groote behoefte aan, ik stel zooveel prijs op vertrouwen, dat ik het mij laat welgevallen, wanneer ik daardoor ook eene enkele maal bedrogen word!”
De koning wenkte en ledigde den gouden beker, dien Mena hem overhandigde. Een oogenblik zag hij op de blinkende bokaal; toen hief hij de oogen weer op, waarin nu strenge ernst was te lezen, en zeide: »En ook al bedrogen ze mij, en lokten tien Ameni’s en Ani’s mijn land in den strik — ik keer terug, en met mijn voetzool treed ik het gewormt in het zand!”
Terwijl hij deze laatste woorden uitsprak, had zijne zware stem geklonken als die van een heraut, die eene groote daad verkondigt. Geene lippen, geene hand zelfs bewoog zich in de wijde ruimte, toen hij zweeg. Ramses hief nu den beker omhoog, en riep luide en vroolijk: »Vóor den slag betaamt het ons het hart te verheffen. Roemrijke daden hebben wij volbracht. Ver verwijderde volken hebben onze hand gevoeld. Aan hunne stroomen richtten wij zegeteekenen op, en in hunne rotsen griffelden wij den roem onzer daden331). Hij die over u gebied voert, is grooter dan alle koningen; hij is het door de goden en door u, zijne dappere medestrijders. Moge de slag van morgen ons nieuwen roem doen oogsten, en de hemelsche goden weldra dezen krijg doen eindigen! Ledigt dan met mij een beker op de overwinning en onzen blijden roemrijken terugkeer in het vaderland!”
»Zege! zege! Leve bloeie den pharao, kracht en heil!” riepen juichend alle gasten van Ramses, die, terwijl hij de trappen van zijn troon afdaalde, den aanwezigen toeriep: »Rust nu, tot de Isis-ster ondergaat. Volg mij dan in het gebed bij het altaar van Amon, daarna in den slag.”
Het gejuich verhief zich opnieuw, terwijl Ramses aan elk zijner zonen met een opwekkend woord de hand reikte. De beide jongsten, Mernephtah en Rameri, gebood hij hem te volgen. Hij verliet daarop met hen en Mena de eetzaal en begaf zich, voorafgegaan van garden en hofbeambten, die staven met gouden leliën en struisvederen in de handen droegen, naar zijn slaaptent, die door een keurbende, onder aanvoering van een zijner zonen, bewaakt werd.
Eer hij die tent binnenging, liet hij zich eenige stukken vleesch geven, waarmede hij eigenhandig zijne leeuwen voederde, die zich als tamme katers door hem lieten streelen. Daarna wierp hij een blik in den stal, klopte zijne lievelingsrossen op hunne edele halzen, streek ze over de glimmende schenkels en bepaalde, dat »Noera” en »In Thebe de zege”332) hem morgen in den slag zouden voeren. Toen hij in zijn slaapvertrek gekomen was, beval hij de hovelingen hem te verlaten. Daarop wenkte hij Mena, liet zich door dezen zijne sieraden en wapenen afnemen, en riep eindelijk zijne jongste zonen bij zich, die eerbiedig en met eenige bezorgdheid aan de deur der tent stonden te wachten.
»Waarom gebood ik u mij te volgen?” vroeg Ramses ernstig.
Beiden zwegen. Daarop herhaalde hij zijne vraag.
»Omdat gij hebt opgemerkt,” antwoordde Rameri nu, »dat het tusschen ons beiden niet in alle opzichten is gelijk het wezen moest.”
»En omdat ik wensch,” viel de koning hem in de rede, »dat er onder mijne kinderen eensgezindheid zij. Vijanden zult gij morgen genoeg kunnen bevechten, maar vrienden vindt men zelden en verliest men maar al te dikwijls in den slag. Wie van ons valt mag niet boos zijn op den ander, maar moet hem vol liefde aan gene zijde des grafs kunnen wachten. Spreek Rameri wat heeft u beiden verdeeld?”
»Ik ben niet langer op hem vertoornd,” antwoordde de aangesprokene. »Gij hebt mij onlangs dat zwaard geschonken, hetwelk dáar in Mernephtah’s gordel steekt, omdat ik bij den laatsten uitval der Cheta mijn plicht heb gedaan. Gij weet, wij slapen beiden in dezelfde tent, en toen ik gisteren mijn zwaard uit de scheede trok, om mij in de beschouwing van den schoonen kling te verheugen, toen bevond ik dat een vreemd, minder scherp zwaard in de scheede stak.”
