← Table of contents
Warda

DERDE BOEK.

Hendrik Cornelis Rogge translation

EERSTE HOOFDSTUK.

Drie dagen waren sedert het vertrek van den Mohar verloopen. Hoewel het nog vroeg was, bleek men toch in de werkzalen van Bent-Anat reeds druk in de weer te zijn. De beide vriendinnen hadden den stormachtigen nacht, die volgde op den feestavond, slapeloos doorgebracht. Wat toch hadden zij niet doorleefd! Nefert gevoelde zich den volgenden morgen afgemat en slaperig. Zij had de prinses verzocht, haar dien dag nog niet in haren nieuwen werkkring in te leiden. De dochter van Ramses had haar echter opwekkend toegesproken, zeggende dat men het goede nooit van heden tot morgen moest uitstellen, en Nefert bewogen haar te volgen naar de plaatsen, waar de verschillende werkzaamheden werden verricht.

»Wij moeten beiden tot andere gedachten komen,” zeide zij. »Nu en dan overvalt mij onwillekeurig eene rilling, en is het mij als droeg ik een brandmerk, als ware ik onteerd door eene vuile vlek hier aan den schouder, waar de ruwe hand van Paäker mij heeft aangeraakt.”

Den eersten werkdag had Nefert nog veel met zichzelve te strijden, doch den tweeden vond zij reeds eenige aantrekkelijkheid in dezen arbeid, en den derden dag mocht zij zich verheugen over de kleine vruchten van hare inspanning. Bent-Anat had haar dan ook recht op haar plaats gezet, toen zij haar het toezicht opdroeg over een groot aantal kleine meisjes en vrouwen, de dochters, de echtgenooten en de weduwen van mannen uit Thebe, die nog in het leger streden of reeds gevallen waren. Deze hielden zich bezig met het uitzoeken en schikken van genezende kruiden. Hare helpsters zaten in kleine kringen op den grond neergehurkt. In het midden van elke groep lag eene groote hoop versch geplukte en gedroogde planten, en vóor elke arbeidster zag men een groot aantal pakjes met de uitgezochte wortels, bladeren en bloemen. Een oude heelkundige was belast met de geheele leiding van dezen arbeid, en had Nefert den eersten dag bekend gemaakt met de verschillende planten, die men noodig had.

De vrouw van Mena, die zooveel van bloemen hield, had alles spoedig begrepen. Zij leerde gaarne, want zij had de kinderen lief. Weldra had zij zich onder die kleinen enkele lievelingen uitgezocht. Het duurde niet lang, of zij wist de ijverige en zorgvuldige arbeidsters te onderkennen van de trage, of die haar taak vluchtig volbrachten.

»Ei, ei,” zeide zij, terwijl zij zich voorover boog tot een klein halfnaakt meisje, met groote ovale oogen. »Gij werpt alles maar door elkaar! Je vader is immers in het leger, zooals ge mij gezegd hebt? Denk eens, zou het niet erg treurig zijn, wanneer men, zoo een pijl hem trof, dit kruid op zijne brandende wond legde, dat hem kwaad zou doen, in plaats van dat andere, dat hem genezen kan?”

Het meisje knikte met het hoofdje, en keek wat ze uitgezocht had nog eens na.

Nefert ging nu weder naar eene andere kleine, die zat te luieren. »Daar zit je nu weer te babbelen en niets te doen,” zeide zij, »en toch staat je vader in ’t veld! Als hij nu eens ziek is en geene geneesmiddelen heeft, en wanneer hij dan in den nacht, van zijn dochtertje droomende, je zóo ziet zitten, dan zegt hij zeker tot zichzelven: Nu zou ik gezond kunnen zijn, maar mijn kind heeft mij niet meer lief, want zij legt liever de handen in den schoot, dan dat zij voor haar zieken vader geneesmiddelen klaar maakt.”

Daarna richtte Nefert zich tot een grooteren kring van meisjes, die kruiden zaten uit te zoeken, en sprak: »Weet gij wel, kinderen, waar al deze vriendelijke en gezegende kruiden vandaan komen? De goede Horus was ten krijg getogen tegen Seth, den moordenaar van zijn vader, en in het gevecht sloeg de woedende vijand, Horus een oog uit266). Maar de zoon van Osiris overwon, want het goede is altijd machtiger dan het kwade. Toen Isis echter het arme gewonde oog zag, toen drukte zij het hoofd van haar zoon aan hare borst267). Het was haar zoo wee om ’t hart als eene ongelukkige menschelijke moeder, die haar lijdend kind in de armen houdt, en zij dacht: ‚Hoe gemakkelijk is het toch wonden te slaan, en hoe moeilijk valt het ze te heelen!’ Bij deze woorden weende zij. De eene traan voor, de andere na viel op de aarde, en overal waar deze in den bodem drongen, daar wies zulk een gezegend kruidje op”268).

»Isis is zeer goed,” riep nu een meisje, dat tegenover haar zat. »Moeder zegt altijd, dat Isis de kinderen ook liefheeft, wanneer zij goed oppassen.”

»Uwe moeder heeft gelijk,” antwoordde Nefert. »Isis heeft ook zelve haar lieve Horus-kindje. En ieder mensch die sterft, wordt, als hij braaf heeft geleefd, weder een kind, en de godin neemt hem tot zich, alsof hij haar eigen kind was, en legt hem aan hare borst en verpleegt hem met hare zuster Nephtys269), tot hij groot zal zijn en voor zijn vader strijden kan.”

Nefert had opgemerkt, dat onder deze woorden eene vrouw was begonnen te weenen. Zij ging tot haar om te vragen wat haar deerde, en kwam te weten dat haar man en haar zoon, de eerste in Syrië, de laatste op zijn terugreis naar Egypte, gestorven waren.

»Arme vrouw en moeder!” zeide Nefert. »Nu moogt gij wel dubbel uw best doen, opdat de wonden der anderen geheeld worden! Ik wil u nog iets anders van Isis vertellen. Zij had haar gemaal Osiris zeer liefgehad, zooals gij uw gestorven echtgenoot, en ik mijn Mena. Maar hij was gevallen als een offer van de listen van Seth. Zij kon niet eens het lijk vinden van den man, die haar op zoo wreede wijze was ontroofd, en gij kunt uw echtgenoot ten minste nog bij zijn graf bezoeken. Toen trok Isis klagende het land door, en ach, wat was er van Egypte geworden, het schoone land, dat al zijne vruchtbaarheid aan Osiris te danken heeft! De heilige Nijl lag droog, en geen grashalm groende er aan zijne oevers. De goede godin gevoelde hierover eene onuitsprekelijke smart. Zij weende een traan in het bed van den vloed en terstond begonnen de wateren weer te zwellen. Want gij weet toch wel dat elke overstrooming ontstaat door een traan van Isis270). Zoo werd de smart eener weduwe tot zegen voor vele millioenen geslachten.”

De vrouw had opmerkzaam naar haar geluisterd, en zeide, toen Nefert zweeg: »Maar ik heb nu ook de drie bloedjes van kinderen, die mijn zoon naliet, te onderhouden. Want zijne vrouw, eene waschvrouw, is helaas bij het verrichten van haar werk door een krokodil overvallen. Lieden van onze soort moeten in de eerste plaats voor zichzelven en niet voor anderen zorgen. Als de prinses ons niet betaalde, hoe kon ik dan aan de wonden der krijgslieden denken, die mij niets aangaan? Ik ben ook niet sterk meer en heb vier monden te voeden.”

Nefert gevoelde eene huivering, gelijk meermalen bij deze hare nieuwe werkzaamheid, en verzocht Bent-Anat het loon van deze vrouw te verhoogen.

»Gaarne,” zeide de prinses, »Wat zou ik eene helpster als gij zijt kunnen weigeren! Kom thans eens mede in mijne keuken. Ik laat vruchten inpakken voor mijn vader en broeders. Daar mag nu toch ook wel een kistje voor Mena bij.”

Nefert volgde hare vorstelijke vriendin, en zag hoe men juist in eene kist goudgele dadels van de oase van Amon271) en in eene andere donkere van Nubië, de lievelingssoorten van den koning, had gelegd.

»Laat mij dat pakken!” riep Nefert, beval de dienstmaagd, die er mede bezig was, de kistjes weder te ledigen, en legde nu de dadels van verschillende kleuren, benevens eenige andere in suiker gekookte vruchten, in sierlijke figuren bijeen.

Bent-Anat zag dit met welgevallen, reikte haar toen zij gereed was de hand en zeide: »Wat uwe vingers maar aanroeren, dat krijgt dadelijk een vriendelijk aanzien. Geef me dat stuk papyrus! Ik zal het in dit kistje leggen en er op schrijven: Dit heeft de vlijtige medehelpster van zijne dochter Bent-Anat, de vrouw van Mena, voor koning Ramses ingepakt.”

Na de rust van den middag werd de prinses weggeroepen, en Nefert bleef nog eenige uren met hare arbeidsters alleen. Toen de zon onderging en de vlijtige schare wilde opbreken, hield Nefert de vrouwen en meisjes nog terug en zeide: »De zonneschuit verdwijnt ginds achter de westelijke bergen. Komt, laat ons te zamen bidden voor den koning en onze geliefden in ’t veld. Ieder denke aan de zijnen, gij kinderen aan uwe vaders, gij vrouwen aan uwe zonen, en wij echtgenooten aan onze mannen, die verre van ons zijn. Wij bidden Amon, dat zij zoo zeker tot ons mogen wederkomen, als de zon, die thans van ons scheidt, maar morgen vroeg zich opnieuw zal vertoonen.”

Nefert knielde neder, en met haar de kinderen en vrouwen.

Toen zij weder opstonden, liep een klein meisje naar de vrouw van Mena en zeide schuchter, terwijl zij haar kleedje frommelde: »Gij hebt ons ook gisteren hier laten knielen, en stellig zal het ook heden met mijne moeder wat beter gaan, nu ik voor haar gebeden heb.”

»O zeker,” zeide Nefert, en zij streelde de zwarte haren van het kind.

Zij vond Bent-Anat op het balkon, peinzend starende over den stroom naar de doodenstad, die al meer en meer in duisternis werd gehuld. Toen zij de zachte schreden harer vriendin achter zich hoorde, schrikte zij een oogenblik.

»Ik stoor u zeker,” zeide Nefert, en trad terug.

»Neen blijf,” smeekte Bent-Anat. »Ik dank de goden dat ik u heb, want het is mij zoo wee, zoo akelig wee om ’t hart.”

»Ik weet waaraan gij dacht,” sprak Nefert zacht.

»Welnu?” vroeg de prinses.

»Aan Pentaoer.”

»Ik denk aan hem en altijd aan hem,” antwoordde de prinses, »en toch is er nog iets anders wat mijn gemoed beweegt. Ik ben mij zelve niet meer. Wat ik denk moest ik niet denken, wat ik gevoel niet gevoelen, en toch kan ik het niet van mij zetten. Ik geloof dat mijn hart zou doodbloeden, wanneer ik het er met geweld uit wilde verwijderen. Vreemd, ja onbetamelijk heb ik gehandeld, en nu hangt mij iets boven het hoofd, dat mijne schouders bijna niet kunnen dragen, iets buitengewoons, dat u misschien weder van mijne zijde wegneemt en naar uwe moeder terugvoert.”

»Alles wil ik met u deelen,” riep Nefert. »Maar wat verlangt men dan van u? Zijt gij dan de dochter van Ramses niet meer?”

»Als eene burgervrouw heb ik mij aan het volk vertoond,” antwoordde Bent-Anat, »en nu heb ik de gevolgen van deze daad te dragen. Bek-en-Choensoe, de opperpriester van Amon, was zooeven bij mij, en ik heb mij lang met hem onderhouden. De eerwaardige man is mij welgezind, dat weet ik, en mijn vader heeft mij geboden zijn raad boven dien van alle anderen te volgen. Hij bracht mij onder het oog, dat ik zwaar misdreven had. Terwijl ik nog in den staat der onreinheid verkeerde, heb ik een tempel in de Nekropolis betreden, en nadat ik mij reeds eens had gewaagd op het erf van een Paraschiet, en mij daarover de berisping van Ameni op den hals gehaald, deed ik het toch andermaal. Zij weten aan de overzijde alles, wat ons daar bejegend is! Nu moet ik mij laten reinigen, óf door Ameni zelven in het Seti-huis, in tegenwoordigheid van alle priesters en rijksgrooten, met buitengewone plechtigheid, óf door eene bedevaart te ondernemen tot de Smaragden-Hathor272), onder welker bescherming men de edelgesteenten uit de rotsen houwt, en het erts vindt, dat door smelting wordt gelouterd. De godin, die het echte van het onechte scheidt, zal, zoo zeggen zij, de onreinheid van mij nemen, gelijk zij het edel metaal van de slakken zuivert. Eene dagreize of iets verder van de steengroeven vloeit van den heiligen berg des Heeren, den Sinaï273), zooals de Mentoe274) hem noemen, eene diepe beek275), en daarbij verheft zich het heiligdom der godin, waarin de priesters reiniging verleenen. De tocht is lang; de weg leidt door de woestijn en over de zee; maar Bek-en-Choensoe raadt mij, dat ik het wagen zal. Ameni, zegt hij, is mij niet gunstig gezind, omdat ik de inzettingen overtreed, die hij boven alles in eere gehouden wil hebben. Hij meent, dat ik het mij moet laten welgevallen, zoo deze met dubbele gestrengheid handelt, want het volk ziet allereerst naar hen op die het hoogste staan, en wanneer ik de inzettingen ongestraft minacht, zoo zal ik onder de menigte navolgers vinden. Hij handelt in naam der goden, die de harten der menschen meten met gelijke maat. De el behoort aan de godin der waarheid276). Ik gevoel wel dat dit alles niet onjuist is, en toch kan ik mij moeilijk schikken naar de uitspraak van den opperpriester, omdat ik de dochter van Ramses ben!”

»Dat zijt gij,” sprak Nefert, »en uw vader is een god!”

»Maar,” ging de prinses voort, »hij heeft mij ook altijd geleerd de inzettingen te eeren. Ook heb ik met Bek-en-Choensoe nog wat anders besproken. Gij weet dat ik de hand van den stadhouder afwees. Hij zal in stilte boos op mij zijn. Dat nu zou mij geen schrik aanjagen, maar hij is door mijn vader als voogd over mij aangesteld; hij is mijn beschermer. Kan ik hem dan nog vertrouwelijk raad en hulp vragen? Neen! Ik ben toch maar eene vrouw en bovendien de dochter van Ramses. Eer trek ik door duizend woestijnen, eer dat ik mijn vader en zijn kind laat vernederen. Tot morgen zal ik mij beraden, doch ik ben reeds nu besloten de reis te aanvaarden, wat het mij ook zal kosten zooveel hier te verlaten. — Vrees niets, lieve, gij zijt te teeder voor zulk een verren tocht; ik zou....”

»Neen, neen,” riep Nefert, »ik trek met u, al ging de reis ook tot aan de vier zuilen des hemels aan de uiteinden der aarde277). Gij hebt een nieuw leven in mij gewekt, en wat thans in mijn binnenste zoo frisch ontkiemt, zou weder verdorren, als ik tot mijne moeder terugkeerde. Of zij, óf ik moet meesteres zijn in onze woning. Alleen met Mena wil ik haar weder betreden!”

»Zoo is dan besloten, ik vertrek!” zeide de prinses. »O ware mijn vader maar niet zoo ver; kon ik hem maar raad vragen en zijne stem hooren!”

»Ja, die krijg, die eeuwigdurende krijg!” zuchtte Nefert. »Waarom stellen de mannen zich toch nooit tevreden met hetgeen zij hebben, en verkiezen zij een ijdelen roem boven den stillen vrede, die het leven siert!”

»Zouden zij dan mannen zijn? Zouden wij hen kunnen liefhebben, indien zij anders waren?” vroeg Bent-Anat levendig. »Scheppen de goden ook in den strijd geen behagen? Hebt gij ooit een verhevener beeld gezien, dan dat van Pentaoer, toen hij dien onbehouwen paal hoog door de lucht slingerde, en zijn leven waagde om de bedreigde onschuld te beschermen?”

»Ik waagde maar even een blik in den hof te slaan,” antwoordde Nefert, »want ik maakte mij zoo angstig. Maar zijn luid geroep klinkt mij nog in de ooren.”

»Zoo klinkt ook het krijgsgeschreeuw der helden in den slag, die de vijanden doet beven!” zeide Bent-Anat.

»Ja zeker, zoo klinkt het!” riep prins Rameri, die zonder door de vrouwen opgemerkt te zijn, het halfdonkere vertrek van zijne zuster was binnengetreden.

De prinses keerde zich naar haar broeder om, zeggende: »Wat doet ge mij daar schrikken!”

»U?” vroeg de prins verwonderd.

»Ja mij. Vroeger was ik kloek van hart, maar sedert dien avond beef ik telkens, en overvalt mij gedurig een pijnlijke angst, ik weet zelve niet waarvoor. Ik geloof dat een demon mij beheerscht.”

»Gij heerscht, waar gij u vertoont, en gij wordt door niets beheerscht,” zeide Rameri. »De ontsteltenis, en het verdriet dat gij in het dal hebt geleden, en daarna aan de landingstrap, dat alles zit u nog in de leden. Ook ik begin te knarsetanden, als ik eraan denk, hoe zij mij uit de school hebben gebannen, en hoe die Paäker zijn hond tegen mij aanhitste. Ik heb heden vrij wat ondervonden.”

»Waar zijt gij toch zoolang geweest?” vroeg Bent-Anat. »Neef Ani had toch bevolen, dat gij het paleis niet mocht verlaten.”

»Ik zal in de volgende maand mijn achttiende jaar intreden,” antwoordde de prins, »en heb geen voogd meer noodig!”

»Maar onze vader....” wilde Bent-Anat hem vermanen.

»Onze vader,” viel Rameri haar in de reden, »kent den stadhouder slecht. Doch ik zal hem schrijven, al wat ik heden onder het volk heb hooren vertellen. Men zegt dat zij Ani op het feest van het dal zoo goed als gehuldigd hebben, en de een vertelt den ander openlijk, dat het den stadhouder om de kroon te doen is, en dat hij voornemens is den koning van den troon te stooten. — Gij hebt gelijk, dat is onzinnig, maar er moet toch wel iets van waar zijn.”

Nefert verbleekte. Bent-Anat vroeg eenige nadere bijzonderheden, waarop de prins vertelde wat hij vernomen had, om dan lachend uit te roepen: »Ani zou mijn vader doen vallen! Dat is zooveel alsof ik de Isis-ster van den hemel wilde losrukken, om daarmede de lampen te ontsteken, die hier nog altijd ontbreken!”

»Ik vind het vertrouwelijker in donker te zitten,” zeide Nefert.

»Neen, laat het licht komen,” zeide Bent-Anat. »Men kan beter spreken, wanneer men hen tot wie men spreekt in de oogen kan zien. — Wat die dwaze volkspraatjes betreft, ik geloof er niet aan. Maar gij hebt gelijk, wij moeten er onzen vader kennis van geven.”

»In de doodenstad hoorde ik de dolzinnigste zwetserij,” zeide Rameri.

»Hebt gij u dan aan de overzijde gewaagd? Hoe verkeerd hebt gij gedaan!”

»Ik had mij weder een weinig verkleed, en heb heel veel goeds te vertellen. Het gaat met de lieve Warda veel beter. Zij heeft uwe geschenken ontvangen, en woont weder in haar eigen huis. Naast de afgebrande stond een vervallen hut, die haar vader, een soldaat met een grooten baard, die evenveel op haar gelijkt als een egel op een witte duif, met eenige gezellen in een oogenblik weder in orde heeft gebracht. Ik bood haar aan met de andere meisjes in het paleis voor u te werken, tegen hoog loon. Maar zij wilde niet, want zij moet hare zieke grootmoeder verplegen. Ook is zij trotsch en wil niemand dienen.”

»Het komt mij voor, dat gij lang bij die onreine hebt vertoefd,” zeide Bent-Anat verwijtend. »Ik had gedacht, dat hetgeen mij is wedervaren, u tot eene waarschuwing geweest zou zijn.”

»Ik wil niet beter zijn dan gij!” hernam de prins. »Bovendien is de Paraschiet dood, en Warda’s vader is een eerlijk soldaat die niemand verontreinigt. Voorts hield ik mij op een afstand van de oude vrouw. Morgen steek ik weder over; dat heb ik haar beloofd.”

»Aan wie?” vroeg Bent-Anat.

»Aan wie anders dan aan Warda! Zij houdt veel van bloemen, en na de roos, die gij haar hebt geschonken, heeft zij er geene meer gezien. Ik heb den hovenier reeds bevolen, dat hij mij tegen morgen een korf vol rozen moet snijden, die ikzelf haar brengen zal.”

»Dat zult gij niet doen!” riep Bent-Anat. »Gij zijt nog half een kind, en al ware dit niet zoo, ook om den wil van het meisje zult gij het laten.”

»Wij zitten samen alleen wat te keuvelen,” zeide de prins terwijl hij bloosde, »en niemand zal mij herkennen. Ja, als gij het volstrekt verlangt dan zal ik niet met dien korf vol rozen oversteken, maar alleen ga ik toch tot haar. — Neen, zuster, dat laat ik mij niet verbieden! Zij is zoo bekoorlijk, zoo blank, zoo teeder, en haar stemmetje klinkt zoo zacht en lieflijk! En zij heeft voetjes, ja, hoe zal ik het zeggen, zoo klein en sierlijk als Neferts hand! Wij hebben het meest gesproken over Pentaoer. Zij kent zijn vader, die hovenier is, en weet zeer veel van hem. Denk eens aan, zij zegt dat Pentaoer geen kind van zijne ouders is maar een goede geest, die op aarde is gekomen, misschien wel eene godheid. In het begin was zij zeer schuchter, maar toen ik over Pentaoer begon, werd zij spraakzaam. Zij vereert hem bijna afgodisch, en dat juist heeft mij geërgerd.”

»Gij zoudt zeker liever willen, dat zij u zoo vereerde?” zeide Nefert lachende.

»Volstrekt niet!” hernam Rameri. »Maar ik heb haar mede gered en het doet mij zoo goed als ik bij haar zit. Morgen, dat heb ik stellig voorgenomen, steek ikzelf haar eene bloem in het haar. Dat is wel rood, maar zoo zwaar als het uwe, Bent-Anat, en het moet verrukkelijk zijn het met de hand te mogen aanraken en streelen!”

De vrouwen zagen elkander aan met een blik, waaruit duidelijk bleek dat zij elkander verstonden. De prinses zeide dan ook op beslissenden toon: »Gij gaat morgen niet naar de doodenstad, mijn pleegzoon.”

»Dat zullen wij eens zien, mijn pleegmoedertje!”

Dit zeide hij schertsend. Doch hierna werd hij ernstig en vervolgde: »Ik heb ook mijn schoolvriend Anana gesproken. In het Seti-huis heerscht thans de ongerechtigheid! Pentaoer zit in de gevangenis en gisteren avond hebben zij gericht over hem gehouden. Onze neef Ani was ook daarbij, en heeft den dichter heftig aangevallen. Ameni moet hem in zijne bescherming hebben genomen. Welk besluit er eindelijk gevallen is, konden de kweekelingen niet te weten komen, maar het moet wel iets heel bedenkelijks zijn geweest, want de zoon van den schatmeester hoorde, hoe Ameni na de zitting tot den ouden Gagaboe zeide; ‚Straf verdient hij, maar ik laat zijn ondergang niet toe!’ Met deze woorden kon hij niemand anders bedoelen dan Pentaoer. Morgen ga ik weder naar de overzijde, en zal nog wel meer te weten komen, misschien wel iets verschrikkelijks, denk ik. Op zijn minst zal hij voor vele jaren worden gevangen gezet.”

Bent-Anat was doodsbleek geworden. »Wat zij hem aandoen,” riep zij uit, »lijdt hij om mijnentwil! O gij almachtige goden, helpt hem, helpt mij en weest mij genadig!”

Zij sloeg de handen voor het aangezicht en verliet het vertrek.

»Wat mag mijne zuster toch wel overkomen zijn,” vroeg Rameri aan Nefert; »zij komt mij zoo vreemd voor, en ook gij zijt anders dan gewoonlijk!”

»Wij beiden hebben ons in zekeren nieuwen toestand te verplaatsen.”

»Wat bedoelt gij hiermede?”

»Dat kan ik u zoo niet in een paar woorden verklaren. Maar het komt mij voor als zult gijzelf weldra iets dergelijks ondervinden. — Rameri! Ga niet weder naar de Paraschieten!”

TWEEDE HOOFDSTUK.

Vroeg op den volgenden dag ging de dwerg Nemoe met een man in een eenvoudig lang kleed, naar het scheen de hofmeester van eene aanzienlijke familie, de hut voorbij, die door Warda’s vader weder in orde was gebracht, de hut waarin de soldaat eens met zijne vrouw had gewoond. Zij richtten hunne schreden naar het hol van de oude Hekt.

»Hier omlaag, edele heer,” zeide de dwerg, »verzoek ik u eenige oogenblikken te wachten, om u bij mijne moeder aan te melden.”

»Dat klinkt zeker heel deftig,” antwoordde de ander, »maar het zij zoo! Nog éene voorwaarde! De oude mag mij niet bij mijn naam noemen, noch mijn titel op hare lippen nemen. Zij noeme mij hofmeester, want men kan nooit weten... Ik meen echter, dat niemand mij in deze vermomming zal herkennen.”

Nemoe haastte zich naar het hol te gaan, waarvoor hij zijne moeder vond zitten, die reeds van verre hem tegenriep: »Laat dien heer nu niet wachten, ik weet maar al te goed wie het is!”

De kleine man legde den vinger op den mond en zeide: »Gij moet hem als hofmeester aanspreken.”

»Goed,” prevelde de tooveres. »Zoo steekt ook een struisvogel zijn kop in de veeren, wanneer hij wil dat men hem niet zien zal.”

»Is het prinsje gisteren nog lang bij Warda geweest?”

»Neen, gek!” zeide de heks lachend. »Die kinderen spelen met elkander. Rameri is een jonge ram, die nog geen horens heeft, maar toch de plek voelt, waar ze zullen uitgroeien, en reeds beproeft of hij ze ook gebruiken kan. Pentaoer kan u bij dat roodharig kopje veel gevaarlijker worden. Loop nu een-twee-drie heen; men laat zulk een hofmeester zoolang niet wachten.”

De oude gaf den dwerg een duw, en deze vloog naar Ani terug, terwijl zij den kleinen, weder op zijne plank gebonden Scheraoe in de hut droeg, en den bruinen zak over hem heen wierp.

Eenige oogenblikken later stond de stadhouder voor haar. Zij boog met eene sierlijkheid, die meer aan de zangeres Beki dan aan de tooveres Hekt deed denken, en bad hem plaats te nemen op den eenigen stoel, dien zij bezat.

Toen hij door eene beweging met de hand te kennen gaf, dat hij niet verlangde te gaan zitten, zeide zij: »Wel zeker, gij moet u nederzetten! Dan kan men u uit het dal niet zien, omdat gij achter deze rots hier verborgen zijt. Maar waarom hebt gij dit uur toch voor uw bezoek gekozen?”

»Omdat hetgeen ik met u wensch te bespreken haast heeft,” zeide Ani, »en ik in den avond licht door de wachters zou kunnen worden aangeroepen. Mijne vermomming is voldoende. Onder dit overkleed draag ik mijn gewoon gewaad. Van hier ga ik het dal in naar het graf mijner vaderen, om daar den groven rok en wat mij verder nog onkenbaar maakt af te leggen, en mijn wagen te wachten, die reeds besteld is. Ik zal aan de menschen zeggen, dat ik heden eene gelofte heb vervuld, om namelijk de groeve te voet en als een deemoedige te bezoeken.”

»Goed bedacht,” prevelde de oude. Doch Ani wees op den dwerg en zeide op beleefden toon: »Uw leerling!”

