EERSTE TOONEEL
P. C. Boutens translation
KRATOS, BIA, HEPHAISTOS, PROMETHEUS.
KRATOS:
Wij zijn gekomen tot der aarde grensver plein,
De baan van Skythia, de onbetreden eenzaamheid.
Nu past, Hephaistos, u de zending aan te gaan,
Die vader Zeus u opdroeg: dat gij jokken zoudt
Ter hoogkanteelge rotsen dezen euvelaar
In stalen banden, boeien onverbrekelijk.
Uw eigen bloem toch, ’t barnen van ’t alkunstig vuur,
Stal hij en schonk het aan de stervers. Dus dient hij
Boete af te dragen aan de goôn voor zulk misdrijf,
Opdat hij onderwezen worde Zeus’ beheer
Te lieven en te laten van ’t menschminnend doen.
HEPHAISTOS:
Kratos en Bia, voor u beiden heeft de last
Van Zeus hiermede een einde: niets bezwaart u meer.
Maar ik, hoe waag ik aan verwanten god ’t geweld
Van hem te boeien aan den stormbezochten rots?
… Toch dwingt de nood mij dat ik daar den moed toe vat;
Want vaders woorden licht te tellen wreekt zich zwaar …
O rechtberaden Themis’ listensteile zoon,
Weêrzinnig ga ik u, weêrzinngen, naaglen met
Onlosbre smeedsels aan dees menschgeschuwden piek.
Waar van geen stervling gij de stem of de gedaant
Speurt, maar geblakerd in de helle vlam der zon
Den bloei uws lijfs verwisselt. Als een lafenis
Komt nacht u ’t daglicht bergen in haar tintelwâ,
En zon opnieuw vervluchten morgenlijken rijp.
Doch staâg verteert u de erger van ’t aanwezig kwaad;
Want nog is niet geboren, die u lossen zal.—
Dat zijn de winsten die uw menschenmin behaalt.
Zelf god, schonkt gij der goden eerrecht tegen recht,
Zonder hun toorn te duchten, aan den stervling weg.
Daarvoor nu gaat gij hoeden dees vreugdloozen rots
Rechtstandig, zonder knie te knikken, slapeloos.
En vele klagen en weeroepen zonder baat
Slaakt gij; want zwaar vermurwlijk is de zin van Zeus:
Een ieder is hardvochtig, die aanvanklijk heerscht.
KRATOS:
Welaan, wat draalt gij met uw nutteloos beklag?
Hoe kan u deren dees meest godgehate god
Die gaf uw eigen eerrecht stervelingen prijs?
HEPHAISTOS:
’t Verwante bloed en de omgang oefnen hoog gezag.
KRATOS:
Dat is zoo. Maar staat ongehoorzaamheid u vrij
Aan Vaders woorden? Wat van twee heeft meer gezag?
HEPHAISTOS:
Gij kent geen meêlij, zijt altoos van snoodheid vol.
KRATOS:
Hem te bejammren, immers, brengt geen heul. Ook gij
Spaar de vergeefsche moeite van wat toch niet nut.
HEPHAISTOS:
O menigmaal verfoeide handenvaardigheid!
KRATOS:
Waarom haar schelden? Immers, aan dit huidig wee
Heeft, eerelijk gesproken, uwe kunst geen schuld.
HEPHAISTOS:
In ieder opzicht wenschte ik haar een aêr als deel!
KRATOS:
Elk ambt heeft zijn bezwaren buiten de oppermacht
Over de goden: geen is vrij dan Zeus alleen.
HEPHAISTOS:
Dat zie ’k voor oogen, en weêrspreken kan ’k het niet.
KRATOS:
Kom dus en haast u hem de boeien om te slaan;
Want anders mocht uw vader u aan ’t talmen zien.
HEPHAISTOS:
Ziehier, de armboeien houd ik klaar, als elk kan zien.
KRATOS:
Sla ze om de polsen henen, en met stoere kracht
Zwaai uwen hamer, nagel ze in de rotsen vast.
HEPHAISTOS:
Dit werk wordt al voltrokken, slepen doet het niet.
KRATOS:
Klop harder, nijp de boeien, laat geen speling toe.
Zijn groote list vindt uitweg waar geen uitweg is.
HEPHAISTOS:
Deze arm zit onbeweeglijk: vaardig die hem lost.
KRATOS:
Knel nu onwrikbaar de andre vast, opdat hij leer’
Dat zijne wijsheid dwaasheid is bij die van Zeus.
HEPHAISTOS:
Geen kan met recht mij laken, of ’t moest deze zijn.
KRATOS:
Nu drijf dwars door de borstkas met uw volle kracht
Der stalen wigge mededoogenlooze kaak.
HEPHAISTOS:
… Wee, wee, Prometheus, ’k steen om wat gij lijden moet!
KRATOS:
Weêr zie ’k uw ijver flauwen, weêr zucht ge over Zeus’
Vijanden? Als ge u later zelf maar niet beklaagt!
HEPHAISTOS:
Gij schouwt een schouwspel zwaar voor oogen aan te zien.
KRATOS:
Ik zie hoe deze zijn verdiende loon erlangt.
Leg nu om zijne lendnen de ijzren gordels aan.
HEPHAISTOS:
Helaas, ik moet wel—gij, laat uw bevelen na.
KRATOS:
’k Zal u naar lust bevelen, en nog hitsen ook!
Ga nu naar onder: ring zijn enkels met geweld!
HEPHAISTOS:
Ziedaar: het werk is zonder veel bezwaar volbracht.
KRATOS:
Drijf nu nog kloek de klinken in de boeien aan;
Want die uw werk zal keuren, is een grimmig heer.
HEPHAISTOS:
Uw tong schalt klanken aan uw uiterlijk gelijk.
KRATOS:
Wees gij flauwhartig—van mijn onverstoorbaarheid
En onvermurwden ijver maak mij geen verwijt.
HEPHAISTOS:
Nu, laat ons heengaan: ongekluisterd bleef geen lid.
(Hij verwijdert zich met BIA; KRATOS blijft bij PROMETHEUS achter.)