← Table of contents
Tom Jones

Eene zeer tragische gebeurtenis bevattende.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Terwijl Jones zich nog kwelde met de treurige overdenkingen, waarin wij hem verdiept lieten, strompelde Partridge in de kamer, bleek als de dood, met starende blikken, met te berge gerezene haren, en bevende van top tot teen. Met één woord, hij zag er uit alsof hij een spook had gezien, of zelf een spook ware.

Jones, hoewel niet zeer vreesachtig, kon niet nalaten, getroffen te zijn door deze plotselinge verschijning. Hij verbleekte inderdaad zelf en zijne stem begaf hem haast, toen hij hem vroeg wat er te doen was?

„Ik hoop, mijnheer,” zeide Partridge, „dat gij het mij niet kwalijk zult nemen;—ik heb ook niet geluisterd;—maar was genoodzaakt in de kamer hiernaast te blijven. Ik zou wel willen dat ik honderd mijlen ver was geweest, liever dan vernomen te hebben wat mij nu ter oore is gekomen!”

„Wel! Wat is er toch?” vroeg Jones.

„Wat er te doen is, mijnheer?” herhaalde Partridge. „Goede hemel! Die vrouw, die u pas verlaten heeft,—was dat de vrouw, die te Upton bij u was?”

„Ja, Partridge, dezelfde,” hernam Jones.

„En hebt gij wezenlijk bij die vrouw geslapen?” vroeg hij, met eene bevende stem.

„Ik vrees, dat hetgeen er tusschen ons gebeurde, geen geheim meer is,” antwoordde Jones.

„Maar ik smeek u toch, in ’s hemels naam, mijnheer,” hernam Partridge, „zeg mij toch de waarheid!”

„Gij weet wel dat ik bij haar geslapen heb,” zei Jones.

„Dan zij u de Heere genadig en hebbe Hij barmhartigheid met u,” riep Partridge; „want, zoo waar ik hier sta, gij hebt bij uwe eigene moeder geslapen!”

Bij deze woorden ontstelde Jones nog veel meer dan Partridge zelf. Hij stond dan inderdaad een tijdlang als versteend, terwijl beiden elkaar sprakeloos aangaapten. Eindelijk echter werd hij weder zijne sprake meester en vroeg, verward en sidderend: „Hoe!—Wat! Wat zegt gij!?”

„O, mijnheer,” riep Partridge, „ik ben nu te ontsteld om u alles te vertellen,—maar—hetgeen ik u gezegd heb, is zeker waar.—Die vrouw—die pas heengegaan is,—zij is zeker uwe moeder! Het was wel ongelukkig voor u, dat ik haar vroeger,—dien keer,—niet gezien had;—ik had dan alles kunnen voorkomen! Het moet de Satan zelf geweest zijn, die zulk een wanbedrijf beraamde!”

„Zal dan het noodlot mij vervolgen tot ik waanzinnig word?” riep Jones. „Maar, waarom het noodlot aan te klagen? Ik zelf draag de schuld van al mijne rampen. Al de verschrikkelijke ongelukken, welke mij overkomen, zijn alleen de gevolgen van mijne eigene dwaasheid en slechtheid! Hetgeen gij mij vertelt, Partridge, brengt mij tot wanhoop! En is dus die mevrouw Waters dan—Maar waarom vraag ik dat? Gij kent haar zeker!—Als gij nog eenige liefde tot mij over hebt,—ja, als gij nog een zweem van medelijden gevoelt, laat mij u dan smeeken, die ongelukkige vrouw te gaan halen. O genadige hemel! Bloedschennis!—Mijne eigene moeder! Waartoe ben ik veroordeeld!”

Hier geraakte hij in eene hevige en woeste vlaag van wanhoop en smart, waarin Partridge verklaarde hem niet te willen verlaten;—maar eindelijk, nadat de eerste hevigheid zijner woede uitgeput was, bedaarde hij een weinig en Partridge onderrigt hebbende, dat hij de ongelukkige vrouw zou vinden in hetzelfde huis waar zijn gekwetste tegenstander woonde, zond hij hem weg, om haar te zoeken.

Als de lezer de goedheid wil hebben zich het geheugen op te frisschen door het tooneel te Upton in het negende boek na te slaan, zal hij eenigzins verwonderd staan over de vreemde aaneenschakeling van omstandigheden, welke ongelukkig beletten, dat Partridge en mevrouw Waters elkaar ontmoetten toen zij den geheelen dag met Jones doorbragt. Wij mogen opmerken, dat er vele voorbeelden van dezen aard in het werkelijke leven te vinden zijn, waar de grootste gebeurtenissen door de schijnbaar nietigste omstandigheden veroorzaakt worden, en in deze onze geschiedenis zal men meer dan één voorbeeld van dezen aard vinden.

Na een vruchteloos zoeken van eenige uren, keerde Partridge terug, zonder mevrouw Waters te hebben kunnen aantreffen. Jones, die wanhopig was over dit uitstel, werd bijna razend toen hij hem dit berigt bragt. Hij was echter niet lang in dezen toestand geweest toen hij het volgende schrijven ontving:

„Mijnheer,

Sedert ik u verliet, heb ik een heer gezien, die mij iets omtrent u medegedeeld heeft, waardoor ik zeer verrast en getroffen ben. Daar ik echter thans de gelegenheid niet heb om u eene zaak van zoo veel gewigt uit te leggen, moet gij geduld nemen tot onze volgende ontmoeting, die plaats zal hebben zoodra ik in de mogelijkheid ben om bij u te komen. O, mijnheer Jones, weinig dacht ik dien gelukkigen dag te Upton, welks herinnering waarschijnlijk mijne geheele toekomst verbitteren zal, aan wien ik zóó veel geluk te danken had!

„Geloof me steeds met de meeste opregtheid,

Uwe ongelukkige

J. Waters.

„P.S. Houd maar zoo veel mogelijk moed, want de heer Fitzpatrick verkeert in hoegenaamd geen gevaar; zoodat, door welke schandelijke misdaden ook uw geweten bezwaard zij, gij den moord niet daaronder behoeft te rekenen.”

Jones liet den brief vallen zoodra hij hem gelezen had, want hij was inderdaad naauwelijks meer bij zijne zinnen.

Partridge raapte hem op en eene stilzwijgende toestemming verkregen hebbende, las hij ook het schrijven dat op hem naauwelijks minder hevig werkte. Men moest het penseel en niet de pen gebruiken om de ellende af te schilderen, die thans op hunne gelaatstrekken zigtbaar was. Terwijl beiden nog sprakeloos stonden, trad de cipier binnen, en zonder acht te slaan op hetgeen duidelijk genoeg sprak uit beider gezigten, meldde hij aan Jones, dat er iemand was, die hem wenschte te spreken. Deze persoon werd dan ook dadelijk binnen gebragt en bleek niemand anders te zijn dan de Zwarte George.

Daar deze niet zoo gewoon was aan tooneelen van ellende als de cipier, merkte hij dadelijk de ontroering van Jones op. Dit schreef hij toe aan het tweegevecht, dat in het huis van den heer Western in het allerergste licht was voorgesteld;—hij maakte dus uit alles op dat mijnheer Fitzpatrick overleden was en dat de heer Jones zelf gevaar liep van een schandelijken dood te sterven. Bij deze gedachte gevoelde hij zich ook zeer ongelukkig; want George was medelijdend van aard en niettegenstaande het ééne kleine verraad, waartoe hij zich had laten verleiden, bleef hij, over het algemeen, volstrekt niet ongevoelig voor al de weldaden, welke de heer Jones hem bewezen had.

De arme kerel had dus moeite om zijne tranen te bedwingen bij het droevige tooneel dat hij thans zag. Hij verzekerde Jones dat hij diens rampen zeer betreurde en smeekte hem zich te bedenken, of hij hem eenige dienst zou kunnen bewijzen.

„Misschien, mijnheer,” zeide hij, „zult gij wat geld bij deze gelegenheid noodig hebben en in dat geval, is het weinige waarover ik beschikken kan, geheel tot uwe dienst.”

Jones drukte hem zeer hartelijk de hand, en bedankte hem herhaaldelijk voor zijn vriendelijk aanbod; maar antwoordde: „Dat hij hoegenaamd geen gebrek aan geld had.”

Hierop begon George nog ijveriger dan te voren hem zijne diensten op te dringen.

Jones bedankte hem nogmaals, en verzekerde hem dat hij aan niets behoefte had wat eenig mensch ter wereld hem verschaffen kon.

„Kom, kom, beste heer,” zei George; „gij moet u de zaak niet zoo aantrekken! Alles kan beter afloopen dan gij verwacht Gij zijt zeker niet de eerste mijnheer, die een ander gedood heeft en het er toch best afgebragt heeft!”

„Gij hebt het heel en al mis,” zei Partridge; „die mijnheer is niet dood en loopt geen gevaar van te sterven. Plaag nu mijnheer Jones niet; want hij tobt over iets, waarbij gij hem onmogelijk helpen kunt.”

„Gij weet volstrekt niet waartoe ik in staat ben, baas Partridge,” hernam George. „Als mijnheer over de jonge dame tobt, heb ik hem wat nieuws mede te deelen.”

„Hoe! Wat zegt gij, George?” riep Jones. „Is er in den laatsten tijd iets met mijne Sophia gebeurd? Mijne Sophia! Hoe durft een ellendeling als ik, haar zoo nog te noemen?”

„Ik hoop toch dat zij nog de uwe zal worden,” hernam George. „Want, ja, mijnheer, ik heb u wel iets dat haar aangaat, te melden. Jufvrouw Western heeft pas jufvrouw Sophia weer naar huis gebragt en er is een geweldig spektakel geweest. Waarover het precies was, heb ik niet kunnen vernemen; maar mijnheer was vreesselijk driftig en jufvrouw Western ook en ik hoorde haar zeggen, toen zij de deur uitging, en in den draagstoel klom, dat zij nooit van haar leven weer bij mijnheer in huis zou komen. Ik weet niet wat het is,—natuurlijk,—maar alles was weer heel stil toen ik de deur uitging;—en Robert, die aan tafel bediende, zeide dat hij in langen tijd mijnheer niet zoo vriendelijk had gezien voor de jonge jufvrouw;—dat hij haar herhaaldelijk kuste en zwoer dat zij meesteresse over zich zelve zou zijn, en dat hij er nooit aan denken zou haar weder op te sluiten. Ik dacht dat het u goed zou doen deze tijding te vernemen, en hoewel het zoo laat was, liep ik eventjes uit, om het u mede te deelen.”

De heer Jones verzekerde George dat hij inderdaad zeer daarmede ingenomen was; want hoewel hij het nooit wagen mogt om de oogen op te heffen tot de onvergelijkelijke Sophia, kon hem niets in zijne ellende meer troost opleveren, dan de voldoening van te weten dat het haar wel ging.

Het overige van hun gesprek was te onbelangrijk om hier herhaald te worden. De lezer zal het ons dus te goed houden als wij het afbreken, om hem te vertellen hoe deze verzoening tusschen den vader en zijne dochter bewerkt werd.

Zoodra mejufvrouw Western bij haar broeder verscheen, was zij begonnen met de groote eer en het voordeel af te schilderen, welke de familie overkomen zou bij een huwelijk van Lord Fellamar met Sophia, dat de jonge dame echter bepaaldelijk van de hand gewezen had.

Toen nu de landjonker in deze zaak partij trok voor zijne dochter, geraakte zijne zuster onmiddellijk in eene vlaag van woede, en sarde en tergde haren broeder zoo erg, dat noch zijn geduld, noch zijne voorzigtigheid verder daartegen bestand waren, waarop tusschen hen zulk eene hevige twist voorviel, dat men welligt onder de vischwijven nooit iets gehoord heeft, hetwelk daarmede te vergelijken was. In het vuur van hare drift vertrok mejufvrouw Western, en had dus geene gelegenheid gevonden om den landjonker bekend te maken dat zijne dochter zekeren brief ontvangen had,—wat anders welligt treurige gevolgen zou gehad hebben;—maar, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat de tante geen oogenblik daaraan gedacht had.

Zoodra jufvrouw Western weg was, begon Sophia, die tot dusver zoowel uit nood als uit neiging gezwegen had, met het compliment, hetwelk haar vader haar gemaakt had,—door partij te trekken voor haar tegen hare tante,—te vergelden, door insgelijks hem tegenover die dame gelijk te geven. Dit was de eerste keer, dat zij zoo iets deed en het was den landjonker dus zeer aangenaam. Daarenboven herinnerde hij zich dat de heer Allworthy er op gestaan had, dat geene dwangmaatregelen gebezigd zouden worden, en daar hij er ook volstrekt niet aan twijfelde, dat Jones aan de galg zou komen, hoopte hij ook met zachte middelen zijn doel bij zijne dochter te bereiken. Om deze redenen bedwong hij thans zijne natuurlijke liefde tot Sophia niet meer, en dit werkte zoo sterk op het kinderlijke, dankbare, teedere en liefderijke hart van zijne dochter, dat als haar woord niet aan Jones ware gegeven geweest, en als iets anders, wat hem betrof, ook uit den weg geruimd geweest ware, ik haast gelooven zou dat zij zich zou opgeofferd hebben aan een man, van wien zij niet hield, ten einde haren vader te verpligten. Zij beloofde hem echter thans dat het hoofddoel van haar leven zou wezen om hem te behagen, en dat zij nooit, zonder zijne toestemming, in het huwelijk zou treden, wat den ouden heer zoo zeer verheugde, dat hij besloot zijne vreugde ten toppunt te voeren, en stom dronken naar bed ging.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings