TWEEDE BOEK. (continued 2)
Hendrik Cornelis Rogge translation
Hekt zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en vervolgde: »Wel beschouwd laat zich ook dit zeer eenvoudig verklaren, en het is niet vreemder dan het gapen der vermoeide deernen daarginds. Gij hebt mij eens verteld, dat het zoo’n trotsch gezicht was, moeder en dochter naast elkander op den wagen te zien staan, wanneer zij naar feesten en panegyriën175) rijden. Katoeti, zeidet ge, droeg dan ook zorg, dat er overeenstemming was tusschen de kleuren van haar gewaad en de bloemen in haar kapsel. Voor welke van beide wordt bij zulke gelegenheden de kleeding het eerst gekozen?”
»Altijd voor meesteres Katoeti, die niet afgaat van zekere bepaalde kleuren,” antwoordde Nemoe haastig.
»Ziet gij,” zeide de heks met een lachje, »dat moet zoo zijn. Deze moeder denkt altijd het eerst aan zichzelve, en aan dingen die zij zich ter bereiking heeft voorgesteld. Doch die hangen hoog, en dan treedt zij op alles wat zij bij de hand heeft, zelfs op haar kind, om ze te kunnen grijpen. Zij stuurt Paäker op den hals van Mena, zoo waarachtig als mijn oor suist. Want die vrouw zou in staat zijn voor de oogen harer dochter mora-spel te spelen176), en haar aan dien lammen hazewind daar uit te huwen, wanneer ze langs dien weg hare eerzuchtige plannen bereiken kon.”
»Maar Nefert?” vroeg de kleine. »O, gij hadt haar moeten zien. Het duifje was eene leeuwin geworden.”
»Omdat zij Mena liefheeft, gelijk haar moeder zichzelve,” antwoordde de oude. »De dichters zouden zeggen: ‚zij is vol van hem.’ Dat is op haar volkomen van toepassing. Er blijft geen plaats over voor iets anders. Zij wil maar éen ding bezitten, en wee hem die het durft aan te tasten!”
»Ik heb ook wel verliefde vrouwen gezien,” zeide Nemoe, »maar....”
»Maar,” herhaalde de oude, en lachte daarbij zoo hard, dat de deernen zich omkeerden. »Maar die zetten een heel ander gezicht dan uwe meesteres Nefert, niet waar? Dat wil ik wel gelooven, en onder duizenden is er niet éene zoo door deze ziekte aangegrepen, die vlijmender smarten veroorzaakt dan Koeschitisch pijlenvergif in eene opene wond, die sneller om zich grijpt dan de vlam, en moeielijker te genezen is dan de tering, waaraan dat hoestende meisje ginds sterven zal. Hij wien deze kweldemon beheerscht is ellendiger dan een verdoemde, of ook....” en bij deze woorden daalde haar stem — »gelukzaliger dan de goden, zooveel er maar zijn. Ik weet dat alles — alles, want ook ik was eene bezetene onder de duizend. En nu, heden....”
»Nu?” vroeg de dwerg.
»Gekheid!” mompelde de heks, en zij rekte zich uit, alsof zij uit den slaap ontwaakte. »Onzin! Hij, op wien ik doel, is sedert lang gestorven. En al ware het niet zoo, het is mij onverschillig. Alle mannen gelijken op elkander, en Mena zal wel niet verschillen van de overigen.”
»De gids Paäker wordt toch zeker door den demon beheerscht, dien gij daar geschilderd hebt?” vroeg de kleine.
»’t Kan zijn,” antwoordde de oude; »maar hij zal eigenzinnig blijven, op gevaar af van krankzinnig te worden. Op dit oogenblik zou hij zijn leven wagen, om te bereiken wat hem ontzegd is. Als uwe meesteres Nefert zijne vrouw was, mogelijk zou hij dan wat tot bedaren komen. — Maar waartoe al die praatjes! Ik moet nog daarginds in de gouden tent zijn, waar thans alles bijeen is wat geld in den buidel heeft, om met de waardin te spreken....”
»Wat wilt gij van haar?” vroeg Nemoe.
»De kleine Warda aan de overzijde,” luidde het antwoord, »zal weldra geheel hersteld zijn. Gij hebt haar ook weer gezien. Is zij niet schoon geworden, buitengewoon schoon? Nu wil ik zien wat de waardin mij biedt, wanneer ik haar dat kind lever. Zij is met de voeten zoo vlug als eene gazel, en wanneer zij goed wordt geoefend, kan zij den dans in weinige weken leeren.”
Nemoe verbleekte, en zeide zonder aarzelen: »Dat zult gij niet doen!”
»Waarom niet,” vroeg de oude; »wanneer er goed wat mede te verdienen is?”
»Wijl ik het u verbied,” fluisterde de dwerg met heesche stem.
»Kijk nu eens aan!” sprak de tooveres lachend. »Gij moest mijne Nefert zijn, dan zou ik voor hare moeder Katoeti spelen! Maar in ernst gesproken; hebt gij de kleine weergezien en begeert gij haar voor uzelven?”
»Ja,” antwoordde Nemoe. »Als wij ons doel bereiken, laat Katoeti mij vrij en maakt ze mij rijk. Dan koop ik van buurman Pinem zijne kleindochter en neem haar tot vrouw. Ik bouw een huisje voor ons in de nabijheid van het gerechtshof, en sta den aanklagers en aangeklaagden met mijn raad ter zijde, gelijk de gebochelde Sent, die thans op zijn eigen wagen door de straten rijdt.”
»Hm,” zeide de oude. »Dat zou nog zoo kwaad niet zijn, maar misschien is het te laat. Het meisje sprak in hare ijlende koorts van den priester uit het Seti-huis, die haar op bevel van Ameni bezocht. Dat is een deftig jongman, die zeker veel belang in haar stelt. Hij is de zoon van een hovenier, zij noemen hem Pentaoer.”
»Pentaoer?” vroeg de kleine, »Pentaoer? Deze heeft geheel de trotsche houding en het aangezicht van den gestorven Mohar en wil de hoogte in. Maar zij zullen hem spoedig den hoogmoedigen nek breken.”
»Des te beter,” hernam de oude. »Warda zou eene beste vrouw voor je zijn. Zij is goed en bescheiden; en men kan niet weten....”
»Wat?” vroeg de dwerg.
»Wie hare moeder is geweest. Want zij is geene van de onze. Zij is uit den vreemde hierheen gekomen, en men heeft een edelgesteente bij haar gevonden met zonderling schrift. Zoodra zij de uwe is, moeten wij het aan de krijgsgevangenen laten zien, want misschien weet een hunner de vreemdsoortige letterteekens te verklaren. Zij is van goeden huize, dat weet ik zeker, want Warda is het sprekend evenbeeld harer moeder, en reeds toen zij ter wereld kwam, zag zij er uit als een kind van een aanzienlijke. — Lacht gij daarom, gek? Duizend zuigelingen zijn door mijne handen gegaan, en al brengt men ze in lompen gewikkeld tot mij, zoo weet ik toch te onderscheiden, of hunne ouders tot de grooten of tot de kleinen in den lande behooren. De bouw van den voet en andere kenteekenen verraden het dadelijk. — Warda mag nu blijven waar zij is, ik zal u helpen. Zoodra er zich iets nieuws opdoet, laat het mij weten.”
ZESDE HOOFDSTUK.
Toen Nemoe, ditmaal op den rug van een ezel, terugkeerde, vond hij noch zijne meesteres, noch Nefert te huis. De eerste had zich naar den tempel en vervolgens naar de stad begeven, terwijl Nefert, den onweerstaanbaren drang van haar hart volgende, tot hare vorstelijke vriendin Bent-Anat was gegaan.
Het koninklijk paleis geleek meer op eene kleine stad dan op een huis177). De vleugel waarin de stadhouder zijne residentie hield, en dien wij reeds betreden hebben, lag naar de landzijde; de gebouwen daarentegen, die de koning met zijne familie bewoonde, waren naar de zijden van den stroom gekeerd. Voor den schipper, die de woonplaats der pharao’s voorbij voer, zag zij er schitterend en tegelijk vriendelijk uit, want het gebouw verhief zich niet als éen ontzaglijk lichaam midden uit groote tuinen, maar het bestond uit velerlei geledingen van allerlei vormen. Aan het grootste gebouw, waarin zich de pronk- en feestzalen bevonden, sloten zich onder dezelfde afmetingen aan beide zijden drie rijen paviljoenen aan van verschillende grootte. Zij waren onderling verbonden door zuilengangen of bruggen, waaronder de waterleidingen liepen, die de tuinen besproeiden, en het paleis het aanzien gaven van eene stad op een eiland. Alle deelen van het slot waren uit lichte Nijltegels en sierlijk gebeeldhouwd houtwerk opgetrokken. Van dezelfde steensoort was ook de ringmuur gebouwd, welks toegangen waren afgesloten door hooge poortgebouwen, waarvoor zwaar gewapende soldaten op wacht stonden. De muren en pijlers, de balkons en zuilengalerijen, ja zelfs de daken waren met veelkleurig schilderwerk bedekt. Bij alle poorten stonden lange masten, waaraan roode en blauwe vanen wapperden, als de koning hier verblijf hield. Thans stonden zij met hunne ijzeren punten, die voor bliksemafleiders moesten dienen178), kaal in de lucht. Ter rechterzijde van het hoofdgebouw lagen de verblijven der koninklijke vrouwen, geheel door dicht plantsoen omringd. Sommige woningen spiegelden zich in het water, dat haar op korter of verder afstand omgaf. Bij dit gedeelte van het paleis werden de koninklijke voorraadschuren gevonden in onafzienbare rijen, terwijl achter het middengebouw, waar de pharao woonde, de kazernen van de lijfwachten en de schatkamers stonden. De linkervleugel eindelijk van het slot, was voor de hofbeambten, de ontelbare bedienden, de paarden en de wagens van den monarch ingeruimd.
Niettegenstaande ’s konings afwezigheid, heerschte er leven en bedrijvigheid in het paleis van Ramses, want honderden tuinlieden begoten de grasperken, de bloemranden, de heesters en de boomen. Soldaten van de wacht marcheerden af en aan, paarden werden opgetuigd en afgereden, en in den vleugel der vorstelijke vrouwen bewogen zich als in eene bijenkorf dienstmaagden en slaven, hofbeambten en priesters her- en derwaarts.
Nefert was in dit gedeelte van het slot goed bekend. De koninklijke garden en deurwachters lieten haar draagstoel, onder eerbiedige buigingen met het bovenlichaam, onaangeroepen voorbijgaan. In den tuin werd zij ontvangen door een kamerheer, die haar naar den ceremoniemeester bracht. Deze geleidde haar, na haar even te hebben aangemeld, in het vertrek van Ramses’ lievelingsdochter.
Bent-Anat’s woning lag op de eerste verdieping van het paviljoen, dat het naastgelegen was bij het huis van den pharao. Hare overledene moeder had dit vriendelijk vertrek bewoond, doch nadat de prinses eene volwassene jonkvrouw was geworden, wenschte de koning niets liever dan haar in zijne nabijheid te hebben. Hij schonk haar dus het schoone verblijf der te vroeg ontslapene, en tevens, want zij was de oudste zijner dochters, menig voorrecht, dat anders alleen aan koninginnen werd toegestaan.
Het ruime vertrek, waarin Nefert Bent-Anat aantrof, was naar den stroom gekeerd. Eene deuropening, die enkel door een dun voorhangsel was gesloten, gaf toegang tot een lang balkon met eene kunstig uit verguld koper vervaardigde balustrade, omslingerd door leirozen met bleekroode bloemen. Even vóor de vrouw van Mena den drempel overschreed, liet de prinses door eenige slavinnen het ruischend gordijn openschuiven. Want de zon neigde naar het westen; het begon koeler te worden, en Bent-Anat zat gaarne in dit uur op haar balkon, ten einde met eerbiedig gevoel het scheiden van Ra te aanschouwen, die elken avond als grijze Toem179) achter de Nekropolis onder den westelijken horizon wegdook, om in de onderwereld de gezaligden te verlichten.
Nefert’s woonvertrek was oneindig sierlijker gemeubeld dan dat der prinses. Hare moeder en Mena hadden haar met duizenden fraaie voorwerpen omgeven. Hare tapijten waren van hemelsblauw met zilverdraad doorwerkt brocaat van Damascus; hare stoelen en het rustbed waren overtrokken met eene stof, door Ethiopische vrouwen uit vederen vervaardigd, zoodat zij er uitzagen als de borst van een veelkleurigen vogel. Het beeld van de godin Hathor op haar huisaltaar bestond uit nagemaakt smaragd, dat men mafkat noemde, en de overige kleine godenbeeldjes, die naast hare patrones stonden, uit lazuursteen, malachiet, agaat en met goud ingelegd brons. Op haar toilettafel stond eene verzameling van zalfdoozen en schalen van ebbenhout en elpenbeen, uitmuntende door het fijnste snijwerk. Alles was daar even keurig geordend en paste geheel bij Nefert’s persoon.
Ook de woning van Bent-Anat was overeenkomstig haar karakter. De vertrekken waren hoog en luchtig, en het huisraad dat men er in aantrof was kostbaar maar eenvoudig. Het benedendeel der wanden was met koele tegeltjes van fijn wit en violet porselein belegd, van welke elk eene ster voorstelde, en die te zamen smaakvolle figuren vormden. Verder naar boven waren de muren met dezelfde schoone donkergroene stof van Saïs behangen, waaruit ook de overtrekken der lange divans aan de wanden bestonden. Midden in dit vertrek stonden rieten stoelen en tabouretten rondom eene zeer groote tafel. De verschillende andere kamers, die zich bij dit middenvertrek aansloten, zagen er allen even deftig, aanzienlijk en harmonisch uit; zij lieten dadelijk bespeuren, dat de bewoonster weinig liefhebberij had in onbeduidende sieraden, maar des te meer in fraai ontwikkelde planten, waarvan men bij uitnemendheid schoone en zeldzame exemplaren, trapsgewijze met zekere kunstvaardigheid geordend, in de hoeken van meer dan eene kamer kon zien. In andere vertrekken waren de hoeken aangevuld door hooge ebbenhouten voetstukken in den vorm van obelisken, die kostbare reukschalen droegen, want alle Egyptenaars hielden bijzonder van reukwerken; bovendien schreven de artsen voor daarmede de woningen te berooken. Haar eenvoudig slaapvertrek zou een koningszoon, die veel hield van bloemen te kweeken, als verblijf zeker evenzeer hebben aangestaan als eene vorstelijke jonkvrouw. Bent-Anat verlangde vóor alles lucht en licht. Alleen als de stand van de zon het dringend vorderde, werden de voorhangsels van venster- en deuropeningen gesloten, terwijl Nefert’s woning van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in een schemerachtig halfdonker verkeeren moest.
De prinses ging de vrouw van Mena, die aan den drempel der kamer diep voor haar boog, met hartelijkheid te gemoet, nam haar met de rechterhand bij de kin, drukte eene kus op haar fijn smal voorhoofd en zeide: »Komt gij, mijne beste, nu eindelijk eens ongenoodigd tot mij in mijne eenzaamheid? Dat is waarlijk voor het eerst, sedert de mannen weder ten krijg trokken. Als de dochter van Ramses u laat roepen, en gij niet weigeren moogt, ja dan verschijnt gij; maar vrijwillig....”
Nefert sloeg hare groote, door tranen bevochtigde oogen smeekend op, en haar blik was zoo onweerstaanbaar, dat Bent-Anat hare toespraak afbrak, en terwijl zij Nefert’s beide handen greep, uitriep: »Weet gij, wie juist zulke oogen moet gehad hebben als gij? De godheid, naar ik meen, uit wier op aarde nedergevallen tranen de bloemen zijn ontstaan.”
De vrouw van Mena sloeg de oogen weder neder, zag blozend naar den grond en lispelde: »Ik wenschte wel, dat ik deze oogen voor altijd sluiten kon, want ik voel mij recht ongelukkig.” Onder deze woorden biggelden twee groote tranen over hare wangen.
»Wat is u toch overkomen, mijne liefste?” vroeg de prinses met deelneming, terwijl zij haar als een ziek kind met de rechterhand nader tot zich trok.
Nefert zag angstig om naar den ceremoniemeester en de vrouwen van den hofstoet, die het vertrek met haar betreden hadden. Bent-Anat begreep dezen wenk, en verzocht allen, die op hare bevelen stonden te wachten, haar te verlaten. Toen zij met hare vriendin alleen was, zeide zij: »Spreek nu vrij! Wat maakt uw hart zoo bekommerd? Hoe komt deze smartelijke trek op uw lief kinderlijk gelaat? Zeg het mij en ik wil u troosten, en gij zult weder mijn vroolijk zorgeloos popje worden!”
»Uw popje!” herhaalde Nefert, en er was onwil in hare oogen te lezen. »Maar gij hebt recht mij zoo vernederend te noemen, want ik verdien geen beteren naam. Zoolang ik toch leef heb ik mij laten welgevallen, niet anders dan een speelgoed van de mijnen te zijn.”
»Maar Nefert, ik herken u niet meer!” riep Bent-Anat. »Is dat mijne zachte vriendelijke droomster?”
»Dat is het woord wat ik zocht,” zeide Nefert zacht. »Ik heb geslapen en gedroomd, en altijd maar voortgedroomd, tot Mena mij wekte, en toen hij mij verliet ben ik weder ingeslapen. Nu lag ik reeds twee jaren te droomen, doch ik ben uit den slaap wakker geschrikt, zoo hard en ruw, dat ik nergens meer rust kan vinden.”
Onder het uitspreken dezer woorden welden onophoudelijk groote tranen in hare oogen. Bent-Anat werd zoo diep bewogen door alles wat zij zag en hoorde, als ware de vrouw van Mena haar eigen lijdend kind. Met zachte hand trok zij de jonge vrouw op den divan neer, zette zich naast haar en hield niet op, voordat Nefert haar vergunde een blik in haar gemoed te slaan en de diepte harer ellende te peilen.
Het was Katoeti’s dochter in de laatste uren gegaan als een blinde, die op eens het vermogen om te zien terug ontvangt. Hij aanschouwt het glanzend licht der zon en rondom hem de velerlei gestalten van het geschapene, maar de stralen der dagvorstin verblinden zijn oog, en de nieuwe vormen, die hij als bij voorgevoel met zijne ziel had gezocht en zich nu in al hunne ruwe werkelijkheid aan hem opdringen, beangstigen en pijnigen hem. Heden voor het eerst had zij zich afgevraagd, waarom toch het bestuur van het huis, waarvan zij de meesteres heette180), aan hare moeder en niet aan haar was opgedragen. Het antwoord luidde: »Omdat Mena u niet in staat acht te denken en te handelen.” Menigmaal had hij haar zijn roosje genoemd, en nu gevoelde zij, dat zij niet meer en niet beter was dan eene bloem, die bloeit en verwelkt, en alleen door hare bonte blaadjes de oogen verkwikt.
»Mijne moeder,” zeide zij tot Bent-Anat, »heeft mij ongetwijfeld lief, maar zij heeft het goed van mijn echtgenoot slecht bestuurd, zeer slecht zelfs, en ik ellendige sliep en droomde van Mena, en zag noch hoorde wat er met zijn, met ons erfdeel geschiedde. Thans wordt mijne moeder bang voor mijn gemaal, en wien men vreest, zoo zeide mijn oom, dien kan men niet liefhebben. Heeft men iemand niet lief, dan is men gaarne bereid het kwade van hem te gelooven. Zoo komt het, dat zij het oor leent aan praatjes van lieden, die Mena belasteren en van hem berichten, dat hij mij uit zijn hart verstooten en eene vreemde vrouw in zijne tent genomen heeft. Maar dat is valsch, dat is gelogen, en ik kan, ik wil het gelaat van mijne eigene moeder niet zien, wanneer zij het eenige wat mij overblijft, wat mij staande houdt, den adem en het bloed mijns levens, de liefde, de vurige liefde van mijn echtgenoot beleedigt en schandvlekt.”
Bent-Anat had haar aangehoord, zonder haar in de rede te vallen. Een tijd lang bleef zij zwijgend naast haar zitten. Eindelijk sprak zij: »Kom buiten op het balkon: daar wil ik u zeggen, hoe ik erover denk, en misschien geeft Toth mij een raad in het hart, die u helpen kan. Ik heb u lief en ken u door en door. Ben ik al niet wijs, zoo heb ik toch opene oogen en eene krachtige hand. Neem haar aan, en volg mij nu op het balkon.”
Een verkwikkende luchtstroom kwam over den vloed de vrouwen tegen, toen zij naar buiten traden. Het was reeds avond geworden, en eene aangename koelte volgde op de hitte van den dag. Reeds wierpen de groote gebouwen en de huizen langere schaduwen, en werd de Nijl, die met majesteit zijne hooggezwollen wateren naar het noorden stuwde, bevolkt door tallooze booten, die de uit de Nekropolis terugkeerenden overbrachten. Rondom lag de groene tuin, waaruit geurige rozentakken opklommen tot aan het traliewerk van het balkon. Een beroemd kunstenaar had dien hof reeds aangelegd in de dagen van Hatasoe, en het tafereel, dat hij in zijne verbeelding had aanschouwd, toen hij de zaden in den grond strooide en de jonge twijgjes plantte, was nu, vele tientallen jaren na zijn dood, tot werkelijkheid geworden. Hij had zich zijn aanleg als een tapijt voorgesteld, waarop de talrijke gebouwen van het paleis moesten rusten. Wateraderen, in velerlei bochten geslingerd en waarin witte zwanen zwommen, vormden tegelijk de omtrekken der verschillende partijen, en de figuren die zij begrensden waren als geschaduwd met planten van allerlei grootte, vorm en kleur. De grond van het weefsel bestond overal uit schoone oppervlakten van zachtgroene grasperken, waarop de volle bontkleurige bloembedden en heestergroepen in gelijkmatige orde waren aangebracht, terwijl de oude hooge en vreemde boomen, van welke Hatasoe’s schepen er vele uit Arabië naar Egypte hadden gebracht181), aan het geheel een zekeren ernst en deftigheid gaven. Op de bladeren der boomen, de bloesems en grashalmen vonkelden thans heldere druppels, want even te voren had men den geheelen aanleg met frisch water begoten.
Van Bent-Anat’s balkon kon men aan gene zijde een eiland opmerken, door een arm van den Nijl gevormd, met het goed onderhouden heilige bosch van Amon. Ook de Nekropolis was juist van hier goed te overzien. Daar waren de sphinxen-lanen, die van de landingsplaats der feestbarken, naar de reusachtige bouwwerken van Amenophis III met hunne kolossen, de grootsten van Thebe, het Seti-huis en den tempel van Hatasoe, leidden. Ginds lagen de uitgestrekte werkplaatsen van de balsemers en de dicht met huizen bezette straten van de doodenstad. In het verre westen rezen de Libysche bergen omhoog, met hunne tallooze groeven, en daarachter, hoewel voor het oog verborgen, breidde zich in een grooten boog het dal der koningsgraven uit.
Zwijgend staarden de vrouwen naar het westen. De zon begon reeds den horizon te naderen; nu bereikte zij dien; daar zonk zij achter het gebergte weg. Terwijl de hemel schitterde met allerlei kleurschakeeringen van helder goud, van vonkelende robijnen, aan gesmolten granaten en amethisten gelijk, weerklonken uit alle tempels weldra de avondliederen. De beide vriendinnen zonken op hare knieën, verborgen haar aangezicht in de rozenguirlandes, die zich door de balustrade slingerden, en baden uit den diepsten grond harer harten. Toen zij weder opstonden, breidde de nacht reeds zijne vleugelen uit. Want in Thebe duurt de schemering kort. Slechts hier en daar dreef nog een roodachtig wolkje aan den al donkerder wordenden hemel, dat geheel verbleekte toen de avondster opging.
»Ik ben wel te moede,” zeide Bent-Anat, diep ademhalende. »Is ook in uwe ziel de vrede teruggekeerd?”
Nefert schudde ontkennend het hoofd.
De prinses deed haar op een rustbank plaats nemen, vlijde zich naast haar neder en begon opnieuw: »Uw arm hart is gewond. Men heeft uw verleden verbitterd, en met angst ziet gij de toekomst tegen. Laat mij openhartig zijn, ook wanneer hetgeen ik u zeggen zal u leed doet. Gij zijt ziek en ik wil trachten u te genezen. Wilt gij naar mij luisteren?”
»Spreek vrij,” zeide Nefert.
»Het spreken,” hernam Bent-Anat, »is niet mijne zaak, maar het handelen. Ik geloof dat ik weet wat u ontbreekt, en dat ik u helpen kan. Gij hebt uw man lief; zijn plicht riep hem van u weg en gij gevoelt u eenzaam en verlaten. Dat is natuurlijk! Doch mijn vader en mijn broeder, die ik ook liefheb, zijn insgelijks naar het oorlogsveld vertrokken; mijne moeder is sedert lang gestorven; de aanzienlijke vrouw, die de koning mij tot gezelschap achterliet, is nu weinige weken geleden aan eene ziekte bezweken. Ziehier deze halfverlaten stad, die mijne woning is. Wie van ons beiden kan men eenzamer noemen, u of mij?”
»Mij,” zeide Nefert. »Want niemand is zoo verlaten als de vrouw, die gescheiden van haar echtgenoot verkwijnt van heimwee.”
»Maar gij gelooft in Mena’s liefde?” vroeg Bent-Anat.
Nefert knikte toestemmend, terwijl zij de hand tegen haar hart drukte.
»En hij zal terugkeeren, en met hem uw geluk!”
»Ik hoop het,” antwoordde Nefert met zachte stem.
»En wie hoopt,” vervolgde Bent-Anat, »bezit het geluk der toekomst. Zeg mij, zoudt gij met de goden hebben willen ruilen, zoo lang Mena bij u was? Neen! Welnu, dan zijt gij dubbel rijk, want de zaligste herinnering, het geluk van het verleden, is evenzeer uw eigendom. Wat is dan het tegenwoordige? Terwijl ik spreek is het reeds niet meer! Nu vraag ik u, aan welke zaligheid kan ik denken, en op welk zeker geluk mag ik met grond hopen?”
»Gij hebt niet lief,” zeide Nefert. »Gij gaat als de maan koel en onbeweeglijk daarheen op uwe baan. Het hoogste geluk is u tot hiertoe vreemd gebleven, maar daarom kent gij dan ook niet het bitterste leed.”
»Welk leed?” vroeg Bent-Anat.
»De smart van het heimwee, van een door de vlammen van Sechet verteerd hart,” antwoordde Nefert.
De prinses staarde een poos nadenkend op den grond; eindelijk sloeg zij de oogen op tot hare vriendin en zeide: »Gij dwaalt! Ik ken de liefde en het heimwee. Maar wanneer gij op den hoogen feestdag wacht, om het sieraad, dat uw eigendom is, weder te dragen, dan heb ik even weinig recht om mijn kleinood het mijne te noemen, als de parel die ik op den bodem der diepe zee zie glinsteren.”
»Gij hebt lief?” riep Nefert vol vreugde. »O, zoo dank ik Hathor, dat zij eindelijk uw hart heeft getroffen. De dochter van Ramses behoeft niet eerst de duikers te roepen, om het kleinood voor zich uit zee te visschen. Zij wenkt, en de parel stijgt tot haar op, en legt zich in het zand aan hare slanke voeten neder.”
Bent-Anat kuste lachend Nefert’s voorhoofd en zeide: »Treft u dit zoo, dat het op eens uw geest en uwe tong in beweging brengt? Wanneer twee snaren gelijk gestemd zijn en men slaat de eene aan, dan klinkt de andere noodzakelijk mede, zegt mijn meester in de muziek. Ik geloof dat gij tot aan den morgen naar mij zoudt luisteren, wanneer ik u meer van mijne liefde vertelde. Daarvoor zijn wij hier echter niet op het balkon gekomen. Hoor mij nu aan! Ik ben alleen even als gij. Ik heb ook lief, maar onder nog minder gelukkige omstandigheden. Mij dreigen uit het Seti-huis bange uren, en toch ontzinkt mij het vertrouwen, de levensmoed niet; toch verheug ik mij in mijn bestaan. Hoe kunt gij dat verklaren?”
»Gij zijt van eene zoo geheel andere natuur,” zeide Nefert.
»Toegegeven,” antwoordde Bent-Anat; »maar we zijn beiden jong, wij zijn vrouwen en willen het goede. Mij is reeds zoo vroeg eene moeder ontvallen en niemand heeft mijne jeugdige schreden gericht; want men gehoorzaamde mij reeds, toen ik nog zoozeer behoefte had aan leiding. U voedde eene moeder op, die zich veel aan u gelegen liet zijn, die, toen gij nog een kind waart, gaarne met haar schoon dochtertje pronkte, en het droomen en spelen liet, wat der kleine zoo goed stond, zonder het kwaad te vreezen dat in de toekomst dreigde. Toen kwam Mena uwe hand te vragen. Gij hadt hem innig lief, maar in vier lange jaren was hij slechts weinige maanden bij u. Uwe moeder bleef bij u, en gij merktet het nauwelijks op, dat zij in uwe plaats uw eigen huis bestuurde en de zorgen der huishouding op zich nam. Gij waart in het bezit van een soort van speelgoed, waaraan gij u elken dag kondet wijden, namelijk de gedachte aan Mena, en de ver van u verwijderde geliefde was het middelpunt van uw duizenden droomen. O ik weet het, Nefert, al wat gij sedert twintig maanden hebt gezien, gehoord, ondervonden, had betrekking op hem en hem alleen. Op zichzelf beschouwd steekt hier geen kwaad in. Deze rozenstruik, die met zijne takken mijne balustrade heeft omwonden, aanschouwen wij beide met welgevallen; doch wanneer de hovenier hem niet telkens snoeide, en hier en daar met palmbast opbond, dan zou hij in deze vruchtbaren grond, waar alles zoo verbazend snel wast, weldra zoo hoog opschieten, dat hij mijne deur en vensters bedekte, zoodat ik in het donker zou zitten.
»Sla dezen doek om uwe schouders, want met de koelte valt ook de dauw neer. — Hoor mij nu verder! Het heerlijk gevoel van liefde en trouw is in uw droomerig gemoed onbeteugeld en onbelemmerd als in het wilde opgeschoten, en verduistert thans uw hart en uw verstand. Waarachtige liefde kan, naar ik meen, niet anders zijn dan een edele vruchtboom, en geenszins zulk een woekerplant. Ik zeg dat niet om u te berispen, want zij, die uwe hoveniers hadden moeten zijn, merkten niet op wat er met u gebeurde, of wilde het niet opmerken. Zie Nefert, toen ik nog de kinderlok droeg, heb ik ook gedaan wat mij het meest naar den zin was. Aan droomen heb ik mij nimmer overgegeven, maar ik had lust in het wilde spel met mijne broeders, in paarden en valken182). Men heeft dikwijls gezegd, dat ik een jongenshart had. O, ik zou ook zoo gaarne een jongen zijn geweest.”
»Ik nooit,” lispelde Nefert.
»Gij, mijne liefste, zijt gelijk aan het roosje,” ging Bent-Anat voort. »Hoe dikwijls was ik, als vijftienjarig meisje, verdrietig, ontevreden bij al mijne wildheid, onvergenoegd, niettegenstaande men mij overlaadde met bewijzen van liefde en hartelijkheid. Toen gebeurde het eens, vier jaren geleden, juist kort na uw huwelijk met Mena, dat vader mij riep om met hem te dammen183). Gij weet met hoeveel zekerheid hij zelfs den meest geoefenden tegenstander overwint; maar dien dag was hij verstrooid en tweemaal achtereen won ik het spel. Uitgelaten van vreugde sprong ik in mijn overmoed naar hem toe, gaf hem een kus op zijn schoon breed voorhoofd en riep: ‚De verheven god, de held, onder wiens voetzolen de vreemde volken zich krommen184), die door de priesters en het volk wordt aangebeden, heeft zich door een meisje laten overwinnen!’ Met een gullen lach gaf hij mij ten antwoord: ‚Dikwijls zijn ook de hemelsche vrouwen de heeren des hemels te slim, en Necheb185), onze godin der overwinning, is eene vrouw.’ Daarop werd hij weder ernstig en sprak: ‚Gij noemt mij een god, mijn kind, maar slechts in éen opzicht gevoel ik waarlijk iets goddelijks in mij, namelijk: dat ik in staat ben te ieder ure met mijn arbeid het meest mogelijk nut te stichten, door hier iets goeds te bevorderen, daar het kwade tegen te houden186). Ik ben alleen aan de godheid gelijk wanneer ik iets groots uitdenk en voortbreng.’
»Deze woorden, Nefert, vielen als zaadkorrels in mijne ziel. Ik wist op eenmaal wat mij ontbrak; en toen de koning, weinige weken later, met uw echtgenoot en honderdduizend krijgers ten strijd trok, besloot ik mijn goddelijken vader waardig te worden en ook in mijn kring nuttig te zijn. Gij weet niet wat er al zoo in die huizen daarachter onder mijn leiding geschiedt. Wel driehonderd meisjes spinnen daar het zuivere vlas en vervaardigen linnen windsels voor de wonden der soldaten. Vele kinderen en oude vrouwen zoeken planten op de bergen en weder anderen sorteeren ze, volgens het voorschrift der artsen. In de keukens worden geene gastmalen gereed gemaakt, maar vruchten in suiker gekookt, tot eene lekkernij voor de geliefden en kranken te velde. Daar worden stukken vleesch gezouten, gedroogd en gerookt voor het leger, als het op marsch gaat door de woestijn. De keldermeester heeft thans niet meer voor drinkgelagen te zorgen, maar hij brengt mij den wijn in groote kruiken van aardewerk, en zij gieten dien over in goed gesloten lederen zakken voor de soldaten, en met de fijnere soorten vullen wij stevige flesschen, die zorgvuldig met pek worden dicht gemaakt, opdat zij op reis niet zullen bederven, maar straks het hart onzer helden verkwikken. Dit alles en nog veel meer heb ik te regelen en te besturen, en zoo vliegen mij de dagen om in moeitevollen arbeid. De goden zenden mij ’s nachts geen droomgezicht, want na zulk een zware inspanning val ik altijd in een diepen slaap. Doch ik weet dat ik nuttig ben, en fier durf ik mijn hoofd verheffen, omdat ik nu mijn grooten vader eenigermate gelijk. Als de koning om mij denkt, dan, dit weet ik, verheugt hij zich over hetgeen zijn kind verricht.”
»Nu ben ik echter aan het einde, Nefert. Het eenige wat ik u nog te zeggen heb is: Sluit u bij mij aan; wees werkzaam evenals ik; toon dat gij nuttig zijt, en dwing Mena, niet alleen met liefde maar ook met zekeren trots aan zijn vrouwtje te denken.”
Nefert liet haar hoofd langzaam op Bent-Anat’s borst zinken, sloeg hare beide armen om den hals der prinses, en weende als een kind. Eindelijk verzamelde zij hare krachten en zeide smeekend: »Neem mij in de school en leer mij nuttig te zijn.”
»Ik wist wel,” zeide Bent-Anat met een glimlach, »dat gij slechts eene hand noodig had om u te leiden. Geloof mij, weldra zult ook gij aan uw heimwee tevredenheid weten te paren. Laat ik u dit nog zeggen. Keer nu terug naar uwe moeder, want het is reeds laat. Bejegen haar liefderijk, dat is toch de wil der goden. Zoodra de morgen weder zal zijn aangebroken, wil ik u een bezoek brengen en vrouwe Katoeti vragen, of zij u aan mij wil toevertrouwen, in de plaats mijner gestorven vriendin. Overmorgen neemt gij uw intrek in mijn paleis. Gij zult de vertrekken van de ontslapene bewonen en begint, gelijk zij deed, mij bij mijn arbeid te helpen. Moge deze ure gezegend zijn geweest!”
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Terwijl dit onderhoud plaats had, toefde de arts Nebsecht aan de overzijde in de doodenstad nog altijd voor de hut van den Paraschiet, onder afwisselende aandoeningen den oude wachtende. Nu eens beefde hij voor zijne terugkomst, dan weder vergat hij geheel en al het gevaar, waaraan hij den oude had blootgesteld, en hoopte hij enkel op de vervulling van zijn wensch, als hij wonderbare ontdekkingen zou doen bij het onderzoeken van een menschenhart. In sommige oogenblikken was hij geheel vervuld van wetenschappelijke beschouwingen, maar altijd en altijd weder werd hij daarin gestoord door zijne bezorgdheid voor den Paraschiet, en de nabijheid van Warda, die hem voortdurend in spanning hield. Uren achtereen was hij met haar alleen gebleven, want haar vader en hare grootmoeder hadden zich niet langer kunnen onttrekken aan de werkzaamheden, die hun beroep vorderden. De eerste moest krijgsgevangenen naar Hermonthis brengen, en de oude vrouw behoorde, sedert hare kleindochter genoeg volwassen was om voor de kleine huishouding zorg te dragen, tot de rouwklaagsters, die met loshangende haren, het voorhoofd en de borst met Nijlslib bestreken, jammerende en weeklagende de lijken moesten vergezellen op hun weg naar de Nekropolis.
Toen de zon ten avond neigde, lag Warda nog altijd voor de hut. Zij zag er bleek en mat uit. Hare dichte haren waren los geraakt, en in het stroo van haar leger verward. Als Nebsecht haar naderde om haar pols te voelen, of haar toe te spreken, keerde zij opzettelijk haar aangezicht van hem af.
Zoodra de zon achter de bergen was weggedoken, boog hij zich opnieuw over haar heen en zeide: »Het begint koel te worden; wil ik u niet in de hut dragen?”
»Laat mij,” zeide zij verdrietig. »Ik heb het warm genoeg; ga wat verder van mij af! Ik ben niet meer ziek, en zou wel alleen in de hut kunnen gaan, als ik maar wilde. Maar mijne grootouders zullen wel dadelijk komen.”
Nebsecht stond op, zette zich op een hoenderkorf neder, die eenige schreden van Warda afstond, en vroeg stotterend: »Moet ik nog verder achteruit gaan?”
»Doe wat gij wilt,” gaf zij ten antwoord.
»Gij zijt onvriendelijk,” sprak hij droefgeestig.
»Gij ziet mij ook altijd door aan,” zeide Warda, »dat kan ik niet lijden. Ik ben zeer ongerust, want grootvader was heden morgen anders dan gewoonlijk, en sprak over allerlei vreemde dingen, over dood en den hoogen prijs, die van hem voor mijne genezing gevorderd werd. Toen bad hij mij, dat ik hem niet vergeten mocht, en daarbij was hij zoo ontroerd, zoo zonderling! Waar hij nu toch blijft? Ik wenschte dat hij weder bij mij was!”
Na deze woorden begon Warda stil te schreien. Nebsecht werd door een nameloozen angst voor den Paraschiet aangegrepen, want het woog hem nu zoo zwaar op het hart, dat hij voor de eenvoudige vervulling van zijn plicht het leven van een mensch als prijs had verlangd. Hij toch kende de wet maar al te goed en wist, dat men den oude zou dwingen op staanden voet den giftbeker te drinken, wanneer men hem op den roof van een menschenhart betrapte.
Het werd donker. Warda hield op te weenen en vroeg den arts: »Zou hij misschien ook naar de stad zijn gegaan, om de groote som te borgen, die gij of uw tempel voor de artsenijen vordert? Doch daar hebt gij den gouden band van de prinses en den halven buit mijns vaders, en in die kist dáar ligt, nog onaangeroerd, het loon, dat grootmoeder in twee jaren als rouwklaagster verdiend heeft. Is dat alles u nog niet genoeg?”
Het meisje deed de laatste vraag op knorrigen en verwijtenden toon, en de arts, die zich tot levensregel had gesteld streng aan de waarheid te houden, zweeg omdat hij begreep geen »ja” te kunnen zeggen. Meer dan goud en zilver had hij voor zijne hulp verlangt. Op dit oogenblik dacht hij aan Pentaoer’s waarschuwing, en toen de jakhalzen begonnen te blaffen, greep hij den vuurboor187) en stak eenige voor de hand liggende stukken pek aan. Daarbij vroeg hij zich af, wat wel het lot van Warda zou zijn, zonder hare grootouders en hem, en een avontuurlijk plan, dat hem reeds uren lang nevelachtig voor den geest zweefde, nam thans in zijne ziel bepaalde omtrekken en een tastbare gedaante aan. Hij wilde, als de oude niet terugkeerde, de Kolchyten of balsemers, die hem om zijne bekwaamheid moeielijk konden afwijzen, verzoeken hem in hun gilde188) op te nemen. Vervolgens wilde hij Warda tot zijne vrouw nemen, en met haar, afgescheiden van de wereld, voor zijn nieuw beroep, waarin hij veel hoopte te leeren, en zijne studiën leven. Wat vroeg hij naar het gemak en het genot des levens; wat gaf hij om eer bij zijne medemenschen en eene bevoorrechte maatschappelijke positie! Op dit nieuwe steenachtige pad hoopte hij sneller vooruit te komen, dan op den ouden zoo keurig geëffenden weg. Hij gevoelde ook geen behoefte om zich uit te spreken en de resultaten van zijn onderzoek aan anderen mede te deelen; hij had aan het weten op zichzelf volkomen genoeg. Aan zijne verplichtingen ten opzichte van het Seti-huis dacht hij zelfs niet meer. Gedurende drie dagen had hij zijne kleederen niet verwisseld, was er geen scheermes op zijn gelaat en schedel gekomen, had geen druppel water zijne handen en voeten bevochtigd. In zijne eigene schatting was hij reeds half verwilderd, half een balsemer en, als het zoo zijn moest, een van de meest verachte menschen, een Paraschiet geworden. Dat afdalen op de maatschappelijke ladder had thans voor hem iets bijzonder aantrekkelijks, want zoo kwam hij met Warda op dezelfde lijn, en zij, die daar met haar verwarde haren, ziekelijk en gejaagd naast hem lag, paste juist in de toekomst, die hij zich voor zijne verbeelding teekende.
»Hoordet gij niets?” vroeg het meisje op eens.
Hij luisterde met haar, of hij ook eenig geluid vernam uit het dal. Werkelijk sloegen de honden aan, en weldra stond de Paraschiet met zijne vrouw voor de hut. Daar namen zij afscheid van de oude Hekt, die zij op haar terugweg uit Thebe ontmoet hadden.
»Gij zijt lang weggebleven,” riep Warda, toen de grootouders eindelijk voor haar stonden. »Ik heb mij zoo beangst gemaakt.”
»De arts was toch bij u,” zeide de oude vrouw, en ging de hut in, om een eenvoudig maal gereed te maken, terwijl de Paraschiet naast zijne kleindochter nederknielde, en haar innig, maar toch met zooveel onderscheiding liefkoosde, als ware hij niet haar bloedverwant maar slechts haar trouwe dienaar.
Toen hij was opgestaan, overhandigde hij Nebsecht, die van spanning over al zijne leden beefde, den groven linnen zak, dien hij gewoon was aan een smallen draagband mede te nemen. »Daar ligt het hart in,” fluisterde hij den arts toe: »neem het er uit en geef mij den zak terug; want mijne messen liggen er nog in, en die heb ik noodig.”
Nebsecht greep met bevende vingers het hart uit den buidel, nam eenige doosjes uit zijn artsenijkast en legde het er voorzichtig in. Daarop tastte hij in zijn borstzak, ging weder tot den Paraschiet en fluisterde hem toe: »Daar neem deze verklaring; hang hem om uw hals, en wanneer gij sterft laat ik voor u als voor een aanzienlijke een ‚Boek van den uitgang in den dag’189) in de windsels wikkelen. Maar dit is mij niet genoeg. Mijn broeder, die van zulke zaken verstand heeft, bestuurt het vermogen, dat ik erfde, en sedert tien jaren heb ik de rente van dat kapitaal niet aangeroerd. Ik zal ze u zenden, en gij zult met uwe vrouw een onbekommerden ouden dag hebben.”
De Paraschiet had het zakje met de papyrus-strook aangenomen, en den arts tot het einde aangehoord. Maar na de laatste woorden keerde hij zich van hem af, en zeide bedaard, hoewel op stelligen toon: »Behoud uw geld: wij zijn van elkander af. Dat wil zeggen,” voegde hij er smeekend bij, »als het meisje gezond wordt.”
»Zij is reeds half genezen,” stotterde de arts. »Waarom wilt... wilt gij echter mijn geschenk...”
»Omdat ik tot heden nooit geborgd of gebedeld heb,” viel de Paraschiet hem in de rede, »en ik niet voornemens ben daarmede in mijn ouderdom te beginnen. Leven om leven! Doch wat ik heden heb gedaan, dat kan Ramses zelf mij met al zijn schatten niet betalen!”
Nebsecht sloeg de oogen neder en wist den grijsaard niet te antwoorden.
Intusschen kwam de oude vrouw weder te voorschijn. Zij zette een schotel met gekookte linzen, die zij haastig gewarmd had, met ramenassen en uien190) voor de mannen neder, geleidde Warda, die niet meer gedragen wilde worden in de hut en noodigde den arts aan haar maal deel te nemen. Nebsecht voldeed gaarne aan dit verzoek, want sedert gisteren avond had hij geen bete broods geproefd.
Zoodra de grootmoeder weder in de hut was verdwenen, vroeg Nebsecht den Paraschiet: »Wiens hart hebt gij mij gebracht, en hoe is het in uwe handen gekomen?”
»Zeg mij eerst,” vroeg de oude op zijn beurt, »waarom liet ge mij zulk eene groote zonde begaan!”
»Omdat ik mij van de gesteldheid van het menschelijk hart overtuigen wil,” gaf Nebsecht ten antwoord, »opdat ik zieke harten, zoo dikwijls ik ze ontmoet, zal kunnen genezen.”
De Paraschiet zag een poos zwijgend naar den grond en vroeg toen: »Spreekt gij waarheid?”
»Ja,” antwoordde de arts, op zulk een overtuigenden toon, zoo dat er geen twijfel kon overblijven.
»Dat verheugt mij,” zeide de oude, »want ook aan armen verleent gij uwe hulp.”
»Even gaarne als aan rijken! Maar zeg mij nu wiens hart gij hebt weggenomen.”
»Ik kwam in het huis van de balsemers,” begon de grijsaard te vertellen, nadat hij eenige groote vuursteenen voor zich had gelegd, teneinde deze volgens de regelen der kunst zoo af te hakken en te slijpen, tot zij als messen konden dienen. »Ik kwam dan in het huis van de balsemers en vond er drie lijken, waarin ik met mijne steenen messen de acht voorgeschreven insnijdingen moest maken. Als de lijken daar zoo naakt liggen op de houten tafel, dan gelijken ze allen op elkander, en de bedelaar zwijgt voor mij zoo goed als de eigen zoon des konings.
»Maar ik wist wel wie daar voor mij lagen. Het stevige oude lichaam midden op tafel was van den gestorven profeet uit den Hatasoe-tempel. Een eind verder lagen, dicht bij elkander, de lijken van een steenhouwer uit de Nekropolis en een meisje uit het vreemden-kwartier, dat aan de longtering was gestorven; twee ellendige uitgeteerde gestalten. Den profeet had ik wel gekend, want honderdmaal was ik hem tegengekomen in zijn gouden draagstoel. Ze noemden hem altijd den rijken Roeï.
»Ik deed mijn plicht aan alle drie. Men verdreef mij met de gewone steenworpen, en ik bracht daarna met mijne gezellen het inwendige der lijken in orde. Het hart en de overige ingewanden van den profeet moesten later in kostbare albasten kanopen191) worden bewaard; die van den steenhouwer en het meisje zouden weder in het lichaam worden gelegd. Nu vroeg ik mij zelven af: wien zal ik het leed doen van hem zijn hart te ontnemen? Ik ging tot de armen en trad reeds op het lijk van het zondige meisje toe. Daar hoorde ik op eens de stem van een demon, die mijn eigen hart toeriep: het meisje was arm, veracht en ellendig evenals gij, zoolang zij wandelde op den rug van Seb192); wellicht zal zij genade vinden en vreugde in eene andere wereld, wanneer gij ze haar niet moedwillig ontrooft! Toen ik bij het magere lijk van den steenhouwer kwam, en zijne handen zag, die nog meer vereelt waren dan de mijne, fluisterde de demon mij hetzelfde toe. Nu plaatste ik mij voor het goed doorvoede lichaam van den profeet Roeï, die aan eene beroerte was gestorven, en ik dacht aan de eer en den rijkdom, die hij op aarde had genoten. Hij had ten minste eens overvloed van geluk en vreugde gesmaakt. Toen greep ik, zoodra ik alleen was, snel in mijne buidel en verwisselde het hart van den hamel met het zijne.
»Misschien ben ik dubbel schuldig, omdat ik een zoo dolzinnig spel heb gespeeld met het hart van een profeet. Maar zij zullen het lijk van den rijken Roeï met honderd amuletten behangen, scarabeën193) in zijn lijf leggen op de plaats van het hart, en hem met heilige olie en voortreffelijke schriften tegen alle vijanden op den weg in de Amenti194) beschutten, terwijl niemand aan die armen helpende talismans zal medegeven. Bovendien, gij hebt mij gezworen in de andere wereld in de zaal van het doodengericht, mijne schuld op u te nemen.”
Nebsecht stak den oude de hand toe en zeide: »Dat heb ik gedaan, en ik zou gekozen hebben als gij. — Neem nu dit water, verdeel het in vier deelen en geef Warda telkens éen daarvan, vier avonden achtereen195). Begin heden dadelijk, en reeds overmorgen zal zij, denk ik, gezond zijn. Ik kom weldra terug om naar haar te zien. Ga nu rusten en gun mij hier buiten een plaatsje. Eer de Isis-ster196) is ondergegaan, breek ik op, want zij wachten mij reeds lang in het Seti-huis.”
Toen de Paraschiet den volgenden morgen buiten kwam, was de arts verdwenen, maar een bij het vuur liggende doek met een groote bloedvlek zeide den ouden man, dat de ongeduldige Nebsecht in den afgeloopen nacht het hart van den profeet onderzocht en waarschijnlijk geheel uit elkaar gesneden had. Hij huiverde, en met grooten zielsangst wierp hij zich op de knieën, toen de zonnegod in zijne gouden schuit aan den hemel verscheen. Hij bad recht innig, eerst voor Warda en daarna voor het heil zijner in gevaar verkeerende ziel. Bemoedigd stond hij op, overtuigde zich dat zijne kleindochter aanmerkelijk in beterschap toenam, zeide toen de vrouwen vaarwel, stak zijne vuursteenmessen en bronzen haken197) bij zich en ging weder naar het huis der balsemers, om daar zijn treurigen arbeid te verrichten.
De groep gebouwen, waarin een groot deel van de inwoners van Thebe werden gebalsemd, lag op een naakten woestijnbodem, ver van zijne hut verwijderd, ten zuiden van het Seti-huis, aan den voet van het gebergte. Zij vormden op zichzelve een tamelijk uitgestrekt vlek, dat door een ruwen uit Nijltegels opgetrokken muur was omgeven. Door de hoofdpoort, naar de zijde van den stroom gekeerd, werden de lijken bij de Kolchyten198) binnengebracht, terwijl de priesters, Paraschieten, Taricheuten199), wevers en handlangers, die hier hun dagelijksch werk hadden te verrichten, benevens ontelbare waterdragers, die met lederen zakken beladen van den Nijl kwamen, door eene zijpoort op dit terrein werden toegelaten. Aan het uiterste einde ten noorden verhief zich een deftig houten gebouw met eene eigene deur, waarin de bestellingen werden aangenomen van de nabestaanden der afgestorvenen, dikwijls echter ook van levende menschen, die intijds bedacht waren op eene behoorlijke begrafenis200).
In dit huis heerschte meestal vrij wat drukte. Op dit oogenblik bewogen zich in de verschillende vertrekken wel vijftig mannen en vrouwen uit allerlei standen. Zij kwamen niet enkel uit Thebe, maar ook uit vele kleine steden van Opper-Egypte, om hier inkoopen te doen, of aan de beambten die hier bezig waren onderscheidene bestellingen op te dragen. De doodenbazar was goed genoeg voorzien, want men vond er lijkkisten in alle vormen, van de eenvoudigste tot de kostbaarste, die, in de gedaante van mummiën, rijk verguld en beschilderd waren. Ze stonden alle tegen de wanden overeind. Op houten rekken lagen ontelbare rollen van grof en fijn lijnwaad, waarmede de ledematen der mummiën omwonden werden. Dit lijnwaad was door het personeel van deze inrichting voor het balsemen vervaardigd, onder de bescherming van de godinnen van het weefgetouw, Neith, Isis en Nephtys, of men had het van elders, met name uit Saïs ontboden.
De bezoekers van deze modelkamers mochten uit de lijkkisten en windsels vrij hunne keuze doen. Ditzelfde gold van de halsbanden, scarabeën, zuiltjes, Oeza-oogen, banden, hoofdsteunsels, driehoeken, rechthoeken, gespleten ringen, trapjes en andere symbolische figuren201), die men gewoon was de dooden als heilige amuletten op het lichaam te hechten, of in de windsels te wikkelen. Talrijk waren de stempels van gebakken aarde202), bestemd om in den grond te worden geborgen, ten einde zoo er geschil ontstond over de grenzen van eene begraafplaats, te kunnen uitmaken hoever het gebied van een familiegraf reikte. Voorts vond men hier godenbeeldjes, die in het zand werden gelegd, om de zoodanigen te reinigen en te heiligen, die Seth-Typhon toebehoorden203); alsmede zoogenaamde Schebti-beeldjes, waarvan men een aantal in kleine kistjes, of ook enkele afzonderlijk in het graf pleegde te plaatsen. Van deze laatste verwachtte men, dat zij met hun spade, ploeg en zaadbuidel, welke voorwerpen hun op de schouders werden gelegd, de afgestorvenen zouden bijstaan in hun arbeid op den akker der gelukzaligen204).
De weduwe en de hofmeester van den overleden rijken profeet van den Hatasoe-tempel Roeï, en een voornaam priester, die hen begeleidde, waren thans in een levendig gesprek met de beambten van het huis der balseming, en kozen uit de voorhanden modellen de kostbaarste kisten. De mummie moest, besloten in een omhulsel van met stuco bedekt linnen, in een houten kist, en deze weder in een steenen sarkophaag gelegd worden. Verder zochten zij het fijnste lijnwaad uit, en amuletten van malachiet, lazuursteen, bloedjaspis, carneool, en groen veldspaath205), alsmede albasten kanopen voor de ingewanden. Zij schreven op een gereedliggend wastafeltje den naam van den ontslapene, van zijne ouders, zijne vrouw en kinderen, benevens al zijne titels, en gaven de teksten op, die op zijne lijkkist en op de papyrus-rollen, die hem zouden worden medegegeven, moesten geschreven en op zijn naam opgesteld worden. Over de opschriften der grafwanden van het voetstuk van zijn beeld, dat in het graf moest worden geplaatst, en van den grafsteen206), insgelijks daar ter plaatse op te richten, zou nog nader worden gesproken. Het vervaardigen van die opschriften zou worden opgedragen aan een priester uit het Seti-huis, die tevens eene lijst moest opmaken van de rijke doodenoffers, die de achterblijvenden zouden stichten. Deze lijst kon echter eerst later worden opgegeven, wanneer na de deeling van de erfenis over den omvang van het nagelaten vermogen kon worden geoordeeld. Het balsemen alleen met de fijnste oliën en reukwerken, daarbij gerekend de windsels, amuletten en de lijkkisten, zou, behalve de steenen sarkophaag, een last zilver kosten207).
De weduwe droeg een lang rouwgewaad, en haar voorhoofd was met Nijlslib bestreken. Terwijl zij bezig was te loven en te bieden met de beambten van het huis der balsemers, — want de prijzen vond zij zoo ongehoord hoog, dat zij zelfs van afzetterij sprak — barstte zij van tijd tot tijd, gelijk het gebruik vereischte, in luide weeklachten uit. Meer bescheidene burgers waren spoediger met hunne bestellingen gereed, doch het was volstrekt niet ongewoon, dat zij voor het balsemen van het hoofd eener familie, een vader of eene moeder bijvoorbeeld, de inkomsten van een geheel jaar ten beste gaven. Het balsemen der armen was echter goedkoop, en voor de allerarmsten moesten de Kolchyten zelve zorgen. Dat was eene schatting, die zij verplicht waren den koning op te brengen, evenals van het linnen uit hunne weverijen.
Dit magazijn van het huis voor de balseming was zorgvuldig gescheiden van de overige gedeelten dezer inrichting, waarvan de toegang aan ieder, die er niets te doen had, ten strengste was verboden. De Kolchyten vormden een vastgesloten gild, aan het hoofd waarvan eenige priesters stonden, uit wier midden de bestuurders der vereeniging gekozen werden, die vele duizende leden telde. Deze bestuurders genoten alle eer. Ook zij die met het eigenlijke werk der balseming belast waren, de Taricheuten, mochten zich onder de andere burgers vertoonen, ofschoon men in Thebe toch altijd eenigszins schuw voor hen uit den weg ging. Op de Paraschieten alleen, die de lijken moesten openen, rustte de vloek der onreinheid in al zijne zwaarte. De plaats hunner werkzaamheid zag er inderdaad zeer akelig uit. De steenen zaal, waarin men de lijken opende, en de hallen waarin ze gezalfd werden, waren verbonden met laboratoriën, bewaarplaatsen van specerijen en nog verschillende andere vertrekken tot het gereedmaken van allerlei benoodigdheden. In eene ruimte, die tegen de zonnestralen alleen beschut was door een dak van palmtakken, vond men een groot gemetseld bekken met eene oplossing van natron. Daarin werden de lijken gezouten, waarna ze gedroogd werden in een steenen tunnel door middel van een kunstmatig verhitte luchtstroom.
De weverijen, alsmede de werkplaatsen der kistenmakers en schilders, bevonden zich in talrijke kleine houten huisjes in de nabijheid van de modelkamers. Op zeer grooten afstand vandaar stond het grootste gebouw van deze inrichting, namelijk een laag, maar bijkans onafzienbaar lang, massief steenen huis met een stevig dak. Hier werden de toebereide lijken met de windsels omwikkeld, met amuletten versierd, en voor den tocht naar de andere wereld geheel toegerust. Wat er binnen in dit gebouw, waar leeken slechts voor enkele oogenblikken toegelaten werden, gebeurde, was bovenmate geschikt om bevreemding te wekken. Hier schenen de goden zelven zich met de lichamen der stervelingen bezig te houden. Door de vensteropeningen die naar de straat waren gekeerd, kon men bij dag en bij nacht de woorden van voordrachten en de tonen van hymnen en weeklachten opvangen. De priesterlijke beambten, die hier aan het werk waren, droegen maskers van de goden der onderwereld208). Een anubis met den kop van een jakhals werd vooral veelvuldig aangetroffen. Knaapjes, met momaangezichten van zoogenaamde Horus-kinderen, stonden dezen ter zijde, en aan het hoofd- zoowel als aan het voeteinde van elke mummie, zag men eene vrouw, staande of neergehurkt, de laatste met de zinnebeelden van Nephthys, de eerste met die van Isis op het hoofd. Ieder lid van den gestorvene op zichzelf werd met behulp van heilige oliën, amuletten en tooverspreuken aan een bepaalden god gewijd. Voor het omwinden van elke spier was een bijzonder toebereid stuk lijnwaad bestemd. Elke drogerij, ieder windsel moest zijn oorsprong aan eene godheid ontleenen. Dat verward geruisch der liederen, die verkleede gedaanten en die welriekende geuren van allerlei aard werkten inderdaad verdoovend op de zinnen van ieder, die deze plaats bezocht. Het spreekt vanzelf, dat het geheele gebouw waar de balseming plaats had als doortrokken was van de geuren van krachtige hars, zachte rozenolie, scherpe muskus en andere welriekende specerijen, die in den geheelen omtrek, ja tot op zeer verren afstand de lucht vervulden. Als de wind woei uit het zuidwesten, droeg hij deze geuren wel eens over den Nijl naar Thebe. Dat werd voor een ongunstig teeken gehouden, en te recht, want uit het zuidwesten kwam de woestijnwind, die de krachten der menschen verlamde en voor karavanen zoo gevaarlijk was.
Op het plein van het modellenhuis stonden verschillende groepen van burgers uit Thebe rondom enkele personen geschaard, waaraan zij hunne deelneming betuigden. Iemand die pas was aangekomen, de overste der offerpriesters van den tempel van Amon, die voor velen een bekende scheen te zijn en met eerbied werd begroet, berichtte, alvorens aan de weduwe van den profeet Roeï zijn rouwbeklag te doen, dat hij vervuld was van eene schrikkelijke gebeurtenis. Er had zich toch aan de overzijde in Thebe een onheilspellend teeken voorgedaan, en wel in den tempel van den koning der goden zelven209). Vele nieuwsgierige hoorders verdrongen zich om hem, toen hij vertelde, dat de stadhouder Ani, uit blijdschap over de overwinning van zijne naar Ethiopië gezonden troepen, onder het garnizoen van Thebe, en dus ook onder de wachters van den Amon-tempel, wijn in overvloed had laten uitdeelen, en dat, terwijl de soldaten aan het feestvieren waren geweest, wolven210) waren ingebroken in den stal van de heilige rammen211) der godheid. Sommigen waren den dood ontkomen, maar de heerlijke ram, dien Ramses zelf uit Mendes212) ten geschenke had gezonden, toen hij ten krijg toog, het edele dier, dat Amon tot woning zijner ziel had uitverkoren213), was door de soldaten, die de treurmare tot aller schrik door de stad kwamen verspreiden, geheel verscheurd gevonden. Op hetzelfde uur was uit Memphis het bericht gekomen, dat de heilige Apis-stier gestorven was.
De burgers, die zich verzameld hadden rondom den overste der offerpriesters, hieven terstond luide jammerkreten aan, die wijd en zijd in het rond werden gehoord. De opziener zelf en de weduwe van den profeet Roeï stemden er levendig mede in. Uit het modellenhuis kwamen de verkoopers en beambten, uit de hallen der balsemers de Taricheuten, Paraschieten en hunne handlangers, uit de weverijen de werklieden en spinsters met hunne opzichters te voorschijn, en zoodra zij vernomen hadden wat er gebeurd was, namen allen aan het weegeklaag deel. Zij huilden en schreeuwden, bestrooiden hunne haren en bestreken hunne voorhoofden met stof. Het was een wild en oorverdoovend geraas. Toen het een weinig begon te bedaren en de weeklagers tot hunne bezigheden terugkeerden, kon men duidelijk het gejammer van de bewoners der Nekropolis, ja zelfs van de burgers van Thebe hooren, dat door den oostenwind werd overgedragen.
»Nu zullen zich,” zeide de overste der offerpriesters, »de slechte tijdingen omtrent den koning en het leger wel niet lang laten wachten! De dood van den ram, waaraan wij Ramses’ naam gaven, zal door den pharao nog meer worden betreurd, dan het sterven van den Apis. Inderdaad een veeg, zeer veeg teeken!”
»Mijn gestorven echtgenoot, de Osiris Roeï,” zeide de weduwe, »heeft dat alles vooruit gezien. Als ik maar durfde spreken, zou ik veel kunnen openbaren, wat velen niet aangenaam zou zijn.”
De overste der offerpriesters glimlachte, want hij wist dat de profeet van den Hatasoe-tempel een aanhanger was geweest van het oude koningshuis. Daarom gaf hij ten antwoord: »Ramses’ zon kan wel voor een oogenblik door de wolken worden bedekt, maar haar ondergang zullen noch zij aanschouwen, die er voor vreezen, noch zij die hem vurig wenschen.”
De priester groette hierop koeltjes en ging het wevershuis binnen, waar hij eenige zaken had te doen, en de weduwe steeg weder in haar draagstoel, die aan de poort stond te wachten.
De oude Paraschiet Pinem had ook met zijne gezellen den dood der heilige dieren betreurd. Hij zat nu in de snijkamer op het harde plaveisel, om zijn eenvoudig maal te nemen; want het was middag geworden. De steenen zaal, waarin hij zijne bete broods nuttigde, was slecht verlicht. Zij ontving haar licht door eene kleine opening in het dak, waar de middagzon loodrecht boven stond, zoodat een bundel schitterende stralen, waarin de zwevende stofdeeltjes speelden, door de halfdonkere ruimte op het grauwe plaveisel nederdaalde. Tegen alle wanden stonden mummie-kisten, en op de glad gepolijste tafels lagen de lijken, met grove doeken bedekt. Nu en dan schoot er een rat over den grond, en uit de breede voegen der steenplaten, waarmede de ruimte bevloerd was, kropen schorpioenen langzaam te voorschijn.
Het gevoel van den Paraschiet was sedert lang afgestompt voor het huiveringwekkende van deze plaats. Hij had een grof stuk linnen voor zich uitgespreid, waarop hij de spijzen voorzichtig neerlegde, die zijne vrouw voor hem in den buidel had gestoken, eerst een halven broodkoek, dan wat zout en ten laatste eene ramenas. Doch het zakje bleek nog niet leeg te zijn. Hij greep er weder in en vond een stuk vleesch, tusschen twee koolbladen gewikkeld. De oude Hekt had voor Warda een gazellebout uit Thebe medegebracht, en nu bleek hem dat de vrouwen een stuk ervan in zijn buidel hadden gestoken, om hem wat te versterken. Met ontroering beschouwde hij dit geschenk, maar hij aarzelde er de hand aan te slaan; want het was hem alsof hij het aan de zieke ontstal. Terwijl hij het brood en de ramenas zat op te eten, bleven zijne oogen op dat stuk vleesch als op een kostbaar kleinood gericht, en wanneer eene vlieg het waagde er zich op neer te zetten, sloeg hij die haastig weg. Eindelijk bracht hij het aan zijn mond en dacht daarbij aan vroegere middagen, en hoe dikwijls hij in zijn spijszak eene bloem had gevonden, die Warda bij het brood had gelegd, om hem genoegen te doen. Zijn gemoed schoot vol en in zijne goedige oude oogen welden tranen van dankbaarheid voor zooveel liefde. Hij hief zijn hoofd weder op en daarbij viel zijn blik op de lijkentafel. Onwillekeurig vroeg hij zich af, hoe hij te moede zou zijn geweest, indien daar in plaats van den profeet zonder hart, zijne kleindochter, de zonneschijn van zijn ouden dag, roerloos had gelegen. Een kille huivering voer door al zijne leden, en hij meende dat hij den arts, die haar leven had behouden, zelfs voor den prijs van zijn eigen hart niet te duur betaald zou hebben. En toch — hij had in zijn langdurig leven zooveel leed en smaad ondervonden, dat hij de hoop op een beter lot aan gene zijde des grafs niet opgeven kon. Daarop greep hij naar de verklaring, die Nebsecht voor hem had opgesteld, hield haar met beide handen in de hoogte, als wilde hij haar aan de hemelsche goden toonen, en tot de goden der onderwereld bad hij, inzonderheid tot de rechters in de zaal der waarheid en gerechtigheid, dat zij hem toch niet mochten toerekenen, wat hij voor anderen, niet voor zichzelven had misdreven, en dat zij Roeï, hoewel van zijn hart beroofd, de rechtvaardiging niet mochten onthouden.
Terwijl zijne ziel aldus in overpeinzing en gebed was verzonken, kwam er beweging voor de deur van het ontledingsgebouw. Het was hem als hoorde hij zijn naam uitspreken, en terwijl hij scherper begon te luisteren, kwam een Taricheut binnen, die beval hem te volgen.
Voor de van harslucht en andere welriekende geuren geheel vervulde zaal, waarin de eigenlijke balseming plaats had, stonden vele Taricheuten zeker voorwerp opmerkzaam te beschouwen, dat in eene albasten schaal lag. De knieën van den oude begonnen te knikken, toen hij het dierenhart herkende, dat hij bij de overige inwendige lichaamsdeelen van den profeet Roeï gelegd had.
De overste der Taricheuten vroeg hem, of hij den gestorven profeet had behandeld.
Pinem stamelde een toestemmend antwoord.
Of dit dan het hart van Roeï was?
De oude knikte bevestigend.
De Taricheuten sloegen verder geen acht op hem. Na een oogenblik onder elkander gefluisterd te hebben, verwijderde zich een hunner, om weldra terug te keeren met den overste der offerpriesters uit den Amon-tempel in Thebe, dien hij nog in het wevershuis had aangetroffen, en den overste aller Kolchyten.
»Laat mij dat hart zien,” zeide de overste der offerpriesters, terwijl hij bij de Taricheuten kwam. »Ik kan in het donker wel onderscheiden of gij goed hebt gezien. Dagelijks onderzoek ik wel honderd dierenharten. Geeft hier! — Bij alle goden van hemel en onderwereld, dit is het hart van een ram.”
»En het werd in de borst van Roeï gevonden,” luidde de stellige verzekering van een der Taricheuten. »Gisteren werd hij in onze tegenwoordigheid door dezen ouden Paraschiet geopend.”
»Zonderling!” zeide de Amon-priester, »en ongelooflijk! Maar misschien heeft er eene onwillekeurige verwisseling plaats gehad. Hebt gij ook hierboven ergens geslacht, en....”
»Wij reinigen ons,” viel de overste Kolchyt den offerpriester in de rede, »voor het feest van het dal, en sedert tien dagen is bij ons geen dier tot spijziging geslacht. Bovendien liggen de stallen en slachthuizen ver van hier, aan gene zijde van de weverijen.”
»Vreemd!” herhaalde de priester. »Bewaar dit hart zeer zorgvuldig, Kolchyt! Of nog beter: Laat het in eene bus doen. Wij zullen het naar den eersten profeet van Amon brengen. Het schijnt inderdaad, dat hier een wonder is geschied.”
»Het hart behoort in de Nekropolis,” bracht de overste Kolchyt hiertegen in, »weshalve het geschikter zou zijn, als wij het aan den eersten profeet van het Seti-huis, den grooten Ameni ter hand stelden.”
»Gij hebt hier te bevelen,” was het antwoord van den ander. »Laat ons dan heengaan!”
Weinige oogenblikken later werden de offerpriester en de overste Kolchyt in hunne draagstoelen het dal ingedragen, op den voet gevolgd door een Taricheut, gezeten op een stoel, die tusschen twee ezels hing. Deze laatste hield een elpenbeenen kastje, waarin het hamelhart lag, zeer behoedzaam in zijne armen.
De oude Paraschiet Pinem zag de priesters achter een tamarindenboschje verdwijnen. Hoe gaarne was hij hen achterna geijld en had hij alles bekend. Want zijn geweten kwelde hem, deed hem allerlei pijnigende verwijten en noemde hem een bedrieger. Ofschoon zijn geest te traag was, om op eens al de gevolgen van zijn daad te overzien, zoo begon hij toch wel eenigermate te vermoeden, dat hij een zaad had uitgestrooid, waaruit allerlei misleidingen konden geboren worden. Het was hem alsof hij geheel tot leugen en ongerechtigheid was vervallen, als keerde de godin der waarheid, die hij levenslang had gediend, hem verwijtend den rug toe. Na het gebeurde kon hij toch nimmer hopen door de doodenrechters zalig gesproken te zullen worden, als »een die der waarheid getuigenis gaf214).” Verloren, verspeeld was het doel van een lang leven, zoo rijk aan gebeden en ontberingen! Zijne ziel weende bloedige tranen, het suisde zoo hevig in zijne ooren, dat zijne zinnen verbijsterd werden. Toen hij weder aan den arbeid wilde beginnen en de voetzolen van een lijk afnemen215), beefde zijne handen zoo hevig, dat hij niet in staat was het mes te gebruiken.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De treurmare van de jammerlijke wijze, waarop de ram van Amon was omgekomen, alsmede dat de Apis-stier van Memphis was gestorven, had ook reeds het Seti-huis bereikt. Zij was daar met weeklachten ontvangen, waarin al zijne bewoners, van den eersten Horoscoop tot den kleinsten knaap in de laagste schoolklasse instemden. Het hoofd der inrichting, Ameni, bevond zich sedert drie dagen te Thebe, en werd eerst heden teruggewacht. Met onrust en bezorgdheid werd zijn komst door velen tegemoet gezien. De eerste der Horoscopen brandde van verlangen, hem de weder opgevangen leerlingen ter bestraffing over te geven, en Pentaoer zoowel als Bent-Anat bij hem aan te klagen. De ingewijden wisten, dat aan gene zijde van den Nijl zeer gewichtige dingen verhandeld waren, en de losgebroken jongelingen, dat er een streng gericht over hen gehouden zou worden.
De oproerige bende was op water en brood in een open hof opgesloten. Daar de gewone gevangenkamer der inrichting voor allen te klein was, hadden zij nu twee nachten in een schuur op dunne stroomatten moeten slapen. De jeugdige gemoederen waren zeer in spanning, maar wat er in hun omging uitte zich bij den een anders dan bij den ander. Bent-Anat’s broeder, de zoon van Ramses, Rameri, had zich dezelfde behandeling als zijne makkers moeten laten welgevallen. Gisteren hadden zij met hem een weinig den spot gedreven, en zich daarbij nog veel overmoediger getoond, dan zij gewoonlijk waren, doch heden lieten zij het hoofd hangen. De jonge Anana, Pentaoer’s geliefdste leerling, zat in een hoek van den hof met de ellebogen op de knieën, en verborg zijn aangezicht in zijne handen.
»Wij hebben deze streek nu eenmaal begaan,” zeide Rameri, terwijl hij naar Anana toeging en zijne hand op diens schouder legde, »en wij moeten goedschiks of kwaadschiks de gevolgen ervan dragen. Maar schaamt ge u niet, oude jongen! Uwe oogen zijn vochtig en de druppels hier op uwe handen komen zeker niet uit de wolken. Dat heet een zeventienjarige, en wil binnen weinige maanden een schrijver, een volwassen man zijn!”
Anana zag tot den koningszoon op, veegde snel zijne tranen weg en zeide: »Ik was uw aanvoerder. Ameni zal mij uit deze inrichting bannen, en dan moet ik met schande tot mijne arme moeder terugkeeren, die in de wereld niets anders heeft behalve mij.”
»Arme kerel!” sprak Rameri deelnemend. »Het is ook om uit je vel te springen! En wanneer onze streek Pentaoer ten minste nog maar gebaat had!”
»We hebben hem kwaad berokkend,” hernam Anana levendig, »en als onzinnigen gehandeld.”
Rameri knikte toestemmend, zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich, en sprak toen: »Weet ge wel, Anana, dat gij eigenlijk onzen aanvoerder niet geweest zijt? In dit hoofd is het dolzinnige plan opgekomen, en gij hebt het mij slechts helpen uitvoeren. Ik neem alles voor mijne rekening. Ik ben de zoon van Ramses, en Ameni zal zachter met mij handelen dan met ulieden!”
»Hij zal ons in het verhoor nemen,” zeide Anana, »en liever laat ik mij straffen, dan dat ik liegen zou.”
Rameri kreeg eene kleur en riep: »Hebt ge mijne tong ooit hooren zondigen tegen de lichtdochter van Ra? Heidaar! Antef, Hapi, Sent en gij overigen, geeft antwoord! Heb ik ulieden opgehitst of niet? Wie anders dan ik heeft u aangeraden Pentaoer te gaan opzoeken? Heb ik gedreigd, dat ik mijn vader zou verzoeken mij uit het Seti-huis te nemen, of niet? Heb ik u niet aangezet om hetzelfde te doen? Ja of neen? — Daar hebt gij ’t! Ziet ge wel, Anana, ik ben de ontwerper van deze streek; ik ben de raddraaier, en als wij ondervraagd worden, laat ge mij het eerst spreken. Niemand mag den naam van Anana noemen, niemand, hoort ge! Al slaan ze ulieden met stokken en al laten ze ons honger lijden, wij blijven er bij, dat ik van al het gebeurde oorzaak ben?”
»Gij zijt een brave jongen,” zeide de zoon van den eersten profeet van Amon in Thebe, en drukte daarbij Rameri’s rechterhand, terwijl Anana zijn linker schudde.
De prins maakte lachend zijne handen uit die zijner vrienden los, zeggende: »Laat nu den oude maar komen, we zijn er op voorbereid. Maar ik blijf er bij: ik vraag mijn vader zoo waarachtig als ik Rameri heet, mij naar Chennoe te zenden, als zij Pentaoer niet terugroepen.”
»Hij heeft ons als schooljongens behandeld,” zeide de grootste onder de jeugdige misdadigers.
»En met recht,” antwoordde Rameri. »Ik acht hem daarom te hooger. Gij ziet mij aan voor een lichtzinnigen knaap; doch ik heb mijne eigene gedachten en zal u mijne wijsheid doen kennen.”
Bij deze woorden zag hij zijne makkers aan met komischen ernst en vervolgde, terwijl hij de stem van Ameni nabootste: »De groote mensch onderscheidt zich hierdoor van den kleine, dat hij hetgeen zijn ijdelheid streelt, en hem voor het oogenblik wenschelijk, zelfs nuttig schijnt, versmaadt en onopgemerkt voorbijgaat, wanneer het niet is overeen te brengen met door hem erkende wetten, en met een of ander verheven doel, dat hij zich ter bereiking heeft voorgesteld, maar misschien eerst na zijn dood kan worden verwezenlijkt. — Deze wijsheid heb ik deels uit den mond mijns vaders opgevangen, deels zelfs bedacht, en nu vraag ik u: kon Pentaoer, als die grootere mensch, ons beter behandelen?”
»Gij spreekt uit,” zeide Anana, »wat mijn hart mij reeds sedert gisteren zeide. Wij hebben gehandeld als kleine kinderen, en in plaats van onzen wil door te zetten, ons zelven en Pentaoer kwaad gedaan.”
Men hoorde het ratelen van een naderenden wagen. Rameri viel Anana in de rede en riep: »Daar is hij! Moed, jongens! Ik ben de schuldige. Hij durft mij niet met den stok te laten slaan, maar hij zal mij met zijne oogen wel raken!”
Ameni stapte haastig van zijn wagen. De portier deelde hem mede, dat de eerste Kolchyt en de overste der offerpriesters van den Amon-tempel te Thebe hem verlangden te spreken.
»Zij kunnen wachten,” antwoordde de profeet kortaf. »Breng ze voorloopig in de tuinzaal. Waar is de eerste der Horoscopen?”
Hij had nog niet uitgesproken, toen de grijsaard naar wien hij vroeg hem rustig te gemoet kwam, om hem op de hoogte te brengen van alles wat er in zijne afwezigheid was geschied. Doch de offerpriester had in Thebe reeds alles vernomen, wat de oude man hem verlangde mede te deelen.
Ameni liet zich, zoo vaak hij het Seti-huis verliet, elken morgen getrouw berichten wat er zich had voorgedaan. Toen nu de Horoscoop met zijn verslag begon, brak hij diens hartstochtelijke aanklacht af met te zeggen: »Ik weet alles! De leerlingen hangen Pentaoer aan en hebben om zijnentwil eene dwaasheid begaan, en gij hebt de prinses Bent-Anat bij hem ontmoet in den Hatasoe-tempel, tot welken hij eene geringe vrouw toegang verleende, zonder dat zij vooraf gereinigd was. Dat zijne erge dingen, die ernstig behandeld moeten worden, maar niet heden. Wees dus gerust! Pentaoer zal zijn straf niet ontgaan. Toch zullen wij hem terstond naar het Seti-huis terug moeten ontbieden, want wij kunnen hem morgen niet missen bij het feest van het dal. Voordat hij veroordeeld is, mag niemand hem onvriendelijk bejegenen, dat verzoek ik u dringend, en ik draag u op dit ook aan de anderen te zeggen.”
De Horoscoop beproefde Ameni te doen gevoelen, welk een ergernis zulk eene ontijdige toegevendheid zou veroorzaken. Maar de offerpriester liet hem niet uitspreken; hij eischte zijn ring van hem terug, riep een jeugdig priester, wien hij het kostbaar kleinood overhandigde, met den last om onverwijld zijn wagen te bestijgen, die nog aan de poort wachtte, ten einde Pentaoer in zijn naam te bevelen in het Seti-huis terug te keeren.
Hoewel innerlijk teleurgesteld, schikte de Horoscoop zich naar den wil van den offerpriester en vroeg alleen: »Zullen nu de misdadige knapen ook ongestraft blijven?”
»Zoo min als Pentaoer,” antwoordde Ameni. »Doch hoe kunt gij dezen jongensstreek eene misdaad noemen? Laat jongens toch vroolijk zijn en overmoedig! Een opvoeder die zijne oogen altijd openhoudt en ze niet ter rechter tijd weet te sluiten, zal hen zeker bederven. Alvorens het leven de toewijding aan ernstige plichten van ons vordert, hebben wij te beschikken over een verbazenden overvloed van krachten. Het kind wendt ze aan bij zijn spel, de knaap als hij met den hamer en den beitel van zijne fantasie luchtkasteelen bouwt en dwaasheden begaat. — Gij schudt het hoofd, Septah; ik zeg u echter: een dolzinnige jongensstreek is de voorbode van mannelijke daden! Ik zal een van de knapen voor het gebeurde laten boeten, en ook dezen zou ik zonder straf vrijlaten, indien er niet bijzondere redenen waren, waarom ik hem van ons feest verwijderd wil houden.”
Septah weersprak zijn meester niet, want hij wist dat, als Ameni de oogen zoo driftig opsloeg, en zijne anders zoo afgemetene bewegingen zoo ernstig waren als heden, er iets gewichtigs op til was.
De offerpriester, bespeurende wat er in den Horoscoop omging, zeide: »Thans verstaat gij mij niet, maar heden avond zult gij in de vergadering der ingewijden alles vernemen. Er zijn belangrijke dingen aan de orde. De priesters in den Amon-tempel aan den anderen oever, worden afvallig van hetgeen ons allen die witte kleederen dragen, het heiligste moest zijn. Zij zullen ons tegenhouden, als de tijd tot handelen gekomen is. Bij het feest van het dal zullen wij tegenover onze ambtgenooten van de overzijde staan. Geheel Thebe zal het feest komen vieren en het zal er op aankomen te toonen, wie de godheid waardiger weet te dienen, zij of wij. Wij zullen al onze krachten hebben in te spannen, en Pentaoer kunnen wij het minst van allen missen. Hij moet morgen als Cherheb216) optreden, morgen alleen; overmorgen stellen wij hem voor onze rechtbank. Onder die ongehoorzame jongens zijn onze beste zangers, is ook de jonge Anana, die de stemmen leidt van het jongelingskoor. Ik zal die onbezonnen knapen terstond in het verhoor nemen. De zoon van Ramses, Rameri, was mede onder deze weerspannigen niet waar?”
»Hij schijnt een der raddraaiers geweest te zijn,” antwoordde de Horoscoop.
Ameni zag den oude aan met een lachje, waarin een diepe zin lag, en zeide: »De naaste bloedverwanten des konings bedekken zich met eer! Zijn oudste dochter moet, als eene verontreinigde en weerspannige, op verren afstand worden gehouden van de vromen in den tempel, en wij zullen wel genoodzaakt zijn, zijn zoon uit deze inrichting te verbannen. Gij ziet mij zoo verbaasd aan? Maar ik heb u zooeven reeds gezegd: de tijd om te handelen is gekomen. Doch hierover heden avond! Thans nog eene vraag. Is de mare van den dood van den heiligen ram van Amon tot u gekomen? Ja? Ramses zelf schonk het dier aan de godheid, en ze hadden het zijn naam gegeven. Een slecht voorteeken!”
»Ook de Apis is gestorven,” zeide de Horoscoop, en hief klagend zijne armen omhoog.
»Zijne goddelijke ziel keerde tot de godheid terug,” antwoordde Ameni. »Wij hebben nu veel te doen, voor alles te toonen, dat wij de priesters van de overzijde staan kunnen, en Thebe voor ons te winnen. De panegyrie, die wij tegen morgen in gereedheid brengen, moet alles wat men tot hiertoe gezien heeft overtreffen. De stadhouder Ani schonk mij rijke bijdragen, en....”
»En,” viel de Horoscoop hem in de rede, »onze wonderdoeners kunnen vrij wat beter dingen voor den dag brengen, dan die van het Amon-huis, die zitten te slempen, als wij ons oefenen.”
Ameni knikte toestemmend, en zeide lachend: »Wij zijn voor het volk ook onontbeerlijker dan zij. De priesters van de overzijde besturen de levenden, maar wij effenen den doodsweg, en in het licht kan men gemakkelijker zonder gids wandelen dan in de duisternis. Wij zijn tegen de priesters van Amon wel opgewassen.”
»Zoolang gij ons aanvoert, zeker!” riep de Horoscoop.
»En zoolang het dit huis niet aan mannen ontbreekt van uw geest,” voegde Ameni er bij. Hij richtte zich daarbij half tot den Horoscoop, half tot den tweeden profeet van het Seti-huis, den ouden maar krachtigen Gagaboe, die juist was binnengetreden. Beiden geleidden den offerpriester in den tuin, waar de twee priesters met het wonderhart op hem stonden te wachten.
Ameni groette den overste der offerpriesters van het Amon-huis met waardige vriendelijkheid, den eerste der Kolchyten echter met zekere voorname terughouding. Hij liet zich door hen van alles bericht geven, beschouwde met den Horoscoop en Gagaboe het hart in ’t kastje, nam het angstvallig tusschen zijne lange dunne vingers, bekeek met aandacht het orgaan, dat met specerijen verzadigd, een aangenamen geur rondom zich verspreidde, en zeide ernstig: »Als dit, gelijk gij beweert, Kolchyt, geen menschenhart, maar zooals gij, mijn broeder uit het Amon-huis, verzekert, het hart van een ram is, dat gevonden werd in de borst van den Osiris Roeï, dan staan wij hier voor een raadsel, dat de godheid alleen kan oplossen. Volgt mij in het groote voorhof! Laat het bekken slaan, Gagaboe, viermaal, want ik wensch alle tempelbewoners saam te roepen.”
In krachtige golvingen verbreidde zich het geluid van den tamtam tot aan de uiterste deelen van de uitgestrekte groep gebouwen. De ingewijden, de heilige vaders, tempeldienaars en scholieren stroomden in weinige oogenblikken samen. Niemand behalve een enkele kranke, ontbrak, want ieder bewoner van het huis was verplicht op de viermaal herhaalde roepstem, die maar zelden werd gehoord, in het eerste groote tempelhof te verschijnen. Ook de arts Nebsecht was gekomen, want hij vreesde toen hij den ongewonen vierden slag vernam, dat er brand was uitgebroken.
Zoodra allen waren bijeengekomen, beval Ameni, dat zij zich in rangorde zouden scharen. Hij deelde zijnen verbaasden hoorders mede, dat er in de borst van den gestorven vromen overste van den Hatasoe-tempel, het hart van een ram en niet dat van een mensch was gevonden, en verlangde dat zij hem volgen zouden. Hij gebood allen op de knieën neder te zinken en te bidden, terwijl hij in het Allerheiligste zou gaan, om de goden te vragen, wat dit wonder voor hunne getrouwen te beteekenen had. Hij ging, met het hart in de hand, aan het hoofd van den langen optocht en verdween achter het voorhangsel van het allerheiligste. De ingewijden baden in de door zes zuilen gedragen voorzaal, de overige priesters en leerlingen in het ruime hof, dat aan de westzijde door den majestueusen zuilengang met het poortgebouw werd afgesloten.
Ameni bleef wel een uur in het stille binnenste heiligdom, waaruit dichte wierookwolken naar buiten drongen. Eindelijk vertoonde hij zich weder, brengenden eene gouden met edelgesteenten bezette vaas. Het rijke gewaad van den opperpriester bekleedde thans zijne hooge gestalte. Een priester, die voor hem uitging, hield de vaas met beide handen zoo hoog, dat zij verre boven zijn hoofd uitstak. Ameni’s oogen schenen zich niet van dit kostbaar voorwerp te kunnen afwenden, en hij volgde het, op zijn kromstaf leunende, in deemoedige houding. De ingewijden bogen hunne voorhoofden tot op het steenen plaveisel van de zaal, en de priesters en scholieren raakten met hunne aangezichten den grond, toen zij hun trotschen meester zoo deemoedig en eerbiedig zagen naderen. De biddenden hieven de hoofden eerst op, toen Ameni in het midden van het hof was gekomen en de trappen van het altaar bestegen had, waarop de vaas met het hart werd neergezet. Zij luisterden naar de woorden van den opperpriester, die plechtig, met afgemeten woorden en zoo luide dat allen het hooren konden, het volgende verkondigde:
»Zinkt andermaal op uwe knieën neder! Bewondert, aanbidt, en dankt! De achtbare overste der offerpriesters uit den Amon-tempel te Thebe heeft zich in zijne kunst niet bedrogen, want het hart van een ram werd inderdaad gevonden in de vrome borst van onzen Roeï. In het allerheiligste heb ik duidelijk de stem der godheid vernomen, en wonderbare woorden drongen door tot mijn oor. Wolven verscheurden den heiligen ram van Amon in zijn heiligdom aan den anderen oever van den stroom; maar het hart van het goddelijk dier vond zijn weg naar de borst van den vromen Roeï. Een groot wonder is er geschied, en de goden geven ons een zeldzaam teeken te aanschouwen. De ziel van den Allerhoogste gevoelde zich niet te huis in het lichaam van den niet volmaakt heiligen ram, en zij zocht en vond een reiner verblijf in de borst van onzen achtenswaardigen Roeï, en in deze gewijde vaas. Het hart zal daarin bewaard blijven, tot een nieuwe ram, door eene waardige hand geschonken, in het perk van Amon heeft plaats genomen. Dit hart wordt onder de heiligste reliquieën gerekend; het bezit de kracht velerlei krankheden te genezen. Ook schijnt de voorspellende spreuk, die in wierookdamp stond geschreven, gunstig te zijn. Hoort haar van woord tot woord: ‚Wat hoog is, stijgt hooger, en wat zich verhoogde zal weldra nederstorten.’ Op, Pastophoren! IJlt naar de heilige beelden, draagt ze naar buiten, plaats het goddelijke hart aan het hoofd der processie, en laat ons onder lofgezangen rondom den tempel trekken. Gij, Neokoren, neemt uwe staven ter hand en gaat in alle deelen der stad het groote wonder verkondigen, waarmede de godheid ons heeft begenadigd!”
Nadat de processie een tempelomgang gedaan en zich ontbonden had, nam de overste der offerpriesters van Ameni afscheid, boog zich voor hem diep en volgens de voorgeschreven vormen, en zeide met bijkans vijandige koelte: »Wij zullen in den Amon-tempel weten te waardeeren, wat gij in het Allerheiligste hebt gehoord. Het wonder is geschied; ook de koning zal vernemen, hoe het beloop er van is geweest en met welke woorden gij het hebt aangekondigd.”
»Met de woorden van den Allerhoogste!” antwoordde de opperpriester met waardigheid, boog zich voor den ander en wendde zich tot eenige priesters, die elkander over de groote gebeurtenis van dezen dag onderhielden. Ameni deed eenige vragen betreffende het groote feest dat morgen gevierd zal worden, en liet toen den overste der Horoscopen roepen, terwijl hij beval de oproerige kweekelingen naar den schoolhof te brengen. De grijsaard berichtte, dat Pentaoer teruggekeerd was en volgde het hoofd der inrichting naar de bevrijde gevangenen. Deze waren op het ergste voorbereid en hielden zich overtuigd, dat zij zwaar gestraft zouden worden. Intusschen schudden zij van lachen, toen prins Rameri voorstelde, als zij soms veroordeeld mochten worden op erwten te knielen, deze eerst te laten koken.
»Er zijn niet alleen erwten, maar ook lange asperges”217), zeide een ander scholier, daarbij eene beweging makende alsof hij sloeg, en op zijn rug wijzende.
Wederom barstten zij in schaterend lachen uit, dat echter verstomde, zoodra de welbekende stap van Ameni zich hooren liet. Ieder vreesde het ergste, en toen de opperpriester voor hen stond, was zelfs Rameri de lust om te lachen geheel vergaan. Wel is waar zag hij hen niet verstoord of dreigend aan, maar reeds zijn persoon dwong allen zulk een eerbied af, dat ieder, ook zonder dat hij nog een woord sprak, in hem zijn rechter erkende, tegen wiens uitspraak geen verzet denkbaar was. Tot hunne verbazing sprak Ameni de onbedachtzame jongelingen vriendelijk toe, hij prees den beweeggrond van hetgeen zij gedaan hadden, hunne gehechtheid aan een hoogbegaafden leermeester, maar bracht hun daarna duidelijk en bedaard aan het verstand, door welke dwaze middelen en tegen welken prijs zij getracht hadden hun doel te bereiken. »Stel u eens voor,” zeide hij meer bepaald tot den prins, »dat uw hooggeëerde vader een generaal verplaatste, die naar zijn oordeel hem elders beter zou kunnen dienen, van Syrië naar Koesch bij voorbeeld, en dat zijne troepen daarom tot den vijand wilden overloopen! Hoe zou u dat bevallen?”
In dezer voege ging de opperpriester eenige oogenblikken berispend en vermanend voort. Hij besloot zijne toespraak met de verzekering, dat hij heden buitengewoon toegevend wilde zijn, om het groote wonder, dat aan dezen dag eene bijzondere wijding gaf. Hij mocht, naar hij zeide, ter wille van het slechte voorbeeld, geene volkomene vrijstelling van straf geven, en daarom vroeg hijzelf, wie hen tot deze daad had opgezet. Deze en deze alleen moest de straf lijden.
Nauwelijks had hij uitgesproken, of prins Rameri trad op den voorgrond en zeide met bescheidenheid: »Wij zien nu in, heilige vader, dat wij een dommen streek hebben begaan, en ik betreur dien dubbel, omdat ik hem heb verzonnen en de anderen heb verleid mij te volgen. Ik heb Pentaoer innig lief, en na u is er niemand in het Seti-huis, die hem nabij komt.”
Er kwam eene wolk op het gelaat van Ameni, en onwillig antwoordde hij: »Scholieren staat het niet vrij over hunne leermeesters te oordeelen, ook u niet. Waart gij niet de zoon des konings, die als Ra over Egypte heerscht, zoo zou ik uwe onbezonnenheid met slagen doen straffen. Tegenover u zijn de handen mij gebonden, en toch moet ik ze overal en te ieder ure kunnen uitstrekken, opdat de honderden die mij zijn toevertrouwd geen schade lijden.”
»Straf mij dan!” riep Rameri. »Als ik eene dwaasheid bega, ben ik ook bereid er de gevolgen van te dragen.”
Ameni zag den levendigen jongeling weder met welgevallen aan, en zou hem gaarne de hand geschud en zijn kroeskop gestreeld hebben. Maar de straf Rameri toegedacht, moest een groot doel helpen bevorderen, en Ameni kende ook aan geene opwelling van zijn gemoed het recht toe, hem in de uitvoering van een wél overwogen plan te verhinderen. Daarom antwoordde hij den prins met strengen ernst: »Ik moet en zal u straffen, en doe het met u te verzoeken nog heden het Seti-huis te verlaten.”
De prins verbleekte; Ameni ging echter vergoelijkend voort:
»Ik verjaag u niet met schande uit ons midden, maar zeg u vriendelijk vaarwel. Binnen weinige weken zoudt gij deze inrichting toch verlaten, en overeenkomstig het bevel des konings, wiens leven, heil en kracht bloeie! het oefeningskamp der wagenstrijders betrokken hebben. Ik heb ten uwen opzichte over geene andere straf te beschikken dan deze. Reik mij nu de hand. Gij zult een degelijk man en misschien een groot krijgsheld worden.”
Overbluft bleef Rameri tegenover Ameni staan, zonder zijne hem aangebodene rechterhand aan te nemen. Toen naderde de priester hem en zeide: »Gij zeidet mij, dat gij bereid waart de gevolgen uwer dwaasheid op u te nemen, en het woord van een koningszoon is onwankelbaar. Vóor zonsondergang geleiden wij u uit den tempel.”
De opperpriester keerde daarop den kweekelingen den rug toe en verliet den schoolhof. Rameri zag hem na. Zijn anders zoo frisch gelaat was doodelijk bleek geworden, en het bloed scheen uit zijne lippen verdwenen. Geen zijner makkers durfde hem naderen, want ieder hunner was overtuigd, dat de gedachten die ’s jongelings ziel vervulden, niet lichtvaardig mochten worden verstoord. Niemand sprak een woord, maar allen zagen op hem.
Zoodra Rameri dit bespeurde, trachtte hij zich te beheerschen en zeide op een toon, die zijne aandoeningen verried, terwijl hij Anana en een anderen vriend zijne handen toestak: »Ben ik dan zoo slecht, dat men mij aldus uit uw midden verstooten en mijn vader zulk een leed berokkenen moet?”
»Gij hebt Ameni uw hand geweigerd,” zeide Anana. »Ga heen, reik hem de uwe, smeek hem, dat hij wat minder streng zij, mogelijk laat hij u dan nog in deze inrichting.”
Rameri antwoordde enkel »neen!” Maar dat neen klonk zoo bepaald, dat allen die hem kenden wel wisten, dat er niets aan te veranderen was.
Eer de zon onderging verliet hij de school. Ameni zegende hem, zeggende, dat de prins, als hij zelf te bevelen zou hebben, zijne strengheid zou begrijpen. Aan de overige leerlingen was het vergund hem tot aan den Nijl te begeleiden. Pentaoer nam hartelijk afscheid van hem aan de tempelpoort.
Toen Rameri met zijn hofmeester alleen was in de kajuit van zijne vergulde bark, gevoelde hij dat zijne oogen zwommen in tranen.
»Mijn prins weent toch niet?” vroeg de beambte.
»Waarom?” gaf de koningszoon barsch ten antwoord.
»Ik meende op de wangen van mijn prins tranen te hebben opgemerkt,” hernam de ander.
»Tranen van vreugde, omdat ik uit den val ben,” riep Rameri sprong aan land en was weinige minuten later in het paleis der pharao’s bij zijne zuster Bent-Anat.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Deze dag, zoo rijk aan gebeurtenissen, zou niet alleen vele onverwachte dingen brengen aan de bewoners van de doodenstad, maar ook aan onze bekenden in Thebe.
Vrouwe Katoeti was na een slapeloozen nacht vroeg opgestaan. Nefert was laat te huis gekomen, had zich over haar lang uitblijven verontschuldigd en hare moeder kortelijk medegedeeld, hoe Bent-Anat haar geruimen tijd had opgehouden. Vriendelijk was zij heengegaan, nadat Katoeti haar een nachtkus op het voorhoofd had gedrukt. Toen de weduwe zich in haar slaapvertrek wilde terugtrekken en Nemoe de pit van hare lamp aanstak, kwam haar het geheim weder in de gedachte, dat Paäker geheel in de handen van den stadhouder zou overleveren. Zij beval den dwerg haar mede te deelen wat hij wist, en de kleine vertelde haar eindelijk, hoewel met ongeveinsden tegenzin, want hij was bang voor zijne moeder, dat de gids zijne meesteres Nefert de helft van een liefdedrank had aangeboden, waarvan de andere helft vermoedelijk nog in zijn bezit was.
Weinige uren geleden zou dit bericht Katoeti met weerzin, ja, met ontzetting hebben vervuld. Thans keurde zij de daad van den Mohar ook wel af, maar zij vroeg toch met belangstelling, of zulk een drank werkelijk eenige uitwerking kon hebben.
»Zeker wel,” antwoordde de dwerg, »wanneer de geheele inhoud van het fleschje wordt gebruikt; doch Nefert kreeg maar de helft te drinken.”
Laat in den avond begaf Katoeti zich naar haar slaapvertrek, geheel vervuld met de gedachte aan Paäker’s waanzinnige liefde, Mena’s trouwbreuk en de groote verandering, die er met Nefert had plaats gegrepen. Toen zij op haar rustbed lag, werd zij gekweld door duizend angsten, vermoedens en vreezen. Niet het minst verontrustte haar, dat een gevoel, hetwelk tegen elken aanval bestand moest zijn, de liefde van het kind voor hare moeder, bij Nefert zoo geweldig was geschokt. Dadelijk na zonsopgang begaf zij zich naar de huiskapel, offerde daar aan het in de gestalte van Osiris bewerkte beeld van haar gestorven echtgenoot, reed naar den tempel en bracht daar een poos in het gebed door. Bij haar terugkomst vond zij hare dochter echter nog niet in de openbare galerij, die wij kennen en waar zij gewoon was haar ontbijt te gebruiken.
Katoeti bleef in het morgenuur gaarne ongestoord, en daarom verzette zij zich niet tegen de neiging harer dochter, die gaarne nog wat in de kunstmatige duisternis van haar vertrek bleef slapen, als de zon reeds aan den hemel was. Wanneer de weduwe naar den tempel reed, dronk Nefert gewoonlijk op haar bed eene schaal melk, waarna zij zich liet kleeden. Keerde hare moeder terug, dan vond zij haar in de ons welbekende veranda. Heden nu moest Katoeti alleen ontbijten. Toen zij een weinig had gegeten, bedekte zij Nefert’s ontbijt, bestaande uit een tarwekoek en wat wijn in een zilveren bekertje, zorgvuldig met een dunnen doek tegen stof en insecten, waarop zij zich naar het slaapvertrek harer dochter begaf. Zij schrikte toen zij dit ledig vond, maar weldra vernam zij, dat Nefert zich veel vroeger dan andere dagen naar den tempel had laten dragen.
Zij haalde vrijer adem, toen zij in de veranda terugkwam, om haar neef Paäker te ontvangen, die inmiddels gekomen was om naar de gezondheid zijner betrekkingen te vernemen. Hij liet zich twee prachtige bloemruikers218) door een slaaf nadragen, en had den grooten hond bij zich, die reeds aan zijn vader had behoord. Den eenen ruiker, zeide hij, had hij voor Nefert, den anderen voor hare moeder laten snijden. Katoeti stelde nog te meer belang in Paäker, sedert zij wist, dat hij zich van den liefdedrank had bediend. Maar zelden liet een jongeling uit den stand waartoe hij behoorde, zich zoo door hartstochtelijke liefde voor eene vrouw beheerschen als deze man, die met taai geduld en vaste wilskracht op zijn doel afging, en geen middel ontzag om het te bereiken. De gids, die onder hare oogen was opgegroeid, wiens zwakheden zij kende en op wien zij gewoon was neer te zien, stond daar opeens voor haar als een ander vreemd mensch, een redder voor zijne vrienden, een onbarmhartig tegenstander van zijne vijanden.
Maar enkele oogenblikken hadden deze gedachten haar bezig gehouden, toen zij haar oog op de ineengedrongen gestalte van haar sterk gespierden neef liet rusten, en het trof haar dat hij uiterlijk zoo weinig geleek op zijn vader, die slank en schoon gebouwd was. Dikwijls had zij de fijne handen van haar overleden zwager bewonderd, die toch ook den greep van het zwaard zoo vast wisten te omklemmen; maar de handen van zijn zoon waren breed en lomp. Terwijl Paäker vertelde, dat hij weldra zou opbreken om naar Syrië te vertrekken, volgde zij onwillekeurig de beweging van zijne hand, die telkens naar den gordel greep, als had hij daar een zeker iets te verbergen. Dat zeker iets was niets anders dan het langwerpige albasten fleschje met den liefdedrank. Katoeti bemerkte het, en hare wangen verbleekten; want zij begon te vermoeden wat het inhield.
Den gids kon de ontroering van zijne nicht niet ontgaan, en daarom zeide hij deelnemend: »Ik kan het u aanzien, dat gij lijdt. De opzichter van Mena’s stoeterij in Hermonthis is zeker bij u geweest. — Niet? Gisteren kwam hij mij vragen, of ik hem wilde vergunnen zich bij mijne troepenafdeeling aan te sluiten. Hij is boos op u, omdat hij enkele spannen van Mena’s geelvossen heeft moeten afgeven. Het schoonste heb ik gekocht. Prachtige beesten! Nu wil hij naar zijn meester, om hem de oogen te openen, zoo als hij zegt. — Ga toch zitten, nicht; gij zijt zoo bleek!”
Katoeti voldeed echter volstrekt niet aan dit verzoek; integendeel, zij glimlachte en zeide half onwillig half medelijdend: »Die oude gek gelooft waarlijk, dat ons wel en wee aan die geelvossen hangt. Zult gij hem medenemen? — Hij wil Mena’s oogen openen? Maar niemand heeft ze hem nog doen sluiten!”
De laatste woorden werden zachter door haar uitgesproken, terwijl zij hare oogen nedersloeg. Ook Paäker zag vóor zich en zweeg. Weldra herstelde hij zich echter en zeide: »Als Nefert nog lang uitblijft, dan ga ik heen.”
»Neen, neen! Blijf!” sprak de weduwe haastig. »Zij verlangt u te zien en kan ieder oogenblik terugkomen. Zie, daar staat haar broodkoek en haar wijn nog onaangeroerd.”
Bij deze woorden nam zij het doekje van de onbijttafel, hief het zilveren bekertje even op en vervolgde toen, het doekje in de hand houdende: »Ik moet u een oogenblik alleen laten, om te onderzoeken of zij misschien niet reeds terug is.”
Nauwelijks had zij de veranda verlaten, of Paäker, na zich overtuigd te hebben dat hij door niemand gezien kon worden, greep driftig het fleschje uit zijn gordel, hield het onder aanroeping van zijn Osirischen vader in de hoogte, en goot het ledig in het bekertje, dat nu boordevol was.
Een oogenblik later verscheen Nefert, en onmiddellijk achter haar Katoeti, in de veranda. Paäker greep naar den ruiker, dien zijn slaaf op een stoel had gelegd, en naderde met aarzelende schreden de jonge vrouw, die heden met zulk een vasten stap vooruittrad en zoo helder en fier de oogen opsloeg, dat zelfs hare moeder haar met verbazing aanzag. Paäker zeide tot zichzelven, dat hij haar nog nooit zoo schoon en levenslustig had gezien. Kon zij haar echtgenoot wel liefhebben, wanneer zij zich diens trouwbreuk zoo weinig aantrok? Behoorde haar hart nu aan een ander? Zou de liefdedrank hem werkelijk in Mena’s plaats hebben gesteld? Ja waarlijk! want hoe begroette zij hem! Reeds van verre reikte zij hem de hand, en liet haar lang in de zijne rusten. Zij dankte hem in hartelijke woorden en prees zijne trouw en grootmoedigheid. Daarna ging zij naar de ontbijttafel, verzocht Paäker zich bij haar neder te zetten, brak haar koek door en vroeg belangstellend naar hare tante Setchem, zijne moeder.