Te kort om een inhoudsopgave te eischen.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
Er zijn zekere godsdienstige, of liever zedekundige schrijvers, die ons leeren dat de deugd zeker tot geluk,—de ondeugd zeker tot ellende in deze wereld leidt. Eene zeer gezonde en troostrijke leer, waartegen wij slechts één bezwaar hebben,—namelijk dat ze onwaar is.
Als deze schrijvers door „deugd” bedoelen de beoefening van die hoofddeugden, welke als goede huismoeders te huis blijven, en zich alleen met haar eigen huisgezin bezig houden, zal ik hun gereedelijk gelijk geven; want deze dragen zoo zeker tot ons geluk bij, dat ik bijna wenschen zou, in weerwil van alle oudere en nieuwere geleerden, ze eerder „wijsheid” dan „deugd” te noemen;—want, wat dit leven betreft, houd ik het er voor, dat er nooit een wijzer stelsel bestaan heeft dan dat der oude Epicureërs, die het hoogste goed in deze wijsheid zagen,—noch een dwazer stelsel dan dat der nieuwere Epicuristen, die hun geheel geluk zoeken in de ruime voldoening van alle zinnelijke lusten.
Maar, als men onder deugd verstaat (wat met mijn gevoelen overeenkomt) eene zekere betrekkelijke hoedanigheid, die zich altijd buiten ’s huis bezig houdt, en evenzeer bekommerd schijnt om het geluk van anderen als om dat van zich zelve, kan ik niet zoo gaaf toestemmen, dat die het zekerste middel oplevert om zelf gelukkig te worden, omdat wij dan, naar ik vrees, in ons begrip van deugd, de armoede, de minachting, met al de rampen, welke laster, nijd en ondankbaarheid den mensch berokkenen kunnen, moeten opnemen;—ja, wij zullen dan zelfs soms verpligt zijn gezegd geluk ook in de gevangenis te volgen, daar velen door de beoefening der genoemde deugd daarheen gebragt worden.
Ik heb nu geen tijd om zulk een ruim veld van bespiegeling als dit te betreden;—mijn eenig voornemen was dan ook om eene leer af te breken, die mij thans hinderlijk is, daar, terwijl de heer Jones de meest deugdzame rol speelde die bedenken kan, en zijne medemenschen trachtte te redden van den ondergang, de duivel, of eenige andere booze geest, welligt een in menschelijke gestalte, zich de meeste moeite gaf om hem geheel ongelukkig te maken door het verderf zijner Sophia.
Dit zou dus eene uitzondering schijnen op bovengenoemden regel;—maar, daar wij in onzen eigen levensloop zoovele uitzonderingen er op gezien hebben, verkiezen wij de leer waarop die regel steunt te betwisten, als onchristelijk, terwijl wij overtuigd zijn dat ze onwaar is, en dat ze inderdaad in strijd is met een der edelste gronden welke de rede oplevert voor het geloof aan de onsterfelijkheid.
Daar echter des lezers nieuwsgierigheid (als hij er eenige bezit), thans geprikkeld en wakker gemaakt zal zijn, zullen wij er dadelijk toe overgaan om daaraan te voldoen.