ZESDE TOONEEL
P. C. Boutens translation
PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.
REI:
’k Beklaag u om uw heilloos lot, Prometheus!
Droppel na droppel pleng ik uit mijn oogen
Der tranen milden stroom.
Zijn vochte dauw bevloeit mijn wangen.
Want dit onbenijdbaar lijden
Dat naar willekeurge wetten
Zeus beschikt,
Dreigt al vroegren goden samen
Overmoedge dwinglandij.
Reeds galmt het gansche wijde land van klachten:
Ik hoor den westerling bejammren
Van u en van uw bloedgenooten
Hoogheerlijke edeloude macht.
Al de stervers die bevolken
Heilige Asia’s ruime woonsteê,
Deelen met u in het zwoegen
Van uw zuchtenluide wee:
Die in ’t land van Kolchis huizen,
Maagden nimmer strijd ontdeinzend,
En de drom van Skythen die der
Aarde verstgelegen streken
Om ’t Maiotisch meer bezetten,—
Aria’s manhafte bloesem,
Die de hooggetinde vesting
Naast den Kaukasos bewonen,
Strijdbre benden die rumoeren
Met de scherpgeboegde lansen——
Eén enklen andren god zag ik tot nu,
Eén Titan, eveneens
In lijden overweldigd:
Atlas die onverpoosd
’t Ontzaggelijk hooge gevaarte der aard
Saam met de hemelsche as
Boven zijn zuchten torst—:
De roep der zee valt ruischend in; de diepte kreunt;
Het donker ruim van Hades rommelt onder de aard;
Der heilige rivieren bronnen stenen vloeibre deernis.
PROMETHEUS:
Wijt niet aan ingebeeldheid of aan ijdlen trots
Mijn zwijgen. Diepgevoelde wrok verteert mijn hart,
Dat ik met zulke smaadheid mij mishandeld zie …
En toch, wie anders in-den-grond wel wees dan ik
Aan deze nieuwe goden hun eerrechten toe?
Doch daarvan zwijg ik. Waartoe zoude ik wat gij weet
Bespreken? Luistert liever welke ellende ik vond
Onder de stervers, hoe zij reêloos waren eer
Ik hen bedeelde met bewustheid en verstand …
Niet daar ’k den menschen iets verwijt, verhaal ik dit—
Der gaven goed bedoelen stel ik in het licht …
Zij keken eertijds ziender-oogen zonder zien,
En hoorden zonder hooren; ’t lieve leven lang
Gelijk droomschimmen warden ze alles hulpeloos
Dooreen; hout te verwerken noch uit tichelsteen
Zon-open huizen op te trekken wisten zij;
Maar onder de aard vergraven in het zonloos diep
Van holen woonden ze als het wriemlend mierendom.
En geen beproefd kenteeken duidde hun de komst
Van winter of van bloemenvollen voorjaarstijd
Of vruchtenrijpen zomer; al hun doen ontbrak
Begrip en inzicht, tot ik hun heb wijsgemaakt
Der starren zwaar te kennen op- en nedergang.
En verder vond ik de getallen voor hen uit,
Den sleutel van al weten, en het letterschrift,
Al dings gedachtnis, zoogster aller moezenkunst.
Het eerst ook temde ik onder ’t jok het wilde vee,
Dat, slaven van het trekzeel en het zadelpak,
Zij van de stervers overnamen ’t zwaarst gezwoeg.
Ook spande ik aan de waagnen ’t leidselvolgzaam ras
Der paarden, overrijker weelde schoonen pronk.
En niemand anders vóor mij heeft der schipperen
Zeezwervend zeilbevleugeld voertuig uitgedacht …
Ik die den stervers diergelijke middlen vond,
Ben, zelf rampzalig, tot geen enkle vondst instaat,
Waardoor ik zoude ontkomen aan dit huidig wee.
REI:
Smaadlijke kwelling! Dolen doet gij, van verstand
Verbijsterd, als geneesheer die tot krankheid komt
En in onmachtge wanhoop voor zich-zelven niet
Het middel weet te vinden, dat genezing brengt.
PROMETHEUS:
Nog meer zult gij bewondren, als gij verder hoort
Wat kunsten en uitwegen ik verzonnen heb.
Al daadlijk: als er vroeger een van hen verviel
Tot krankheid, kenden zij geen leenging, zalf noch drank
Noch eetbaar kruidsel; door gebrek aan middelen
Verdorden hunne lijven vóórdat ik hun wees
Hoe te bereiden pijnstillende mengselen,
Waarmeê voor elke ziekte zij zich veiligen.
De vele wijzen ook der waarzegkunst heb ik
Begrond. Ik onderscheidde van de droomen ’t eerst,
Welke in vervulling treden; duidde hun de zwaar
Schiftbre geruchten, de onderweegsche teekenen.
De vlucht der kromgeklauwde vooglen heb ’k gebaakt
In zuivre grenzen: welke gunstig uitteraard
Zijn, welke ongunstig, en de levenswijs van elk,
Wat vijandschappen en bevriendheên onderling
Hen deelen of tot samenkomsten gaderen.
Der ingewanden gaafheid leerde ik hun: wat kleur
De gal moet hebben, die den goden meest behaagt,
De bonte wissling van der leverlobben vorm.
Ik hielp op weg hen in de moeizame offerkunst:
De zware heupen en de schenklen vet-omwoeld
Verbrandde ik, en der vlammen teeknen, die voordien
Starduister waren, heb ’k verzichtbaard voor hun oog.
Zoo waren dees mijn gaven …. En wat onder de aard
Den menschen aan hulpmiddlen weggeborgen ligt,
Brons, ijzer, goud en zilver—wie kan zeggen dat
Hij hen heeft uitgevonden eer dan ik het deed?
’k Weet zeker, niemand, die niet ijdel bluffen wil.—
Verneem dan alles in éen bondig woord vervat:
Geen kunst die niet den stervers van Prometheus stamt.
REI:
Gij die den stervers boven mate hebt gebaat,
Besteed aan eigen rampspoed thans uw zorg; want ik
Ben goeder hope dat, uit deze banden los,
Gij eens nog even machtig wezen zult als Zeus.
PROMETHEUS:
Nog niet gewezen is ’t vervullingdragend lot
Dat dit zóo zal geschieden. Door oneindge pijn
En smart gekromd eerst, mag ’k ontkomen aan den boei.
Want alle kunst blijft machtloos bij noodwendigheid.
REI:
Wie dan wel stuurt de roerpen dier noodwendigheid?
PROMETHEUS:
Gedachtge Erinyen, met der Moiren driegedaant.
REI:
En is Zeus dus de minder machtge dezer zes?
PROMETHEUS:
Ook hij zoû niet ontkomen aan ’t bestelde lot.
REI:
Wat aêrs dan eeuwig heerschen is Zeus voorbeschikt?
PROMETHEUS:
Dat zoudt gij niet vernemen: dring er niet op aan!
REI:
Een schrikkelijk geheim is ’t, wat gij ons verhult?
PROMETHEUS:
Gedenkt een andre rede. Thans is ’t niet de tijd
Dit te verluiden. Dieper moet ik het dan ooit
In stilte domplen. Want door dit bewaard geheim
Ontkom ik mijnen smarten en der banden smaad.
REI:
Moge nimmer
Zeus die alle ding bestiert,
Aan mijn wil zijn macht vijandig overstellen!
Moge ik nimmer ook vertragen
In het dienen van de goden
Bij de heiige runderslachtende offermalen
Aan den oever van Okeanos’, mijn vaders,
Niet te dempen stroom!
Moge ik nooit met woorden mij bezondgen,
Maar laat onvervaagd beklijven
Deze wijsheid
In de taaflen van mijn hart:
Zoet is het aaneen te rijen
Al de dagen van zijn leven
Tot een snoer geruste hoop,
Wijl het hart aan stralende geneuchten
Zich verkwikt en nooit verzaadt—
Maar uw aanblik doet mij huivren,
Hoe door kwalen gij vermaald wordt,
Niet te tellen, zelf-gekozen …
Immers zonder Zeus te duchten
Viert uw eigendunk te zeer den sterveling, Prometheus!
Zie nu hoe zonder dank de weldaad blijft, mijn vriend!
Zegt wat verweer en waar?
Wat helpt de bijstand der eendagelingen?
En ziet gij niet
De krachtelooze droomgelijke
Onmacht waarin belemmerd
Het blind geslacht der stervelingen rondtast?
Geen kans dat ooit der menschen raadslag ga
Zeus’ wereld-evenwicht tebuiten!
Dit leerde ik uit den aanblik van uw heilloos lot, Prometheus.
… Hoezeer verscheiden klinkt het lied dat in mij opwelt,
Van vroeger lied dat ’k hief ter viering van uw huwlijk
Naast bruîgoms bad en bed,
Toen gij door overreding van geschenken
Hesiona, mijn vaders dochter,
Voerde als uw vrouw tot bijslaaps zoet geweld.