DERDE TOONEEL
P. C. Boutens translation
PROMETHEUS ALLEEN.
PROMETHEUS:
O goddlijke aither, en snelvleuglige ademen,
En bronnen van rivieren, en van ’t zeegestrook
Het talloos lachen, en almoeder aard,
En ’t alziend rond der zonne roep ik aan:
Ziet welke dingen ik, een god, van goden lijd!
Ziet, door de krenking van wat kwalen
Vermaald, ik zwoegen zal
Den tienmaalduizendjaargen tijd!
Zoo smadelijke banden
Heeft tegen mij bedacht
Der zaalgen nieuwe vorst.
Wee wee! ik steen om ’t huidig en ’t toekomend wee:
Hoe ooit van deze ellenden
Het eind mag opgaan!
En toch, wat spreek ik?—Zonneklaar weet ik vooruit
De gansche toekomst. Nimmer onvermoed zal mij
Een leed genaken …. Zijn beschikte lot moet men
Naar ’t kan gelaten dragen door het inzicht dat
De macht van ’t noodlot toch niet te bekampen is …
Maar zwijgen of niet zwijgen van dit ongeval—
Ik heb geen keuze. Stervers schafte ik goderecht,
En ben, rampzaalge, nu in dezen dwang gejokt,
’k Ving in de holte van het tondelriet van ’t vuur
De steelsche bron die aller kunsten meesteres
Den stervelingen en een machtge helpster bleek.
Voor zulk een misdaad boet ik de verbeurde straf,
Den smaad van deze banden onder de’ open dag …
Ah ah!
Wat klank vliegt mij toe? Wat onzichtbre geur—
Van god? van mensch? van gemengd geslacht?—
Reikt tot den aardebegrenzenden rots?
Wie komt, mijn leed te aanschouwen? of waar anders toe?
Ziet den rampspoedgen, den in boei geslagen god,
Mij, vijand van Zeus, en bij alle de goôn
Die betreden de vloeren van Zeus’ hoog hof,
Tot het uiterst gehaat om te machtige min
Tot het sterflijk geslacht.—
Wee wee! wat hoor ik voor keerend gerucht
In der vooglen gebied? Op den aither vergonst
Het gezwinde geklep van der vleugelen slag …
Vrees brengt al wat mij nabij komt …