Luchtkasteelen.
Reading edition
Op zekeren warmen September-namiddag lag Laurie heerlijk in zijn hangmat heen en weer te schommelen; hij was nieuwsgierig om te weten wat zijn buren toch uitvoerden, maar te lui om het te gaan onderzoeken. Laurie was uit zijn humeur, want hij had zijn dag nutteloos en onbevredigend doorgebracht en wenschte, dat hij hem nog eens over kon leven. Het warme weder maakte hem lui; hij had de hand gelicht met zijn werk, het geduld van den gouverneur tot het uiterste op de proef gesteld, zijn grootvader ontstemd door den halven middag piano te spelen, de dienstboden angst aangejaagd door geheimzinnig te kennen te geven, dat een van zijn honden dol scheen geworden, en nadat hij hooge woorden had uitgelokt met den stalknecht, over het een of ander vermeend verzuim aan zijn paard, was hij in zijn hangmat gevallen om te brommen over de “onmogelijkheid” van de wereld in het algemeen, tot de rust van den liefelijken namiddag hem, ondanks zichzelf, tot kalmte gebracht had. Naar boven starend in het groene looverdak [123] van een wilde kastanje, droomde hij allerlei droomen, en verbeeldde hij zich juist rond te zwalken op den oceaan bij een reis rondom de wereld, toen het geluid van stemmen hem in een oogwenk aan land bracht. Door de mazen van de hangmat glurend, zag hij de meisjes March uit het huis komen, alsof ze de een of andere expeditie gingen ondernemen. “Wat ter wereld beginnen de meisjes nou?” dacht Laurie, zijn slaperige oogen wijd opensperrend om eens goed te kijken, want er was iets vreemds aan zijn buurmeisjes. Ze hadden elk een grooten, overhangenden hoed op, een bruin linnen zak over den schouder en een langen stok in de hand. Meta droeg een kussen, Jo een boek, Bets een mandje en Amy een portefeuille. Zeer bedaard liepen ze den tuin door, het achterhekje uit, om den heuvel te beklimmen, die tusschen hun huis en de rivier lag.
“Dat is al héél leuk,” zei Laurie bij zichzelf, “een buitenpartij te houden, en mij niet eens te vragen. Ze kunnen niet met de boot gaan, want ze hebben den sleutel niet. Misschien hebben ze hem vergeten; ik zal hem even gaan brengen en meteen eens zien, wat ze uitvoeren.”
Hoewel hij een half dozijn hoeden in zijn bezit had, duurde het eenigen tijd, voor hij er een vinden kon, toen moest hij naar den sleutel zoeken, dien hij eindelijk in zijn zak vond, zoodat de meisjes al ver uit het gezicht waren eer hij de heining oversprong en hen achterna draafde. Hij nam den kortsten weg naar het schuitenhuisje en wachtte daar hun komst af, maar niemand verscheen, dus beklom hij den heuvel om het terrein eens te overzien. Deze was gedeeltelijk bedekt door een dennenboschje, en uit het dichtst van dit geboomte kwam een sterker geluid, dan het zachte ruischen der dennen en het slaperige gezang der krekels.
“Hier zit het wild,” dacht Laurie, door de takken glurend, nu geheel wakker en in zijn humeur.
De meisjes zaten lekker in de schaduw, terwijl het zonlicht door de takken speelde, een koeltje de geurige dennelucht door hun haren en langs hun gloeiende wangen blies en al de kleine boschbewoners met hun bezigheden voortgingen, alsof de Marches geen vreemdelingen maar vrienden waren. Meta die op haar kussen zat en met hare fijne handjes ijverig naaide, zag er in haar rose japonnetje op het groene gras zoo frisch en lief uit als een roos. Bets zocht ijverig naar dennenappels, waarmee de grond onder de struiken bezaaid lag, want zij maakte er allerlei aardige dingen van; Amy schetste een groep varens, en Jo breide een soldatensok terwijl ze las. Even betrok Laurie’s gezicht, toen hij bedacht, dat hij eigenlijk behoorde heen te gaan, omdat hij niet mee gevraagd was; toch bleef hij staan, ’t Scheen hem thuis zoo eenzaam toe, en dit rustige partijtje in het bosch had bijzonder veel aantrekkelijks voor hem in zijn ongedurige stemming. Hij stond zóó stil, dat een eekhoorn, bezig voedsel te zoeken, van een pijnboom vlak naast [124] hem afkwam, maar toen met zulk een schrillen kreet terugrende, dat Bets omkeek, het verlegen gezicht tusschen de takken bemerkte, en hem met een bemoedigenden glimlach wenkte dichter bij te komen.
“Mag ik dit heiligdom binnentreden, of zou ik maar tot last zijn?” vroeg hij, langzaam naderend.
Meta trok haar wenkbrauwen op, maar Jo keek haar boos aan, en zei onmiddellijk: “Natuurlijk, mag je! We zouden je wel gevraagd hebben mee te gaan, maar we waren bang, dat je zoo’n meisjesbedenksel saai zou vinden.”
