Waarin de geschiedenis terug gaat.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
Eer wij verder met onze geschiedenis voortgaan, zal het wel noodig zijn een weinig terug te zien, ten einde de wonderbaarlijke verschijning van Sophia en haar vader in het logement te Upton te verklaren.
De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat wij in het negende hoofdstuk van het zevende boek onzer geschiedenis, Sophia, na een langen strijd tusschen pligt en liefde, verlieten, toen zij eindelijk het pleit besliste, wat, naar ik meen, gewoonlijk het geval is, ten voordeele van de laatste.
Deze strijd begon, zoo als wij daar aantoonden, na een bezoek van haar vader, toen hij haar had willen dwingen om hare toestemming te geven tot een huwelijk met Blifil, welke hij als gegeven beschouwde zoodra zij bekende, dat zij „eenig stellig bevel van haar vader kon noch mogt tegengaan.”
Van dit bezoek keerde de landjonker dien avond tot zijne flesch terug, bovenmatig verheugd over zijn voorspoed bij zijne dochter, en daar hij van gezelligen aard was, en gaarne deelneming vond bij zijne vreugde, gaf hij bevel dat in de keuken het bier ook ruim vloeijen zoude, zoodat reeds vóór elf uur dien avond, er geen enkel nuchter mensch in huis was dan mejufvrouw Western en de bekoorlijke Sophia zelve.
Des morgens vroeg werd er een bode gezonden om den heer Blifil te halen; want ofschoon de landjonker zich verbeeldde, dat die jonge heer veel minder wist van den afkeer welken zijne dochter voor hem gevoelde, dan werkelijk het geval was, was hij zeer ongeduldig om hem mede te deelen, dat hij werkelijk het jawoord gekregen had,—in het minst niet twijfelende, dat het door de aanstaande bruid zelve mondeling bekrachtigd zou worden. Ten opzigte van de voltrekking van het huwelijk, was die reeds den vorigen avond door de heeren vastgesteld, op den morgen van den tweeden daarop volgenden dag.
Het ontbijt werd nu in de huiskamer gereed gezet, waarbij de heer Blifil ook tegenwoordig was, tegelijk met den landjonker en zijne zuster, toen bevolen werd om Sophia te roepen.
O Shakespeare had ik uwe pen! O, Hogarth, had ik uw penseel! dan zou ik het beeld teekenen van den armen dienaar, die met bleek gelaat, starende oogen, klapperende tanden, bevende tong en knikkende knieën de kamer binnentrad en verklaarde dat mejufvrouw Sophia niet te vinden was!
„Niet te vinden!” brulde de landjonker, van zijn stoel opspringende. „Wat bl.…! Wel verd.…! Hoe! Waarom! Waar!—niet te vinden! Waar niet?”
„Goede Hemel! Broeder!” hernam mejufvrouw Western, met echt diplomatieke koelbloedigheid. „Waarom maakt ge u altijd zoo driftig om niets? Ik verbeeld me dat het niets anders is dan dat nicht in den tuin is gaan wandelen! Ik verklaar, ge zijt zoo onredelijk geworden, dat het onmogelijk wordt met u huis te houden!”
„Wel, wel!” hernam de landjonker, even plotseling bedarende als hij driftig was geworden, „als het niets anders is, dan doet het er niet veel toe; maar, op mijn woord, ik werd bang, toen die kerel vertelde dat zij niet te vinden was.”
Daarop gaf hij bevel met de schel door den tuin te loopen en ging weêr heel kalm zitten.
Men kon in de meeste gevallen (en vooral in dit geval) geene grootere tegenstellingen vinden dan van dien broeder en die zuster. Even als de broeder nooit iets op een afstand voorzag, maar slim genoeg was om alles te zien zoodra het gebeurd was, zoo voorzag de zuster alles op een grooten afstand, maar was niet zoo helderziend omtrent hetgeen onder hare oogen voorviel. En, inderdaad, hunne beider gaven sloegen tot uitersten over; want even als de zuster dikwerf dat voorzag wat nooit gebeuren zou, zoo ontdekte ook de broeder dikwijls meer dan wezenlijk waar was.
Dit was echter nu niet het geval. Men bragt hetzelfde rapport uit den tuin als vroeger uit het slaapvertrek; namelijk, dat mejufvrouw Sophia nergens te vinden was.
De heer Western ging nu zelf er op uit, en begon den naam van Sophia even hard uit te brullen, en met eene even heesche stem als oudtijds Herkules dien van Hylas, en even als de dichter ons vertelt dat de geheele kust weergalmde van den naam van den schoonen jongeling, zoo weerklonk het geheele huis, de tuin en al de naburige velden van Sophia’s naam, en van de diepe stemmen der mannen en de schelle geluiden der vrouwen, terwijl de echo zoo veel behagen scheen te scheppen in het herhalen van den beminden naam, dat, als er werkelijk zulk een wezen bestaat, ik gelooven moet, dat Ovidius een verkeerd geslacht daaraan toegekend heeft.
Een tijdlang heerschte er de grootste verwarring, tot dat de heer Western na al de kracht zijner longen geheel te hebben uitgeput, naar de huiskamer terugkeerde, waar hij mejufvrouw Western en den heer Blifil vond, en zich, geheel ter neder geslagen, op een stoel wierp.
Hierop begon mejufvrouw Western de volgende troostrede: „Broeder, het spijt me wezenlijk dat zoo iets gebeurd is, en dat mijne nicht zich op eene wijze gedragen heeft, die hare geheele familie schande aandoet;—geen mensch dan gij zelf heeft er de schuld van. Gij weet wel dat zij altijd lijnregt in strijd met mijne raadgevingen opgevoed is;—en thans ondervindt ge daarvan de gevolgen! Heb ik u niet duizend maal gezegd dat ge mijne nicht niet altijd haren zin geven moest? Maar ge weet, dat ik nooit iets bij u vermogt, en toen ik me zooveel moeite gegeven had om hare stijfhoofdigheid te breken, en uwe dwalingen weer goed te maken, weet ge wel, dat zij uit mijne handen genomen werd;—zoodat ik niets meer te verantwoorden heb! Had men mij geheel en al de zorg harer opvoeding toevertrouwd, dan was u nooit zoo’n ongeluk als dit overkomen;—dus moet ge u troosten met de gedachte dat het uw eigen werk is,—en inderdaad, wat kon men anders wachten na zoo vele toegevendheid?”
„Wat drommel, zuster!” riep hij; „ge zult me nog dol maken! Heb ik haar iets toegegeven? Heb ik haar haren zin gegeven? Gisteren avond dreigde ik haar, als zij me niet gehoorzaamde, om haar levenslang, op water en brood op hare kamer gevangen te houden! Ge zoudt het geduld van een Job uitputten!”
Hier sprong Western woest van zijn stoel op en liep met eene reeks van verschrikkelijke vloeken de kamer uit.
Zoodra hij weg was, liet zijne zuster zich (zoo mogelijk), met nog meer bitsheid over hem uit, dan in zijn bijzijn, en beriep zich, ter bekrachtiging van al wat zij zeide, op den heer Blifil, die, met de meeste beleefdheid, alles toestemde wat zij beweerd had, maar de gebreken van den heer Western verontschuldigde, „daar men bedenken moest,” zeide hij, „dat ze hun ontstaan te danken hadden aan de overdrevene liefde van een vader, welke men toch slechts als eene beminnelijke zwakheid beschouwen kon.”
„Die echter des te minder te verontschuldigen is,” hernam de dame; „want wie anders benadeelt hij daardoor dan zijn eigen kind?”
Hieromtrent was Blifil het volmaakt met haar eens.
Mejufvrouw Western begon nu hare verlegenheid aan den dag te leggen omtrent den heer Blifil zelven, en de behandeling welke hij ondervonden had van eene familie, die hij zoo veel eer had willen aandoen. Ten dezen opzigte, laakte zij met de meeste gestrengheid de dwaasheid harer nicht, maar eindigde met haren broeder de schuld van alles te geven, die, gelijk zij zeide, onvergeeflijk gehandeld had, met alles zoo ver te laten komen, zonder vast overtuigd te zijn van zijner dochters toestemming. „Maar,” verklaarde zij, „hij is altijd driftig en koppig van aard geweest, en ik kan het me zelve naauwelijks vergeven, dat ik zoo veel goeden raad aan hem verspild heb.”
Na nog veel meer van dezen aard besproken te hebben, dat, als het hier uitvoerig herhaald werd, den lezer waarschijnlijk slechts weinig bevallen zou, vertrok de heer Blifil en keerde naar huis terug, niet best tevreden met zijne teleurstelling, welke evenwel de wijsbegeerte, die hij van Square opgedaan had, en de godsdienst, die hij van Thwackum verkregen had,—met nog iets anders op den koop toe,—hem met meer gelatenheid deden dragen, dan men in dergelijke gevallen bij minnaren van meer driftigen aard vindt.