De gevolgen van het pas beschreven bezoek.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
De heer Fitzpatrick den reeds vroeger vermelden brief ontvangen hebbende van mejufvrouw Western, waaruit hij vernam waarheen zich zijne vrouw begeven had, keerde onmiddellijk naar Bath terug, en vertrok den volgenden dag van dáár, naar Londen.
De lezer heeft reeds vernomen hoe ijverzuchtig van aard deze heer was. Hij zal zich ook wel herinneren welke verdenkingen hij te Upton koesterde omtrent Jones, toen hij hem dáár in de kamer van mevrouw Waters vond, en hoewel er voldoende redenen geweest waren om zijne verdenkingen op te ruimen, toen hij van zijne vrouw zoo veel goeds van Jones hoorde, deed dit hem bedenken, dat zij tegelijk met hem in de herberg was geweest, en dit bragt zulk eene verwarring van denkbeelden voort in een hoofd, dat nooit zeer helder was, dat het „groenoogige monster,” gelijk Shakespeare, in zijn Othello, de ijverzucht noemt, thans ook aan zijn gemoed knaagde.
Terwijl hij dan juist bezig was met op straat naar de woning van zijne vrouw te vragen, en hem de deur aangewezen werd kwam, de heer Jones, ongelukkig, er juist uit te voorschijn.
Fitzpatrick herinnerde zich niet dadelijk het gezigt van Jones; maar een goed gekleed jong mensch ontwarende, die van zijne vrouw kwam, naderde hij hem dadelijk, en vroeg hem „wat hij in dat huis gedaan had? Want,” zeide hij, „ik weet zeker dat gij er in zijt geweest, omdat ik u er uit zag komen.”
Jones antwoordde met de meeste beleefdheid, „dat hij dáár een bezoek bij eene dame afgelegd had.”
Waarop Fitzpatrick vroeg: „Wat hebt gij met die dame noodig?”
Jones, die zich thans de stem, de gelaatstrekken en zelfs de kleeding van den andere best herinnerde, riep:
„Wel, vriend! Geef mij de hand! Ik hoop dat het kleine misverstand, hetwelk een tijdlang geleden plaats gevonden heeft tusschen ons, geen kwaad bloed gezet heeft!”
„Op mijn woord, mijnheer,” zei Fitzpatrick, „ik weet niet eens hoe gij heet,—en uw gezigt herken ik ook niet.”
„Uw naam is mij ook onbekend,” zei Jones; „maar ik herinner me zeer goed u te Upton gezien te hebben, waar er een ongelukkig misverstand plaats greep tusschen ons, en als het nog niet vergeten is, zullen wij het nu in eene flesch wijn begraven.”
„Te Upton!” riep de andere. „Ha! als ik me niet vergis, heet gij Jones?”
„Juist,” hernam de andere.
„O, bij mijne ziel,” riep Fitzpatrick, „gij zijt juist de man, dien ik zocht.—Ik zal straks eene flesch met u drinken; maar eerst zal ik je eens om de ooren slaan! Daar, schelm! Als ge me voor dien slag geene satisfactie geven wilt, dan beloof ik, op mijn woord van eer, u een tweeden te geven!”
Daarop trok hij zijn degen en stelde zich en garde, daar het schermen de eenige wetenschap was, waarvan hij iets begreep.
Jones was een weinig verward geraakt door den slag, die hem zoo onverwacht toegediend werd; maar zich spoedig herstellende, trok hij ook van leêr, en hoewel hij niet veel van het schermen afwist, drong hij zoo stout op Fitzpatrick in, dat hij diens kunst spoedig verijdelde en hem zijn degen door het lijf boorde. De heer Fitzpatrick week dadelijk een stap achteruit, leunde op zijn degen en riep uit:
„Ik ben best voldaan! Want ik ben een lijk!”
„Ik hoop van neen,” riep Jones; „maar wat ook de gevolgen zijn, gij moet wel beseffen, dat gij ze u zelf op den hals gehaald hebt.”
Op dit oogenblik werd Jones aangegrepen en gepakt door eene menigte zeelieden;—maar hij verzekerde hen dat hij geen weerstand zou bieden en smeekte eenige van hen zorg te dragen voor den gewonden heer.
„Ja, ja,” riep een der menschen, „men zal wel zorg genoeg dragen voor den gekwetste;—want ik denk niet dat hij nog vele uren te leven heeft. Wat u betreft, mijnheer, gij hebt nog zeker eene maand den tijd eer alles afgeloopen is!”
„Wel verdraaid, Jaap!” riep een andere; „hij loopt de zeereis mis! Hij is nu naar eene andere haven bestemd.”
Onze arme Jones leverde stof op tot vele andere grappen van dezen aard; want de kerels die nu verschenen waren behoorden tot de zeelieden, gebezigd door Lord Fellamar om Jones te pressen.
Zij hadden hem nagespoord tot in het huis van mevrouw Fitzpatrick en wachtten op hem aan den hoek van de straat toen de ongelukkige ontmoeting met den Ier plaats vond.
De officier, die de bende aanvoerde, begreep nu zeer juist, dat hij zijn gevangene aan de burgerlijke overheden moest overleveren. Hij liet hem dus in eene kroeg brengen, zond om een agent van politie en leverde hem daar aan dien ambtenaar over.
Deze, ziende dat de heer Jones zeer goed gekleed was, terwijl hij vernam dat het ongeluk in een tweegevecht geschied was, behandelde zijn gevangene met de meeste beleefdheid, en zond, op diens verzoek, een bode om naar den gekwetste te vragen, die in eene naburige herberg onder handen van een heelmeester was. Het berigt, dat teruggebragt werd, luidde, dat de wond zeker doodelijk was, en dat er geene hoop bestond om den gekwetste te redden. Hierop zeide de agent, dat hij Jones voor den vrederegter moest brengen. Deze hernam dat „het hem onverschillig was waarheen men hem bragt; dat het hem weinig schelen kon wat hem voortaan overkwam; want dat, hoewel hij overtuigd was, dat hij in het oog der wet geen moord begaan had, het hem ondragelijk was te denken dat hij een medemensch van het leven beroofd had.”
Jones werd thans voor den regter gebragt, voor wien ook de heelmeester verscheen, die den heer Fitzpatrick verbonden had, en die getuigde, dat hij de wond voor doodelijk hield, waarop Jones naar het huis van arrest overgebragt werd.
Het was intusschen al heel laat geworden, zoodat Jones eerst den volgenden morgen Partridge wilde ontbieden, en daar het bijna zeven uur ’s morgens was eer de arme kerel een oog kon toedoen, omdat hij zeer ongerust was over het uitblijven van zijn meester, ontstelde hij geweldig toen hij tegen twaalf uur eene boodschap van Jones ontving, welke hem zelfs in het eerste oogenblik bijna bewusteloos deed nedervallen.
Hij ging daarop met knikkende knieën en een kloppend hart naar het huis van arrest, en zoodra hij bij Jones toegelaten werd, begon hij met vele tranen de ramp te beweenen, die hem overkomen was, terwijl hij echter in den grootsten angst telkens omkeek;—want het berigt was pas ontvangen van het overlijden van den heer Fitzpatrick en de arme jongen verwachtte elk oogenblik zijn geest in de kamer te zien verschijnen.
Eindelijk echter overhandigde hij Jones een brief, welken hij bijna vergeten had, en die van Sophia kwam, en door den Zwarten George gebragt was.
Jones zond dadelijk iedereen uit de kamer, brak het schrijven driftig open en las als volgt:
„Eene gebeurtenis, welke ik gaarne beken, dat mij zeer verraste, dwingt me weder u iets te schrijven. Mijne tante heeft mij juist een brief getoond van u aan Lady Bellaston, waarin gij haar een huwelijksvoorstel doet. Ik ben overtuigd, dat het uw schrift is, en hetgeen mij nog meer verbaast, is, dat die brief geschreven werd op hetzelfde oogenblik, dat gij voorgaaft zoo bekommerd te zijn om mijnentwil.—Ik laat het aan u over om over dit feit na te denken. Al wat ik verder verlang, is dat uw naam nooit weder genoemd moge worden in het bijzijn van
S. W.”
Wij kunnen den lezer geen beter denkbeeld geven van den gemoedstoestand van den heer Jones en van de folteringen, welke hij nu ondervond, dan door te zeggen, dat zijne ellende zoo groot was, dat zelfs Thwackum hem haast beklaagd zou hebben. Maar, hoe rampzalig hij ook zij, zullen wij hem thans verlaten,—even als zijne beschermengel (zoo hij er ooit een heeft gehad), schijnt gedaan te hebben.
En hiermede sluiten wij het zestiende boek van onze geschiedenis.