← Table of contents
Tom Jones

Een avontuur met een bedelaar.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Juist op het oogenblik dat Partridge de goede en wijze leer verkondigde, waarmede wij het vorige hoofdstuk eindigden, bereikten zij een dwarsweg, waar een kreupel mensch, in lompen gehuld, hem een aalmoes vroeg; wat hem door Partridge streng verweten werd, die zeide: „dat elke gemeente voor hare eigene armen zorgen moest.”

Jones proestte het uit, en vroeg Partridge, „of hij zich niet schaamde met zoo vele liefderijke woorden in den mond, geene mildheid in het hart te hebben? Uwe godsdienst,” zeide hij, „dient u alleen om uwe eigene gebreken te verontschuldigen; maar zet u niet aan tot de beoefening der deugd. Kan iemand, die werkelijk christen is, nalaten een medemensch te helpen, dien hij in zulk een ongelukkigen toestand ziet?”

En terzelfder tijd de hand in den zak stekende, gaf hij den bedelaar een geldstuk.

„Mijnheer,” riep de arme, na hem bedankt te hebben, „ik heb hier iets heel aardigs op zak, dat ik ongeveer een half uurtje van hier vond;—misschien zal mijnheer het willen koopen? Ik zou het niet wagen het aan iedereen te laten zien, maar daar gij zoo’n goede mijnheer zijt en mild jegens den arme, zult gij niet gelooven dat een mensch een dief is, alleen omdat hij geen geld heeft.”

Met deze woorden haalde hij een verguld zakboekje te voorschijn en gaf het Jones in handen.

Deze maakte het dadelijk open,—en (stel u zijne gevoelens voor, lezer!) ontdekte op de eerste bladzijde den naam van Sophia Western, door haar zelve geschreven. Zoodra hij dezen naam zag, drukte hij het boekje aan zijne lippen, en kon niet nalaten, in weerwil van de omgeving, om eenige dwaze verrukking te uiten;—maar het was welligt juist deze verrukking, welke hem het bijzijn van anderen deed vergeten.

Terwijl Jones het boekje kuste en aan de lippen drukte, alsof hij een heerlijk dik gesmeerd stuk geroosterd brood aan den mond bragt,—of alsof hij werkelijk een boekworm ware, of een schrijver, die niets te eten had dan zijne eigene werken, fladderde er een stukje papier van tusschen de bladen uit en viel op den grond. Partridge raapte het op en gaf het aan Jones, die dadelijk zag dat het eene banknoot was ter waarde van honderd pond sterling. Het was inderdaad juist die banknoot, welke Western den nacht vóór hare vlugt aan zijne dochter had gegeven, en een jood zou er gaarne honderd pond,—op vijf shillings na,—Voor gegeven hebben.

De oogen van Partridge schitterden van vreugde bij deze tijding, welke Jones hardop verkondigde, en dat was ook het geval,—hoewel met een geheel ander vooruitzigt,—met den armen drommel, die het boekje gevonden had, en die (naar ik hoop, uit overgroote eerlijkheid) het niet eens geopend had;—maar het zou oneerlijk van ons wezen, als wij den lezer niet met ééne omstandigheid bekend maakten, welke welligt hier van belang is, namelijk—dat de kerel niet lezen kon!

Jones, die niets dan vreugde en verrukking gevoelde na het vinden van het boekje, was eenigzins verdrietig over deze nieuwe ontdekking; want de gedachte kwam dadelijk bij hem op, dat de eigenaresse van de banknoot welligt het geld noodig zou hebben eer het hem gelukte het haar weder ter hand te stellen. Hij verzekerde nu den vinder, dat hij de dame kende, wie het boekje toebehoorde, en dat hij trachten zou haar zoo spoedig mogelijk te vinden en het haar weder te bezorgen.

Het zakboekje was een der laatste geschenken van jufvrouw Western aan hare nicht; het had vijf en twintig shillings gekost, want zij had het gekocht in een beroemden galanterie-winkel; maar de wezenlijke waarde van het zilver aan het slot beliep niet meer dan achttien stuivers, en dezen prijs zou genoemde winkelier nu ook daarvoor gegeven hebben, daar het even goed was als toen het uit zijn winkel kwam. Een wijs mensch zou echter zijn voordeel gezien hebben in de onwetendheid van dezen bedelaar, en zou niet meer dan twaalf stuivers, of welligt een schelling, daarvoor gegeven hebben;—ja, sommigen zouden welligt niets gegeven hebben, en het aan den kerel overgelaten hebben, om zijn eigendomsregt als vinder voor het geregt te doen gelden,—wat, misschien, sommige regtsgeleerden als eene heel moeijelijke zaak voor hem zouden beschouwen.

Jones, integendeel, die overdreven mild van aard was, en dien men welligt niet geheel ten onregte van kwistigheid had kunnen beschuldigen, gaf, zonder aarzeling, een guinje voor het boekje.

De arme, die in langen tijd, zoo’n schat niet bezeten had, bedankte den heer Jones wel duizend maal, en toonde bijna even veel verrukking in zijn uiterlijk als Jones toen deze eerst den naam van Sophia Western ontdekt had.

De arme man was ook dadelijk gereed om onze reizigers op de plaats te brengen, waar hij het zakboekje gevonden had. Zij gingen dus dadelijk zamen derwaarts; maar niet zoo vlug als de heer Jones verlangde; want, ongelukkig, was zijn gids kreupel, en kon onmogelijk meer dan een kwartier in een uur afleggen. Daar de plaats echter meer dan een uur van daar was, in weerwil van de verzekeringen van den bedelaar, kan de lezer zelf berekenen hoe lang het duurde eer zij er aankwamen.

Onderweg sloeg Jones het boekje wel honderd maal open, kuste het even dikwijls, praatte veel voor zich heen, en zeer weinig tegen zijne makkers. Over dit alles drukte de gids zijne verbazing uit tegen Partridge, die meer dan eens het hoofd schudde, en zuchtte: „De arme man! Orandum est ut sit mens sana in corpore sano!”

Eindelijk bereikten zij juist de plek, waar Sophia het zakboekje zoo ongelukkig verloren had, en het weer zoo gelukkig gevonden werd door den bedelaar.

Dáár wilde Jones afscheid nemen van zijn gids en zijn pas versnellen; maar de kerel, bij wien de eerste sterke verbazing en vreugde over de ontvangst van de guinje nu aanmerkelijk verminderd was, en die al den tijd had gehad om zich te bedenken, nam eene ontevredene houding aan, en, het hoofd krabbende, zeide hij, „dat hij hoopte dat mijnheer hem nog iets meer geven zou. Mijnheer zal zich wel herinneren,” voegde hij er bij, „dat als ik geen eerlijk man had willen blijven, ik het geheel voor mij had kunnen houden.”

En werkelijk zal de lezer moeten bekennen, dat dit de waarheid was.

„Als het papiertje dáár,” zeide hij, „honderd pond waard is, dan heeft de vinder er van zeker meer dan een guinje verdiend. En, bovendien, verondersteld dat mijnheer de dame niet wedervindt,—of het haar niet weder ter hand stelt;—want hoewel mijnheer als een fatsoenlijk man er uit ziet, en ook zoo spreekt, heb ik niets anders dan het woord van mijnheer daarvoor, en zeker als de eigenaar niet gevonden wordt, behoort alles aan den eersten vinder toe. Ik hoop dat mijnheer dit alles in aanmerking zal nemen;—ik ben slechts een arm mensch en begeer dus niet alles te krijgen; maar het is niet meer dan billijk dat ik mijn deel zou hebben! Mijnheer ziet er uit als een goed mensch, en zal dus, vertrouw ik, mijne eerlijkheid in aanmerking nemen; want ik had alles voor mij kunnen houden, en geen mensch zou er ooit iets van geweten hebben.”

„Ik geef u mijn woord van eer,” riep Jones, „dat de regtmatige eigenaresse mij bekend is, en dat ik het haar weergeven zal.”

„Wat dat betreft, mijnheer,” hernam de bedelaar, „dat kunt gij doen of niet, naar verkiezing. Als gij mij maar mijn aandeel geeft, de helft van het geld, kunt gij zelf de rest houden, als u dat goed dunkt,” en hij eindigde met een krachtigen vloek te bezweren, „dat hij nooit iemand een enkel woord van de heele zaak vertellen zoude!”

„Zie eens, vriend,” antwoordde Jones, „de regtmatige eigenaresse zal stellig en zeker al het verlorene terug krijgen, en wat meer geld voor u betreft, dat kan ik u werkelijk thans niet geven; maar zeg me slechts hoe gij heet, en waar gij woont, en het is meer dan waarschijnlijk dat gij later reden zult hebben u te verheugen over het avontuur van dezen morgen.”

„Ik weet niet wat gij door avontuur bedoelt,” riep de bedelaar. „Het schijnt echter dat ik het wagen moet of gij der dame haar geld zult terug geven of niet;—maar ik hoop dat mijnheer bedenken zal,—”

„Kom, kom,” viel Partridge hier in, „zeg mijnheer maar hoe gij heet en waar gij te vinden zijt en ik sta u borg, dat het u nooit berouwen zal dat gij hem het geld toevertrouwd hebt.”

Daar de bedelaar geene kans zag om weder in het bezit van het zakboekje te geraken, stemde hij er eindelijk in toe om zijn naam en woonplaats op te geven, welke Jones, met Sophia’s potlood, op een stukje papier schreef en het leggende op de bladzijde waarop zij haar eigen naam geschreven had, riep hij uit: „Daar vriend! Ge zijt nu de gelukkigste der stervelingen; ik heb uw naam met dien van een engel verbonden!”

„Ik weet niets af van de engelen,” hernam de kerel; „ik wilde liever dat gij me het zakboekje terug gaaft, of nog wat geld!”

Partridge begon nu driftig te worden; hij schold den armen kreupele uit op de leelijkste wijze, en wilde er zelfs toe overgaan om hem een pak slagen te geven, als Jones dat niet belet had, en met de verzekering dat hij zeker de gelegenheid zou vinden om den armen man te helpen, vertrok de heer Jones nu zoo vlug hij slechts loopen kon, gevolgd door Partridge, die door de gedachte dat zijn geleider nu honderd pond op zak had, met nieuwen moed bezield was.

Inmiddels begon de man, die achterbleef, beiden te verwenschen,—alsmede zijne eigene ouders; „want,” zeide hij, „als zij mij maar op de armen-school gezonden hadden, om lezen, schrijven en rekenen te leeren, dan had ik, even goed als anderen, de waarde van die dingen begrepen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings