ZEVENDE TOONEEL
P. C. Boutens translation
PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN, IO.
IO (zij komt op van links, van de landzijde):
Wat land? Wat volk? Wat man is dees
Dien ’k weerloos zie tegen regen en zon
Aan de rotsen gehaakt?—
Zeg boetend voor wat misdrijf gij versmacht!
Der ellendige duid,
Waarheen ik ter wereld verdoold ben!
O o!
Weêr steekt onzaalge mij de horzels-angel …
Weêr zie ik—weer het, Zeus!—het spook van Argos,
Der Aarde zoon, mijn oogen-overzwermden hoeder:
Met loerend-valsche blikken sluipt hij nader,
Dien in den dood zelfs de aarde niet kan bergen.
Hij stijgt omhoog uit de’ afgrond.
Hij jaagt de armzalige, hij drijft mij
In dorst en honger voort langs ’t eindloos zand der zeekust …
Daar zet het deunen van het schelle was-gevoegde riet
Zijn slaapwekkende wijzen in …
Wee wee! tot waar wel voeren mij de gangen
Van ’t doelloos-verre zwerven?—
Wat schuld, wat zonde, o zoon van Kronos,
Hadt gij in mij ontdekt,
Dat gij mij, lacy! in dit lijden jokte,
Mij dus met brems-gedreven vreezen
Rampzalig en verbijsterd afslooft?…
Verteer met vuur, verdoe mij onder de aarde,
Werp mij als aas den muilen voor der zee—
Maar laat door mijn gebeden
U eindlijk, Heer, verteedren!
Ziek tot den dood heeft mij gekweld
Dit zwervebonte dolen,—
En nog kan ’k niet vernemen
Hoe ’k ooit ontkom aan mijnen leedgang …
Verstaat gij ’t roepen van de koe-gehoornde maagd?
PROMETHEUS:
Hoe zoude ik doof zijn voor de brems-vervolgde bruid,
Inachos’ dochter?—die het hart van Zeus verwarmt
Met liefde, en daarom door de haat van Hera nu
Noodschiks tot eindeloozen wedloop wordt geplaagd.
IO:
Hoe komt gij te roepen mijn vaders naam?
Wie zijt gij? Verhaal het der zwaar-beproefde.
Wie zijt ge, onzalige, die mij onzalige
Zoo zeer naar waarheid toespreekt?
Ook hebt gij het god-gedrevene lijden genoemd,
Dat stekend—wee mij!—met zijn rustelooze prikkels
Mijn jeugd verschrompelt.
Door Hera’s wrokkende listen verweldigd,
Vlied ik in smaad en honger
Met storm-ontstuimge sprongen … Wee,
Wie anders is zoo god-verlaten,
Die zwoegen moet als ik?
Stel me, als gij kunt, éen duidlijk teeken.
Wat wacht mij nog te lijden?
Wat middel blijft? Wat kruid voor deze krankheid?
Duid het, indien gij ’t weet.
Wijs het, verluid het aan de zwervenskranke maagd!
PROMETHEUS:
Ik zeg u eerlijk al wat gij te weten wenscht,
Niet raadselen-doorvlochten, maar met ’t simpel woord
Dat vriend te hooren recht heeft uit bevrienden mond.—
Gij ziet Prometheus die het vuur den stervers schonk.
IO:
Gij die den stervers als gemeen solaas verscheent,
Dulder Prometheus, om wat oorschuld lijdt gij dit?
PROMETHEUS:
Nauw hield ik van mijn rampen te bejammren op.
IO:
Dus zoudt gij mij niet willen toestaan deze gunst—?
PROMETHEUS:
Wat gunst verzoekt gij?… ’k Zeg u alles wat gij vraagt.
IO:
Beduid wie u gejokt heeft boven deze kloof.
PROMETHEUS:
Van Zeus deed het de raadslag, en Hephaistos’ hand.
IO:
En wegens welk vergrijpen boet gij deze straf?
PROMETHEUS:
Zooveel als ik verklaard heb, en niet meer, volsta.
IO:
Toch, wijs mij buitendien nog van mijn zwerven aan
Het einde: wat de duur zal wezen van mijn nood.
PROMETHEUS:
Beter dat gij dees dingen niet dan wel verneemt.
IO:
Waartoe verheimlijkt wat ik eenmaal lijden móet?
PROMETHEUS:
Gering geschenk begeert gij. Het begroot mij niet.
IO:
Draal dan niet langer. Openbaar al wat gij weet.
PROMETHEUS:
Niets let mij—doch te schokken schroom ik uw gemoed.
IO:
Niet meer dan zelf mij lief is, wees om mij bezorgd.
PROMETHEUS:
Daar het uw wensch is, zal ik spreken. Luister dan.
REI:
Nog even—mij ook geef mijn deel en hartewensch.
Gun ons vooraf te hooren wat zij heeft doorstaan,
Der lotgevallen velen kommer, uit haar mond.
Der toekomst kampen mag zij leeren dan van u.
PROMETHEUS:
Uw taak, o Io, de vervulling van haar wensch
Aan dezen, te eerder daar ze uw vaders zustren zijn.
Want om zich jammrend uit te weenen in zijn leed
Daar waar men hoop heeft van zijn hoorderen als loon
Tranen te beuren, noem ik welbesteden tijd.
IO:
Ik weet niet hoe ik u vertrouwen weigren zoû.
Gij zult vernemen alles wat gij van mij wenscht,
In woorden duidlijk, al vernieuwt mijn smart ’t verhaal
Hoe deze god-geblazen stormwind, dit verderf
Van mijn onnoozel jeugdschoon mij is toegewaaid.—
Voortdurend naakten tot mijn jonkheids slaapvertrek
Alnachtlijk droomgezichten en vermaanden mij
Met fluistersproken: o veel-gelukzaalge maagd,
Waarvoor bewaart ge uw kuischheid, die verwerven moogt
Den hoogsten bruîgom? Immers, door verlangens pijl
Is Zeus ontgloeid in smachten om tot liefdes werk
Zich met u saam te spannen …. Gij, o kind, verschop
Niet zijn omhelzing. Maar naar Lerna’s diepe weî
Ga waar uw vaders geite- en runderstallen zijn,
En koel Zeus’ ooglicht van begeertes heete koorts.—
Door zulke droomen werd ik arme nacht aan nacht
Niet losgelaten, tot ik mijnen vader dorst
Vertellen dier schrikbeelden avond-trouw bezoek.
En deze zond naar Pytho en Dodona heen
Herhaalde boden om te leeren met wat daad
Of woord hij ’t welgevallen dienen zoû der goôn.
Zij brachten van de reize orakelspreuken meê,
Raadslig, onduidlijk, dubbelzinnig opgesteld.
Maar in het einde kwam de boodschap zonneklaar,
Bevel nadrukklijk, volverwoord, aan Inachos
Om mij te stooten weg uit huis en vaderland,
Offer-vrij dolend langs der aarde verste grens,
Als hij niet wilde dat des bliksems stralend vuur
Van Zeus zou dalen en zijn gansch geslacht verdoen.
Door zulke oraaklen overreed van Loxias,
Heeft hij mij uitgedreven, sloot mij buiten ’t huis,
Tegen ons beider opzet. Doch hem dreef de nood,
Zeus’ gewelddaadge breidel, zulk een ding te doen.
Mij waren daadlijk menschlijk uitzicht en verstand
Verstoord: gehorend als gij ziet, geprikkeld door
De scherpe speer der horzel, in verwoeden sprong
Joeg ik naar Lerna’s kustland en den zoeten dronk
Van bron Kerchneia. Als mijn hoeder met mij meê
Volgde Argos de aardzoon leêg van deernis, en hij liet
Nimmer zijn tallooze oogen van mijn voetspoor los.
Hem heeft een onverklaarbaar noodlot onverhoeds
Beroofd van leven. Mij, gestoken door de brems,
Drijft goddelijke geesel voort van land tot land.—
Wat is geschied, vernaamt gij. Kunt gij zeggen wat
Mij rest aan lijden, duid het. Spreek geen onwaar woord
Uit meêlij dat vergoêlijkt. Want ik weet geen leed
Zoo gruwlijk als het aaien van bedachten troost.
REI:
Wee wee! laat af, laat af!
Nimmer nimmer kon ik droomen
Dat tot mijn ooren zouden reiken
Zoo vreemde sproken!
Noch dat zoo kwalijk te aanschouwen, en kwalijk te dragen
Beelden van leed en verderf en ontzetting
Met weêrsneedsche’ angel
Ziel zouden ijzen!
Eilaas, noodlot, noodlot!
Mijn oogen huiveren, die zagen
Io’s leedgang
Aan zich voorbijgaan!
PROMETHEUS:
Gij steent te spoedig, zijt te vroeg van vreeze vol.
Bedwing u tot gij ook het oovre hebt geleerd.
REI:
Spreek: onderricht haar. Voor wie lijden, is ’t wel zoet
Zeker vooruit te weten ’t leed dat overschiet.
PROMETHEUS:
Uw vorig wenschen kreegt gij licht van mij gedaan:
Vooraf vernemen woudt gij van haar worstelgang
Verhaal omstandig, woorden uit haar eigen mond.
Nu hoort het oovre: wat al tegenspoeden nog
Van Hera moet verduren deze jonge maagd.
En gij, o Inachos’ zaad, leg in uw gemoed
Mijn woorden, dat gij de’ eindpaal leert van uwen weg.—
Eerst wend van hier u tegen de’ opgang van de zon
En over de ongeploegde bunders zoek uw pad.
Gij vindt de zwerfsche Skythen die in rieten huis
Zweef-wonen op hun welgewielde wagenen,
Met boog en pijl bewapend voor het verre doel.
Treed dien niet nader: trek aan hun gebied voorbij
En wijk geen voetbreed van ’t zee-ruischend rotsstrand af.
Ter linker huizen de Chalybiërs, meesters in
Het ijzersmeden. Ook voor dezen hoed u wel;
Want wilden zijn zij, vreemden ontoegankelijk.
Dan komt ge aan stroom Hybristes, waardig zijnen naam.
Wil hem niet overtrekken (want daar is geen wed)
Vóor gij ten Kaukasos naakt, aardes hoogsten berg,
Daar waar uit zijne slapen zelven de rivier
Haar kracht komt balgen. Overtrekken zult gij dan
Die star-nabuurge toppen. Daal vandaar het pad
Naar ’t Zuiden totdat ge aantreft ’t mannenhatend heir
Der Amazonen die eenmaal Themiskyra
Rond den Thermodoon gaan bevolken tot waar gaapt
Rotsruige kolk van Salmydessos, gastvrouw wreed
En tweede-moeder voor al schip en schepeling.
Die geven blij-reê u geleide op uwen weg.
De nauwe landstraat vindt gij naar de poorten van
’t Kimmerisch eiland dat gij doortrekt om aan ’t end
’t Maiotisch golfbed onverschrokken door te gaan.
Den stervers blijft aleeuwig van dien overtocht
Roemruchte konde, de engte voortaan Bosporos
Geheeten. Dan verlaat ge Europa’s vlakte en komt
Naar ’t vasteland van Asia—
(tot de REI:)
Ziet gij nu soms in
Hoe Hemels overweldger een geweldnaar is
In ieder opzicht? Van dees stervling haakt hij god
Liefde te winnen—en zulk dolen werpt hij ze op!
(tot IO:)
Een wreeden werver om uw huwlijk, jonge maagd,
Hebt gij getroffen. Want bedenk dat dit relaas
Dat gij gehoord hebt, nauwlijks in zijn aanhef is.
IO:
Eilaas, wee mij, wee!
PROMETHEUS:
Gij roept en jammert nu al? Wat wel zult gij doen
Als ge aanstonds aanhoort uwer rampen overschot?
REI:
Gaat gij haar dan nog meerder lijden kondigen?
PROMETHEUS:
Een stormenzwaren zeevloed van schrikzalig wee.
IO:
Wat winst is mij te leven? Waarom stort ik niet
Mij van dees steile rotsen onverwijld omlaag
Dat op den grond verpletterd ik van rampen al
Verlost zoû wezen? Beter sterven eens voor goed
Dan al zijn levensdagen niets dan leed te zien!
PROMETHEUS:
Hoe zoudt gij nooden dulden zooals ik doorsta,
Aan wien te sterven nimmermeer is voorbeschikt?
Dat toch zoû wezen een verlossing uit mijn leed!
Nu echter heb ik van mijn zwoegen grens noch eind
Te wachten, vóordat Zeus der heerschappij ontstort.
IO:
Is dit ooit mooglijk dat ’t bewind aan Zeus ontvalt?
PROMETHEUS:
’t Waar vreugd u, denk ik, zulk een ommekeer te zien?
IO:
Hoe anders, daar mij Zeus met ongeluk vervolgt?
PROMETHEUS:
Verneem van mij dan, dat dit werklijk wezen zal.
IO:
Wie ooit ontrooft den schepter hem der heerschappij?
PROMETHEUS:
Hij zelf door eigen inzichtledig overleg.
IO:
Op wat voor wijze? Duid het, als het u niet schaadt.
PROMETHEUS:
Een huwlijk zal hij aangaan, dat hem straks berouwt.
IO:
Met wie? Godin of stervling? Zeg het zoo gij ’t moogt.
PROMETHEUS:
Dit vraag niet. ’t Is niet oorbaar dat ik antwoord geef.
IO:
Wordt van den troon gestooten hij door eigen vrouw?
PROMETHEUS:
Zij baart een zoon hem, sterker dan de vader is.
IO:
Blijft geen ontkomen mooglijk voor hem aan dit lot?
PROMETHEUS:
Alleen als ik eerst uit mijn boeien ben bevrijd.
IO:
Wie, tegen Zeus’ wil, zal dat doen? Wie maakt u los?
PROMETHEUS:
Van uw nakomelingen eene moet het zijn.
IO:
Hoe zegt ge? Een mijner kindren redt u uit uw nood?
PROMETHEUS:
Na tien geslachten die de derde is in geslacht.
IO:
Nu klinkt uw boodschap nauwlijks meer een welkom waard.
PROMETHEUS:
Zoo spaar mij ook ’t verhalen van uw eigen leed.
IO:
Eerst spiegelt gij mij winst voor—dan onthoudt gij haar.
PROMETHEUS:
Ik zal u schenken van de beide reednen de éen.
IO:
Verklaar mij, wat voor reednen. Leg de keus mij voor.
PROMETHEUS:
Ziehier. Verkies gij. Zal ik uw toekomend wee
Nauwkeurig duiden of den man die mij verlost?
REI:
Van deze gunsten wil aan Io de éene, mij
De andre bedeelen. Acht me uw woorden niet onwaard.
En haar verkondig haren verdren zwerversgang,
Mij wie u zal verlossen. Want dit derf ik noô.
PROMETHEUS:
Daar het uw uitgesproken wensch is, geef ik toe
U te verkondgen alles wat gij mij verzoekt.
U, Io, duid ik uwen veelbewogen gang
Het eerst: in taaflen van gedachtnis schrijf hem neêr.
Over de zee-pas, beider vastelanden grens,
Keer u naar de Oostertransen vlammeschijnend van
Het spoor der morgenzonnen, reis tot aan de zee
En steek haar bruisen over tot gij weêr belandt
Ter Gorgoneische vlakte aan berg Kisthene waar
Huizen de aloude maagden, Phorkys’ dochtren, drie
Zwanegestalten, die slechts éen gemeenzaam oog
En éenen tand bezitten. Haar beschijnt nooit zon
Met hare stralen noch de nachtelijke maan.
Nevenaan zijn haar zustren, de Gorgonen drie,
Gevleugeld, slangenharig, bij den mensch gehaat:
Geen stervling die haar aanziet en den adem houdt.
Laat mijne woorden u een voorbehoedsel zijn.
Nu hoor een ander onheil-dreigend tafereel.
Vermijden Zeus’ woedfelle honden moet gij dan,
De scherpgebekte grijpen, en ’t eenoogig heir
Der paard-berijdende Arimasken huizend aan
Den bovenloop van Ploetoons goud-doorstuwden stroom:
Die moogt gij niet genaken. Ver bij aardes grens
Komt ge aan den stam der zwarten in wier buurt de zon
Heeft hare bronnen. Ook ontspringt er de Aithiops.
Ga verder langs diens oevers tot gij hebt bereikt
Den vloedval waar langs wanden van ’t Biblisch gebergt
De Nijl zijn heilig levengevend water stort.
Die zal den weg u wijzen naar ’t driehoekig land
Neilotis, waar u en uw kindren is beschikt,
O Io, uwe stad te stichten ver van huis.—
Bleef eenig ding u duister, klonk iets stamel-vaag,
Verdubbel ’t vragen, vorder duidelijk bescheid.
Ik heb meer tijd beschikbaar dan mij lief kan zijn.
REI:
Blijft u te melden van haar onheilvollen tocht
Eén verder voorval, kwam u eenig ding te ontgaan,
Spreek. Is uw woord ten einde, schenk ons op ons beurt
De gunst die wij u vroegen, die u zeker heugt.
PROMETHEUS (tot de REI):
Vernomen heeft zij heel heur zwerftocht tot zijn eind.
Toch, opdat ze inzie ’t nut van wat zij heeft gehoord,
Zal ’k duiden wat zij doorstond, eer zij kwam tot hier:
Den besten waarborg mijner woorden geef ik haar.—
(tot IO:)
Der sproke langen voorsleep laat ik achterweeg,
En keer mij tot het uiteind uwer dolingen.—
De velden der Molossen hadt gij reeds bereikt;
Uw weg ging opwaarts naar Dodona’s steilen rug:
Daar is Zeus’ zetel en Thesprotisch heiligdom,
En ’t ongelooflijk wonder van der eiken stem.
Die heeft in stralend-klare klanken u begroet
Met de’ eernaam van toekomstge gemalin van Zeus …
De erinnring, zie ik, streelt nog laaiend door uw hart …
Waanzin-gestoken joegt gij toen langs ’t strand der zee
Naar Rhea’s wijden waterboezem van wiens zoom
Uw storm van heen-en-weêrschen wedloop hier verwoei.
In later tijden draagt die inhoek van de zee,
Wees daarvan zeker, uwen naam, de Ionische,
Al stervelingen van uw tocht gedachtenis.
Dit zijn bewijzen voor u van mijn zienerschap
Dat schouwt wel verder dan de zon van heden schijnt.
(tot de REI:)
Tot u en haar tezamen komt mijn verder woord,
En volgt van vroegre reednen weêr het oude spoor.—
Daar ligt een stad Kanobos aan Aigyptos’ rand
Vlak bij de monding en de slibben van den Nijl:
Daar schenkt weêrom u Zeus uw ongerept verstand,
Vrees-leengend streelt zijn hand u, en gij wordt bevrucht,
En baart een zoon hem, die naar zijn verwekkers daad
“Streeler” genaamd wordt, zwarten Epaphos, den heer
Van al ’t land dat bevloeid wordt door den breeden Nijl.
’t Vijfde geslacht na dezen keert naar Argos weêr.
’t Zijn vijftig zustren die gedwongen vluchten voor
’t Verwante huwlijk dat haar met haar neven dreigt.
De bruîgoms volgen, door den hartstocht opgejaagd,
Op korten afstand, achter duiven haviken,
Een zwerm van jagers jagend het verboden wild
Van ’t huwlijk; want de godheid gunt den buit hun niet.
Pelasgia dekt hen, overweldigd in den nacht
Met moord waartoe der bruiden wake zich vermant;
Want vrouw aan vrouwe rooft mans leven in den slaap,
’t Dubbelgewette lemmet vervend in hun bloed—:
Moog Kypris zoo bezoeken mijne vijanden!—
Eén enkle maagd verteedert harts verlangen om
Haar bedgenoot te sparen; vastberadenheid
Verweifelt; tot de keus gebracht, verkiest
Den naam van laf zij boven dien van bloedbevlekt.
Zij zal in Argos baren koninklijk geslacht …
Dit grondig uit te duiden eischt een lang verhaal;
Doch uit haar bloed geboren wordt de nazoon koen,
Roemruchte schutter, die uit mijne nooden mij
Bevrijdt.—Zulk een voorspelling heeft mijn moeder mij,
Oeroude Themis de Titane, uiteengezet.
Doch ’t hoe-en-wat te zeggen eischt een lang verhaal,
En ’k zie niet wat gij bij ’t vernemen winnen zoudt.
IO:
O jammer en wee!
Daar vangt opnieuw te doorschroeien mij aan
Waanzins koudvuur, ziel-schokkende vlaag:
’t Ongestaalde geweer van de horzel mij spoort;
Aan mijn borstwand bonst onder vreezen mijn hart;
Als raderen kolkt mijner oogen gezicht;
Ik verdool uit mijn spoor onder ’t grimmig geblaas
Der verbijstring, mijn tong ontstijft aan mijn macht;
’t Stuurlooze besef gaat blindlings te keer
Tegen golven van bittere ellende.
(Af naar links.)