Sedert de onthulling die zij gedaan had, was Hekt voor hem niet langer de gewone tooveres. De oude vrouw gevoelde het, en neigde zich voor hem met eene buiging, die zoo geheel in de vormen, zoo hoffelijk was, dat een tamme raaf aan hare voeten zijn verbazing hierover niet kon inhouden, maar zijn zwarten snavel wijd opensperde en een gekras deed hooren. Zij wierp er een stuk kaas in, en de vogel huppelde weg, zijne geknotte vleugels naslepende, en zweeg.

»Ik moet u over Pentaoer spreken,” zeide Ani.

De oogen van de oude schoten vuur, en vol belangstelling vroeg zij: »Wat is er dan met hem?”

»Ik heb allen grond,” antwoordde de stadhouder, »dezen man voor gevaarlijk te houden. Hij staat mij in den weg. Allerlei kwaad heeft hij gedaan; wat erger is, hij heeft moorden begaan. Maar in het Seti-huis mogen zij hem gaarne lijden, en daar zouden zij hem liefst ongestraft laten. Die heeren bezitten het recht over elkander alleen de vierschaar te spannen, en ik kan aan hunne uitspraak niets veranderen. Eergisteren hebben zij vonnis geveld. Zij willen hem naar de steengroeven van Chennoe zenden278). Op al wat ik hiertegen inbracht heeft men geen acht geslagen, en, nu ja.... Nemoe, ga naar de overzijde in het graf van Amenophis, en wacht daar op mij! Ik heb iets met uwe moeder alleen te bespreken!”

Nemoe boog en daalde den berg af, wel-is-waar verdrietig, maar toch in de zekere overtuiging, dat hij later alles zou vernemen, wat tusschen die twee verhandeld werd.

Toen de kleine verdwenen was, vroeg Ani: »Gevoelt gij nog iets voor het oude koningshuis, dat uwe ouders zoo met hart en ziel waren toegedaan?”

De oude boog toestemmend het hoofd.

»Welnu, zoo zult gij mij uw hulp niet ontzeggen, wanneer ik trachten wil het weder op te richten. Gij begrijpt hoezeer ik de priesters daarbij noodig heb, en ik heb Ameni gezworen Pentaoer niet naar het leven te zullen staan. Doch ik herhaal nog eens: hij staat mij in den weg! Ik heb mijne verspieders ook in het Seti-huis, en door dezen weet ik, wat het wegzenden van den dichter naar de steengroeven van Chennoe te beteekenen heeft. Een tijdlang laten zij hem zandsteenen houwen, en dat zal aan de gezondheid van dezen ijzersterken man eer goed dan kwaad doen. Zooals gij weet, vindt men te Chennoe, behalve die groeven, ook het groote priestercollege, dat in zeer nauwe verbinding staat met het Seti-huis. Wanneer de vloed begint te wassen en in Chennoe het grootste Nijlfeest wordt gevierd279), dan hebben de priesters daar het recht zich die misdadigers, die in de steengroeven werken, uit te kiezen tot hun eigen dienst. Het spreekt vanzelf, dat zij in het volgend jaar Pentaoer kiezen. Dan laten zij hem vrij en men lacht mij uit.”

»Niet kwaad verzonnen,” zeide de Heks!

»Ik heb nu met mijzelven, met Katoeti en ook met Nemoe raad gehouden,” ging Ani voort, »maar alles wat zij bedachten was, ja, wel uitvoerbaar, doch onraadzaam, en zou voor het minst tot vermoedens leiden, die ik thans zorgvuldig moet trachten te vermijden. Wat is uw raad?”

»Assa’s stam moet ondergaan!” prevelde de oude somber. Daarna staarde zij een poos nadenkend op den grond en zeide eindelijk: »Laat een gat in het schip boren, en voor het in Chennoe aankomt, met de geboeide gevangenen verzinken.”

»Neen, neen, daaraan heb ikzelf al gedacht, en ook Nemoe heeft het aangeraden,” zeide Ani. »Zoo iets is wel honderdmaal gebeurd. Ameni mag mij ook niet voor meineedig houden, en ik heb gezworen Pentaoer niet naar het leven te zullen staan.”

»O ja, dat hebt gij gezworen, en gij mannen zijt gewoon onder elkander woord te houden. Wacht eens even, hoe was het ook weer? — Gij laat het schip met de gevangenen naar Chennoe onder zeil gaan, doch gij geeft in ’t geheim aan den gezagvoerder bevel, dat hij in den nacht zoo snel mogelijk de steengroeven voorbij moet varen, en verder koers zetten naar Ethiopië. Van Soean280) laat gij de gevangenen door de woestijn naar de goudmijnen voeren. Er kunnen vier, ja misschien wel acht weken verloopen, eer men verneemt wat er gebeurd is. Spreekt Ameni u dan hierover aan, dan houdt gij u alsof gij vertoornd zijt over dit misverstand, en gij kunt bij alle goden van hemel en onderwereld zweren, dat gij Pentaoer niet naar het leven hebt gestaan. Met het doen van onderzoek verloopen weder eenige weken. Inmiddels doet Paäker het zijne en gij het uwe, en — gij zijt koning. Eene gelofte laat zich, dunkt mij, wel met een schepter verbrijzelen. En wilt gij volstrekt uw woord houden, welnu, laat Pentaoer dan in de goudmijnen. Van daar is nog nooit iemand teruggekeerd. Ook de gebeenten van mijn vader en mijne broeders zijn daar in de zon gebleekt.”

»Maar Ameni zal niet willen gelooven, dat het een misverstand is geweest,” viel Ani de tooveres angstig in de rede.

»Beken dan, dat gij dien tocht hebt bevolen!” hernam Hekt. »Verklaar dat gij te weten zijt gekomen, wat zij in Chennoe met Pentaoer voorhadden; dat gij uw woord hebt gehouden, maar dat gij een misdadiger niet straffeloos wildet laten. Zij zullen berichten inwinnen, en vinden zij den kleinzoon van Assa in het leven, dan zijt gij gerechtvaardigd. Volg mijn raad, wanneer gij waarlijk wilt toonen de belangen van uw huis ernstig te behartigen, en meester blijven van hetgeen gij bezit.”

»Het gaat niet,” zeide de stadhouder. »Ik heb den steun van Ameni niet enkel heden en morgen noodig. Ik wil geen blind werktuig van hem worden, maar voor het oogenblik moet hij mij daarvoor houden.”

De oude haalde de schouders op, stond op, ging haar hol binnen, en kwam terug met een fleschje. »Neem dit mede,” zeide zij. »Men behoeft slechts vier druppels van dit vocht in den wijn te gieten, en het kan niet missen of die er van drinkt verliest zijn verstand. Neem de proef van dezen drank bij een slaaf, en gij zult zien dat hij uitnemend werkt.”

»Wat moet ik daarmede aanvangen?” vroeg Ani.

»U rechtvaardigen voor Ameni,” zeide de tooveres lachend. »Gij beveelt den gezagvoerder van het schip dadelijk na zijn terugkeer bij u te komen. Gij onthaalt hem op wijn, en waarom zou Ameni, als hij den half waanzinnige ziet, niet gelooven, dat deze in zijne zinsverbijstering Chennoe is voorbij gevaren?”

»Dat is verstandig, dat is voortreffelijk!” riep Ani. »Het buitengewone daalt toch nimmer af tot het platte alledaagsche. Gij waart eens de schoonste der zangeressen, en thans zijt gij de wijste der vrouwen, vrouw Beki!”

»Ik ben thans Beki niet meer, ik heet Hekt,” zeide de oude op ruwen toon.

»Zoo als gij wilt! Inderdaad, had ik Beki’s gezang gehoord, zoo zou ik mij aan haar tot grooter dank verplicht achten, dan nu aan Hekt,” zeide Ani met een glimlach. »Doch ik mag de verstandigste vrouw van Thebe niet verlaten, zonder eene ernstige vraag tot haar te richten. Is het u werkelijk gegeven een blik in de toekomst te slaan? Staan u middelen ten dienste, waardoor gij weten kunt, of het groote waagstuk — gij weet reeds wat ik bedoel, gelukken of mislukken zal?”

Hekt zag weder naar den grond, en zeide, na een kortstondig overleg: »Ik kan nog niets met zekerheid zeggen, maar uw zaak staat goed. Ziet gij daar die twee sperwers met het kettinkje aan de pooten? Zij nemen van niemand voedsel aan dan van mij. Die ruiende met zijne grauwe geslotene oogen is Ramses; die mooie en glimmende met zijne bliksemende oogen zijt gij! Het komt er nu maar op aan wie van beiden het langst leeft. Tot dusverre is het voordeel aan uwe zijde, gelijk gij ziet.”

Ani sloeg een boozen blik op den ziekelijken sperwer des konings. Hekt zeide echter: »Men moet beiden geheel gelijk behandelen, want men kan het noodlot niet dwingen.”

»Voeder ze dan goed!” riep de stadhouder, terwijl hij Hekt zijne beurs in den schoot wierp. Hij voegde er bij, zich gereedmakende om te vertrekken: »Wanneer een van beide vogels iets overkomt, laat het mij dan intijds door Nemoe weten.”

Ani daalde van den berg af, om zijne schreden te richten naar het naastbijzijnde graf zijner vaderen. Hekt kon niet nalaten hem uit te lachen, terwijl zij hem nazag, »Thans,” prevelde zij in zich zelve, »thans beschermt die gek mij, ter wille van zijn vogeltje! Die glimlachende en moedelooze man, die te lui is om voor zichzelven te denken, wil Egypte beheerschen! Ben ik dan zooveel wijzer dan andere menschen, of komen alleen de dwazen tot de oude Hekt? Doch Ramses heeft Ani toch tot zijne plaatsvervanger gekozen! Mogelijk ook wel, omdat hij den niet zeer slimmen man voor niet bijzonder gevaarlijk hield. Maar als hij zoo gedacht heeft, dan handelde hij niet wijs, want niemand is in den regel zelfzuchtiger en onbeschaamder dan de domme!”

DERDE HOOFDSTUK.

Een uur later reed Ani, uit het graf zijner vaderen komende, rijk gekleed, op zijn schitterender wagen, het hol van de tooveres en de hut van Warda’s vader voorbij. Nemoe zat neergehurkt op de trede, de gewone zitplaats der dwergen. De kleine sloeg een blik op de herstelde hut en knarsetandde, toen hij bij Warda een man zag zitten, wiens wit gewaad door de openingen van de heining schemerde.

De bezoeker van het schoone kind was niemand anders dan prins Rameri, die in het wit gewaad van een jong schrijver van het schathuis, reeds vroeg in den morgen den Nijl was overgevaren, ten einde berichten in te winnen omtrent Pentaoer, en Warda eene roos in het haar te steken. Dit laatste voornemen was zeker wel het gewichtigste, het eerste moest ten minste daarbij achterstaan, wat aangaat de volgorde van tijd. Hij vond het dan ook noodig deze zijne handelwijze voor zichzelven op allerlei deugdelijke gronden te verontschuldigen. Vooreerst liep de roos, die goed geborgen was in de plooien van zijn gewaad gevaar te verwelken, wanneer hij allereerst bij het Seti-huis op zijne makkers bleef wachten. Vervolgens had zich bij het Seti-huis iets kunnen voordoen, dat hem zou hebben gedwongen haastig naar Thebe terug te keeren. Ten laatste was het ook niet onmogelijk, dat Bent-Anat hem den ceremoniemeester achterna zond, en in dat geval zou elke vertraging zijn voornemen geheel kunnen verijdelen.

Geen wonder dus dat zijn hart hevig klopte, toen hij zich spoedde naar de hut, niet alleen ter wille van het meisje, maar ook omdat hij zichzelven bekennen moest niet goed te handelen. De plaats die hij betreden zou was onrein, en tegenover Warda had hij voor het eerst gelogen. Hij had zich uitgegeven voor een edelknaap uit het gevolg van Bent-Anat, en daar de eene onwaarheid de andere meestal na zich sleept, had hij op hare vragen naar zijne ouders en zijn leven allerlei logenachtige antwoorden moeten verzinnen. Was dan het booze aan die onreine plaats machtiger over hem, dan in het Seti-huis en in het paleis zijns vaders? Zoo scheen het wel te zijn, want de booze Seth veroorzaakte alle beroering in de natuur en in elke menschelijke ziel, en — hoe stormde het in zijn borst! En toch, hij wilde Warda enkel goed doen. Zij was zoo schoon, zoo vriendelijk! Zij zag er uit als ware zij het kind van eene godheid! Voorzeker, dat blanke meisje was geroofd en behoorde niet te huis onder de onreinen.

Toen de prins den tuin van de hut intrad, was Warda niet te zien. Doch weldra vernam hij hare stem van binnen door de geopende deur. Zoodra zij hoorde dat de hond vijandig tegen Rameri begon te blaffen, liep zij naar buiten.

Op het gezicht van den prins verschrikte zij, en zeide: »Zijt gij daar nu weder? Maar ik heb u immers gewaarschuwd? Mijne grootmoeder daarbinnen is de vrouw van een Paraschiet.”

»Haar breng ik ook geen bezoek,” antwoordde de prins, »maar u alleen. En gij behoort niet tot deze onreinen, heb ik zoo juist tot mijzelven gezegd. In de woestijn groeien geen rozen.”

»En toch,” hernam Warda met zekerheid, »ben ik het kind van mijn vader, en de kleindochter van mijn armen verslagen grootvader. Wis-en-zeker behoor ik bij hen, en ben ik voor iemand daarom te gering, dan blijve hij verre van mij.”

Dit zeggende maakte zij zich gereed om de hut weder binnen te gaan. Doch Rameri greep hare hand, hield haar terug en zeide: »Wat zijt gij boos! Heb ik dan niet getracht u te redden, en ben ik niet tot u gekomen, eer de gedachte in mij opkwam, dat gij zoudt kunnen.... nu ja, dat gij toch zoo geheel ongelijk waart aan hen, die gij uwe bloedverwanten noemt? Gij moet mij niet verkeerd verstaan; het was mij alleen eene schrikkelijke gedachte, dat gij, zoo blank als eene lelie en zoo schoon, mede zoudt lijden onder dien vreeselijken vloek. Iedereen, zelfs mijne meesteres Bent-Anat, wordt door u aangetrokken, en zoo kwam het mij onmogelijk voor, dat....”

»Dat ik tot de onreinen zou behooren. Spreek het maar uit!” zeide Warda zacht, terwijl zij hare oogen nedersloeg. Daarop vervolgde zij op levendiger toon: »Maar die vloek is onrechtvaardig, zeg ik u, want er is nooit beter mensch geweest, dan mijn arme grootvader was.” En bij deze woorden rolden de tranen haar langs de wangen.

»Ik wil het gaarne gelooven,” sprak Rameri, »en het moet zeer moeielijk vallen goed te blijven, als de menschen u verachten en schelden. Wat mij betreft, ik laat mij door verwijten tot niets dwingen, maar door lof kan men alles goeds van mij gedaan krijgen. Doch ik moet bekennen, dat de menschen wel genoodzaakt zijn, mij en de mijnen met achting te bejegenen.”

»En ons met minachting,” viel Warda hem in de rede. »Doch ik wil u eens wat zeggen. Als men weet dat men goed is, dan is het ons onverschillig, of wij door anderen veracht worden of geëerd. Ja, wij mogen trotscher zijn dan gijlieden, want gij, groote heeren, moet dikwijls voor u zelven bekennen, dat gij minder waard zijt dan de menschen u schatten, maar wij weten dat wij meer gelden.”

»Juist, zóo heb ik mij u voorgesteld!” riep Rameri eensklaps uit. »En daar is toch éen, die uwe waarde erkent, en dat ben ik! Zou ik anders wel gedurig en altijd weder aan u denken?”

»Maar ik heb ook aan u gedacht,” zeide Warda. »Zooeven, toen ik bij mijne zieke grootmoeder zat, kwam het voor ’t eerst in mijne ziel op, hoe heerlijk het zou zijn, wanneer ik eens een broeder had die op u geleek. Weet gij wel wat ik doen zou, als gij mijn broeder waart?”

»Welnu?”

»Ik zou een wagen voor u koopen en paarden, en dan zoudt gij met ’s konings dapperen moeten uittrekken.”

»Zijt gij dan zoo rijk?” vroeg Rameri lachend.

»O ja,” antwoordde Warda. »Hoewel eerst sedert een uur. Kunt gij lezen?”

»Ja.”

»Denk eens, toen ik ziek was, zonden zij mij een arts uit het Seti-huis. Hij was zeer bekwaam, maar een wonderlijk man. Hij zag mij dikwijls zoo vreemd met zijne oogen aan, alsof hij dronken was, en als hij sprak stotterde hij.”

»Heet hij Nebsecht?” vroeg de prins.

»Ja, Nebsecht. Hij had ook iets zonderlings voor met grootvader, en bij dien schrikkelijken aanval op ons, sprong hij, nadat Pentaoer en gij ons hadt gered, mede voor ons in de bres. Sedert is hij niet weder gekomen; ik werd dan ook veel beter. Doch heden, zoowat een paar uren geleden, blafte de hond, en een vreemde bejaarde man trad mij te gemoet. Hij gaf voor Nebsecht’s broeder te zijn, en zeide dat hij veel geld voor mij bewaarde. Hij schonk mij ook een ring en voegde daarbij, dat hij aan ieder, die dezen aan hem van mijnentwege terug kwam brengen, het geld zou uitbetalen. Vervolgens las hij mij dezen brief voor.”

Rameri nam den brief van haar aan, en las:

»Nebsecht aan de schoone Warda!

»Nebsecht groet Warda en deelt haar mede, dat hij haren Osiris geworden grootvader Pinem, wiens lijk de Kolchyten balsemen, alsof hij een der aanzienlijksten was geweest, een som van duizend gouden ringen schuldig is. Hij heeft zijn broeder Teta opgedragen, deze som ten allen tijde voor haar gereed te houden. Zij kan zich geheel aan Teta toevertrouwen, want hij is rechtschapen. Het staat haar vrij hem om geld te vragen, zoo vaak zij het noodig heeft. Het zou ’t beste zijn, wanneer zij aan mijn broeder overliet het geld voor haar te beheeren, en voor haar een huis met een stuk bouwland te koopen. Dan moet zij dat huis met hare grootmoeder betrekken, om er zonder zorgen in te wonen. Hij wenscht dat zij nog éen jaar zal wachten, vóor zij een man volgt, die haar tot vrouw begeert. Nebsecht heeft Warda hartelijk lief. Is hij na verloop van dertien maanden niet bij haar geweest, zoo mag zij zich tot echtgenoot kiezen wien zij wil, maar niet voordat zij den tolk des konings het kleinood heeft getoond, dat hare moeder haar naliet.”

»Vreemd!” zeide Rameri. »Wie had gedacht dat die wonderlijke arts, die altijd vuile kleederen droeg, zoo edelmoedig kon zijn! Maar wat voor kleinood bezit gij?”

Warda maakte haar kleedje open, en toonde den prins het schitterend juweel.

»Dat zijn diamanten! Inderdaad, dat is zeer kostbaar!” riep de prins. »Daar in het midden, in dat half ovaal van onyx, staan scherp gesneden schriftteekens. Ik kan ze niet lezen, maar ik wil ze den tolk laten zien! — Heeft uwe moeder dat kleinood gedragen?”

»Vader vond het bij haar, toen zij stierf,” antwoordde Warda. »Zij kwam als krijgsgevangene naar Egypte, en was zoo blank als ik, maar stom, zoodat zij den naam van haar vaderland niet noemen kon.”

»Dan behoorde zij zeker tot eene aanzienlijke familie in het buitenland, en de moeder bepaalt de afkomst der kinderen,” hernam Rameri levendig. »Gij zijt een prinsesje, Warda! O, ik kan u niet zeggen, hoeveel genoegen mij dit doet en hoe lief ik u heb!”

Het meisje glimlachte en zeide: »Dan behoeft gij nu ook niet meer te vreezen het onreine meisje aan te raken.”

»Gij zijt hard!” gaf de prins haar ten antwoord. »Wil ik u eens zeggen, wat ik gisteren voornam, wat mij heden nacht belette te slapen, en waarom ik eigenlijk hier kwam?”

»Nu?”

Rameri haalde de schoone witte roos uit zijn kleed te voorschijn, en zeide: »Het is misschien kinderachtig, maar ik dacht hoe het wel staan zou, als ik deze bloem eens met mijne eigene vingers in uw glanzend haar kon steken. Mag ik?”

»Die roos is kostelijk. Zoo schoon heb ik er nog nooit eene gezien!”

»Zij is dan voor mijn trotsch prinsesje. Kom, laat mij u nu eens opsieren. Als de zijde van Tyrus, als de borst van een zwaan, als de stralen der gouden sterren, zoo zacht zijn uwe glanzende haren! — Daar steekt zij vast! — Neen, laat de roos nu zoo zitten. Als de zeven Hathors u zien, moeten zij u wel benijden, want gij zijt schooner dan zij allen te zamen.”

»Foei, gij vleier!” zeide Warda, een weinig beschaamd en blozend. Toch zag zij Rameri in de heldere oogen.

»Ach, Warda!” riep de prins, terwijl hij de hand op zijn hart legde, »nu heb ik nog een enkele wensch. Voel maar hoe het hier bonst en klopt. Ik geloof, dat dit niet eer tot rust zal komen, voor ge mij.... nu ja, Warda — voor ge mij veroorlooft u een kus, maar een enkelen, te geven.”

Het meisje ging achteruit en zeide ernstig: »Neen! Nu zie ik waar gij heen wilt. De oude Hekt kent de menschen en heeft mij gewaarschuwd.”

»Wie is Hekt, en wat kan zij dan van mij weten?”

»Zij heeft mij gezegd, dat er een tijd zal komen, waarop een man mij zal naderen. Zijn oog zal het mijne zoeken, en wanneer ik zijn blik zal beantwoorden, dan zal hij naar mijne lippen verlangen. Dan moest ik, zeide zij, weigeren, want wanneer ik mij zijn kus liet welgevallen, dan zou hij naar mijne ziel grijpen en haar rooven. Ik zou zielloos moeten ronddwalen, als de rustelooze geesten, die de diepte opwerpt en de stormwind wegdrijft, die de zee uitspuwt en de hemel niet hebben wil. Ga daarom van mij weg, want ik zou u een kus niet kunnen weigeren, en wil toch niet rusteloos zonder ziel omdwalen!”

»Is die oude goed, die u dat geleerd heeft?” vroeg de prins.

Warda schudde ontkennend het hoofd.

»Dat kan zij ook niet zijn!” hernam Rameri, »want zij heeft onwaarheid gesproken. Ik wil uwe ziel niet wegnemen, integendeel: ik wil u de mijne bij de uwe geven, en gij zult mij de uwe geven bij de mijne, en zoo zullen wij beide niet armer maar rijker worden!”

»Hoe gaarne zou ik dat willen gelooven,” zeide Warda nadenkend. »Iets dergelijks heb ikzelve ook reeds gedacht. Toen ik nog gezond was, moest ik dikwijls ’s avonds laat naar den Nijl om water te scheppen bij de landingsplaats, waar het groote scheprad staat. Duizende druppels vielen er neder van den aarden emmer, en in elken spiegelde zich eene maan, en toch stond er maar éene aan den hemel. Dan dacht ik zoo bij mij zelve: Zoo zal het ook zijn met de liefde in het hart. Men heeft toch maar éene liefde, en wij storten haar toch over in verschillende harten, zonder dat zij vermindert in kracht of matter wordt van glans. Ik dacht aan mijne grootouders, aan vader, aan den kleinen Scheraoe, aan den goden en aan Pentaoer. Nu kan ik ook u wel een deel ervan geven?”

»Maar een deel?” vroeg Rameri.

»Neen,” zeide Warda, »zij zal zich geheel in u afspiegelen, zooals de geheele maan zich vertoonde in elken druppel..”

»Dat zal zij,” riep de koningszoon, sloeg zijn arm om het slanke middel van het bevende meisje, en de beide jeugdige menschenzielen, verbonden zich aan elkander door een eersten kus.

»Ga nu ook heen!” smeekte Warda.

»Laat mij nog een oogenblik blijven!” vroeg de prins. »Zet u naast mij op de bank voor de hut. De heining verbergt ons voor het oog der wandelaars. Bovendien, het dal is nu eenzaam en verlaten.”

»Wat wij doen is niet goed,” zeide Warda nadenkend, »anders zouden wij niet noodig hebben ons te verbergen.”

»Houdt gij dan voor kwaad, wat de priester in het allerheiligste verricht?” vroeg Rameri. »En toch wordt dit onttrokken aan aller oogen.”

»Wat zijt gij bedreven in de kunst van te overreden!” zeide Warda lachend. »Ik begrijp het: gij kunt schrijven, en gij zijt zijn leerling geweest.”

»Zijn! zijn!” riep Rameri. »Gij bedoelt zeker Pentaoer. Van al mijne leermeesters heb ik hem altijd het meest liefgehad, maar het hindert mij toch als gij zoo over hem spreekt, als lag hij u nader aan het hart dan ik en die anderen. De dichter, zeidet gij, was een der druppels, waarin het maanlicht uwer liefde zich afspiegelde, en ik wil niet met velen deelen!”

»Hoe kunt gij zoo spreken!” viel Warda hem in de rede. »Eert gij dan uw vader niet en de goden? Zooals ik u liefheb, bemin ik geen ander, en wat ik zooeven gevoelde, toen gij mij hebt gekust, dat was ook niet als het maanlicht, maar brandend als de zon op dit middaguur. Zoo vaak ik aan u dacht, was mijne rust geweken. Ik wil het u wel bekennen, wel twintigmaal zag ik te voren naar buiten, in stilte vragende: ‚Zou mijn redder, die lieve en vriendelijke krullebol ook komen, of zou hij mij, arm meisje, versmaden?’ Gij zijt gekomen, en ik ben zoo gelukkig! Ik zou met u van ganscher harte kunnen jubelen! Kom, wees weer vriendelijk, anders trek ik u bij de lokken!”

»Ga je gang maar!” hernam Rameri. »Gij kunt met uw kleine hand geen zeer doen, maar — wel met woorden. Pentaoer is zeker wijzer en beter dan ik. Gij zijt ook veel aan hem verschuldigd en ik mocht wel....”

»Ga niet verder!” viel Warda hem in de rede. Op ernstigen toon ging zij voort: »Er zijn geen twee menschen geheel aan elkander gelijk. Als hij mij wilde kussen, dan zou ik als stof ineen vallen, gelijk door de zon geblakerde asch, die men met den vinger aanraakt. Ik zou zijn lippen kunnen vreezen als die van een leeuw. Al drijft gij er misschien den spot mede, zoo geloof ik toch altijd, dat hij een van de hemelsche goden is. Zijn eigen vader heeft mij gezegd, dat er reeds op den dag zijner geboorte een groot wonder met hem heeft plaats gehad. De oude Hekt heeft mij dikwijls naar den hovenier gezonden met den last naar zijn zoon te vragen. De man is wat ruw, maar goed. In den beginne was hij niet vriendelijk, maar toen hij zag hoeveel schik ik had in zijne bloemen, kreeg hij mij lief en gaf mij wat te doen. Want hij liet mij kransen vlechten en ruikers maken, en dan naar zijne klanten brengen.

»Als wij zoo bij elkander zaten en het eene bloempje naast het andere legden, vertelde hij altijd van zijn zoon, en van zijne schoonheid, wijsheid en goedheid. Toen hij nog een kleine jongen was, kon hij reeds dichten. Hij heeft leeren lezen, zonder dat iemand hem daarin onderwezen had. De opperpriester Ameni kwam dit te weten, en daarom nam hij hem in het Seti-huis op. Daar ontwikkelde hij zich zoo buitengewoon, dat de hovenier ervan verbaasd stond. Nog kort geleden wandelde ik met den ouden man langs de bloembedden. Hij sprak over Pentaoer als altijd, en bleef staan voor een heerlijken heester met breede bladeren, zeggende: ‚Mijn zoon is gelijk aan deze plant, die bij mij opgroeide, ik weet zelf niet hoe. Het zaad ervan heb ik tegelijk met andere zaadkorrels, die ik in Thebe had gekocht, in den grond gelegd. En nu kan niemand zeggen, van waar die struik afkomstig is, en toch is hij mijn eigendom. Uit Egypte is hij zeker niet afkomstig. En overtreft Pentaoer niet mij en zijne moeder, en zijne broeders en zusters, gelijk deze struik de andere bloemen? Wij zijn allen grof en klein, en hij is slank; onze huidkleur is donker en de zijne is roodachtig; ruw is onze spraak en zijne stem klinkt als gezang. Ik blijf er bij, hij is het kind eener godheid, dat de hemelsche goden in mijn nederig huis hebben neergelegd. Wie begrijpt hunne raadsbesluiten?’

»Menigmaal heb ik Pentaoer bij de feesten gezien, en dan zeide ik tot mij zelve: Welke andere priester uit het Seti-huis kan in houding en gestalte met hem vergeleken worden? Ik hield hem voor een god, en nu ik gezien heb, toen hij mijn leven redde, hoe hij door bovenmenschelijke kracht gansche scharen van aanvallers weerstond, zou ik hem niet als een hooger wezen, beschouwen? Ik zie tot hem op als tot zulk een goddelijk wezen maar ik zou hem nooit in de oogen kunnen zien als u. Deed ik het, dan zou mij het bloed in de aderen stollen, in plaats van sneller te vloeien. Hoe zal ik het uitdrukken? U vindt mijne ziel, wanneer ik vooruit zie, maar om hem te vinden, moet zij den blik naar boven richten. Gij zijt voor mij een frissche rozenkrans, waarmede ik mij tooi, en hij is een heilige Persaboom281), waarvoor ik mij nederbuig!”

Rameri had zwijgend naar haar geluisterd en zeide nu: »Ik ben nog jong, en heb nog geen gelegenheid gehad te toonen wie ik ben. Doch er zal een tijd komen, waarin gij ook tot mij zult opzien als tot een boom, wel niet als tot een heiligen, maar als tot een sykomore, onder welks schaduw wij het liefst rusten. Ik ben niet vroolijk meer en wil u verlaten, want ik heb een heiligen plicht te vervullen. Pentaoer is in allen deele een man, en dat wil ik ook worden. Gij zult echter de rozenkrans zijn, die mij siert. Mannen, die men met bloemen vergelijkt, staan mij tegen.”

De prins stond op en reikte Warda zijne rechterhand.

»Gij hebt eene sterke hand,” zeide het meisje. »Gij zult zeker een voortreffelijk man worden, en deze hand gebruiken tot iets goeds en iets groots. Zie maar, mijne vingers zijn rood geworden van uw handdruk. Al zijn zij teeder, zij zijn toch niet geheel onnut. Het is zoo, zij hebben nooit zware dingen gehanteerd, maar wat zij aanraken en verzorgen, zeide grootvader dikwijls, dat gedijt, en hij noemde ze daarom ‚gelukkig.’ Zie maar eens die schoone leliën en dien granaatstruik dáar in den hoek. Grootvader heeft voor mij aarde van den Nijl hierheen gedragen. Pentaoer’s vader heeft mij de zaden geschonken en elk plantje, dat waagde boven den grond als een groen scheutje zich te vertoonen, heb ik zoo lang gekoesterd, verpleegd en met moeite begoten — want ik moest er in mijn kruikje het water voor gaan halen — tot het levenskracht bezat om voor zichzelve te zorgen en mij met bloemen kon danken. Neem deze granaat. Zij is de eerste, die aan mijn struik bloeide, en heeft eene bijzondere beteekenis. Want toen de stevige knop in de lengte uitgroeide, zich begon te ronden en van dag tot dag zich rooder kleurde, toen heeft grootmoeder gezegd: Nu zal uw hartje ook weldra kloppen en beginnen lief te hebben. Thans begrijp ik ook wat zij bedoelde. U komen dan ook de beide eerste bloemen toe, die roode van dezen struik hier, en die andere, die men wel niet ziet, maar die nog oneindig vuriger schittert.”

Rameri drukte den granaatbloesem aan zijne lippen, en strekte zijne hand naar Warda uit, maar zij week terug, want er sloop onverwacht iemand door de opening van de heining.

Het was niemand anders dan de kleine Scheraoe, die de oude Hekt tot dwerg opvoedde. Zijn aardig gezichtje gloeide, en hij haalde snel adem, omdat hij zoo hard geloopen had. Een tijdlang deed hij te vergeefs zijn best om woorden uit te brengen, terwijl hij angstig tot den prins opzag.

Warda zag het den kleine wel aan, dat hij iets bijzonders op het hart had. Zij sprak hem vriendelijk toe, en zeide, toen hij verlangde haar te spreken, dat Rameri haar beste vriend was, waarvoor hij niet bang behoefde te zijn.

»Maar het betreft niet u of mij,” antwoordde het knaapje, »maar den goeden heiligen vader Pentaoer, die zoo vriendelijk voor mij was, en die u het leven heeft gered.”

»Ik ben Pentaoer zeer genegen,” zeide de prins. »Niet waar, Warda? Hij mag gerust in mijne tegenwoordigheid over hem spreken.”

»Mag ik?” vroeg Scheraoe. »Dan is het goed. Ik ben stillekens weggeslopen. Hekt kan ieder oogenblik terugkomen, en wanneer zij bemerkt, dat ik van huis ben gegaan, dan krijg ik zeker slagen en geen eten.”

»Wie is dan toch die schandelijke Hekt?” vroeg de prins met eenige ongerustheid.

»Dat mag Warda u later vertellen,” zeide de kleine hijgend. »Hoort nu naar mij. Zij had mij op mijn plank in de hut gelegd, en mij met een zak verborgen. Eerst kwam Nemoe en toen een ander man, dien zij hofmeester noemde. Met dezen heeft zij veel gesproken. In den beginne luisterde ik niet, maar toen ik den naam van Pentaoer verstond, maakte ik mijn hoofd vrij en hoorde alles. De hofmeester zeide, dat Pentaoer een slecht man was, en dat hij hem in den weg stond. Hij vertelde dat de opperpriester Ameni hem naar de steengroeven van Chennoe wilde zenden, maar dat die straf veel te gering was. Toen heeft Hekt hem aangeraden, dat hij den scheepsgezagvoerder heimelijk zou bevelen, hem voorbij Chennoe en naar Ethiopië te brengen, naar die vreeselijke mijnwerken, waarvan zij mij dikwijls verteld heeft. Want haar vader en haar broeder zijn daar zoo lang gemarteld tot zij dood waren.”

»Van allen die daarheen gingen is nooit iemand wedergekeerd,” riep de prins. »Maar vertel verder!”

»Ja, wat er nu kwam, dat kon ik maar half verstaan. Maar zij sprak van een drank, die waanzinnig maakt. O, wat heb ik al niet moeten zien en hooren! Ik zou liever levenslang op mijn plank willen liggen, maar dit alles is toch te afgrijselijk. Ik wou dat ik dood was!”

De kleine begon bitter te weenen. Warda, die onder zijn verhaal al bleeker en bleeker was geworden, streelde hem liefderijk.

»Dat is vreeselijk en ongehoord,” riep Rameri echter. »Wie was dan toch die hofmeester? Hebt gij zijn naam niet verstaan? Kom wat tot u zelven, beste jongen, en houd op met weenen. Het is hier om eens menschen leven te doen. Wie was die schurk? Noemde hij zich niet? Bedenk u eens wel!”

Scheraoe beet zich op de roode lippen, en deed al zijn best om tot bedaren te komen. Zijne tranen hielden op te vloeien en plotseling riep hij, terwijl hij in de borstopening van zijn versleten kleedje greep: »Wacht even, misschien zult gij hem wel herkennen. Ik heb hem nagemaakt.”

»Wat hebt gij?” vroeg de prins.

»Wel, ik heb hem nagemaakt,” vervolgde Scheraoe, en haalde voorzichtig eene in een lapje gewikkelde massa te voorschijn. »Ik kon zijn hoofd juist zeer scherp van terzijde zien, terwijl hij sprak, en mijne klei lag naast mij. Ik moet altijd boetseeren, als mijn hart zoo klopt, en ditmaal maakte ik haastig zijn gezicht na. Daar het portret niet slecht gelukt was, stak ik het bij mij, om het als Hekt de hielen zou lichten, aan mijn meester te toonen”282)!

De kleine had, terwijl hij deze woorden sprak, met bevende vingers de lappen van het model afgenomen, dat hij thans aan Warda overhandigde.

»Ani!” riep de prins. »Hij is ’t en geen ander! Wie had het kunnen denken! Wat wil hij van Pentaoer? Wat heeft de priester hem in den weg gelegd?”

Een oogenblik stond hij na te denken; toen sloeg hij zich met de hand voor het voorhoofd en riep in heftige beweging: »Ik gek! Kind, dat ik ben! — Ja, zoo is ’t, zoo is ’t! Ik weet alles! Ani heeft aanzoek gedaan om de hand van Bent-Anat, en zij.... Ja, nu eerst, sedert ik u liefheb, Warda, begrijp ik wat er in haar omgaat. — Weg met alle bedrog! Ik wil niet langer liegen. Ik hen geen edelknaap van Bent-Anat; ik ben haar broeder, koning Ramses’ eigen zoon. — Bedek uw aangezicht niet met uwe handen, Warda, want al had ik ook niet het kleinood uwer moeder gezien, al ware ik geen prins, maar Horus zelf, de zoon van Isis in eigen persoon, dan zou ik u toch moeten liefhebben en niet loslaten. Maar thans heb ik wat anders te doen dan met u te keuvelen. Thans zal ik u toonen dat ik een man ben. Thans is de vraag Pentaoer te redden. Vaarwel, Warda, blijf aan mij denken!”

Hij wilde zich haastig verwijderen, doch Scheraoe hield hem bij zijn kleed vast en sprak schuchter: »Gij zegt dat gij een zoon van Ramses zijt. Nu, ook over dezen heeft de oude Hekt met hem gesproken. Zij vergeleek hem bij onzen ruienden sperwer.”

»Weldra zal hij de klauwen van den koningsadelaar gevoelen,” riep de prins. »Nog eenmaal, vaarwel!”

Hij reikte Warda de hand, en zij drukte hare brandende lippen erop. Doch hij trok de hand terug, kuste haar op het voorhoofd en ijlde heen.

Sprakeloos en bleek zag het meisje hem achterna. Zij merkte op hoe hij een man voorbij vloog, en herkende in dezen haren vader. Dadelijk ging zij hem te gemoet. De soldaat kwam om van haar afscheid te nemen, want hij moest gevangenen wegbrengen.

»Naar Chennoe?” vroeg Warda.

»Neen, naar het noorden,” antwoordde de roodbaard.

Zijne dochter vertelde hem nu wat zij gehoord had, en vroeg of hij den priester, die haar leven gered had, helpen kon.

»Ja, als ik geld had, als ik geld had!” prevelde Kaschta nadenkend.

»Dat hebben wij!” riep Warda. Zij vertelde hem wat Nebsecht haar geschonken had en zeide: »Breng mij over den Nijl, en in twee uren hebt gij wat een mensch rijk kan maken283).... Doch neen, ik kan mijne zieke grootmoeder toch niet alleen laten! Neem gijzelf den ring, en vergeet niet dat zij Pentaoer straffen, omdat hij het waagde mij in zijne bescherming te nemen.”

»Dat zal ik wel in gedachte houden,” zeide de soldaat. »Ik heb maar éen leven, en dat wil ik er gaarne aan wagen om het zijne te redden. Aanslagen kan ik niet verzinnen, maar iets weet ik toch, en wanneer mij dat gelukt, behoeft hij niet naar de goudmijnen te gaan. Ik laat mijne wijnkruik hier; geef mij een dronk water, want in de eerstvolgende uren heb ik een nuchter hoofd noodig.”

»Daar hebt gij het water, maar ik giet er toch een scheut wijn bij! Komt gij weder om mij bericht te brengen?”

»Dat zal moeielijk gaan, want tegen middernacht breken wij op. Doch wanneer iemand u den ring terugbrengt, dan is mijn voornemen gelukt.”

Warda ging in de hut, gevolgd door haar vader, die afscheid nam van zijne zieke moeder en zijne dochter. Toen hij weer buiten kwam, zeide hij: »Gij kunt van de geschenken der prinses leven tot ik terugkom, en ik heb maar de helft noodig van het geschenk van den arts. — Maar waar zijn uwe granaatbloemen?”

»Die heb ik geplukt, en op een geliefkoosd plekje bewaard.”

»Wonderlijke wezens zijn die vrouwen toch!” prevelde de gebaarde man, kuste voorzichtig zijn kind op het voorhoofd, en keerde naar den Nijl terug, vanwaar hij gekomen was.

De prins was intusschen voortgesneld, en deed in de haven van de Nekropolis onderzoek — want van daar voeren gewoonlijk de schepen met gevangenen in den nacht af — waar het voor Chennoe bestemde vaartuig voor anker lag. Daarna liet hij zich den Nijl overzetten, en spoedde hij zich naar Bent-Anat. Hij vond haar en Nefert in buitengewone spanning, want de trouwe ceremoniemeester was door vrienden des konings in Ani’s omgeving te weten gekomen, dat de stadhouder alle naar Syrië bestemde brieven, en daaronder ook die van Ramses’ kinderen, in Thebe had opgehouden. Een kamerheer, die den koning geheel was toegedaan, had daarop, door den ceremoniemeester aangemoedigd, aan Bent-Anat nog een en ander medegedeeld, dat haar bijna niet langer kon doen twijfelen aan Ani’s eerzuchtige plannen.

Men had de prinses ook gebeden zich voor Nefert te wachten, wier moeder de vertrouwdste raadgeefster van den stadhouder was, doch Bent-Anat had bij deze mededeeling gelachen. Zij had terzelfder ure een bode tot Ani gezonden om hem mede te deelen, dat zij bereid was de bedevaart naar de Smaragden-Hathor te ondernemen, en zich in den tempel dezer godin te laten reinigen. Haar voornemen was vandaar boden naar haar vader te zenden, en hem, als hij het toestond, in het legerkamp te volgen. Zij had dit plan aan hare vriendin medegedeeld, en Nefert hield elken weg voor de beste, die haar nader zou brengen bij haar gemaal.

Rameri werd haastig in alles ingewijd. Hij berichtte daarentegen op zijn beurt al wat hij vernomen had, en liet Bent-Anat vermoeden, dat hij het geheim van haar hart doorzag. Zoo waardig was zijne houding, zoo ernstig waren de woorden, die de anders zoo overmoedige wildzang sprak, dat Bent-Anat bij zichzelve dacht: het gevaar dat dit huis bedreigt, heeft dezen knaap opeens tot een man doen rijpen.

Zij had dan ook niets tegen zijne beschikking in te brengen. Hijzelf wilde, alleen vergezeld door een enkel getrouw dienaar, na zonsondergang, met vlugge paarden naar Keft284) rijden, en vandaar in aller ijl door de woestijn naar de Schelfzee, ten einde daar een Phoenicisch schip te huren en naar Alia285) te zeilen. Vandaar wilde hij door het rotsgebergte van het Sinaïtisch schiereiland heen met versnelde marschen het Egyptisch leger en zijn vader trachten te bereiken, ten einde hem in kennis te stellen met Ani’s misdadige plannen.

Voorts werd aan Bent-Anat opgedragen, met behulp van den getrouwen ceremoniemeester Pentaoer te redden. Aan geld ontbrak het niet, want ook de schatmeester was haar toegedaan. Het kwam er nu maar op aan den scheepsgezagvoerder te bewegen in Chennoe te landen. Het lot van den dichter was in het ergste geval daar toch draaglijk. Te gelijker tijd zou een getrouwe bode met een schrijven naar den gouverneur van Chennoe worden gezonden, een bevel inhoudende, in naam van koning Ramses, om elk schip, dat bij nacht de stroomengte van Chennoe zou passeeren, aan te houden, alsmede om te beletten, dat de gevangenen, die tot den arbeid in de steengroeven van zijne stad waren veroordeeld, naar Ethiopië werden gesleept.

Rameri nam afscheid van de vrouwen, en het gelukte hem Thebe onopgemerkt te verlaten.

Bent-Anat lag biddend voor de beelden van hare Osirische moeder, van Hathor en de beschermgoden van haar huis, tot de ceremoniemeester terugkeerde en haar mededeelde, dat hij den gezagvoerder had overgehaald in Chennoe te landen, en voor Ani te verzwijgen, dat de geheele aanslag verraden was.

De prinses haalde weder vrij adem, toen zij dit hoorde, want zij was besloten, wanneer de zending van haar trouwen dienaar mocht mislukken, naar de Nekropolis over te steken, te verbieden dat het schip zou afvaren, en in het uiterste geval het volk dat haar trouw was tegen Ani op te roepen.

Den volgenden morgen liet vrouwe Katoeti aan de prinses verlof vragen, of zij haar dochter zou mogen spreken. Bent-Anat vertoonde zich echter niet aan de weduwe, wier poging, om namelijk haar kind van de reis met de koningsdochter terug te houden en weder in haar huis op te nemen, schipbreuk leed. De gekrenkte moeder was daarop verstoord en onrustig geworden, en ijlings naar Ani gegaan, teneinde hem te verzoeken Nefert met geweld terug te houden. Maar de stadhouder wilde alles vermijden wat opzien kon verwekken, en Bent-Anat laten vertrekken met een gevoel van volkomene gerustheid.

»Wees niet bezorgd,” zeide hij; »ik zal de vrouwen eene vertrouwde schare medegeven, die haar bij de Smaragden-Hathor zal terughouden, tot hier alles zijn beslag heeft gekregen. Dan moogt gij Nefert in de armen voeren van den ruwen Paäker, wanneer hij u als schoonzoon nog aangenaam zal zijn, na alles wat ik ten uitvoer zal hebben gebracht. Wat mij betreft, mogelijk beweeg ik ten slotte mijne trotsche nicht nog wel, in plaats van naar beneden, naar boven te zien. Ik zal haar tweede geliefde zijn, maar zij is ook niet mijne eerste!”

De beiden vrouwen braken den volgenden dag op. Ani nam afscheid van haar met zijne gewone vriendelijkheid, die koel en vormelijk werd beantwoord.

De priesterschap van den Amon-tempel te Thebe, met den ouden Bek-en-Choensoe aan het hoofd, deed haar tot aan de haven uitgeleide. Het volk aan den oever riep Bent-Anat’s naam en sprak luide vele zegenwenschen uit. Doch er werden ook honende woorden gehoord.

Het Nijlschip waarop zich de beide bedevaartgangsters bevonden, werd gevolgd door twee andere, beladen met soldaten, die de vrouwen moesten begeleiden »om haar te beschermen.” De zuidenwind deed de zeilen zwellen en voerde het vaartuig snel stroomafwaarts. De prinses zag nu eens op naar het paleis harer vaderen, dan weder naar de graven en tempels van de Nekropolis. Eindelijk verdwenen ook de kolossen van Amenophis en de laatste huizen van Thebe uit het oog. De anders zoo sterke jonkvrouw zuchtte smartelijk, en tranen rolden haar langs de wangen. Het was haar alsof zij de vlucht nam na een verloren veldslag, hoewel niet moedeloos, maar hopende op eene toekomstige zege.

Toen Bent-Anat zich omkeerde, om naar de kajuit te gaan, trad een gesluierd meisje haar te gemoet. Zij verwijderde het doek, dat haar aangezicht verborgen hield, en zeide: »Vergeef mij, prinses, ik ben Warda, die gij overreden hebt, en voor wie gij zoo goed zijt geweest. Mijne grootmoeder is gestorven, en ik ben nu geheel alleen. Ik sloop onder uwe dienstmaagden naar u toe, want ik wil u volgen en alles doen wat gij beveelt. Wijs mij nu niet terug!”

»Blijf, lief kind,” zeide de prinses, en bij deze woorden legde zij de hand op haar hoofd. Zij was getroffen over hare buitengewone lieftalligheid en dacht onwillekeurig aan haar broeder, en zijn wensch om Warda’s glanzende haarvlechten met eene roos te tooien.

VIERDE HOOFDSTUK.

Twee maanden waren er sedert het vertrek van Bent-Anat uit Thebe en de gevangenneming van Pentaoer verloopen, toen een lange trein van lastdieren en menschen voorttrok door het dal, Ant-Baba geheeten, in het westelijk deel van het Sinaïtisch schiereiland286).

Het was winter en toch schoot de middagzon brandende stralen, die door de naakte rotsen werden teruggekaatst.

De trein werd geopend en ook gesloten door eene afdeeling Libysche soldaten. Elk hunner was met een dolk en een strijdbijl, met schild en lans gewapend, en gereed van die wapenen gebruik te maken, als het noodig was. Want deze krijgslieden geleidden een transport gevangenen uit de mafkatgroeven, die zij naar het strand van de Schelfzee hadden gebracht287), om af te leveren wat uit de mijnen was gedolven, en om den uit Egypte aangekomen voorraad in ontvangst te nemen, die naar de magazijnen der bergwerken moest worden gevoerd.

Gebogen onder hun last en hijgend stapten die ongelukkigen voort. Elke gevangene sleepte een koperen ketting mede, die aan zijne enkels was vastgesmeed. Hunne eenige kleeding bestond uit gescheurde lompen, die zij om de heupen hadden geslagen. Schier bezwijkend onder de vracht der zakken, staarden zij met strakke blikken naar den grond. Als de een of ander dreigde ineen te zijgen, werd hij weer opgewekt door de zweep van een der ruiters, die langs den trein op en neer reden. Voor velen was de keus blijkbaar niet gemakkelijk, of zij onder de vermoeienis dan onder de zweepslagen zouden bezwijken.

Niemand, noch de gevangenen noch van die hen geleidden, sprak een enkel woord. Zelfs zij die geslagen werden schreeuwden niet, want hunne stemorganen waren als uitgedroogd, en in de harten hunner drijvers welde zoo min een gevoel van medelijden op, als er een kruidje groende op de rotsen aan den weg.

De sombere schare bewoog zich voorwaarts alsof het zoovele schimmen waren, dàn alleen met het oor waar te nemen, wanneer een zacht gesteun aan de borst van een der gemartelden werd ontperst. De zandige weg maakte geen geluid, als de naakte voet van den wandelaar dien betrad. De bergen weigerden schaduw te geven. Het licht was hier eene plaag. Alles in het rond scheen onbezield, en toch den mensch vijandig. Wijd en zijd vertoonde zich op deze doodsche grauwe en bruine oppervlakte geen plant, geen worm. Zelfs geen vogel, die klapwiekend zich in de lucht verheft, lokte de bedrukten uit den blik eens omhoog te heffen.

Daags te voren, op den middag, waren zij met hunne lading van de havenbocht opgebroken. Twee uren lang waren zij voortgetrokken langs den oever van de Schelfzee, met hare helder blauwgroene wateren288). Zij hadden eene vooruitspringende rots moeten overtrekken, om daarna door eene smalle vlakte te marcheeren. Bij den ingang van het dal, dat naar de groeve leidde, werd nachtkwartier gehouden. De aanvoerders en de soldaten ontstaken vuren, schaarden zich daarom en legden zich in de bocht van eene rots te slapen neder. De gevangenen strekten zich midden in het dal op den bodem uit, ongedekt, ofschoon de vorst hen deed verstijven, toen de bittere koude van den nacht plotseling de gloeiende hitte van den dag verving. De half bevrozenen begroetten waarlijk de drukkende ellende van den dagelijkschen arbeid weder als eene verlossing, hoewel zij weinige uren te voren naar de rust van den nacht hadden gesmacht.

Alvorens men opbrak, werd onder de gevangenen linzenbrij en hard brood in overvloed uitgedeeld, maar het water werd hun toegemeten. Dan ging het weder verder door de bergengte, die al heeter en heeter werd, van het eene keteldal in het andere. In elk scheen het pad dood te loopen, maar overal werd een uitweg gevonden. Het pad liep onafgebroken door; het had geen einde, zoo min als de kwelling der ongelukkigen.

Sommige reusachtige rotswanden zagen er uit, als waren zij uit vierkante, rechthoekig gehouwen steenblokken laagsgewijze opgestapeld. Doch er was maar éen onder de mijnwerkers, maar éen die een oog had voor deze wonderbare vormen te midden van zoovele andere, waar in de natuur zich openbaarde. De schouders van dien éenen schenen sterker te zijn dan die zijner lotgenooten, en zijn last drukte maar weinig.

»In deze eenzame woestenij, die de menschen alle levensonderhoud weigert en hen van zich weert,” dacht hij bij zichzelven, »hebben de Chnemoe289), de werklieden die de aarde bouwden, zich de moeite bespaard de voegen aan te vullen en de vormen behoorlijk af te ronden. Hoe komt het toch, dat men dit gruwzaam oord, waarin ook de menschenharten zonder eenig gevoel van medelijden schijnen te versteenen, gewijd heeft aan de goedige Hathor290)? Misschien wel omdat deze plek het meest behoefte heeft aan de gaven van de vriendelijke godin der liefde en der vreugde.”

»Blijf in het gelid, Hoeni!” riep een der drijvers op strengen toon.

Hij die alzoo toegesproken werd, sloot zich dichter aan bij den man die naast hem liep, den zuchtenden arts Nebsecht.

Wij kennen den sterken gevangene. Het is Pentaoer, die op de lijst der mijnwerkers onder den naam Hoeni voorkwam, en alzoo aangeroepen werd.

De tocht ging verder. De rotsen werden steeds steiler. Op den weg, die onmerkbaar meer en meer klom, lagen groote hoopen roode en zwarte steenbrokken, zoo klein alsof de menschelijke hand ze had afgeslagen. Wederom opende zich een nieuw keteldal, maar ditmaal was er geen uitweg.

»De last der ezels verlichten!” riep de aanvoerder van het transport den gevangenen toe. Daarop wendde hij zich tot de soldaten en beval hen, nadat zij de lastdieren hadden afgeladen, de mannen zwaarder te belasten. Onder de uiterste inspanning hunner krachten klouterden de arme lieden, die tot bezwijkens overladen waren, het bergpad op291), dat nauwelijks te onderkennen was.

Pentaoer’s voorman, een magere grijsaard, zonk ter halver hoogte onder zijn last ineen. Een drijver, die op het smalle pad de dragers niet voorbij kon loopen, wierp hem met steenen, om den oude te dwingen opnieuw al zijne krachten te verzamelen. De grijsaard schreeuwde van pijn. Pentaoer dacht aan den Paraschiet, die onder de slagen der woedende volksmenigte neerzonk, aan zijne worsteling en aan Bent-Anat. Met innig medelijden vervuld, en in het gevoel van zijne eigene gezonde kracht, was zijn besluit spoedig genomen. Hij tilde de zakken van ’s grijsaards schouders, wierp hen op de zijne, en hielp den oude weer op de been. Menschen en dieren kwamen gelukkig ongedeerd over den berg heen.

Pentaoer’s slapen klopten geweldig. Hij hijgde naar adem en huiverde, toen hij van den hoogen bergpas neerzag in den bergketel beneden hem, en zijn oog liet gaan langs de hem omringende scherp getande rotspunten, de klippen en hoogten, hier wit en grauw of zwavelgeel, daar bloedig rood en akelig zwart gekleurd. Hij dacht aan het heilige meer van Moeth te Thebe292), met de honderden beelden van de godin met den leeuwenkop, uit zwart bazalt gehouwen, op hunne postamenten. De klippen die dit dal omgaven namen dergelijke vormen aan, zij schenen zich te bewegen en den muil te openen. Het was hem of hij in het wild gesuis om zijne ooren haar gebrul hoorde, en de dubbele last, die ook voor zijne schouders te zwaar was, gaf hem het gevoel, als drukten zij hare handen tegen zijn borst.

Eindelijk bereikte hij toch zijn doel. De andere gevangenen wierpen de zakken van hunne schouders en gingen rusten. Hij deed werktuigelijk hetzelfde. Zijn bloed kwam tot bedaren, de visioenen verdwenen, zijne oogen zagen, zijne ooren hoorden weder, en in zijne hersenen keerde de oude denkkracht terug. De grijsaard en de arts Nebsecht rustten naast hem uit.

De oude man streelde de hooggezwollen aderen van zijn hals en bad den zegen aller goden over hem af. Doch de aanvoerder van de wachters sneed den grijsaard de gelegenheid af verder te spreken, daar hij, de rustende voorbij wandelende, riep: »Gij hebt kracht voor drie, Hoeni; wij zullen je in het vervolg zwaarder belasten!”

»Hoe liefderijk verhooren toch uwe vriendelijke goden de vrome zegenwenschen,” zeide de arts Nebsecht scherp, »en hoe weten zij eene goede daad te beloonen!”

»Ik ben genoeg beloond,” antwoordde Pentaoer, terwijl hij den grijsaard vriendelijk aanzag. »Maar gij eeuwige spotter, hoe gevoelt gij u? Gij ziet er zoo bleek uit.”

»Ik gevoel mij als een dier ezels daar,” antwoordde de natuurvorscher. »Mijne knieën beven, evenals de hunne, en ik denk aan niets anders dan waaraan zij denken, en ik wensch niets meer of niets minder dan zij. Dat wil zeggen: ik wenschte dat wij in den stal lagen.”

»Nu, als gij nog denken kunt,” zeide Pentaoer lachend, »dan ziet het er nog zoo kwaad niet uit.”

»Eéne wijze gedachte had ik ten minste, terwijl gij zooeven in de lucht tuurdet. Het verstand, zoo leeren de priesters, is een lichtende adem van den eeuwigen wereldgeest, en onze ziel is de vorm van het stuk materie, dat men mensch noemt. Ik zocht den geest eerst in het hart, vervolgens in de hersenen: maar nu weet ik dat zij in armen en beenen schuilt, want sedert ik deze lichaamsdeelen bovenmatig moet vermoeien, is het gedaan met het denken. Ik ben te lui om mij met verdere bewijzen in te laten, maar zal in het vervolg mijne beenen met meer achting behandelen.”

»Zijt gij beiden weer aan ’t twisten? — Op mannen!” riep de drijver.

De vermoeide ongelukkigen stonden langzaam op, de dieren werden opnieuw beladen, en de beklagenswaardige troep zette zich weder in beweging, om tegen den avond bij de mafkat-groeven aan te komen.

Het einddoel van den tocht der gevangenen was een breed dal, door twee hooge en rotsachtige berghellingen ingesloten. De Egyptenaren noemden die plaats Ta Mafka, de Hebreën Dophka293). De zuidelijke rotswand bestond uit donker graniet, de noordelijke, waarin de turkoois-mijnen werden gevonden, uit ronden zandsteen. In een dwarsdal op eenigen afstand lagen de metaalgroeven294), waarin vooral koper werd gevonden. Midden in het dal verhief zich een heuvel295), door een muur omgeven, waarop kleine van steen opgetrokken huisjes stonden voor de wachters, officieren en opzichters296). Volgens een oud voorschrift moesten zij van boven open zijn, doch daar vele arbeiders door den nachtvorst waren ziek geworden en gestorven, had men ze een weinig gedekt, met palmtakken uit de oase der Amalekieten in de nabijheid.

De smeltovens bevonden zich op de uiterste toppen van den heuvel, die het meest aan den wind blootstonden. Daar stond ook de fabriek, waarin men het groene vloeispaath vervaardigde, dat onder den naam mafkat, dat is smaragd, in den handel werd gebracht. De echte edelsteen van dezen naam werd aan de westkust van de Schelfzee, verder naar het zuiden gevonden, en in Egypte hoog gewaardeerd.

Onze vrienden behoorden reeds langer dan een maand onder de mijnwerkers van het mafkat-dal, en Pentaoer wist nog altijd niet, hoe hij, in plaats van in de zandsteen-groeven van Chennoe, hierheen en met Nebsecht samen was gekomen. Ongetwijfeld had Warda’s vader deze verwisseling bewerkt, en de dichter kon niet anders gelooven, of de ruwe maar eerlijke soldaat had dit met de beste bedoelingen gedaan. Hij was nog altijd in zijne nabijheid, maar sedert zij van Thebe waren opgebroken, had hij nog maar een enkele maal gelegenheid gehad hem te naderen.

Dadelijk, in den eersten nacht, was de zoon van den Paraschiet bij hem gekomen, en had hem in het oor gefluisterd: »Ik zal voor u zorgen! Gij zult den arts Nebsecht hier wedervinden. Doet alsof gij elkander vijandig zijt, indien gij niet wilt, dat men u van elkander zal scheiden.”

Pentaoer had zijn vriend den raad van den soldaat medegedeeld, en de arts volgde dien op zijne manier. Heimelijk schepte hij er behagen in, te zien, hoe de werkelijkheid thans Pentaoer’s geloof aan eene rechtvaardige en liefderijke beschikking van ’s menschen lotgevallen logenstrafte. Hoe zwaarder werkzaamheden hem en den dichter werden opgelegd, met des te meer verbittering, ja, met eene tot het uiterste gedrevene ironie viel de anders zoo vreedzame natuuronderzoeker, den laatste telkens aan.

Nebsecht had Pentaoer lief, want deze bewaarde in zijne ziel de sleutels, die toegang verleenden tot eene schoonere wereld, helaas, voor het oog zijns geestes altijd gesloten. Toch viel het hem gemakkelijk, zoo vaak hij bemerkte dat men het oog op hem had, zijne rol te spelen en den dichter allerlei woorden naar het hoofd te werpen, die de drijvers voor onzinnig hielden en hun lachlust opwekten, omdat zij hun zoo zonderling in de ooren klonken, en zoo hortend en stootend over zijne stamelende lippen kwamen. »Afgeranseld omhulsel van goddelijk zelfbewustzijn;” »Op den bek geslagen advocaat der gerechtigheid;” »Goochelaar, die deze wereld, de slechtste die men zich bij mogelijkheid denken kan, op den kop zet, om te bewijzen dat zij de beste is;” »Bewonderaar van de schoone kleur zijner blauwe plekken!” zulke en dergelijke schimpwoorden, die alleen voor hemzelven en den gesmaden verstaanbaar waren, kon hij gedurig uitwerpen, onuitputtelijk in nieuwe combinatiën.

Daardoor prikkelde hij Pentaoer tot antwoorden, die altijd doel troffen, niet zelden zeer puntig waren, en door oningewijden niet konden begrepen worden. Dikwijls gingen hunne smaadredenen in een formeel twistgesprek over. En dit had een dubbel nut. Vooreerst vond hun geest, aan ernstig denken gewoon, gelegenheid tot vrije beweging, ondanks den last van den dwangarbeid, die alle geestelijk leven dreigde te vermoorden. Ten andere hield men hen hierdoor werkelijk voor vijanden.

Beiden sliepen in denzelfden hof, en wisten elkander daar nu en dan heimelijk te spreken. Overdag werkte Nebsecht in de turkoois-groeven, Pentaoer echter in de kopermijnen. De zwakkere arts was juist berekend voor het omzichtig uitbeitelen van het edelgesteente uit de rotslagen. Het verbrijzelen van den harden steen was eene bezigheid, die meer geschikt was voor Pentaoer’s reuzenkracht. De drijvers beschouwden den geweldigen jongeling niet zelden met verbazing, wanneer hij met het houweel wild op het gesteente lossloeg.

Niemand kon vermoeden welke beelden zich in zulke uren van woedenden arbeid voor de ziel des dichters plaatsten, welke vreeselijke en tevens verleidelijke tonen hij in zijn binnenste vernam. Gewoonlijk vertoonde Bent-Anat’s gestalte zich voor zijne levendige verbeeldingskracht, omringd door een leger, dat hij meende te verslaan, man voor man, terwijl hij op de rotsen hamerde. Soms wierp hij te midden van zulk een arbeid het houweel weg en breidde hij zijne armen uit, maar om diep te steunen, en het zweet, dat van zijn voorhoofd gutste, met de hand weg te vegen.

De opzichters wisten eigenlijk niet, waarvoor zij dezen sterken jongeling moesten houden, die soms zoo vriendelijk was als een kind, maar toch reeds onder den invloed bleek te komen van den demon, waarvan zoovele dwangarbeiders het slachtoffer werden297).

Hij was zichzelven een raadsel geworden, want vanwaar kwam in hem, den in den vrede van het Seti-huis opgevoeden tuinmanszoon, sedert het gebeurde van dien nacht voor de hut van den Paraschiet, dat altijddurend verlangen naar worsteling en strijd?

De afgematte werklieden hadden zich ter ruste begeven; vóor het huis van den overste der bergwerkers brandde echter nog een helder vuur. De opzichters en onderbevelhebbers der soldaten waren in een kring er om neergehurkt.

»Doe thans de bekers weg,” zeide de overste, »want wij hebben ernstig raad te houden. Gisteren heb ik, op bevel van den stadhouder, de helft der manschappen van de wacht naar Pelusium moeten zenden. Hij heeft soldaten noodig. Maar wij zijn zoo zwak in aantal geworden, dat, als de veroordeelden het wisten, zij zelfs zonder wapenen ons te sterk zouden worden. Steenen liggen er hier beneden genoeg, en overdag hebben zij beitel298) en hamer. Het ergst ziet het er uit bij de Hebreën in de kopermijn. Het is een zeer oproerig volk, dat men kort moet houden. Gij kent mij genoeg, om te weten dat ik waarlijk niet bang ben. Maar ik maak mij over iets bezorgd. Hier in dit vuur branden de laatste kolen, en de smeltovens en glasgieterijen mogen niet stilstaan. Morgen moeten er dus lieden naar Raphidim299) worden uitgezonden, om kolen van de Amalekieten te eischen. Zij zijn ons nog honderd ladingen schuldig300). Belast de gevangenen met wat koper, om ze te vermoeien en de bewoners der oase welwillend te stemmen. — Wat zullen wij echter aanvangen om te verkrijgen wat wij noodig hebben, en de manschappen hier toch niet al te zeer te verzwakken?”

Men overwoog nu eens dit, dan weder dat. Eindelijk werd besloten, dat dagelijks eene zeer kleine afdeeling, door weinige soldaten geëscorteerd, zou opmarcheeren, om zoo van den eenen dag op den anderen in behoefte aan kolen te voorzien. Men achtte het voorts geraden, dat de gevaarlijkste dezen vrachtdienst zouden verrichten, twee aan twee met ketens aan elkander geklonken.

De overste gaf in bedenking, dat twee sterke mannen, aan elkander verbonden, dubbel gevaarlijk konden worden, wanneer zij eendrachtig handelden.

»Zoo verbinde men een sterken met een zwakken,” zeide de man die de rekening van de mijnen hield en dien men den schrijver der metalen noemde. »Smeed ook zooveel mogelijk de zoodanigen aaneen, die elkander vijandig zijn.”

»Hoeni bij voorbeeld, die zoo sterk is als een boom, aan den spottenden musch, den stotterenden Nebsecht,” riep een onderbevelhebber.

»Aan die twee dacht ik ook juist,” zeide de schrijver lachend.

Nog drie andere paren werden eerst al schertsend maar daarna met klimmenden ernst gekozen, en eindelijk ook Warda’s vader onder de drijvers opgenomen.

Den volgenden morgen smeedde men Nebsecht en Pentaoer met een koperen keten aan elkander vast. Toen de zon ter middaghoogte stond, braken vier paar gevangenen op, met zware baren koper belast, om door zes soldaten en den Paraschieten-zoon geleid, uit de oase der Amalekieten brandstof voor de smeltovens te halen.

Bij de halt Aloes301) hielden zij rust. Daarna trokken zij verder tusschen kale, steeds hooger oprijzende, grauwachtig groene en bruine rotswanden van porfier. Van tijd tot tijd konden zij den scherpen top van een reus in dit gebergte waarnemen, die hoog boven de lagere bergen uitstak. Doch daar zij gebukt gingen onder den zwaren last van het koper dat zij droegen, hadden zij weinig lust er acht op te slaan. De zon neigde reeds ten avond, toen zij het kleine heiligdom van de Smaragden-Hathor voorbijkwamen.

Hier vlogen eenige grijze en zwarte vogels klapwiekend hun te gemoet. Pentaoer zag met blijdschap naar hen op. Hoe lang had hij reeds het gezicht dezer dieren en het geluid hunner stem moeten missen!

»Daar zijn vogels,” sprak Nebsecht, »wij moeten dus in de nabijheid van water zijn.”

Daar stond werkelijk de eerste palmboom. Weldra hoorde men duidelijk het murmelen eener beek, en deze zachte tonen deden de gemoederen der woestijn-wandelaars even weldadig aan, als de regen het dorrende gras.

Aan de linkerzijde van het water was, in een wijden kring, eene afdeeling Egyptische soldaten gelegerd, in wier midden zich drie groote tenten verhieven, van kostbare, blauw en rood gestreepte en met goud doorwerkte stoffen. Van de bewoners der tenten was niets te zien; toen de gevangenen er echter voorbij waren, en hunne drijvers de wachtposten hadden begroet, kwam hun een meisje te gemoet in het lange gewaad eener Egyptische, en beschouwde hen met opmerkzaamheid.

Pentaoer ging van schrik achteruit, als ware er een geest voor hem opgerezen; maar Nebsecht kon niet nalaten een luiden kreet van verrassing te doen hooren, daarbij eene beweging met zijne handen makende.

Op hetzelfde oogenblik zwaaide een drijver zijn zweep over de schouders der twee vrienden, hun lachend toeroepende: »Met je tongen mag je elkaar klappen toedienen, zoo veel je wilt, maar niet met je handen!”

Daarop keerde de soldaat zich tot een zijner metgezellen, vragende: »Hebt ge dat mooie meisje daar bij de tent gezien?”

»’t Geeft ons niet veel!” antwoordde de ander. »Zij behoort tot het gevolg der prinses, die reeds sedert drie weken den tempel van de Smaragden-Hathor bezoekt.”

»Zij moet zware misdaden begaan hebben,” hernam de eerste spreker. »Behoorde zij tot ons gelijken, dan zou zij bij de groeven zand moeten spitten of kleurstoffen fijnstooten, en zeker niet hier in vergulde tenten wonen. — Waar is de roodbaard?”

Warda’s vader was een weinig achter den trein gebleven, want het meisje had hem gewenkt en eenige woorden met hem gewisseld.

»Hebt ge ook nog oogen voor de meisjes?” vroeg hem de jongste der drijvers, toen hij zich weder bij hen had gevoegd.

»Zij is eene dienstmaagd der prinses,” antwoordde Kaschta, niet zonder verlegenheid. »Wij zullen morgen van haar een brief aan den schrijver der metalen medenemen, en daarvoor wil zij ons wijn schenken, wanneer wij ons ten minste legeren in de nabijheid der tenten.”

»Zie me dien ouden roodbaard!” riep een der jongere drijvers. »Hij ruikt den wijn als een vos de ganzen. Laat ons hier rusten! Men weet bovendien nimmer, hoe men het met de Mentoe302) heeft, en de overste heeft bevolen, dat wij buiten de oase ons nachtkwartier zullen houden. — De zakken af, mannen! Hier is frisch water, en misschien vallen er nog wel wat dadels voor je af, en zoet Man303) op het brood. Maar pas op dat je vrede onder elkaar houdt, gij kemphanen Hoeni en Nebsecht!”

Bent-Anat’s reis naar de Smaragden-Hathor had lang geduurd. Zij was met die haar begeleidden tot Keft304) den Nijl afgezakt. Vandaar waren zij in kleine dagmarschen de woestijn dwars doorgetrokken. Eindelijk aangekomen in de grootendeels door Phoeniciërs bewoonde havenstad aan de Schelfzee305) hadden zij aldaar eene volle week moeten wachten op het schip, dat hen naar Pharon overbracht, een dorpje alleen door visschers bewoond. Vandaar trokken zij door het gebergte naar de oase, bij welker noordelijken toegang het heiligdom van de Smaragden-Hathor werd gevonden.

De oude priesters, die met den dienst der godin belast waren, hadden de dochter van Ramses eerbiedig ontvangen. Door middel van het heldere en koele water der beek uit het gebergte, die de palmen der Amalekieten drenkte, door berookingen, vrome spreuken en ontelbare ceremoniën, hadden zij getracht aan de prinses hare reinheid terug te geven. Ten laatste verklaarde de godin zich bevredigd, en Bent-Anat wilde nu opbreken, ten einde noordwaarts naar haren vader te trekken. Doch de bevelhebber der soldaten, die haar geleide uitmaakten, een in den dienst vergrijsd Ethiopisch veldoverste, wiens zonen Ani tot hooge rangen had bevorderd, verklaarde den ceremoniemeester, dat hij bevel had de prinses zoolang in de oase terug te houden, tot de stadhouder haar zou toestaan te vertrekken. Bent-Anat hoopte nu op den bijstand haars vaders, die dagelijks kon verwacht worden, wanneer Rameri ten minste geen onheil was overkomen. Maar, te vergeefs!

De vrouwen verkeerden inderdaad in een zeer pijnlijken toestand, want zij gevoelden, dat men haar in een hinderlaag had gelokt en dat zij gevangenen waren. Er kwam nog bij, dat de Ethiopische soldaten zich tegen de bewoners der oase vergrepen hadden. Dagelijks hadden er onder hunne oogen vechtpartijen plaats, waarbij in de laatste dagen zelfs bloed had gevloeid.

Bent-Anat was krank naar de ziel. De beide machtige vleugels, die haar in staat hadden gesteld zich zoo hoog te verheffen boven al hare zusters, namelijk haar vorstelijke trots en hare opgeruimde helderheid van geest, schenen gebroken te zijn. Zij gevoelde dat zij eenmaal had liefgehad, om nimmer weder lief te hebben; dat zij, die geene luchtkasteelen had willen bouwen, maar alles gezocht in de werkelijkheid, ten slotte toch het beste deel van haar wezen had gewijd aan een droombeeld. Het beeld van Pentaoer stond haar nog altijd levendig voor den geest, en scheen steeds grootere en reinere vormen aan te nemen. Hijzelf was voor haar als gestorven. Er was nog maar een enkele brief uit Egypte tot haar gekomen, en deze had vrouwe Katoeti aan Nefert gericht, om haar mede te deelen, hoe nieuwe berichten hadden bevestigd, dat haar echtgenoot eene gevangene vorstendochter als zijn aandeel in den buit in zijne tent had genomen. Het schrijven van de weduwe hield verder in, dat de tot dwangarbeid veroordeelde dichter Pentaoer niet in de steengroeven van Chennoe was aangekomen, zoodat men allen grond had om te onderstellen, dat hij onderweg gestorven was.

Nefert wankelde ook ditmaal geen oogenblik in de overtuiging, dat haar echtgenoot haar trouw was gebleven. Zij hield onveranderlijk vast aan het geloof in zijne liefde. De veerkracht harer natuur, die door een grooten en reinen hartstocht geheel werd beheerscht, en daarom meer harmonisch was ontwikkeld, bleek juist in deze bange en moeielijke dagen. Het scheen wel dat zij en Bent-Anat van rollen hadden verwisseld. Altijd vol hoop, verzekerde zij van den eenen dag op den anderen, dat er wel hulp van den koning zou opdagen. Daarbij vleide zij zich dan dat Mena, als hij van Rameri vernam dat zij bij Bent-Anat was, zelf zou komen om haar te halen, wanneer zijn dienst het ten minste toeliet. In uren van blijmoedige verwachting ging zij zelfs zoover, dat zij zich voorstelde hoe de bewoners van de tent verdeeld moesten worden: wie Bent-Anat gezelschap zou moeten houden, wanneer Mena haar bij zich in zijne legerplaats nam; in welk gedeelte van de oase hij het best zijne tenten zou opslaan; en zoo al verder.

Warda, meende Nefert, kon gevoeglijk bij Bent-Anat haar plaats vervangen, want het meisje had zich op deze reis merkwaardig ontwikkeld. Zij droeg de deftige gewaden, die de prinses haar gaf, alsof zij nooit andere had gedragen. Zij wist met bescheidenheid te luisteren, zich ter rechter tijd te verwijderen, en aardig te praten, wanneer men met haar in gesprek trad. Daar was een reine zilvertoon in haar lachje, dat meer dan iets anders Bent-Anat kon vertroosten. Ook luisterden de vriendinnen gaarne naar hare gezangen, hoewel de weinige liederen, die het meisje kende, ernstig en zwaarmoedig waren. Zij had ze afgeluisterd van de oude Hekt, die dikwijls in ’t donker op eene luit speelde. Toen de tooveres opmerkte, dat Warda hare melodieën nazong, wees zij haar op enkele gebreken, en gaf haar goede wenken. »Zij valt toch eens in mijne handen,” dacht de heks, »en hoe beter zij zingen kan, des te duurder wordt zij betaald.”

Bent-Anat beproefde ook Warda onderwijs te geven, maar het viel de jeugdige leerlinge bijzonder zwaar te leeren lezen, hoeveel moeite zij zich ook gaf. Toch liet de prinses de lessen in de spelkunst niet varen. De werkeloosheid waartoe zij gedoemd was, hier aan den voet van dien majestueuzen heiligen berg, tot welks toppen zij dikwijls met huivering zoowel als met verlangen opzag, drukte haar des te zwaarder, naarmate er meer in hare ziel omging, dan zij zou wenschen te uiten. Warda kende de oorzaak van de smart harer meesteres, en zij had haar om zijnentwil lief als eene heilige. Dikwijls vertelde zij van Pentaoer en zijn vader al wat zij wist, en altijd zóo, dat de prinses niet vermoeden kon hoezeer zij was ingewijd in het geheim harer liefde.

Toen de gevangenen voorbij Bent-Anat’s tent werden gevoerd, zat zij met Nefert daar binnen, en sprak, zooals gewoonlijk in de schemering geschiedde, over haar vader en zijn wagenmenner Mena, over Rameri en Pentaoer.

»Hij leeft nog,” zeide Nefert, doelende op den dichter, »al schrijft mijne moeder ook, dat men niet zeker weet waar hij gebleven is. Wanneer hij ontkomen is, dan tracht hij ongetwijfeld het leger van den koning te bereiken, wanneer wij daar eens zijn, dan vindt ge hem zeker bij uw vader.”

De prinses staarde met een droef gelaat op den grond. Doch Nefert zag haar vriendelijk aan en vroeg: »Denkt gij misschien aan het onderscheid van stand, dat u scheidt van den uitverkorene uws harten?”

Notes in this chapter

Note 1 · Naar de teksten van het Doodenboek.Note 2 · Volgens de teksten van het Doodenboek en de inleiding van den papyrus-Ebers, geneest Isis het oog van Horus.Note 3 · De Egyptenaren schreven aan het bloed en de tranen der goden scheppende krachten toe. Hierover kan men het best raadplegen Lefébure. Le mythNote 4 · Gelijk Isis als moeder, zoo wordt Nephtys als zoogmoeder en opvoedster van Horus voorgesteld. Op het eiland Philak zien wij een der PtolemaeNote 5 · Onder de Arabieren is nog het oude geloof bewaard gebleven, dat de Nijl wast door een goddelijken traan, die in den stroom valt. Nog heden wNote 6 · De tegenwoordige oase Siwah, waar de dadelboomen nog altijd vruchten dragen, die wijd en zijd beroemd zijn.Note 7 · De Hathor van het maskat was de godin, die voornamelijk op het Sinaïtisch schiereiland werd vereerd. Na de grondige verhandeling van LepsiusNote 8 · Niet de berg Sinaï, waar de monniken wonen, maar het reusachtig gebergte, dat thans Serbal heet, houden wij voor den Sinaï van den Bijbel. WNote 9 · De bergvolken van het Sinaïtisch schiereiland.Note 10 · In de tegenwoordige oase Feirân.Note 11 · De naam van de godin der waarheid (Ma) wordt ook geschreven met de hiëroglyphe, die eene el voorstelt. Van de oude heilige ellematen zijn erNote 12 · De zuilen des hemels (sechent pet) komen in verschillende teksten voor. Op de schoone overwinnings-stêle van Thotmes III te Boelaq leest menNote 13 · De steengroeven van Chennoe, thans Gebel Silsileh, waren van buitengewonen omvang. Bijna al de zandsteen, dien men noodig heeft gehad voor hNote 14 · Bij Chennoe wordt de stroom smaller. Onder Ramses II en zijn opvolger Mernephtah werden daar groote gedenksteenen opgericht, die schoone hymNote 15 · Het oude Syene, het heilige Assoean, bij den eersten waterval.Note 16 · De Persea is een der heilige boomen, en meer bepaald aan Hathor gewijd. Op de hartvormige vruchten, zooals de Persea op de gedenkteekenen isNote 17 · De portretten op de gedenkteekenen, en vooral de koppen in profiel, die in bas-relief zijn uitgebeiteld, zijn bijzonder scherp en karakterisNote 18 · Hier dient opgemerkt te worden, dat de vrouwen in Egypte over haar vermogen konden beschikken. Hierover kan men bijv. nazien den VIIden grooNote 19 · Koptos, het tegenwoordige Qeft aan den Nijl.Note 20 · Bij het tegenwoordige Aqaba.Note 21 · Over het Schiereiland van den Sinaï, zijne geschiedenis en de heilige plaatsen die daar gevonden worden, heb ik uitvoerig gehandeld in mijn Note 22 · De oude wegen, die van de mijnen naar zee voerden, schijnen uitgeloopen te hebben op de bocht, die nog heden Aboe Zelimeh heet, bij de kaap Note 23 · De Roode zee, in ’t Hebreeuwsch en in ’t Koptisch de Schelfzee geheeten, heeft eene heerlijke blauw-groene kleur. Volgens de schrijvers der Note 24 · Zie Dl. I bl. 82.Note 25 · Zie Dl. I bl. 8. De gedenkteekenen, die bij de beide voormalige steengroeven Wadi Maghara en Sarboet el Chadem op het Sinaïtisch schiereilanNote 26 · Tegenwoordig Naqb el Boeddrah. De Engelsche majoor Macdonald, die in de uitgegraven mijnen turkooizen liet delven, en eerst sedert eenige jaNote 27 · Van dit meer heeft Karel Werner in zijne Nilbildern, in kleurendruk uitgegeven bij Seitz te Wansbeck, eene zeer getrouwe voorstelling gegeveNote 28 · Numeri XXXIII, 13. Ebers, Durch Gosen, u. s. w. S. 140.Note 29 · Palmer en Wilson hebben ze ontdekt, en wel in Wadi Oemm Themâïm. Gaarne verwijzen wij hier naar het zeer belangrijke werk van M. A. Palmer, Note 30 · Het tegenwoordige Wadi Maghara.Note 31 · Er zijn nog eenige bouwvallen bewaard gebleven.Note 32 · Het schrikkelijk lot der Egyptische mijnwerkers wordt uitvoerig geschilderd in eene beroemde plaats van den rethor Agatharchides van Knidus,Note 33 · Deze beitels hadden den vorm van zwaluwstaarten.Note 34 · De oase aan den voet van den berg Choreb, bij welke, volgens de bijbelsche overlevering, de uitgetrokken Israëlieten onder aanvoering van JoNote 35 · De Bedoeïnen op het Sinaïtisch Schiereiland branden thans nog vele kolen uit het hout van den Sejâl-boom (Acacia tortilis Hayne), en brengenNote 36 · Numeri XXXIII, 13, 14.Note 37 · De goden der onderwereld.Note 38 · „Man” noemen heden de Bedoeïnen van het Sinaïtisch schiereiland de zoete uitzweeting van de tamarinde (tamarix mannifera), die in de wadis oNote 39 · Zie boven bl. 371.Note 40 · Het latere Berenice.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings