W. Indische confituren (Manisans).
Reading edition
336. Kolang-kaling.
Vruchten van den arènpalm, „boewah-atap” genaamd, rijstwater, suiker tot stroop gekookt.
De vruchten weekt men een nacht in rijstwater, haalt ze er dan uit en weekt ze in koud water; men doet ze vervolgens op een zeef en overgiet ze nog eens met koud water. De gekookte suikerstroop wordt „geklaard” en weer opgekookt, daarna gezift. In deze stroop laat men eindelijk de schoongewasschen vruchten gedurende 2 nachten staan. Dan giet men er de stroop weer af, kookt ze nog eens, met wat suiker er bij, op, doet er wederom de vruchten in en, als dit is afgekoeld, doet men de „kolang-kaling” in stopflesschen.
Op dezelfde wijze bereidt men de
337. a. Manisan pepaja.
b. Manisan,, djeroek kienkip,
c. Manisan,, mangga,
d. Manisan,, nangka,
e. Manisan,, tjerimej,
f. Manisan,, djeroek wangi.