VIJFDE TOONEEL
P. C. Boutens translation
PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN, OKEANOS.
OKEANOS (verschijnt op een gevleugelden draak):
Ik bereik u, Prometheus, ’t doel van het pad
Mijner durige reize, gestegen op dees
Snelvleugligen draak dien ’k enkel bestuur
Met de toomen der stille gedachte.—
Weet wel dat ik deel in de smart van uw lot;
Want daartoe dringt mij verwantschap en bloed;
Maar ook buitendien is geen wien ’k gun
In mijn achting een hoogeren zetel dan u.
Dat ik waarheid spreek, dat mijn tong niet vleit
Schijnwoorden om gunst, ondervindt gij terstond:
Openbaar wat hulp ik betoonen u kan:
Op een hechteren vriend dan Okeanos is,
Zult nimmer ge u kunnen beroemen.
PROMETHEUS:
Wat is er nu weêr? Komt ook gij om toe te zien
Bij mijne nooden? Hoe hebt gij gewaagd den stroom
Die uwen naam voert, en uw grotten rotsgedakt
Natuurgehouwen te verlaten voor dit land
Drachtig van ijzer? Of zijt gij gekomen om
U met mij te ergren in den aanblik van mijn leed?
Aanzie dit schouwspel, dezen bondgenoot van Zeus,
Die saam met hem bevest heeft zijne heerschappij,
Met welke kwalen ik door hem gefolterd word.
OKEANOS:
Ik zie, Prometheus,—en al zijt gij listenbont,
’k Wil u te sporen trachten met mijn besten raad.
Keer tot u-zelven, stem tot nieuwe wijzen om
Uw inborst: nieuw ook is de heerscher bij de goôn.
Als gij blijft slingren zulke fel gewette reên,
Allicht mocht Zeus u, staat zijn stoel ook nog zoo hoog,
Vernemen, en in ’t einde dunkt zijn huidge toorn
Met al zijn kwalen u nog kinderspel te zijn.
Maar, o rampzaalge, laat van uwen wrevel af
En zoek naar een verlossing uit dees kwellingen.
Misschien lijkt u verouderd wat ik zeggen ga:
Dit is het eenig handgeld dat men beuren kan,
Prometheus, met te pralend pochen van de tong.
Gij blijft hoovaardig, onder rampen bukt gij niet,
En bij uw rampen zoekt gij nieuwer rampen winst.
Als gij dus naar mijn onderwijzing hooren wilt,
Sla tegen prikkels niet de verzenen; want gij ziet:
Een grimmig heerscher zonder rekenschap regeert.
En nu ga ik heen, laat geen poging onbeproefd
Of ik uit deze nooden u verlossen kan.
Doch gij, blijf rustig, toom uw monds onstuimigheid.
Of weet gij, die terecht alwijs genaamd wordt, niet
De tuchtging die der ijdle tong wordt ingeprent?
PROMETHEUS:
’k Prijs uw geluk al, dat gij straffeloos uitgaat,
Die u verstout hebt deel te nemen in mijn lot.
Nu laat het wezen, spaar uw zorg. Gij overreedt
Hem toch niet; want voor overreding is hij doof.
Wees zelf omzichtig dat uw gang geen smartgang wordt.
OKEANOS:
Veel beter maant uw aanleg andren dan u-zelf
Tot rede: niet maar woorden, feiten zijn bewijs.
Doch houd mij hunkrend naar de reize niet terug.
Want groot maak ik mij, ’k maak mij groot dat Zeus dees gunst
Mij toestaat, en uit deze nooden u bevrijdt.
PROMETHEUS:
Deels prijs ik, houd u nimmermeer te prijzen op;
Want in bereidheid schiet gij niets te kort. Toch laat
Uw moeite: zonder mij te baten zoudt vergeefs
Ge u moeien, als gij u al moeite geven wilt.
Maar houd in rustig toezien zelf u buiten schot.
Want ik, al ben ’k rampzalig, zoû daarom niet graag
Zoovelen mooglijk naast mij zien met leed bedeeld.
O neen ik—diep genoeg al schrijnt mij ’t ongeluk
Mijns broeders Atlas die ter avondlandsche steê
De zuil des hemels en der aard te stutten staat
Met zijne schoudren, kwadelijk te wiegen last.
Met deernis ook zag ’k hoe de reuzge burchtheer van
Kilikia’s grotten, het strijdbarnend monster met
Zijn honderd koppen, door geweld beteugeld werd,
Grimmige Typhoon die al goden weêrstand bood,
Uit grouwelijke kaken sissespreidend vrees.
Hij bliksemde uit zijn oogen schrikstijvenden gloed
Als ging zijn oerkracht nederhalen Zeus’ bewind.
Maar op hem neder voer diens slapelooze lans,
De steilgetrede bliksem blazend vuur en vlam,
Die midden in de grootspraak zijner blufferij
Hem stom smeet. Want vlak in het middenrif geraakt,
Werd hij versinteld; donder sloeg zijn krachten murw.
En nu, een hulpelooze werktuiglijke romp,
Ligt hij ter zijde van de nauwe straat der zee
Onder de wortlen van berg Aitna neêrgedrukt;
En boven op de toppen zit en smeedt zijn staal
Hephaistos. Toch eens zullen breken vandaar uit
Rivieren vuur, die vreten in haar wilden muil
De vlakke bunders van vruchtbaar Sikelia
Met heete beten van onnaakbren vlammevloed.
In zulk een toornen ziedt nog eenmaal Typhoon op,
Al ligt hij door den bliksem nu van Zeus verkoold.—
Gij hebt genoeg ervaring, onderwijs van mij
Is u niet noodig: red u-zelf zoo goed gij kunt.
Ik stuur alleen wel tegen ’t huidig onheil op,
Tot Zeus bezonnen af zal laten van zijn toorn.
OKEANOS:
Ziet gij, Prometheus, dan niet in dat redenen
Voor ziel die ziek van toorn is, als heelmeesters zijn?
PROMETHEUS:
Ja, als men tijdig ’t hart met zalf te streelen weet,
Maar niet als men ruwhandig ’t zeer gemoed nog kneust.
OKEANOS:
Wat mooglijk nadeel ziet gij—geef mij onderricht—
In bereidwillge vriendschap die het uiterst waagt?
PROMETHEUS:
Moeite overbodig en lichtzinnge onnoozelheid.
OKEANOS:
Gun dat gebrek mij: die verstandig is, behaalt
Het grootste voordeel door den schijn van onverstand.
PROMETHEUS:
U wordt de dwaasheid aangerekend—mij de schuld.
OKEANOS:
Uw woord zendt me onverholen weêr naar huis terug.
PROMETHEUS:
Uit vrees dat mij bejammren u in onmin stort.
OKEANOS:
Met hem die nieuwlings op den stoel der almacht zit?
PROMETHEUS:
Wees op uw hoede dat gij nooit zijn hart vergramt.
OKEANOS:
Dat leert, Prometheus, mij uw eigen ongeluk.
PROMETHEUS:
Haast u ter reize: red het inzicht dat gij wont!
OKEANOS:
’k Ben onderweg al, nu uw roep mij manen komt.
Zie, de effen baan des aithers veegt met vleugelen
’t Viervoetig rijdier. Blijde, denk ik, zal hij zijn
Zijn knieën weêr te buigen in gewenden stal.