← Table of contents
Tom Jones

Inhoudsopgave

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Eerste Deel

Boek I. 1

I. Inleiding, of menu van het feest. 1

II. Eene korte beschrijving van den heer Allworthy, en een uitvoeriger berigt omtrent mejufvrouw Brigitta Allworthy, zijne zuster. 4

III. Over eene vreemde gebeurtenis, welke de heer Allworthy eens bij zijne te huiskomst beleefde. De betamelijke houding van jufvrouw Deborah Wilkins, en eenige zeer gepaste aanmerkingen over onechte kinderen. 6

IV. De lezer loopt gevaar van den nek te breken over eene beschrijving;—hoe hij daaraan ontsnapt, en de groote vriendelijkheid van mejufvrouw Brigitta Allworthy. 10

V. Bevattende eenige zeer gewone dingen, met eene zeer buitengewone opmerking dienaangaande. 13

VI. Jufvrouw Deborah wordt (met een mooi beeld) in het dorp gebragt. Een kort berigt van Jenni Jones, en de bezwaren en ontmoediging, welke jonge meisjes soms te overwinnen hebben in het zoeken naar wetenschap. 15

VII. Bevattende zulke ernstige zaken, dat de lezer het geheele hoofdstuk door niet eens lagchen kan, ten zij hij welligt om den schrijver lagche. 19

VIII. Een gesprek tusschen de dames Brigitta en Deborah, dat onderhoudender maar minder leerzaam is dan het voorgaande. 24

IX. Bevattende verbazende dingen. 27

X. De gastvrijheid van den heer Allworthy, met eene korte schets van de karakters van twee broeders, een geneesheer en een kapitein, die door dien heer onthaald werden. 30

XI. Bevattende vele regels en eenige voorbeelden van het verliefd worden, beschrijvingen van schoonheid, en andere meer degelijke aanleidingen tot het huwelijk. 34

XII. Bevattende hetgeen de lezer welligt verwacht er in te vinden. 39

XIII. Waarmede het eerste boek eindigt, en dat een voorbeeld van ondankbaarheid oplevert, hetwelk naar wij hopen, onnatuurlijk zal schijnen. 43

Boek II. 46

I. Aantoonende welke soort van verhaal dit is; waarnaar het lijkt, en waar het niet naar lijkt. 46

II. Godsdienstige bezwaren tegen het bewijzen van te veel goedheid aan natuurlijke kinderen, en eene groote ontdekking, gedaan door jufvrouw Deborah Wilkins. 48

III. Beschrijving van een huisselijk bestuur, op regels gegrond, in strijd met die van Aristoteles. 50

IV. Bevattende een der bloedigste slagen, of liever, tweegevechten, ooit in de huisselijke geschiedenis vermeld. 55

V. Bevattende veel om verstand en oordeel van den lezer te scherpen. 60

VI. De teregtstelling van Partridge, den schoolmeester, wegens oneerbaarheid; de getuigenis door zijne vrouw afgelegd; eene korte herinnering aan de wijsheid onzer wetten, met andere ernstige zaken, die hun het best bevallen zullen, welke ze het best verstaan. 66

VII. Eene korte schets van het geluk, dat een wijs gehuwd paar in den haat kan vinden; met eene verontschuldiging van die menschen, die de onvolmaaktheden hunner vrienden over het hoofd zien. 73

VIII. Een onfeilbaar voorschrift, om, zelfs in de meest wanhopige gevallen, de verbeurde liefde eener echtgenoote terug te winnen. 78

IX. Het bewijs van de onfeilbaarheid van het reeds opgegeven voorschrift, in de klagten van de weduwe; tegelijk met andere gepaste attributen van den dood, zooals daar zijn: geneesheeren, enz. en een model-grafschrift. 80

Boek III. 87

I. Bevat weinig of niets. 87

II. De held van deze geschiedenis treedt onder zeer slechte voorteekens op. Een klein verhaaltje, zoo gemeen van aard, dat sommige lezers het hunner onwaardig zullen achten. Een woord of wat aangaande een landjonker; meer over een jagtopziener en een schoolmeester. 89

III. Het karakter van den wijsgeer Square en van den heer Thwackum, den godgeleerde, met een dispuut over—. 95

IV. Bevattende eene noodzakelijke verontschuldiging voor den schrijver en eene kinderachtige gebeurtenis, welke welligt ook eene verontschuldiging eischt. 98

V. De gevoelens van den godgeleerde en den wijsgeer omtrent de twee knapen; met eenige redenen voor hunne meeningen, en andere dingen daarbij. 101

VI. Bevattende eene nog betere reden voor de voormelde gevoelens. 107

VII. Waarin de schrijver zelf het tooneel betreedt. 111

VIII. Een kinderachtig voorval, waaruit men echter het goedaardige karakter van Tom Jones zien kan. 113

IX. Bevattende eene veel schandelijker gebeurtenis, met de aanmerkingen van Thwackum en Square. 115

X. Waarin de jonge heer Blifil en Tom zich in een zeer verschillend licht doen zien. 118

Boek IV. 122

I. Bevattende vier bladzijden. 122

II. Een gering blijk van hetgeen waartoe wij in staat zijn in den verheven schrijftrant, en eene beschrijving van mejufvrouw Sophia Western. 125

III. Waarin de geschiedenis terug gaat, om eene kleine gebeurtenis te vermelden, die eenige jaren vroeger voorviel, en hoe gering ook, zekere gevolgen had in de toekomst. 129

IV. Bevattende zulke geleerde en ernstige zaken, dat het welligt niet naar den smaak van sommige lezers zal zijn. 132

V. Bevattende zaken meer naar den algemeenen smaak. 135

VI. Eene verontschuldiging voor de ongevoeligheid van den heer Jones omtrent de bekoorlijkheden van Sophia, waardoor wij welligt zijn karakter ernstig zullen benadeelen in de schatting van die edele en galante menschen, die de helden bewonderen van de meeste onzer hedendaagsche tooneelstukken. 142

VII. Het kortste hoofdstuk in dit boek. 147

VIII. Een slag, door de muze in den trant van Homerus bezongen, en die dus alleen door den klassiek gevormden lezer gewaardeerd zal worden. 148

IX. Bevattende zaken van geen zeer vreedzamen aard. 154

X. Een verhaal, gedaan door den predikant, den heer Supple. Het doorzigt van den heer Western. Zijne groote liefde tot zijne dochter, en hoe die vergolden werd. 158

XI. Molly Seagrim ontloopt ter naauwernood het gevaar; met eenige opmerkingen, waarnaar wij in de diepte van het menschelijk hart hebben moeten visschen. 163

XII. Bevattende zaken die veel duidelijker zijn; maar welke uit dezelfde bron voortvloeijen als die van het vorige hoofdstuk. 168

XIII. Een verschrikkelijk ongeluk, dat Sophia overkomt. De manhaftige houding van Tom Jones, en de nog verschrikkelijker gevolgen van die houding ten opzigte der jonge dame,—met eene korte afwijking ter verheerlijking der vrouwen. 172

XIV. De aankomst van een heelmeester. Zijne operatiën en een lang gesprek tusschen Sophia en hare kamenier. 175

Boek V. 182

I. Van den ernst in het schrijven, en waartoe die dient. 182

II. Waarin de heer Jones vele vriendschappelijke bezoeken ontvangt gedurende zijne ziekte, met eenige heel kleine sporen van verliefdheid, die naauwelijks voor het bloote oog zigtbaar zijn. 187

III. Bevattende,—voor allen die geen hart hebben,—veel geschreeuw en weinig wol. 192

IV. Een klein hoofdstukje, voor eene kleine gebeurtenis. 195

V. Een zeer lang hoofdstuk voor eene zeer gewigtige gebeurtenis. 199

VI. Door dit met het vorige hoofdstuk te vergelijken, zal de lezer welligt in staat gesteld zijn eene door hem vroeger gemaakte verkeerde toepassing van het woord liefde te verbeteren. 208

VII. Waarin de heer Allworthy op een ziekbed verschijnt. 214

VIII. Zaken bevattende die meer natuurlijk dan aangenaam zijn. 220

IX. Hetwelk, onder anderen, strekken kan tot een commentaar op het gezegde van Aeschines, „dat de dronkenschap den geest van den mensch toont, even als een spiegel zijn ligchaam weerkaatst.” 226

X. De waarheid bewijzende van vele opmerkingen van Ovidius en van andere deftige schrijvers, die boven alle bedenking bewezen hebben, dat de wijn dikwerf de voorbode der ontucht is. 231

XI. Waarin, in een langen volzin, naar den smaak van den heer Pope, een beeld de beschrijving vooraf gaat van een der bloedigste gevechten, die geleverd kunnen worden zonder het gebruik van blanke wapenen. 235

XII. Waarin een veel aandoenlijker tooneel gezien wordt, dan het vergieten van al het bloed in het ligchaam van Thwackum, of Blifil, of twintig dergelijke menschen, kan opleveren. 239

Boek VI. 244

I. Over de liefde. 244

II. Het karakter van mejufvrouw Western. Hare groote geleerdheid en wereldkennis, en een voorbeeld van het groote doorzigt, dat zij aan deze hoedanigheden te danken had. 248

III. Bevat twee uitdagingen der recensenten. 255

IV. Bevattende verschillende wonderlijke zaken. 260

V. Waarin verhaald wordt wat er tusschen Sophia en hare tante voorviel. 262

VI. Bevattende een gesprek tusschen Sophia en jufvrouw Honour, hetwelk misschien wat van die aandoening zal verzachten, waarmede de goedaardige lezer het voorafgaande tooneel bijgewoond heeft. 268

VII. Het beeld eener deftige vrijaadje in miniatuur, zoo als dat behoort, en een tooneel van meer teederen aard levensgroot geschilderd. 271

VIII. De ontmoeting tusschen Jones en Sophia. 276

IX. Veel onstuimiger van aard dan het vorige hoofdstuk. 279

X. De heer Western bezoekt den heer Allworthy. 284

XI. Een kort hoofdstuk, dat echter stof genoeg bevat om den goedaardigen lezer te treffen. 290

XII. Bevattende minnebrieven enz. 292

XIII. Het gedrag van Sophia bij deze gelegenheid, dat door geene vrouw berispt zal worden, die tot eene dergelijke houding in staat is. Het bepleiten van een moeijelijk punt voor de regtbank van het geweten. 297

XIV. Een kort hoofdstuk, bevattende een kort gesprek tusschen den heer Western en zijne zuster. 302

Tweede Deel

Boek VII. 1

I. Eene vergelijking tusschen de wereld en een schouwtooneel. 1

II. Bevattende een geschil van den heer Jones met zich zelven. 5

III. Bevattende verscheidene gesprekken. 8

IV. Portret van een landjonker, naar het leven geteekend. 14

V. Sophia’s edelmoedig gedrag ten opzigte harer tante. 17

VI. Bevattende allerlei. 20

VII. Een vreemd besluit van Sophia en eene nog vreemder list van jufvrouw Honour. 26

VIII. Bevattende twisten van geen buitengewonen aard. 32

IX. Het wijze gedrag van den heer Western als magistraat. Een wenk voor de vrederegters omtrent de vereischten van een griffier;—met verbazende voorbeelden van vaderlijke dwaasheid en kinderlijke liefde. 36

X. Bevattende onderscheidene zaken, die welligt heel natuurlijk—maar die ook gemeen zijn. 40

XI. De avonturen van een troep soldaten. 46

XII. De avonturen van eenige officieren. 51

XIII. Over de groote behendigheid van de waardin, de groote geleerdheid van den heelmeester, en de groote bedrevenheid van den waardigen luitenant op het punt van gewetensvragen. 58

XIV. Een zeer verschrikkelijk hoofdstuk, dat weinigen lezers geraden is des avonds te lezen, vooral als zij alleen zitten. 65

XV. Slot van het vorige avontuur. 72

Boek VIII. 77

I. Een verbazend lang hoofdstuk over het wonderbaarlijke;—verreweg het langste inleidende hoofdstuk in het geheele werk. 77

II. Waarin de waardin een bezoek aflegt bij den heer Jones. 85

III. Waarin de heelmeester ten tweedenmale optreedt. 89

IV. Waarin een der aardigste barbiers optreedt, die ooit in eenige geschiedenis vermeld werden,—met inbegrip zelfs van den barbier van Bagdad en van dien in Don Quichot. 92

V. Een gesprek tusschen den heer Jones en den barbier. 97

VI. Waarin de begaafdheden van den heer Benjamin zigtbaar worden;—alsmede wie deze buitengewone mensch eigenlijk was. 102

VII. Bevattende betere redenen dan tot dusver gebleken zijn voor het gedrag van Partridge;—eene verontschuldiging voor de zwakheid van Jones, en nog enkele anekdoten omtrent de waardin. 107

VIII. Jones komt te Gloucester aan en neemt zijn intrek in „de Klok;” welke soort van logement dat was, en het karakter van een beunhaas, dien hij daar ontmoet. 111

IX. Bevattende verscheidene gesprekken tusschen Jones en Partridge over de liefde, de koude, den honger en andere dingen, met de gelukkige en wonderbaarlijke redding van Partridge, toen hij op het punt was van eene noodlottige ontdekking aan zijn vriend te doen. 117

X. Waarin de reizigers een zeer wonderbaarlijk avontuur beleven. 123

XI. Waarin de oude man van den Berg zijn verhaal begint. 132

XII. De oude man van den Berg gaat voort met zijn verhaal. 143

XIII. Vervolg van het voorgaande verhaal. 149

XIV. Waarin de oude man van den Berg zijn verhaal besluit. 157

XV. Eene korte geschiedenis van Europa; en een merkwaardig gesprek tusschen den heer Jones en den ouden man van den Berg . 164

Boek IX. 170

I. Over diegenen die het regt hebben, en diegenen die het regt niet hebben om eene geschiedenis als deze te schrijven. 170

II. Bevattende een zeer wonderlijk avontuur van den heer Jones, onder de wandeling met den ouden man van den Berg . 176

III. De aankomst van den heer Jones met de dame in het logement; met eene zeer uitvoerige beschrijving van den slag van Upton. 181

IV. Waarin de aankomst van een krijgsman voor goed een einde maakt aan de vijandelijkheden en een vasten en duurzamen vrede tusschen alle partijen doet sluiten. 187

V. Eene verontschuldiging voor alle helden die eene goede maag hebben, en de beschrijving van een strijd van verliefden aard. 191

VI. Een vriendschappelijk gesprek in de keuken, dat op eene zeer gewone, hoewel niet al te vriendschappelijke wijze afliep. 196

VII. Bevattende breedvoerige ophelderingen omtrent mevrouw Waters en de wijze waarop zij in dien treurigen toestand geraakte, waaruit zij door Jones gered werd. 202

Boek X. 207

I. Bevattende zeer noodzakelijke onderrigting voor de hedendaagsche recensenten. 207

II. De aankomst van een Ierschen heer, met de zeer verbazende avonturen in het logement, die daarop volgden. 210

III. Een gesprek tusschen de waardin en Suze de werkmeid, dat gelezen moest worden door alle logementhouders en hunne dienstboden,—alsmede de aankomst en de vriendelijkheid van zekere schoone jonge dame, waaruit menschen van hoogen stand leeren mogen hoe zij zich algemeen bemind kunnen maken. 216

IV. Bevattende onfeilbare middelen om zich algemeen veracht en gehaat te maken. 222

V. Aantoonende wie de beminnelijke dame en hare onbeminnelijke kamenier waren. 226

VI. Bevattende, onder anderen, de slimheid van Partridge, de dolzinnigheid van Jones en de dwaasheid van Fitzpatrick. 231

VII. Waarin de avonturen in de herberg te Upton ten einde gebragt worden. 236

VIII. Waarin de geschiedenis terug gaat. 241

IX. Sophia’s vlugt. 245

Boek XI. 254

I. Een hapje voor de recensenten. 254

II. Sophia’s avonturen nadat zij Upton verlaten had. 259

III. Een zeer kort hoofdstuk, waarin men echter vindt: eene zon, eene maan, eene ster en een engel. 267

IV. De geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick. 269

V. Vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick. 275

VI. De vergissing van den waard brengt Sophia in verschrikkelijke verlegenheid. 281

VII. Waarin mevrouw Fitzpatrick haar verhaal ten einde brengt. 285

VIII. Een verschrikkelijk rumoer in het logement, en de onverwachte aankomst van een vriend van mevrouw Fitzpatrick. 293

IX. Het aanbreken van den dag, beschreven in den verhevenen trant. Een postwagen. De beleefdheid der meiden. De heldhaftige aard van Sophia. Hare edelmoedigheid. Hoe die vergolden wordt. Het vertrek van het gezelschap, en de aankomst te Londen, met eenige opmerkingen ten behoeve van reizigers. 301

X. Een paar wenken omtrent de deugd en nog een paar omtrent de verdenkingzucht. 306

Boek XII. 311

I. Aantoonende wat men als plagiaat moet beschouwen bij een hedendaagschen schrijver, en wat men voor wettigen buit mag houden. 311

II. Waarin (hoewel de landjonker zijne dochter niet vindt) iets gevonden wordt dat een einde maakt aan zijne vervolging. 314

III. Het vertrek van Jones uit Upton, en hetgeen er tusschen hem en Partridge onderweg voorviel. 318

IV. Een avontuur met een bedelaar. 324

V. Bevattende meer avonturen, welke de heer Jones en zijn makker onderweg beleefden. 329

VI. Waaruit men opmaken kan dat de beste dingen onderhevig zijn aan verkeerde opvatting en uitlegging. 334

VII. Bevattende een paar opmerkingen van ons en zeer vele van het goede gezelschap in de keuken. 337

VIII. Waarin vrouw Fortuna gunstiger gestemd schijnt dan tot dus ver ten opzigte van Jones. 343

IX. Bevattende weinig meer dan eenige losse opmerkingen. 348

X. Waarin de heer Jones en de heer Dowling zamen eene flesch ledigen. 352

XI. De ongelukken welke den heer Jones troffen op zijne reis naar coventry, met de opmerkingen van Partridge. 357

XII. De heer Jones zet de reis voort, tegen den raad van Partridge in, en hetgeen er bij deze gelegenheid gebeurde. 361

XIII. Een gesprek tusschen Jones en Partridge. 370

XIV. Hetgeen den heer Jones overkwam op zijne reis van St. Albans. 376

Derde Deel

Boek XIII. 1

I. Eene aanroeping. 1

II. Hetgeen den heer Jones overkwam bij zijne aankomst te Londen. 5

III. Een plan van mevrouw Fitzpatrick en haar bezoek bij Lady Bellaston. 11

IV. Bezoeken. 14

V. Een avontuur dat de heer Jones beleefde in zijne woning, met het een en ander omtrent een jongen heer, die ook daar in huis was, en ook omtrent de vrouw des huizes en hare beide dochters. 17

VI. Hetgeen er gebeurde terwijl het gezelschap bij het ontbijt zat, met eenige wenken omtrent de opvoeding van dochters. 23

VII. Al de pret van eene maskerade. 30

VIII. Bevattende een tooneel van ellende, dat de meeste lezers zeer vreemd zal toeschijnen. 36

IX. Bevattende geheel andere zaken dan waarvan sprake is geweest in het vorige hoofdstuk. 42

X. Een hoofdstuk dat, hoe kort ook, welligt tranen ontlokken zal aan menig oog. 46

XI. Waarin de lezer verbaasd zal staan! 49

XII. Einde van het dertiende boek. 57

Boek XIV. 60

I. Een betoog, ten bewijze, dat een schrijver des te beter zal stellen, als hij iets weet van het onderwerp, dat hij te behandelen heeft. 60

II. Bevattende brieven en andere liefde-zaken. 64

III. Bevattende allerlei. 70

IV. Hetwelk, naar wij hopen, met de meeste oplettendheid gelezen zal worden door jonge lieden van beider geslacht. 75

V. De korte geschiedenis van jufvrouw Miller. 80

VI. Een tooneel bevattende, dat, zonder twijfel den lezer zeer treffen zal. 84

VII. De ontmoeting tusschen de heeren Jones en Nightingale. 90

VIII. Hetgeen er voorviel tusschen de heeren Jones en Nightingale,—en de aankomst van iemand, die tot dusver niet in deze geschiedenis opgetreden is. 96

IX. Vreemde dingen bevattende. 104

X. Een kort hoofdstuk, tot besluit van dit boek. 108

Boek XV. 110

I. Te kort om een inhoudsopgave te eischen. 110

II. Waarin een zeer zwarte aanslag tegen Sophia geopenbaard wordt. 111

III. Eene nadere uitlegging van het beraamde plan. 117

IV. Waaruit blijkt hoe gevaarlijk eene dame wordt, als zij hare welsprekendheid gebruikt om eene slechte zaak te bepleiten. 122

V. Bevattende sommige dingen welke den lezer aandoen en andere welke hem welligt verrassen zullen. 124

VI. Hoe de landjonker er toe gekomen was om zijne dochter te ontdekken. 133

VII. Waarin de arme Tom door verscheidene rampen getroffen wordt. 138

VIII. Kort en zoet. 146

IX. Bevattende minnebrieven van verschillenden aard. 149

X. Bestaande gedeeltelijk uit feiten en gedeeltelijk uit opmerkingen daarover. 157

XI. Bevattende eene zeldzame, maar geenszins voorbeeldelooze zaak. 162

XII. Eene ontdekking, door Partridge gedaan. 165

Boek XVI. 168

I. Over voorredenen. 168

II. Een dwaas avontuur van den landjonker,—en de treurige toestand der arme Sophia. 170

III. Hetgeen Sophia beleefde in hare gevangenschap. 179

IV. Sophia wordt uit de gevangenschap verlost. 183

V. Waarin Jones een brief ontvangt van Sophia en met jufvrouw Miller en Partridge naar de komedie gaat. 189

VI. Waarin de geschiedenis iets terug gaat. 197

VII. Waarin de heer Western zijne zuster bezoekt in gezelschap van den heer Blifil. 201

VIII. De plannen van Lady Bellaston om Jones te gronde te rigten. 204

IX. Waarin Jones een bezoek aflegt bij mevrouw Fitzpatrick. 209

X. De gevolgen van het pas beschreven bezoek. 215

Boek XVII. 219

I. Bevattende iets ter inleiding. 219

II. Het edelmoedige en dankbare gedrag van jufvrouw Miller. 221

III. Een bezoek van den heer Western,—met het een en ander over vaderlijk gezag. 225

IV. Een merkwaardig tooneel tusschen Sophia en hare tante. 234

V. Jufvrouw Miller en de heer Nightingale bezoeken den heer Jones in de gevangenis. 240

VI. Waarin jufvrouw Miller een bezoek aflegt bij Sophia. 244

VII. Een aandoenlijk tooneel tusschen den heer Allworthy en jufvrouw Miller. 248

VIII. Bevattende allerlei zaken. 251

IX. Hetgeen den heer Jones in de gevangenis overkwam. 259

Boek XVIII. 265

I. Een afscheidsgroet aan den lezer. 265

II. Eene zeer tragische gebeurtenis bevattende. 267

III. Allworthy bezoekt den ouden Nightingale,—en doet bij die gelegenheid eene wonderbaarlijke ontdekking. 273

IV. Bevattende twee brieven in geheel verschillenden schrijftrant. 278

V. Waarin de geschiedenis voortgezet wordt. 283

VI. Waarin de geschiedenis verder voortgezet wordt. 290

VII. Vervolg der geschiedenis. 294

VIII. Vervolg. 300

IX. Vervolg van de geschiedenis. 310

X. De geschiedenis nadert de ontknooping. 318

XI. De geschiedenis nadert hoe langer zoo meer de ontknooping. 325

XII. Nog digter bij de ontknooping. 332

XIII. Einde van de geschiedenis. 341

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings