Bezoeken.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
De heer Jones was in het gezigt van zekere deur op en neer blijven wandelen, den heelen dag,—die hoewel een der kortste van het jaar, hem een der langste toescheen. Eindelijk sloeg echter de klok vijf uur en hij begaf zich bij mevrouw Fitzpatrick, die, ofschoon het een goed uur te vroeg was voor een fatsoenlijk bezoek, hem uiterst vriendelijk ontving, maar steeds volhield dat zij niets van Sophia wist.
Jones, steeds vragende naar zijn engel, had zich het woord „uwe nicht” laten ontvallen, waarop mevrouw Fitzpatrick zeide: „Ge weet dus, mijnheer, dat wij verwanten zijn, en in dat geval zult gij mij het regt toekennen van te vragen, welke bijzondere zaken gij met mijne nicht hebt?”
Jones aarzelde een tijdlang en antwoordde eindelijk, „dat hij eene aanzienlijke som gelds had, welke haar toebehoorde, en die hij verlangde haar in handen te geven.”
Daarop haalde hij het zakboekje te voorschijn, maakte mevrouw Fitzpatrick met den inhoud er van bekend, en hoe het in zijn bezit was gekomen. Hij had naauwelijks zijn verhaal geëindigd toen het geheele huis dreunde van een geweldig rumoer. Het zou onnoodig wezen dit geraas te beschrijven voor diegenen die het eens gehoord hebben, en het zou te vergeefs zijn er een begrip van te willen geven aan iemand, die het nooit vernomen heeft; want men kan met waarheid zeggen:
„———Non acuta
Sicgeminant Corybantes aera.”
„Niet aldus rammelen de priesters van Cybele met het weergalmende koper.”
Met één woord,—een knecht klopte, of liever, donderde aan de huisdeur. Jones, die nooit dat geluid vroeger gehoord had, schrikte een weinig; maar mevrouw Fitzpatrick zeide heel bedaard, dat het zeker bezoek was, dat zij hem dus nu niets meer zeggen kon; maar dat als hij de goedheid wilde hebben te wachten tot de menschen weêr weg waren, zij hem welligt iets mede te deelen zou hebben.
De kamerdeur vloog nu open, en den hoepelrok zijwaarts vóór zich uit schuivende, trad Lady Bellaston binnen, die eerst eene diepe neiging maakte voor mevrouw Fitzpatrick,—even diep boog voor den heer Jones en daarop naar het boveneinde van het vertrek geleid werd.
Wij vermelden deze kleine bijzonderheden om den wille van eenige buiten-dames die wij kennen, en die van meening zijn dat de welvoegelijkheid verbiedt dat zij de knie buigen voor eenig man.
Het gezelschap had echter naauwelijks plaats genomen, toen de aankomst van den reeds vroeger vermelden Pair eene nieuwe stoornis veroorzaakte en eene herhaling van alle pligtplegingen.
Zoodra dit eindelijk afgeloopen was, begon het gesprek (zoo als men het heet), zeer schitterend te worden. Daar er echter niets in voorkwam, dat òf op zich zelf, òf voor deze geschiedenis eenigzins belangrijk was, zal ik het niet opteekenen; te meer, daar ik heel vele deftige gesprekken ken, die verbazend vervelend zijn als men ze in boeken overschrijft, of op het tooneel herhaalt. Inderdaad, is dit feest van het vernuft eene lekkernij, welke even vreemd moet blijven aan diegenen welke uitgesloten zijn van de groote wereld, als de talrijke lekkernijen der Fransche keukens, welke alleen op de tafels der groote lui gevonden worden. En, om de waarheid te zeggen, daar ze geen van allen met ieders smaak overeenkomen, zouden ze dikwerf aan het gemeen slechts verspild zijn.
De arme Jones was eerder een toeschouwer dan een deelgenoot van dit sierlijk tooneel; want ofschoon in den korten tusschentijd vóór het verschijnen van den Pair, eerst Lady Bellaston en later mevrouw Fitzpatrick eenige woorden tot hem gerigt hadden, was naauwelijks de edele Lord binnen gekomen, of hij boeide de geheele oplettendheid der beide dames, en daar hij niet meer notitie van Jones nam, dan alsof zoo iemand niet bestond,—tenzij door hem tusschenbeide aan te gapen,—volgden de dames ook zijn voorbeeld.
De bezoekers bleven zoo lang dat mevrouw Fitzpatrick duidelijk inzag, dat zij het er op toelegden wie het langste zou blijven. Zij besloot dus zich van Jones te verlossen, daar hij de bezoeker was, jegens wien zij de minste pligtplegingen meende te moeten maken. Dus, eene oogenblikkelijke stilte in het gebabbel waarnemende, wendde zij zich zeer deftig tot hem en zeide:
„Mijnheer, het is me onmogelijk u omtrent uwe zaken heden avond antwoord te geven; maar als gij zoo goed wilt wezen te laten weten waar gij woont, zal ik u morgen welligt eene boodschap doen geworden.”
Jones was van nature, maar niet kunstmatig beleefd;—in plaats dus van het geheim van zijn verblijf aan een knecht toe te vertrouwen, maakte hij de dame zelve heel naauwkeurig daarmede bekend en vertrok spoedig daarop na de behoorlijke pligtplegingen.
Naauwelijks was hij weg, of de groote man, die geen acht op hem geslagen had zoo lang hij aanwezig was, schonk hem zijne bijzondere aandacht in zijne afwezigheid; maar als de lezer het ons vergeven heeft dat wij het meer schitterende gedeelte van het gesprek verzwegen hebben, zal hij het ons zeker te goed houden als wij de herhaling van hetgeen men gemeene scheldwoorden noemen kan, verzuimen;—hoewel het misschien van belang is voor ons verhaal te melden, dat Lady Bellaston, weinige minuten nadat Jones wegging, bij haar vertrek, tot mevrouw Fitzpatrick zeide: „Ik ben geheel gerust gesteld omtrent mijne arme nicht;—met zoo’n mensch zal zij geen gevaar loopen!”
Onze geschiedenis zal het voorbeeld van Lady Bellaston volgen en afscheid nemen van het overige gezelschap, dat thans tot op twee personen verminderd was, tusschen wie er niets gebeurde, dat in het minst den lezer aangaat,—zoodat wij ons daardoor niet zullen laten afleiden van andere zaken, die van meerder gewigt moeten schijnen aan al diegenen die eenige belangstelling gevoelen in onzen held.