Note 272) — DERDE BOEK.
Hendrik Cornelis Rogge translation
De Hathor van het maskat was de godin, die voornamelijk op het Sinaïtisch schiereiland werd vereerd. Na de grondige verhandeling van Lepsius, over de metalen bij de oude Egyptenaars, staat het vast, dat maskat noch koper beteekent, noch de turkoois, maar een groenen steen. Wordt het maskat echt geheeten, dan bedoelt men smaragd; soms ook wel malachiet, berggroen en groene vloeispaath, die veelvuldig in de graven worden gevonden. Sieraden van malachiet komen zelden voor. Wij vestigen hier de aandacht op een allerliefst beeldje van den god Ptah (zie Dl. I. bl. 82, v.) uit dezen steen vervaardigd, dat bewaard wordt in het Japansch paleis te Dresden.