»Ik had mijn wapen uit scherts met het zijne verwisseld,” sprak nu Mernephtah. »Maar hij wil van geen gekheid weten en zeide, dat ik mij voortaan wel met dat onverdiend eere-geschenk kon blijven tooien, dat hij trachten zou in den kamp een nieuw te verdienen en, en dan....”
»Ik weet genoeg,” zeide de koning. »Gij hebt beiden verkeerd gehandeld. Ook al schertsend, Mernephtah, moogt gij elkander niet bedriegen. Ik heb het maar eens gedaan, en hoe dat afliep, wil ik u tot waarschuwing vertellen.
»Mijne voortreffelijke zalige moeder Toeaä bad mij, toen ik voor het eerst naar het land der Fenchoe333) trok, dat ik haar een steen zou medebrengen van de kust bij Byblos, waar het lijk van Osiris aanspoelde334). Ongelukkig vergat ik dit geheel en al. Toen wij Thebe weder binnentrokken, viel mij het verzoek mijner moeder weder in. Jong en onbedachtzaam, gelijk ik toen was, nam ik een steen van den weg op, stak dien bij mij, en toen zij mij om het aandenken van Byblos vroeg, gaf ik haar zwijgend den steen uit Thebe. Zij was er bijzonder mede in haar schik, toonde het kleinood aan al hare broeders en zusters, en legde het bij de beelden onzer voorvaderen. Schaamte en berouw kwelden mij echter, en eindelijk nam ik heimelijk den steen weder weg en wierp dien in het water. Alle dienaars werden saamgeroepen om streng onderzoek te doen naar den dief van dit voorwerp. Toen kon ik het eindelijk niet langer uithouden en bekende alles. Niemand heeft mij gestraft, en toch ben ik nooit zwaarder getuchtigd. Sedert dien tijd veroorloofde ik mij zelfs niet al schertsend iets anders dan de waarheid te zeggen. Neem deze les ter harte, Mernephtah, die uw vader heeft ontvangen.
»Wat u aangaat, Rameri, laat u het zwaard teruggeven. Geloof mij, er komen in het leven zooveel groote dingen voor, die onzen toorn wekken, dat men reeds vroeg moet leeren, zich zonder ontstemd te worden over de kleinigheden heen te zetten, als men geen knorrig en ontevreden schepsel wil worden gelijk de gids Paäker. En gij, wilde waaghals, schijnt mij daarvoor allerminst aanleg te hebben. Geeft elkaar nu de handen!”
De prinsen traden op elkander toe. Rameri viel zijn broeder echter om den hals en kuste hem.
De koning streelde beiden de haren en zeide: »Gaat nu rusten en laat ieder uwer zich morgen een nieuw eergeschenk trachten te verwerven!”
Toen zijne zonen de tent verlaten hadden, wendde Ramses zich tot zijn wagenmenner en zeide: »Ook met u heb ik voor den strijd nog een woord te spreken. Ik zie u door de oogen in de ziel, en geloof dat het daar niet richtig is, sedert de overste uwer stoeterij hierheen kwam. Wat is er toch in Thebe geschied?”
Mena zag den koning aan met een open oog, waarin echter eene smartelijke uitdrukking lag, en zeide: »Mijne schoonmoeder Katoeti bestuurt mijn erfgoed zeer slecht; zij verpandt de akkers en verkoopt het vee.”
»Dat is te vergoeden,” zeide Ramses vriendelijk. »Gij weet dat ik u nog de vervulling van een wensch schuldig ben, wanneer Nefert u zoo zeker vertrouwt als gij meent. Het komt mij echter voor, dat het met haar niet zoo is als het wezen moest, want ik heb u nog nooit bezorgd gezien over geld en goed. — Spreek vrij uit; gij weet ik wil een vader voor u zijn. Vrij en onbeneveld moeten hart en oogen zijn van den man, die in den slag mijne paarden ment.”
Mena kuste het gewaad van den pharao en zeide: »Nefert heeft Katoeti’s huis verlaten en is, gelijk gij weet, uwe dochter Bent-Anat naar den heiligen berg Sinaï en naar Megiddo gevolgd.”
»Ik dacht,” antwoordde Ramses, »dat zij eene goede ruiling had gedaan. Ik laat Bent-Anat voor Bent-Anat zorgen, want zij heeft geen ander noodig die over haar waakt. En uwe vrouw kan geene betere vinden om haar te beschermen, dan juist mijne dochter.”
»Zeker kan zij dit niet!” riep Mena in volle oprechtheid. »Doch eer zij op reis ging, zijn er ergerlijke dingen gebeurd. Gij weet dat zij, voordat gij hare hand voor mij hebt gevraagd, bestemd was voor haar neef den Mohar Paäker. Deze nu ging, gedurende zijn oponthoud in Thebe, in mijn huis uit en in. Hij heeft Katoeti met eene ontzaglijke som bijgestaan, ten einde de schulden van mijn lichtvaardigen zwager te betalen, en heeft gelijk de overste der stoeterij met eigen oogen gezien heeft, Nefert bloemen geschonken.”
De koning glimlachte, legde zijne hand op den schouder van zijn wagenmenner en zeide, terwijl hij hem recht in het gelaat zag: »Uwe vrouw zou u vertrouwen, niettegenstaande gij eene vreemde vrouw in uwe tent hebt genomen, en gij meent Nefert te mogen verdenken, omdat haar neef haar bloemen schonk! Is dat verstandig en rechtvaardig? Ik geloof dat gij ijverzuchtig zijt op den onbevalligen, breedgeschouderden man, dien een nijdige demon in het nest van den edelen gestorven Mohar schijnt te hebben gelegd.”
»IJverzuchtig ben ik niet,” antwoordde Mena, »en geen twijfel aan Nefert verontrust mijne ziel. Maar mij kwelt, en pijnigt, en beleedigt reeds de gedachte alleen, dat juist die Paäker, die mij tegenstaat als eene giftige spin, haar geschenken geeft en haar aanziet en dat in mijn eigen huis!”
»Wie vertrouwen verlangt, moet ook vertrouwen schenken!” zeide de koning. »Moet ik het ook niet voor lief nemen, wanneer ellendige sukkels mij en de mijnen met lofliederen prijzen? Komaan, strijk dadelijk de plooien op uw voorhoofd glad, en denk aan de naderende overwinning en den terugkeer naar het vaderland. Vergeet daarbij niet, dat gij Paäker minder te vergeven hebt, dan hij u. Ga nu naar de paarden, en stap morgen op mijn wagen, met vroolijken moed, zooals ik u het liefst zie.”
Mena verliet de tent en ging naar den vorstelijken paardenstal. Daar trof hij Rameri aan, die hem wachtte. De levendige jongeling bekende den wagenmenner, dat hij hem liefhad en eerde, als een schitterend voorbeeld, dat hij wilde navolgen. Maar hij begon te twijfelen aan zijne huwelijkstrouw, want hij had nu eerst gehoord, dat Mena eene vreemde vrouw in zijne tent had genomen, niettegenstaande hij verbonden was aan de schoonste en beminnenswaardigste vrouw in Thebe. »Ik heb,” zoo besloot hij, »met haar als een broeder omgegaan en weet dat zij het besterven zou, indien zij hoorde, dat gij haar zoo diep beleedigt. Ja, beleedigt, want zulk eene openbare trouwbreuk onteert de vrouw van een Egyptenaar! Vergeef mij mijne openhartigheid maar wie weet wat de dag van morgen brengt, en ik zou niet met slechte gedachten van u ten strijde willen trekken!”
Mena liet Rameri uitspreken, zonder hem in de rede te vallen en antwoordde: »Gij spreekt rond en open als uw vader, en hebt zeker ook van hem geleerd den aangeklaagde te hooren, alvorens hem te veroordeelen. Eene vreemde vrouw, de dochter van den koning der Danaërs335), slaapt op mijne legerstede, maar ik houd sedert maanden mijn nachtverblijf bij de deur van uws vaders tent, en heb mijne eigene niet meer betreden, sedert het meisje daarin huist. Zet u een oogenblik bij mij neer, en laat ik u vertellen, hoe dat gekomen is!”
»Wij hadden het leger voor Kadesch opgeslagen, en er was weinig voor mij te doen, want Ramses lag nog lijdende aan zijne wonden. Dikwijls zocht ik eenig tijdverdrijf met te jagen aan de oevers van het meer. Eens ging ik, als gewoonlijk slechts met pijl en boog gewapend en vergezeld van mijne hazewinden336), naar de vlakte en vervolgde onbezorgd een haas. Daar werd ik onverwachts door een bende Danaërs overvallen, die mij met strikken bonden en in hunne legerplaats voerden. Ik werd als verspieder voor hunne rechters gebracht. Reeds was het oordeel over mij geveld en een strop om mijn hals gelegd, toen hun koning daar langs kwam, en mij ziende mij nogmaals in het verhoor nam. Ik vertelde hem geheel naar waarheid, dat ik op de dierenjacht zijnde, zonder eenige vijandige bedoeling te hebben, in de handen der zijnen was gevallen. Hij geloofde mij, schonk mij niet alleen het leven, maar ook de vrijheid. Hij had in mij den edelman herkend, behandelde mij ook als zoodanig en liet mij aan zijne eigene tafel spijzigen. Toen hij mij liet vertrekken, deed ik stilzwijgend de gelofte, dat ik hem deze grootmoedige daad zou vergelden.
»Een maand later gelukte het ons, de legerplaats der met de Cheta verbondene volken te overrompelen, en Lybische soldaten roofden uit de tent van den koning der Danaërs, benevens andere schatten, ook zijne dochter. Ik had mij dapper gedragen, en toen het tot de verdeeling van den buit kwam, vergunde de koning mij het eerst te kiezen. Dadelijk legde ik de hand op de dochter van mijn redder en gastvriend, en voerde haar naar mijne tent, waar ik haar ongedeerd met hare dienstmaagden laat leven om haar bij het sluiten van den vrede aan haren vader terug te geven.”
»Vergeef mij!” riep Rameri, en reikte den wagenmenner de hand. »Nu begrijp ik eerst, waarom de koning mij zoo met nadruk vroeg, of Nefert aan uwe trouw gelooft!”
»En wat hebt gij hem ten antwoord gegeven?” vroeg Mena.
»Dat zij dag en nacht aan u denkt, en geen oogenblik aan u twijfelt. Dat scheen ook mijn vader groot genoegen te doen, en hij zeide tot Chamoes: ‚Dan heeft hij het gewonnen’!”
»Hij wil mij eene groote gunst bewijzen,” zeide Mena, om het antwoord van Ramses op te helderen, »wanneer zij, na vernomen te hebben dat ik eene vreemde vrouw in mijne tent opnam, mij toch nog vertrouwt. De koning houdt dit schier voor onmogelijk, maar ik weet dat ik het winnen zal. Zij moet op mij vertrouwen!”
NEGENDE HOOFDSTUK.
Vóor den aanvang van den slag337) waren bij elke troepenafdeeling gebeden uitgesproken en offers geslacht. Men had heilige godenbeelden in feestbarken voorbij de gelederen gedragen, en aan de soldaten wonderdoende reliquieën getoond. Herauten verkondigden, dat de opperpriesters bij de groote offers des konings gunstige voorteekenen had gevonden, en de Horoscopen hoop hadden gegeven op eene schitterende overwinning.
Ieder Egyptisch legioen zag met bijzonder vertrouwen op naar de standaarden met het beeld van een of ander heilig dier, of het symbool van de provincie, waaruit het afkomstig was. Doch ook ieder soldaat afzonderlijk voorzag zich van voorbehoedmiddelen en amuletten van allerlei aard. Deze droeg eene spreuk, die hulp kon verleenen, in een zakje verborgen om den hals of aan den arm, gene weder heilaanbrengende mystische oogen, en de meesten scarabeën aan hunne vingerringen. Velen achten zich het best beschermd door de haren of de vederen van een heilig dier, en niet weinigen lieten zich vrijwaren voor alle onheil door eene levende slang of kever, die zij zorgvuldig in het taschje van hun schortkleed of in hun spijszak verborgen.
Toen de koning, voor wien de beelden van den godentrias van Thebe, Amon, Mat en Choensoe, van den krijgsgod Menth en van de godin der overwinning Necheb, werden gedragen, de troepen monsterde, was hij gezeten in een draagstoel, die op de schouders van vier-en-twintig aanzienlijke jongelingen rustte. Zoodra hij naderde viel het gansche leger op de knieën en stond niet op voordat Ramses, na van den draagstoel te zijn afgedaald, voor aller oogen aan de goden een rook- en drankoffer had gebracht, en zijn zoon Chamoes, de opperpriester van Memphis, hem in naam der hemelsche goden de symbolen van leven en macht had overhandigd. Eindelijk zongen de priesterkoren lofliederen op den zonnegod Ra, en zijn zoon en vertegenwoordiger op aarde, den koning.
Toen de troepen opbraken, werd de hemel, die weinige uren te voren door zware wolken was bedekt, weder helder, en vertoonde zich het reeds verbleekend licht der sterren. Dit verschijnsel aan het firmament werd als een gunstig voorteeken beschouwd, en de priesters verkondigden het leger, dat evenals de naderende Ra de wolken voor zich uitdreef, zoo ook de koning zijne vijanden zou verstrooien.
De voetknechten trokken in de voorgeschrevene orde den vijand tegemoet, zonder trommelslag of trompetgeschal, ten einde de Aziaten niet te wekken. De wagenstrijders reden in lange rijen af, elk op een lichten tweeradigen, met twee paarden bespannen wagen. Ramses stelde zich aan het hoofd van dezen. Aan beide zijden van het vergulde voertuig dat hem droeg, zag men een schitterend met edelgesteenten bezet foudraal voor pijlen en bogen, Zijne schoone paarden waren rijk getuigd. Halzen en ruggen waren gedekt door purperen, met turkooizen bestikte schrabrakken, en op hunne hoofden was een sieraad geplaatst, dat veel op een kroon geleek, en waarvan eene menigte witte struisvederen nederwaaiden. Aan het einde van den ebbenhouten disselboom waren kleine, van kussens voorziene jukken aangebracht, die op de nekken der paarden rustten. Als spelend met hun lichten last, huppelden de glimmende slanke dieren voor den wagen. Zij trappelden op den grond met hunne kleine stevige hoeven, en bewogen hunne sierlijk gebogene zwanenhalzen met fierheid op en neer.
Achter zijn heer, die met de kroon van Opper- en Neder-Egypte was getooid, en een pantserrok338) droeg, waarover de breede purperkleurige draagband rondom zijne lenden was geslagen, stond Mena. Hij hield met de linkerhand de paarden strak in toom. Zijne rechterhand leunde op het schild, waarmede hij in den strijd zijn gebieder moest beschutten. Gelijk een door stormen nog vaster gewortelde eik, naast welken een slanke esch opwascht, zoo stond de pharao daar naast zijn wagenmenner.
De oostelijke horizont begon zich te kleuren met roodachtige tinten, toen zij de omheining van de legerplaats verlieten. Daar ter plaatse reed de gids Paäker den koning te gemoet, wierp zich vóor hem neder en kuste den bodem. Op de vraag van Ramses, waarom hij zonder zijn broeder kwam, gaf hij ten antwoord, dat deze plotseling ziek was geworden. De morgenschemering was oorzaak, dat de koning niet kon opmerken, hoe de wangen van den verrader, die niet gewoon was te liegen, nu eens rood en dan weder vaalbleek werden.
»Hoe staat het met den vijand?” vroeg Ramses.
»Hij weet,” antwoordde Paäker, »dat het weldra tot een slag zal komen, en trekt zijne tallooze volken in de legerplaatsen ten zuiden en ten oosten van de stad bijeen. Gelukt het u Kadesch van de noordzijde van achter aan te vallen, terwijl het voetvolk het leger der Aziaten van de zuidzijde aangrijpt, dan zal de vesting nog heden in uwe handen zijn. De bergengte, die gij moet doortrekken, om niet ontdekt te worden, is niet slecht.”
»Zijt gij ziek als uw broeder?” vroeg de koning, »Uw stem beeft.”
»Ik ben gezonder dan ooit,” antwoordde de Mohar.
»Wijs ons den weg!” beval Ramses.
Paäker gehoorzaamde. Zwijgend reden zij met een gevolg van tallooze wagenstrijders in de frissche morgenkoelte over de bedauwde vlakte, en zoo het gebergte in. Het met bogen en zwaarden gewapende korps van Ra marcheerde in de voorhoede en opende den weg. Nadat zij de smalle en drooge bedding van een stroom waren doorgetrokken, zagen zij voor zich een breed dal, dat links en rechts door bergen was ingesloten.
»De weg is goed,” zeide Ramses, terwijl hij zich tot Mena richtte. »De Mohar heeft van zijn vader geleerd zijn ambt goed te vervullen. Hij heeft ook voortreffelijke paarden. Nu eens wijst hij de gidsen van onze voorhoede den weg, dan weder is hij in onze nabijheid.”
»Het zijn geelvossen uit mijne stoeterij,” zeide Mena, en de aderen op zijn voorhoofd zwollen. »De opzichter zeide, dat Katoeti ze hem voor zijn vertrek heeft gezonden. Zij moeten voor Nefert’s wagen loopen, en heden ment hij ze om mij te trotseeren.”
»De vrouw is de uwe, laat hem de paarden,” antwoordde de koning goedig.
Opeens werd de morgenstilte gestoord door het geluid van bazuinen. Men zag niet uit welke richting het kwam, en toch klonk het niet uit de verte.
Ramses richtte zich op in al zijne lengte, en haalde de strijdbijl uit zijn gordel. De rossen staken de ooren op en Mena zeide: »Dat waren trompetten der Cheta; ik ken den toon.”
Achter het voertuig van Ramses reed een gesloten vierwielige wagen, waarin de koninklijke leeuwen naar het tooneel van den strijd werden gevoerd.
»De leeuwen los!” riep de koning, zoodra hij het krijgsgeschreeuw hoorde aanheffen, en spoedig daarop zag hij zijne door vijandelijke wagens doorbrokene voorhoede, het dal weder in en hem tegemoet vluchten. De roofdieren schudden woest de manen en sprongen brullend naast den wagen van hun meester. Mena zwaaide de zweep; de paarden steigerden en galoppeerden nu moedig tegen de vluchtenden, die door geen woorden tot stilstaan waren te brengen, en de hen vervolgende vijanden in.
»Waar is Paäker?” vroeg Ramses.
Doch de gids was verdwenen, als had de aarde hem plotseling met zijn wagen verslonden.
De vluchtende Egyptenaars en de vijandelijke wagenstrijders, die dood en verderf in hunne gelederen verspreiden, kwamen al nader en nader. De grond dreunde; de hoefslag der paarden en het ratelen der wielen klonk luider en luider, als het rollen van een snel opkomend onweder.
Nu verhief Ramses zijn stem en liet een oorlogskreet hooren, die als bazuingeschal door de rotsen ter linker- en rechterzijde werd herhaald. Zijne wagenstrijders stemden in met dien kreet. De vluchtenden kwamen nu een oogenblik tot staan, maar om terstond daarop met verdubbele snelheid een goed heenkomen te zoeken. Want onverwachts hoorde men ook het krijgsgeschreeuw en de trompetten van den vijand achter den koning. Uit een dwarsdal, waarop Ramses geen acht had geslagen, en waarin Paäker verdwenen was, stormden onafzienbare drommen wagenstrijders te voorschijn, die voordat de koning het beletten kon, de rijen der hem volgende strijders doorbraken, en hem van zijne hoofdmacht afsneden.
Ramses hoorde achter zich het geweldig gedruisch van den aangevangen strijd; vóor zich zag hij de zijnen vluchten en vallen, en den vijand, die met klimmende woede en steeds talrijker op hem aanstormde. Hij overzag het gansche gevaar en rekte zijne kolossale leden, als wilde hij beproeven, of zij opgewassen waren tegen een niet minder sterken tegenstander. Andermaal verhief hij zijne stem, doch nu zoo krachtig, dat zij het geschreeuw en gesteun der soldaten, het commando der aanvoerders, het gehinnik der paarden, het gekraak der wagens die verbrijzeld werden, het dof geluid van de door lansen en zwaarden getroffen schilden en helmen, kortom het oorverdoovend geraas van den slag luide overstemde. Hij hief den boog op en doorboorde met zijn eersten pijl een opperhoofd der Cheta.
Nu sprongen zijne leeuwen vooruit, en brachten verwarring onder de vijandelijke scharen, die hem van voren bedreigden. Want vele paarden der Cheta keerden zich op het gebrul der woedende roofdieren dadelijk om, wierpen de wagens omver en verhinderden het voortdringen hunner strijdgenooten.
Ramses schoot den eenen pijl na den anderen af, en Mena beschutte hem met het schild, wanneer een vijandelijk schot op hem werd gericht.