T. Eiergerechten.
Reading edition
299. Dadar-djawa (omelet).
4 of 5 eieren, 3 lepels gebakken uien, boter of olie, een lepel santen.
De eieren worden (naar verkiezing met een tikje zout) geklutst, daardoor de lepel santen geroerd en daarbij de gebakken uien gevoegd.
Van dit mengsel bakt men in kokend heete boter of olie een dadar (eierstruif).
300. Dadar-isi
of „kaber koebertoe”.
5 eieren, het rood en het wit afzonderlijk geklutst, ½ à 1 kopje dikke santen, 1 lepel ketoembar, ½ lepel djienten, (zout naar verkiezing), een stukje gepofte koenjit, 8 stuks bawang mérah, 3 stuks uitgehaalde kemiries, 3 schijfjes laos, 1 stukje seréh, de schil van een djeroekpoeroet, 2 daon salam, 1 daon pandan, ¼ geraspte en gebraden klapper, een weinig citroensap, klapper- of olijfolie.
Al de kruiden, behalve de daons, worden samen fijngestampt, in olie opgebraden met de bladeren. Is dit goed heet, dan doet men er een paar lepels santen bij, daarna den geraspten klapper.
Men maakt nu een dadar (struif) van de eieren met de dikke santen, doet, als deze dik begint te worden, er het klappermengsel op, vouwt de dadar dicht en bakt ze aan beide kanten bruin. Ze wordt warm gegeten (lauwwarm natuurlijk!).