NEGENDE TOONEEL
P. C. Boutens translation
PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN, HERMES.
HERMES:
Gij daar, de wijzaard, overvol van bittre gal,
Die aan de goden u vergreept, de’ eendageling
Hun eerrecht wegschonkt,—u bedoel ’k, den dief van ’t vuur!
Mijn vader port u uit te spreken wat gij pocht,
Het huwelijk waardoor hij aan ’t gezag ontvalt.
En zóo wel, dat niets raadseligs gij overlaat,
Maar punt aan punt hem uitduidt. Dring mij ook niet op
Een dubble reis, Prometheus; want gij ziet dat Zeus
Door zulke listen toch zich niet verweeken laat.
PROMETHEUS:
Aanmaatgend plechtig en vol hollen eigenwaan
Uw taal, als bij een dienaar van de goden past.
Jong zijt gij goden, jong uw almacht, en gij waant
Te wonen in leedvrije burchten … Nam ’k niet waar
Reeds twee tyrannen uit die hoogten neêrgestort?
Zoo zal ik, snelst en schandlijkst, ook den derden zien,
Die nu bewind voert. Dacht gij soms dat ik
In vreeze weg zoû duiken voor de nieuwe goôn?
Daar komt nog veel, nog alles toe te kort.—Doch gij
Rep weêr in ijle ’t pad dat gij gekomen zijt;
Want niets verneemt gij van de dingen die gij vorscht.
HERMES:
Zulke eigenzinnigheden loodsten vroeger al
U in de haven van dit zelf verkozen leed!
PROMETHEUS:
Toch zoude ik met uw knechtschap, wees daar zeker van,
Niet garen ruilen dezen mijnen boozen staat.
HERMES:
’t Is denklijk beter knecht te zijn bij dezen rots
Dan vader Zeus’ vertrouwde bode zooals ik.
PROMETHEUS:
Dat is een antwoord als men van een slaaf verwacht,
Die tegen zijne honers zich met hoon verweert.
HERMES:
Gij schijnt zelfs weeldrig in uw tegenwoordig doen!
PROMETHEUS:
Ik weeldrig? Mocht ik eenmaal nog zóo weeldrig zien
Al mijn vijanden! U ook reken ’k onder die.
HERMES:
Stelt gij zelfs mij aanspraaklijk voor uw ongeluk?
PROMETHEUS:
In-éen-woord haat ik de gezamenlijke goôn
Die mijne weldaad loonen met onoorbaar kwaad.
HERMES:
’k Hoor wel, uw ziekte is waanzin van de zwaarste soort.
PROMETHEUS:
Ziek ben ik, als zijn vijand haten ziek-zijn is.
HERMES:
Gij zoudt niet zijn te dragen als gij voorspoed hadt!
PROMETHEUS:
Wee mij!
HERMES:
Wee mij!—dat is een uiting waar Zeus niet van weet.
PROMETHEUS:
Niets of wij leeren ’t van den ouderenden tijd.
HERMES:
Toch, gij weet nog altijd niet van verstandig-zijn!
PROMETHEUS:
’k Zoû anders ’t woord niet richten tot een slaaf als u.
HERMES:
Gij zult niets zeggen, lijkt het, wat mijn vader wenscht.
PROMETHEUS:
Ik ben hem immers dank verschuldigd,—ik betaal!
HERMES:
Gij wilt met spot mij tergen, zie ik, als een kind.
PROMETHEUS:
Zijt gij geen kind dan, en nog dwazer dan een kind,
Als gij van mijne zijde ’t minst bescheid verwacht?
Daar is geen krenking te bedenken, waarmeê Zeus
Mij af zoû martlen, dat ik dit hem openbaar
Aleer dees smadelijke banden zijn gevierd.
Vrij laat hem slingren zijn roetrosse bliksemvlam,
Met onderaardschen donder, witgeveêrde sneeuw
Keere en beroer’ hij onderstboven het heelal—:
Geen middel vindt hij mij te krommen dat ik zeg
Wat oorzaak hem zal storten uit zijn heerschappij!
HERMES:
Bedenk of dees hardnekkigheid uw voordeel blijkt!
PROMETHEUS:
Reeds lang beraden en bedacht is alleding.
HERMES:
Waag eindlijk eens, onnoozle, waag het eindlijk eens
Uw lijden aan te blikken met gezond verstand!
PROMETHEUS:
Gij wilt de zee bepraten: ijdele overlast!
Verbeeld geen oogenblik u, dat de vreeze voor
Zeus’ oordeel overmannen zoude mijnen geest,
Dat ooit in vrouw-gebarend handgehef ik smeek
Den meest gehaten vijand dat hij mij bevrijdt
Uit deze boeien. Wereld-ver ben ’k daarvandaan!
HERMES:
Ik spreek vergeefs wel, spreek ik verder nog zooveel.
Gij laat uw hart niet vochten en niet kneden door
Mijn pleiten. Als een veulen voor het eerst gejokt
Bijt gij den breidel, volgt geen leidsel, slaat op hol.
Een zwak beginsel blijkt in uw onstuimigheid;
Want niets is zoo zwak als bij wien verstand niet ment,
Het stuurloos-losgelaten eigenzinnig hart.
Zie, als gij door mijn woorden u niet winnen laat,
Wat noodweêr en wat hoos van rampen niet te ontgaan
Tegen u opsteekt. Aanstonds zal mijn vaders hand
Met donder en met vlam van bliksem klieven gaan
Dees rouwe klove. Hij begraaft u in haar diep.
Daar ligt de lijfromp in der rotsen arm gebed.
En zoo voleindt gij eindeloozen duur van tijd—:
Dan stijgt gij weêr aan ’t daglicht. Zeus’ gevlerkte hond,
Moordgierige aadlaar, vaart als stormvlaag op u neêr,
En rijt uw lichaam tot éen groote bloedelomp,
En keert, een ongenoode dagelange gast,
En maaltijdt van zwart-aangevreten leverrest.
Van zulke ellende wacht geen einde vóordat éen
Der goden opsta, die uw lijden overneemt,
En voor u af wil dalen in de lichtloosheid
Van Hades en den donkren kuil van Tartaros.
Hiernaar beraad u; want dit dreigement is niet
IJdel-verzonnen, maar onfeilbaar aangezegd.
Want leugen-spreken, daarvan weet Zeus’ mond niet af,
Maar alle woord vervult hij. Gij van uwen kant
Bedenk u alomzichtig: eigenzinnig doen
Gaat nooit, geloof mij, boven welberadenheid.
REI:
Ons lijkt dat Hermes woorden niet-onreedlijk spreekt.
Hij dringt u af te wijken van uw eigendunk
En ’t spoor te volgen van verstandig overleg.
Geef toe; want voor den wijze is falen schandelijk.
PROMETHEUS:
Reeds wist ik de boodschap, lang vooruit,
Van zijn ijdel geroep. Niets eerloos is ’t
Dat een vijand van vijanden kwaad ondervindt.
Laat vrij de tweesnijdende vurige slang
Op mij neder zich slingeren; de aither verzink’
Onder donder en ijzend geloei van den wind
Woest-kolkend ineen; laat rukken ’t geblaas
Uit haar voegen met wortlen en al dees aard;
Laat ’t schuim van de zee met verdoovend gebruis
Overstroomen de banen van ’t hemelsch gestarnt;
Laat lichten omhoog hij mijn hulploozen romp
En slingren omlaag hem in Tartaros’ nacht
Met duizlende draaien van ijzeren dwang—
Hij heeft geen kans mij te dooden!
HERMES:
Die zulke overwegingen denkt en verwoordt,
Is, zeker te hooren, geraakt van verstand.
Wat laat hem zijn grootspraak over om niet
Krankzinnig te zijn? Wat waan die ontbreekt?—
Doch gij die in ’t leed van zijn zwoegende pijn
Deelneming betoont, wijkt ijlings van hier,
Uit de buurt dezer plaats naar een veiliger streek,
Dat aanstond niet uwe geesten verdwaaz’
Het ontembaar geloei van den donder!
REI:
Iets anders verluid en vermaan waartoe
Gij me ook overreedt; want nimmer verdraagt
Mijn gemoed het ontijdige woord dat gij spreekt.
Waarom mij bepraat om het slechte te doen?
’k Ben bereid wat moet met den vriend te doorstaan!
Van een kind af heb ik te haten geleerd
Den verrader: ik ken
Geen kwaal die ik feller verafschuw!
HERMES:
Onthoudt gij dat ik u gewaarschuwd heb!
Geeft straks in uw val, door ellende geprooid,
Geen schuld aan het lot, rept nimmer een woord
Dat u Zeus in een afgrond onvoorzien
Deed struiklen van leed. Hij draagt geen schuld.
Gij zelven verkoost het met wetenden wil.
Niet plotsling gevat, niet heimlijk belaagd,
Overstrikt uwe reddlooze dwaasheid zich-zelf
Met het mateloos net der ellende!
(De REI trekt zich langzaam en met blijkbaren tegenzin terug, terwijl ook HERMES zich verwijdert.)