Een hapje voor de recensenten.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
Men zal welligt denken dat wij in ons laatste inleidende hoofdstuk dat geduchte menschenras, dat men „recensenten” noemt, met eene onbetamelijke vrijheid behandeld hebben, daar zij de grootste nederigheid eischen en ook gewoonlijk vinden bij den schrijver. Wij zullen dus de reden van ons gedrag hier ophelderen jegens dit eerbiedwaardig corps, en zullen hen welligt in een licht plaatsen, waarin men hen tot dusver niet gezien heeft.
Het woord criticus, is afgeleid van een Grieksch woord, dat „oordeel” beteekent. Vandaar, veronderstel ik, dat zekere menschen, die het oorspronkelijke niet verstaan, en slechts de vertaling er van kennen, er uit opgemaakt hebben, dat het oordeel beteekende in den regtsgeleerden zin, waarin het dikwerf voorkomt als gelijkluidend met „veroordeeling.”
Ik hel te meer tot dit gevoelen over, daar men in de laatste jaren de meeste critici onder de regtsgeleerden gevonden heeft. Vele dezer heeren, uit wanhoop welligt van ooit den regterstoel te beklimmen in het Paleis van Justitie, hebben dien beklommen in den schouwburg, waar zij hun ambt uitoefenen en hun oordeel,—of, veroordeeling—zonder genade uitspreken.
Die heeren zouden welligt genoegzaam in hun schik zijn, als wij het er bij lieten na hun ambt dus vergeleken te hebben bij een der meest aanzienlijke en gewigtige in het rijk, en als wij voornemens waren naar hunne gunst te dingen, zouden wij het ook daarbij laten; daar wij echter van plan zijn om opregt en openhartig met hen om te gaan, moeten wij hen aan een anderen ambtenaar der Justitie herinneren, met wien zij ook eenige flaauwe gelijkenis vertoonen, daar zij niet slechts hun vonnis vellen, maar het ook ten uitvoer leggen.
Bovendien is er een ander licht, waarin men met het meeste regt en de grootste billijkheid deze hedendaagsche critici stellen kan, namelijk, indien men hen beschouwt als gemeene lasteraars. Als, namelijk, een persoon, die het karakter zijner naasten bespiedt, met geen ander doel dan om hunne gebreken te ontdekken en ze aan de wereld bekend te maken, den naam verdient van een menschenlasteraar, waarom zou de recensent, die met hetzelfde kwaadwillige oogmerk leest, niet even goed een boekenlasteraar genoemd worden?
De ondeugd heeft, geloof ik, geen onderdaniger slaaf; de maatschappij brengt geen hatelijker ongedierte voort; de Satan zelf kan geen gast ontvangen, die hem waardiger is, of hem bij mogelijkheid meer genoegen oplevert, dan een lasteraar.
En toch vrees ik, dat de wereld dit monster niet met half zoo veel afkeer beschouwt als hij wel verdient, en ik aarzel nog meer om den oorsprong aan te toonen van de misdadige zachtzinnigheid, waarmede hij behandeld wordt;—evenwel is het onbetwistbaar, dat de dief bij hem onschuldig schijnt; ja, zelfs de schuld van den moordenaar kan zelden de zijne evenaren; want de laster is een wreeder wapen dan het staal, en de wond, welke de eerste toebrengt, blijft steeds onheelbaar. Er is echter ééne wijze van te moorden, de laagste en verfoeijelijkste van alle, die eene zeer naauwkeurige overeenkomst heeft met de ondeugd waarvan hier sprake is,—en dat is het vergif;—eene zoo verachtelijke en tevens zoo verschrikkelijke wraakoefening, dat ze vroeger, zeer wijsselijk, door de wetten onderscheiden werd van alle overige moordaanslagen en met bijzondere strengheid gestraft werd.
Behalve het ontzettende kwaad door den laster verrigt, en de laagheid der middelen, die hij bezigt, zijn er nog andere omstandigheden, die hem des te verfoeijelijker maken;—want dikwerf bestaat er geene aanleiding daartoe, en ook geen vooruitzigt op belooning, tenzij het eene belooning moge wezen voor de eene of andere zwarte en duivelsche ziel om zich te kunnen verheugen in de gedachte dat zij de ellende en den ondergang van anderen bewerkt heeft.
Shakespeare heeft eene schoone toespeling op deze ondeugd gemaakt, als hij zegt:
„Wie mij mijn geld ontsteelt, steelt drek; ’t is iets,—’t is niets;
’t Was mijn, werd het zijne, en diende duizenden:
Maar hij die mij mijn goeden naam ontrooft,
Ontvreemdt mij iets dat hem niet rijker maakt,
Tegen dit alles zal de vriendelijke lezer wel niets in te brengen hebben; maar veel er van zal hem zonder twijfel te scherp schijnen om toegepast te worden op den lasteraar van boeken. Men bedenke echter, dat beider wanbedrijven uit denzelfden boosaardigen gemoedsaard voortspruiten, en evenmin door iets verleidelijks daarin te verontschuldigen zijn. Wij zullen ook niet kunnen beweren, dat de laatste slechts zeer weinig schade toebrengt, als wij het boek van den schrijver beschouwen als zijn kind,—als het kind van zijn brein.
De lezer, wiens Muze tot dusver in een maagdelijken toestand verkeert, kan slechts een zeer onvolkomen begrip hebben van deze soort van vaderliefde. Jegens zoo iemand mogen wij den teederen uitroep van Macduff parodieren, en tot hem uitroepen: „Helaas! Gij hebt geen boek geschreven!” Maar de schrijver, wiens Muze vruchtbaar is geweest, zal mijn aandoenlijken toon vatten, en me welligt met zijne tranen volgen,—vooral indien zijn lieveling reeds overleden is,—als ik spreek van den angst waarmede de zwangere Muze haren last ronddraagt, van de pijnen welke zij in barensnood uitstaat, en eindelijk, van de zorg en de liefde waarmede de teedere vader zijn lieveling koestert, tot die zoo ver gekomen is, dat hij in de wereld kan gebragt worden.
Er is ook geene andere soort van vaderlijke liefde, welke minder steunt op het bloote instinkt, of beter met de wereldsche wijsheid in overeenstemming is, dan deze. Deze kinderen mogen met regt de schatten van hun vader genoemd worden, en vele daarvan hebben met echt kinderlijke liefde hun vader in zijn ouden dag gevoed, zoo dat niet slechts liefde, maar ook tevens het belang van den schrijver zeer benadeeld kan worden door die lasteraars, welke zijn boek een ontijdigen dood doen ondergaan.
Eindelijk: de lasteraar van een boek is, naar waarheid, de lasteraar van den schrijver; want even als men niemand voor een onecht kind uitschelden kan, zonder ook diens moeder te beleedigen, zoo kan men ook geen boek brandmerken als „louter onzin,” „niets dan wartaal,” zonder den schrijver een domkop te heeten;—wat, hoewel het in een zedelijken zin minder erg is, dan dat men hem een schurk noemt, welligt zijne wereldsche belangen nog meer benadeelt.
En hoe belagchelijk dit alles aan sommige menschen toeschijnen moge, zullen toch anderen, zonder twijfel, de waarheid er van beseffen en erkennen;—ja, zullen zich welligt verbeelden, dat ik de zaak met te weinig betamelijke plegtigheid behandeld heb; maar, waarom zou men de waarheid niet spreken met een lagchend gelaat? En werkelijk, het is, op zijn zachtst gezegd, een zeer kwaadaardig iets als men noodeloos, of met boos opzet, een boek afbreekt, en een grommende, hatelijke recensent mag wel, geloof ik, voor een slecht mensch gehouden worden.
Ik zal dus in het overige gedeelte van dit hoofdstuk de kenmerken van zijn karakter trachten te schetsen, en aan te toonen welke soort van kritiek ik hier wenschte te laken;—want, alleen de bedoelde personen zelve zullen mijn gezegde in dien zin willen opvatten alsof ik geene gepaste beoordeelaren van een letterkundig werk erkende, of uit het gemeenebest der letteren die edele recensenten wilde uitsluiten, aan wier arbeid de geleerde wereld zooveel te danken heeft. Zoodanigen waren Aristoteles, Horatius en Longinus, onder de ouden; Dacier en Bossu onder de Franschen, en welligt ook enkelen onder de Engelschen, die zeker het regt verkregen hebben om in Foro literario een vonnis te vellen.
Maar, zonder al de vereischten van een recensent op te sommen, die ik ook elders ter loops besproken heb, geloof ik onbevreesd protest te mogen aanteekenen tegen de afkeuring, door wien ook, van werken, welke hij zelf niet gelezen heeft. Zulke veroordeelingen als deze, hetzij men volgens vooraf opgevatte gissingen spreke, of de meening en de berigten van anderen naprate, mogen, met regt, als laster beschouwd worden van het boek dat afgekeurd wordt.
Men kan ook gerust als lasteraars bestempelen al diegenen, welke, zonder eenige bepaalde gebreken aan te wijzen, het geheel afkeuren in algemeene minachtende woorden, zoo als, bij voorbeeld, „gemeen, saai, vervloekte onzin enz.”—en vooral door het gebruik van het woordje „plat,” dat niemand het regt heeft uit te spreken, tenzij hij zelf zeer verheven zij.
Verder: hoewel men eenige gebreken in het boek moge aanwijzen,—als deze niet in de hoofdzaken zijn, of als ze opgewogen worden door nog grootere schoonheden, zal het eerder getuigen van de kwaadaardigheid van een lasteraar dan van het oordeel van een degelijken recensent, als men het geheel vonnist, alleen wegens de gebreken van enkele gedeelten, wat geheel in strijd is met de gevoelens van Horatius:
„Verum ubi plurima nitent ni carmine, non ego paucis
Offendar maculis, quas aut incuria fudit,
Aut humana parum cavit natura,—”
Want, zoo als Martialis zegt: Aliter non fit, avite, liber. Geen boek kan anders geschreven worden. Alle schoonheid van karakter, van gelaatstrekken, kortom, al wat menschelijk is, moet op deze wijze beoordeeld worden. Het zou ook inderdaad wreed zijn indien een werk als deze geschiedenis, die ons eenige duizend uren gekost heeft om ze te schrijven, afgekeurd moest worden, omdat het eene of andere hoofdstuk, of welligt eenige hoofdstukken, zeer billijke en verstandige berisping verdienen. En toch is niets algemeener dan deze zeer strenge veroordeeling van boeken op zulke gronden van afkeuring, die als ze goed begrepen werden (wat niet altijd het geval is), volstrekt niets doen tot de verdiensten van het geheel;—vooral op het tooneel, kan men zeker wezen, dat ééne enkele uitdrukking, welke niet overeenkomt met den smaak van het publiek, of met dien van een enkelen criticus onder het gehoor, uitgefloten zal worden, en één afgekeurd tooneel brengt het heele stuk in gevaar. Het is even onmogelijk te schrijven volgens zulke strenge regels als deze, als te leven op eene wijze, die volgens de meening van sommige zwartgallige menschen alleen onberispelijk is, en als wij oordeelden volgens de gevoelens van sommige critici en van sommige christenen, zou er geen schrijver hier op aarde, of sterveling hiernamaals ooit zalig worden.