Q. Eenige petjels.
Reading edition
283. Petjel mangga moeda of „trantjam”.
1 bord vol fijngesneden rauwe mangga of mangga mengkel, 2 fijngesneden bawang mérah, 2 sioengs bawang poetih, 6 uitgehaalde kemiries, 1 kopje santen (zout naar smaak en verkiezing).
De fijngesneden mangga wordt rauw (of even in kokend water gedompeld) gebruikt.
De kruiden worden samen fijngestampt en even met de santen, al roerende, opgewarmd, tot het dik wordt.
Deze saus giet men vervolgens over de stukjes mangga, die men op een schaaltje heeft gerangeerd.
284. Petjel selderij.
(Sèldrie).
1 bordje vol selderij, rauw en goed gewasschen. Dezelfde kruiden als hierboven (no. 283) maar geen santen. In plaats daarvan ¾ kopje citroensap of assemwater.
De selderij wordt op een schaaltje gedaan, de kruiden samen fijngestampt en gekookt met het citroen- of assemwater, tot een papje en dit door de selderij gedaan.
285. Petjel taugé.
1 bord vol gekookte taugé. Dezelfde kruiden als van de petjel mangga (no. 283).
De bereiding is geheel gelijk als die van de petjel mangga (no. 283).
286. Djanganan.
Allerlei soort van jonge groenten en peulvruchten, gekookt. Dezelfde saus wordt hierover heen gestort als die bereid wordt voor de petjel mangga en de petjel taugé (no. 283).
Op een schaal heeft men dan al de gekookte groenten gerangeerd.