Over voorredenen.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
Ik heb van een dramatischen schrijver gehoord, die gewoon was te zeggen, dat hij liever een tooneelstuk dan een proloog schreef, en eveneens, zou ik, dunkt me, met minder moeite een der boeken van deze geschiedenis schrijven, dan het hoofdstuk ter inleiding daarvan.
Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat menige bittere verwensching naar het hoofd van den schrijver geslingerd is, die het gebruik invoerde van zijn tooneelstuk te doen voorafgaan door hetgeen men een proloog noemt, hetwelk aanvankelijk een gedeelte van het stuk zelf was, maar dat, in de laatste jaren, gewoonlijk zoo weinig in verband staat met het drama, waarvoor het geplaatst is, dat de proloog van het eene stuk best dienen kan voor ieder ander. De prologen, inderdaad, van nieuwere dagteekening, schijnen allen dezelfde drie onderwerpen te bevatten, namelijk: eene afkeuring van den wansmaak van het publiek,—eene veroordeeling van alle nog levende schrijvers,—en eene lofrede op het stuk dat men gaat opvoeren. De denkbeelden in al deze prologen, bieden weinig afwisseling aan,—en dat is wel niet anders mogelijk, en ik heb me dikwerf verwonderd over de groote vindingrijkheid der schrijvers, wien het gelukt is zoo vele verschillende woorden te vinden, om juist dezelfde zaken uit te drukken.
Evenzoo vrees ik, dat de een of ander toekomstige geschiedschrijver,—als ooit iemand er toe komt mij de eer te doen van mij na te volgen,—na veel hoofdbrekens, mij eenige vriendelijke wenschen in het graf na zal zenden, wegens de eerste instelling van deze verschillende inleidende hoofdstukken, van welke de meesten, even als de prologen heden ten dage, even goed gezet kunnen worden voor elk ander boek dezer geschiedenis, of van welke geschiedenis ook, als juist voor dat eene, waar men ze vindt.
Maar hoeveel ook de schrijvers lijden door deze beide uitvindingen, zal de lezer evenveel baat bij de eene vinden als de toeschouwer al zoo lang bij de andere gevonden heeft.
Ten eerste: is het welbekend, dat de proloog den recensent de gelegenheid geeft om zijn talent tot uitfluiten te oefenen en om met het meeste voordeel zijne stem uit te zetten,—waardoor ik dikwerf gezien heb, hoe alles zoo goed voorbereid was, dat men reeds bij het ophalen van het scherm eenparig beginnen kon met het stuk uit te fluiten.
Dezelfde voordeelen kan men trekken uit deze hoofdstukken, waarin de recensent steeds zeker kan zijn iets te vinden, om zijn edelen moed aan te wakkeren, zoodat hij daarna met meerder vuur de geschiedenis zelve zal kunnen aanvallen. Zijne schranderheid zal het overbodig maken hier aan te wijzen, hoe kunstmatig deze hoofdstukken tot dat doel ingerigt zijn;—want wij hebben steeds zorg gedragen iets scherps of bitters er in te voegen, dat strekken moet om den geest van den recensent aan te zetten en te prikkelen.
Eindelijk vinden de luije lezer en toeschouwer hun voordeel in proloog en voorrede; want daar men de eene niet behoeft te zien, noch de andere te lezen, en tevens het tooneelstuk en het boek daardoor gerekt worden, kan de toeschouwer nog een kwartier langer aan tafel blijven zitten, terwijl de lezer met de vierde of vijfde bladzijde, in plaats van met de eerste beginnen kan,—een volstrekt niet verwerpelijk voordeel voor menschen, die de boeken lezen alleen met het doel om te kunnen zeggen, dat zij ze gelezen hebben,—wat een meer algemeene aanleiding tot lezen is dan men zich veelal verbeeldt,—en om welke reden niet slechts juridische werken en andere goede boeken, maar ook de bladzijden van Homerus, Virgilius, Swift en Cervantes dikwerf slechts eventjes doorgevlogen worden.
Er zijn ook nog andere voordeelen buiten deze, die echter grootendeels zoo zeer in het oog vallen, dat wij ons thans niet ophouden zullen met ze op te sommen;—vooral, daar wij niet vergeten hebben, dat de grootste verdienste van voorrede en van proloog is,—dat ze kort zijn.