← Table of contents
Tom Jones

Bevattende twee brieven in geheel verschillenden schrijftrant.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

„Zeer waardige vriend!

„In mijn laatsten brief meldde ik u dat men mij het gebruik der wateren verboden had, daar de ondervinding bewees dat ze mijne ziekte eerder deden verergeren dan verbeteren. Ik moet u thans eene tijding mededeelen, die, naar ik meen, mijne vrienden meer dan mij zelven bedroeven zal. Dr. Harrington en Dr. Brewster hebben mij namelijk medegedeeld, dat er voor mij geene hoop op beterschap bestaat.

„Ik heb ergens gelezen, dat het voornaamste nut der wijsbegeerte daarin gelegen is, dat zij ons leere hoe wij sterven moeten. Ik zal dus de mijne geene schande aandoen door eenige ontsteltenis te toonen als mij eene taak opgelegd wordt, welke men zich verbeelden zal, dat ik al zoo lang bestudeerd heb. Maar, om de waarheid te vertellen, ééne bladzijde van het Evangelie bereidt ons beter daarop voor, dan al de boekdeelen der oude en nieuwere wijsgeeren. De zekerheid welke ons dáár gegeven wordt van een toekomstig leven, is een veel krachtiger steun voor een verstandigen geest, dan al de troostredenen, welke geput worden uit de behoeften der natuur, de ijdelheid, of verzadiging van onze genoegens hier op aarde, of eenig ander onderwerp, waarover men kan uitweiden, om soms den geest te wapenen met standvastige lijdzaamheid tegenover de gedachte aan den dood;—maar die nooit eene wezenlijke minachting daarvan kunnen teweeg brengen en nog veel minder ons doen gelooven, dat de dood eene ware weldaad is.

„Men vatte het niet op alsof ik de verschrikkelijke beschuldiging van atheïsme, of zelfs van stellige loochening der onsterfelijkheid, iedereen naar het hoofd wilde slingeren, die zich wijsgeer noemt. Velen van die sekte, ouden en nieuweren, hebben door middel van het licht der rede, hoop gezien op een toekomstig leven; maar werkelijk was dat licht zoo zwak en schemerend, de hoop zoo onzeker en wankelend, dat men wel met regt mag twijfelen, naar welken kant hun geloof overhelde. Plato zelf besluit zijn Phaedo met de verklaring, dat zijne krachtigste redeneringen niets meer dan eene waarschijnlijkheid opleveren, en Cicero schijnt eerder geneigd te gelooven, dan wezenlijk eenig geloof te hechten aan de onsterfelijkheid. Wat mij betreft, om opregt jegens u te zijn, was het mij nooit ernst met mijn geloof, tot ik werkelijk een christen werd.

„Deze laatste uitdrukking zal welligt uwe verbazing opwekken; maar ik verzeker u dat ik pas sedert korten tijd mij dien naam heb mogen geven. De hoogmoed der wijsbegeerte had mijne rede bedwelmd, en de hoogste van alle wijsheid scheen mij, even als den Grieken van ouds, niets dan dwaasheid toe. God heeft echter de genade gehad mij mijne dwaling bij tijds te doen inzien, en mij op het pad der waarheid te brengen, eer ik voor altijd op den dwaalweg geraakte.

„Ik bemerk dat ik zwak begin te worden en zal dus tot het hoofddoel van dit schrijven zoo spoedig mogelijk komen.

„Als ik over de daden van mijn vroeger leven nadenk, weet ik niets, dat mijn geweten meer bezwaart, dan de onregtvaardigheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt, ten opzigte van dien ongelukkige, uw aangenomen zoon. Ik heb, inderdaad, niet slechts anderen de hand geleend bij hunne schurkenstreken tegen hem, maar heb zelf vele ongeregtigheden ten zijnen opzigte gepleegd. Geloof mij, waarde vriend, als ik u verzeker, op het woord van een stervende, dat men hem schandelijk behandeld heeft! Wat het hoofdfeit betreft, dat u noopte om hem geheel op te geven, ik verzeker u dat het u verkeerd voorgesteld werd,—dat hij daaraan geheel onschuldig is.

„Toen gij, naar men meende, op uw sterfbed laagt, was hij de eenige persoon in huis, die eenig wezenlijk verdriet liet blijken, en hetgeen later gebeurde, moet toegeschreven worden aan zijne dolzinnige uitgelatenheid bij uw herstel;—alsmede, tot mijn leedwezen, aan de laagheid van iemand anders;—maar ik verlang slechts den onschuldige te regtvaardigen en geenszins wien ook aan te klagen.

„Wees dan overtuigd, waarde vriend, dat deze jongeling een edel hart bezit, de meeste gevoeligheid voor vriendschap, de hoogste eerlijkheid, en, inderdaad, alle deugden, die den mensch tot sieraad strekken. Hij heeft ook wel eenige gebreken; maar daaronder volstrekt niet die van pligtverzuim en ondankbaarheid jegens u. Integendeel, ik ben overtuigd, dat toen gij hem uw huis ontzeidet, zijn hart bloedde meer om uwentwil, dan om den zijne.

„Het waren beweegredenen van wereldsch belang, die mij dit alles zoo lang voor u verborgen deden houden;—ik heb thans geene andere aanleiding om het u te openbaren, dan het verlangen om de waarheid te doen zegevieren, om den onschuldige regt te laten wedervaren, en om,—zoo ver ik zulks vermag,—eene vroegere misdaad uit te wisschen.

„Ik hoop dus dat deze verklaring voldoende zal wezen om de gewenschte gevolgen te hebben, en om dezen jongeling in uwe gunst te herstellen,—wat de grootste troost zou zijn, dien nog in dit leven ontvangen kan,

Mijnheer,

uw zeer verpligte, gehoorzame en onderdanige dienaar,

Thomas Square.

De lezer zal thans niet meer verwonderd zijn over den ommekeer in de gevoelens van den heer Allworthy, hoewel hij, met denzelfden post, een anderen brief ontving van den heer Thwackum, van zeer verschillenden aard, en welken wij hier eveneens laten volgen, daar het welligt de laatste keer is dat wij in de gelegenheid zullen zijn, iets van dien heer te vernemen.

Mijnheer,

Het verwondert mij volstrekt niet door uw waardigen neef een nieuw staaltje te vernemen van de slechtheid van den leerling van dien godloochenaar, Square. Het zal mij niet verrassen als hij nog zoovele moorden begaat, en ik bid den hemel, dat het uw bloed niet moge zijn, dat hem eindelijk tot die plaats doemt, waar geween en tandengeknars eeuwigdurend zijn!

„Hoewel het u niet aan gelegenheid zal ontbreken om berouw te gevoelen over de groote en onverantwoordelijke zwakheid, welke gij steeds tegenover dezen ellendeling aan den dag hebt gelegd,—waardoor gij uwe eigene bloedverwanten en uw eigen karakter zoo zeer benadeeld hebt,—hoewel, zeg ik, dit genoeg zal wezen om u vele gewetensbezwaren op dit oogenblik te veroorzaken, zou ik mijn pligt verzuimen als ik naliet u eenige vermaningen te doen, welke u tot besef uwer dwalingen kunnen brengen. Ik smeek u dus ernstig na te denken over het vonnis, dat waarschijnlijk dezen boosdoener treffen zal, en moge het u ten minste tot waarschuwing strekken om niet meer in het vervolg den raad van iemand in den wind te slaan, die steeds onvermoeid voor uw heil zal bidden.

„Indien men mijne hand niet tegengehouden had, toen ik gepaste ligchamelijke straffen wilde toedienen, zou ik veel van dat duivelsche uit een jongen geranseld hebben, die, zooals mij van het begin af duidelijk werd, geheel door den Satan bezeten was;—maar het is te laat voor overdenkingen van dezen aard!

„Het spijt mij dat gij zoo overhaast over de collatie te Westerton beschikt hebt. Ik zou u vroeger daarom verzocht hebben, als ik mij had kunnen verbeelden dat gij ze zoudt wegschenken zonder mij vooraf te raadplegen. Dat gij er bezwaar in ziet, dat iemand meer dan ééne plaats tegelijk zou hebben, is overdrevene regtvaardigheid. Als er eenige misdaad in ware, dan zouden zoovele godvreezende mannen er niet in berusten, dat hun zoo iets gewerd. Als nu de predikant te Aldergrove mogt komen te vallen,—en ik verneem dat hij nog al sukkelende is,—hoop ik dat gij mij niet vergeten zult, daar ik zeker ben, dat gij overtuigd zijt van mijne opregte belangstelling in uw eeuwig welzijn,—een welzijn, waarbij alle wereldsche bezwaren even nietig zijn als de tienden van de dille en het komijn, in de Heilige Schrift vermeld, als men ze vergelijkt bij de gewigtige zaken der wet.

„Ik verblijf, mijnheer,

uw getrouwe en dienstwillige dienaar,

Roger Thwackum.”

Dit was de eerste keer dat Thwackum zich dien toon van gezag tegenover Allworthy aanmatigde, en later had hij reden genoeg om het te betreuren, dat hij zich vergist had even als zoovelen, die den hoogsten graad van goedheid voor den laagsten graad van zwakheid houden.

Allworthy had inderdaad nooit van dezen mensch gehouden. Hij wist dat hij hoogmoedig en boosaardig was; hij begreep dat zijne godgeleerdheid gekleurd was naar zijn aard, en hij keurde ze in vele opzigten alles behalve goed;—intusschen was hij een uitstekend geleerde, en onvermoeid in zijn onderwijs bij de twee jongens. Men voege hierbij dat hij onberispelijk was van leefwijze en gedrag, dat er geene smet op zijne eerlijkheid kleefde, en dat hij zeer gehecht scheen aan zijne godsdienst. Dus over het geheel, hoewel Allworthy hem noch hoogachtte noch beminde, had hij er niet toe kunnen komen om een leermeester weg te zenden, die door kennis en ijver zoo goed voor zijn ambt geschikt scheen, en hij hoopte dat daar de jongens in zijn eigen huis groot gebragt werden, en onder zijn eigen oog, hij in staat zou zijn om al wat hun Thwackum verkeerds leerde, tegen te gaan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings