← Table of contents
Prometheus Geboeid

ACHTSTE TOONEEL

P. C. Boutens translation

PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.

REI:

Wijs en dubbel wijs was hij

Die het eerst deze waarheid lichtte in zijn hart en in menschenspraak verwoordde:

“’t Beste deel kiest hij die zich onder gelijken verzwagert:

Nimmer streev’ naar een huwlijk met wie zich in rijkdom verweeldden,

Of wie op adel en afkomst groot gaan,

Die zijn brood in armoê wint.”

Moogt gij nimmer nimmer mij,

O ontzagbre Moiren, als bruid het bed van Zeus zien deelen;

Moge ik nooit den gemaal eener hemelsche naken!

Want mij huivert te zien hoe de bruîgom-schuwe

Jeugd van Io door Hera verwelkt en verschrompelt

In kwaadzwerfsch dolen

Door eindloos wee!

Bij mij in eere ’t huwlijk dat gelijken vreezeloos vereent …

Nimmer moge de liefde van machtiger goden

Naar mij richten

Den onontkoombren oogstraal:

Oorlog zonder tegen-oorlog,

Middlen zonder tegen-middel …

’k Weet niet wat uit mij zoû worden.

Want ik zie niet hoe ik ooit

Zeus’ overleg ontgaan zoû!

PROMETHEUS:

Toch deze Zeus wordt, of zijn hart in trots nu zwelgt,

Eens nog vernederd: zulk een huwlijk neemt hij voor

Te sluiten, dat hem eerlang uit zijn heerschappij

En troonstoel spoorloos wegwerpt. Dan zal onverkort

Aan hem voltrokken worden vader Kronos’ vloek

En wraakbeê toen hij neêrviel uit de’ alouden troon.—

Uit zulk een net van onheil zoû geen enkel god

Hem veilgen uitweg kunnen wijzen: ik alleen,

Ik ken gevaar en middel. Laat hem nu dan vrij

Zeetlen in stout vertrouwen op zijn bovenaardsch

Gestommel, drillend in zijn hand de vuren lans.

Niets baten eens hem deze waapnen, dat hij niet

Eerloos zoû vallen met een niet te dragen val.

Zoo’n worstlaar is hij bezig uit te rusten zelf

Tegen zich-zelven, onbestrijdbaar machtgewrocht,

Die feller vlam zal vinden dan de bliksem is,

En luid gedaver dat den donder overschalt.

Poseidoons speer, den drietand die de zee beheerscht

En schokt der aarde vesten, strooit in stukken hij.

Op zulk verderf gestooten, leert Zeus mettertijd

Hoe zeer verscheiden heerschen is van slavernij.

REI:

Den wensch uws harten roept ge op uwen vijand in!

PROMETHEUS:

Neen: wat vervuld wordt, spreek ik—schoon ik ’t óok begeer.

REI:

Moet ik verwachten dat een aêr Zeus overheert?

PROMETHEUS:

Ja, en nog zwaarder lijden kromt zijn nek dan ’t mijn.

REI:

Hoe kunt gij vreesloos zulke reednen slingeren?

PROMETHEUS:

Wat zoude ik vreezen, wien geen sterven is beschikt?

REI:

Nog smartelijker kwelling brengt hij over u!

PROMETHEUS:

Dat laat hem brengen: ’k ben op alle ding bedacht.

REI:

Die nederbuigen voor Zeus’ Wrake, noem ik wijs.

PROMETHEUS:

Den wisselenden heerscher eer, aanbid en vlei—

Mij kan uw Zeus niet deren, minder nog dan niets.

Laat hem begaan en heerschen dezen korten tijd

Naar zijn behagen—lang stiert hij de goden niet!— —

Doch stil—daar zie ik zijnen loopslaaf naderen,

Den dienstknecht van den jongen overweldiger:

Die komt met zeker nooit gehoorde boodschap aan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings