VIERDE TOONEEL
P. C. Boutens translation
PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.
(De rei bestaat uit twaalf Okeanieden, dochters van Okeanos en Thetys. Zij verschijnen rechts, van den zeekant, op gevleugelde wagens, en zijn voor den toeschouwer eerder zichtbaar dan voor Prometheus, die niet terzijde zien kan.)
REI:
Niets te vreezen: deze schare
Naakt met vriendelijk bedoelen—
Niet dan nauwlijks overreedde ik vaders onwil—
Op der vleuglen vluggen wedstrijd
Tot de hoogten van den rots.
’t Lichte geleî van den luchtstroom droeg mij.
Want het dreunen van den moker
Op het staal doorklonk de diepte
Der spelonken, en de schrik dreef uit mijn hart weg
Zedigschuchtre schaamte:
Ongeschoeid snel ik aan op ’t gevederd voertuig!
PROMETHEUS:
Aai aai!
Dochtren, door vader Okeanos
Die in den keerkring van zijn slapeloozen stroom
Heel de aarde omvat,
Verwekt uit kinderrijke Thetys—
Aanziet, aanschouwt in welke banden
Ik vastgehecht hoog aan de pieken
Van dezen rotswand
Een onbenijde wacht ga voeren.
REI:
’k Zie, Prometheus—voor mijn oogen
Trekt de duistre nevel samen
Zwaar van tranen bij den aanblik
Van uw lijf dat gaat verdorren
Aan den zongeblaakten rots
Waar deze stalen hoon u ketent.
Op de’ Olympos immers heerschen
Nieuwe stuurders aan de roerpen:
Zeus, naar ongekende wetten,
Is er meester zonder toezicht.
Hij verduistert al vorig geweld.
PROMETHEUS:
Och had hij mij onder de aarde en
Beneden der dooden huisvest Hades
Gestort in mateloozen Tartaros,
Geslagen daar in wreede onlosbre boeien,
Dat god noch ander wezen
Zich over dit mijn leed verblijdde …
Nu, wankel tusschen aarde en hemel, lijd ik
Rampzaalge mijner haatren welbehagen.
REI:
Wie van de goôn is zoo verhard van hart,
Die hierin leedbehagen heeft?
Wie deelt niet de’ erger om uw kwalen—
Behalve Zeus? Hij, in aanhoudend wrokken,
Met onverzettelijk gemoed,
Oefent geweld aan ’t hemelsche geslacht:
Hij houdt niet op vóor hij zijn hart verzaad heeft,
Of éen bij nieuwen staatsgreep rooft de zwaar te rooven almacht.
PROMETHEUS:
Toch zal nog eens, al hang ik thans te hoon
In boeien zwaar, naar mij in nood geraken
Der zaligen bestuurder,
Dat ik hem duid’ den nieuwen aanslag
Die staf en waardigheid hem uitschudt.
Dan zal hij mij met honingtalig
Gevlei van overreding niet bekoren,
En nooit uit angst voor strafst bedreigen
Laat ik het woord los vóor hij slaakt
Dees wreede boeien en mij boete
Van dezen smaad betalen wil.
REI:
Gij geeft in uw vermetelheid
Aan felste smarten niets gewonnen;
Uw mond leert nimmer deemoed …
Maar mij doorpriemt het hart de stekel van de vrees,
Ik ducht om wat u staat te wachten:
Hoe ge ooit uit deze zee van nooden
Moogt landen en haar eind aanschouwen …
Want niet te vinden is ’t gemoed, niet te beroepen ’t hart van Kronos’ zoon.
PROMETHEUS:
’k Weet dat hij hard is, dat hij ’t recht
Stelt naar zijn eigen hand.
Toch zal hij, denk ik, straks
Wanneer die nood hem slaat,
Weekmoedig wezen:
Dan baant hij starren toorn tot effen pad,
Dan treedt om vredebond en vriendschap
Zijn ongeduld mijn ongeduld tevoren.
REI:
Ontvouw en openbaar ons heel den samenhang,
Op grond van wat betichten Zeus u grijpen liet
En u zoo smaadlijk en zoo bitterwreed kastijdt.
Leer ons de waarheid—of ’t uitspreken mocht u schaên …
PROMETHEUS:
Wel zijn dees dingen te verhalen smartlijk mij,
Doch smart ook is ’t verzwijgen—: alzijds ongeval!
Vandat partijhaat uitbrak bij de zaligen
En onderlinge tweedracht deelend zich verhief,
Daar de éenen Kronos wilden werpen van den troon
En Zeus de heerschap geven, de andren ijverden
Dat nooit of nimmer Zeus de goden zoû gebiên,—
Heb den Titanen, Oeranos’ en Gaia’s kroost,
Ik daadlijk besten raad geschaft, maar niet vermocht
Hen te overreden. In hun stoeren eigendunk
Verachtten ze alle list als middel: met geweld
Dachten zij te overmogen zonder slag of stoot.
Maar mij had mijne moeder Themis meer dan eens,
En Gaia, ’t éene wezen onder namen veel,
Voorkondigd hoe de toekomst zich vervullen zoû:
Dat de overwinning niet aan kracht of aan geweld
Zoû komen, maar aan wie in list had overmocht.
Dat heb ik hun met zooveel woorden uitgelegd,
Maar zelfs tot aandacht hebben zij zich niet verwaard.
Bij dezen staat van zaken scheen mij veiligst toe
Om saam met mijne moeder, reede en welkom, mij
Te scharen bij de medestanderen van Zeus.
En naar mijn raadslag bergt nu ’t donkerdiepe ruim
Van Tartaros oerouden Kronos samen met
Zijn bondgenooten. Zulke diensten heeft van mij
Der goden overweldger ondervonden en
Op zijn beurt hen vergolden met dit booze loon.
Want dat is wel de krankheid die al tyrannie
Aankleeft, dat men zijn vrienden geen vertrouwen schenkt.
Doch wat aangaat uw vragen, om wat oorzaak hij
Mij hoont en tuchtigt, geef ik garen u bescheid.
Zoodra Zeus was gezeten op zijn vaders troon,
Wijst hij onmiddlijk aan een elk der goden toe
Zijn eigen eerrecht, deelt en regelt het bewind.
Maar met de armzaalge stervelingen hield zijn plan
Geen reekning. Ja, hij wilde hun geheel geslacht
Verdelgen tot het scheppen van een ander nieuw.
Hiertegen in verzet kwam niemand. Ik alleen,
Ik waagde ’t. ’k Heb de stervers van hun doem gered
Om reddeloos verdorven Hades in te gaan.
Daarom is ’t dat ik onder deze pijnen krimp,
Die smartlijk zijn te lijden, deerniswaard te zien.
Mijn daad was deernis tot de stervers, doch ik-zelf
Werd die niet waard bevonden, maar meêdoogenloos
Verwezen tot dit Zeus-onteerend schouwtooneel.
REI:
Diens hart is ijzer in zijn rotsgehouwen borst,
Die niet, Prometheus, de’ erger om uw nooden deelt.
Ik toch, hoe garen had ik nooit dit aangeschouwd!
En nu ik ’t aanzie, wordt mijn hart door pijn geprangd.
PROMETHEUS:
Ja, wel ben ik mijn vrienden deerniswaard te zien.
REI:
Als maar uw stoutheid niet nog verder ging dan dit …
PROMETHEUS:
De stervers heelde ik van den dood vooruit te zien.
REI:
Wat middel tegen deze krankheid vondt gij uit?
PROMETHEUS:
De hoop, die blind is, heb ik in hun borst behuisd.
REI:
Een groote winst was deze uw gaaf den sterveling.
PROMETHEUS:
Maar buitendien nog heb ik hun het vuur verstrekt.
REI:
En nu bezit de eendaagling den vlamglans van ’t vuur?
PROMETHEUS:
Ja, en in vele kunsten onderwijst het hem.
REI:
Zeus dan om oorzaak van geen zwaarder schuldverwijt—
PROMETHEUS:
Straft met zijn hoon mij, laat van geene kwelling af.
REI:
En is geen einde van uw zwoegen u beschikt?
PROMETHEUS:
Geen ander dan het tijdstip dat aan hem behaagt.
REI:
Hoe mag ’t behagen? Is er hoop? Ziet gij niet in
Dat gij misdaan hebt? Dat gij hebt misdaan, is mij
Een grief te zeggen … U is ’t smart … Ook weegt dit niet
Ter zake … Zoek naar eenige’ uitweg uit uw nood!
PROMETHEUS:
Voor wie zijn voeten buiten leed heeft, is het licht
Te sporen of te gispen wien het boos vergaat …
Doch ik, alle gevolgen wist ik lang vooruit.
Bewust, bewust misdeed ik—ik ontken het niet:
Den stervling helpen hielp mij-zelven in ellend.
Toch kon ’k niet denken dat in zulk een straf als dees
Ik zoû verschromplen aan de tinnen van den rots
Op dezen alverlaten nabuurloozen piek …
Laat me af van jammren om dit oogenblikklijk wee!
Doch daalt ter aarde en luistert wat al ongeval
Nog dreigt, opdat gij alles tot den einde leert.
Geeft toe, geeft toe mijn bede: deelt de ellend van een
Die nu in nood is: eender op zijn tijd tot elk
Komt lijden in zijn zwerfgang om een onderdak.
REI:
Reeds willig, Prometheus, vindt ons uw roep
Om te doen wat gij vraagt.
Nu verlaat ik mijn windsnel-ijlende koets
En den heiligen aither, der vooglen revier;
Nu naak ik op voeten der hinde den grond
Dezer grimmige rotsen: mijn hart gaat uit
Om uw nooden ten einde te hooren.
(Zij stijgen van hare wagens af.)