“Ik vind jullie bedenksels nooit saai, maar als Meta mij liever niet ziet, verdwijn ik.”
“Ik heb er niets tegen, wanneer je iets uitvoert; ’t is tegen de orde hier leeg te zitten,” zei Meta ernstig, maar vriendelijk.
“Zeer verplicht; ik wil alles doen, wanneer jullie mij een poosje duldt, want het is thuis zoo saai als in de Sahara. Zal ik naaien, lezen, denneappels zoeken, teekenen, of alles te gelijk? Gij hebt slechts te bevelen, ik ben tot uw dienst gereed,” en Laurie ging zitten met zoo’n onderdanig gezicht, dat Meta verteederd werd.
“Lees dit verhaal uit, terwijl ik de hiel zet,” commandeerde Jo, hem het boek overhandigend.
“Alstublieft, juffrouw,” was het deemoedig antwoord, en Laurie las op zijn allersierlijkst om zijn dankbaarheid te toonen voor zijn toelating tot de “Nijvere-Bij-club.”
Het verhaal was niet lang, en toen hij het uitgelezen had, waagde hij het tot belooning voor de bewezen diensten een paar vragen te doen.
“Als het niet te vrijpostig is, dames, zou ik wel eens willen vragen, of deze gezellige en hoogst nuttige vereeniging pas is opgericht?”
“Mag hij het weten?” vroeg Meta aan de anderen.
“Neen, hij zal ons uitlachen,” waarschuwde Amy.
“Wat zou dat?” vroeg Jo.
“Ik wed, dat hij ’t wel aardig zal vinden,” meende Bets.
“Wel ja, natuurlijk. Ik geef jullie mijn woord, dat ik niet zal lachen. Vertel op, Jo, en wees maar niet bang!”
”’t Idée! bang voor jou? Nou, je moet weten, we speelden vroeger altijd den Pelgrimstocht, maar sinds verleden winter stellen wij hem in ernst voor.”
“Ja, dat weet ik,” zei Laurie, met een knikje.
“Wie heeft het je dan verteld?” vroeg Jo snibbig.
“Een geest.”
“Neen, ik heb het gedaan om hem eens te amuseeren op een avond, toen jullie allemaal uit waren, en hij zich zoo verveelde. Hij vond het niets gek; dus brom er maar niet over, Jo,” zei Bets onderdanig.
“Je kunt geen geheim bewaren. Nu, het doet er niet toe, het wint nu alweer moeite uit.” [125]
“Ga voort, als ’t je belieft,” verzocht Laurie, toen Jo in haar werk verdiept, ontstemd voor zich bleef kijken.
“O, heeft ze ons nieuwe plan niet verteld? Nou, we hebben ons best gedaan om onzen vacantietijd niet te verlummelen, maar ieder heeft een taak op zich genomen en geprobeerd die af te krijgen. De vacantie is bijna om, onze taken af, en we zijn vreeselijk blij, dat we niet geluierd hebben.”
“Ja, dat kan ik me begrijpen,” en Laurie dacht berouwvol aan zijn eigen verbeuzelde dagen.
“Heerlijk!” zei Laurie zacht, want hij had een open oog voor al wat mooi was.
“Het is dikwijls zoo mooi, en we kijken er zoo graag naar, want het is nooit hetzelfde, maar altijd prachtig,” zei Amy, wenschende, dat ze het kon teekenen.
“Jo spreekt van het land, waar we eenmaal hopen te wonen; het wezenlijke land, meent ze, met varkens en kuikens en hooibergen; dat zou wel heerlijk zijn, maar ik wou, dat dat land daar in de wolken werkelijk bestond, en dat we daar eens heen konden gaan,” zei Bets peinzend.
“Jij zult wel in de Hemelsche Stad komen, Bets, wees daar maar niet bang voor,” zei Jo. “Ik ben degeen, die zal moeten strijden en werken, en klauteren en wachten, en misschien nog niet eens zal worden toegelaten.”
“Dan zul je mij tot gezelschap hebben, als je dat kan troosten. Ik zal heel wat moeten afreizen, voor ik jullie Hemelsche Stad bereik. Als ik er heel laat aankom, zul jij dan een goed woordje voor me doen, Bets?”
“Wat zou het leuk zijn, als al de luchtkasteelen, die we bouwen, eens werkelijkheid werden, en wij er in konden wonen?” zuchtte Jo na eenige oogenblikken stilzwijgen.
“Ik heb er al zooveel gebouwd, dat het me moeilijk zou vallen te zeggen, welk ik per slot van rekening zou verkiezen,” zei Laurie, terwijl hij zich zoo lang als hij was op het mos liet vallen en denneappels gooide naar het eekhorentje dat hem verraden had.
“Je zou natuurlijk je lievelingskasteel moeten kiezen; wat is dat?” vroeg Meta.
“Als ik het mijne vertel, zullen jullie het dan ook doen?”
“Ja, als de anderen het ook beloven.”
“Ja, dat is goed. Nu, Laurie!”
“Zoodra ik genoeg van de wereld gezien had, zou ik in Duitschland willen gaan wonen, en zooveel van muziek genieten als ik maar kon. Ik zou zelf een groot genie willen zijn, zoodat alle menschen toestroomden om me te hooren; ik zou nooit iets van geldzaken of handel willen hooren, maar alleen genieten en leven voor de dingen waar ik van houd. Dat is mijn liefste luchtkasteel. En wat is het jouwe, Meta?”
Meta scheen het wat moeilijk te vinden het hare te vertellen; zij streek met een varentakje langs haar gezicht, alsof ze denkbeeldige muggen wilde verdrijven, terwijl zij langzaam begon: “Ik zou graag een mooi huis hebben, vol met allerlei prachtige dingen; lekker eten, mooie kleeren, smaakvolle meubels, aardige menschen en hoopen geld. Ik zou er de eigenares van moeten zijn, en het heelemaal kunnen inrichten, zooals ik wou, met veel dienstboden, zoodat ik niet hoefde te werken. Wat zou ik er van genieten! Want ik zou niet luieren, maar veel goed doen en maken dat iedereen mij liefhad.”
“En moet je geen ridder in je kasteel hebben?” vroeg Laurie ondeugend.
“Ik zei immers aardige menschen!” en Meta strikte zorgvuldig haar schoen vast, terwijl zij sprak, zoodat niemand haar gezicht kon zien.
“Waarom noem je er niet bij op, dat je een volmaakt, verstandig, beminnelijk echtgenoot wilt hebben en een paar engelachtige kinderen? Je weet best, dat je kasteel zonder dat toch niet volmaakt [127] zou zijn,” riep de openhartige Jo, die nog geen “teedere gevoelens” koesterde, en liefdeshistories, behalve in boeken, verachtte.
“Jij zou in het jouwe niets dan paarden, inktkokers en boeken willen hebben,” zei Meta geraakt.
“Dat snap je! Ik zou een stal vol Arabische paarden willen hebben, en kamers opgehoopt met boeken, en ik zou willen schrijven uit een betooverden inktkoker, zoodat mijn werken even beroemd werden als Laurie’s muziek. Maar voordat ik mijn kasteel betrek, moet ik iets groots doen, iets heldhaftigs of ongeloofelijks, dat na mijn dood niet vergeten zal worden. Ik weet nog niet wat, maar ik ben steeds op den uitkijk, en van plan jullie allemaal nog eens te verrassen. Ik denk, dat ik boeken zal gaan schrijven en rijk en beroemd worden. Dat zou mij het best bevallen. Nou weet jullie mijn lievelingsdroom.”
“En de mijne is, stil bij Vader en Moeder te blijven, en voor de anderen te helpen zorgen,” zei Bets tevreden.
“Verlang je niks anders?” vroeg Laurie.
“Nu ik mijn piano heb, ben ik volkomen tevreden; ik hoop alleen, dat we allemaal gezond en bij elkander mogen blijven, anders niets.”
“Ik heb een massa wenschen; maar de voornaamste is, schilderes te worden, en naar Rome te gaan, en prachtige schilderijen te maken, en de beste schilderes van de heele wereld te zijn,” was Amy’s nederige begeerte.
“Wat zijn we een eerzuchtig troepje! Behalve Bets, verlangen wij allemaal rijk en beroemd, en in ieder opzicht onovertreffelijk te worden. Ik zou wel eens willen weten, of we ooit een van allen onze wenschen bereiken zullen,” zei Laurie, op een grasspriet kauwend als een nadenkend kalf.
“Ik heb den sleutel van mijn luchtkasteel, maar het blijft de vraag, of ik de deur zal kunnen openkrijgen,” zei Jo geheimzinnig.
“Ik heb van het mijne ook den sleutel gekregen, maar ik mag hem niet probeeren. ’k Wou, dat de academie opvloog,” mompelde Laurie met een ongeduldige zucht.
“Hier is de mijne,” en Amy zwaaide met haar penseel.
“Ik heb er geen,” zei Meta treurig.
“Wel waar!” riep Laurie.
“Waar dan?”
“In je gezicht.”
“Nonsens, dat geeft niets.”
“Wacht maar af, of het je niet iets geven zal, dat de moeite waard is,” antwoordde Laurie, glimlachend bij de gedachte aan het aardige geheim, dat hij meende te weten.
Meta bloosde achter haar varentakje, maar vroeg niet verder en keek naar de rivier, met dezelfde verlangende uitdrukking als Brooke, den dag, waarop hij van den ridder verteld had.
“Als wij alle vijf over tien jaren nog leven, moesten we bij elkaar komen, om te zien, wiens wenschen vervuld zijn, en hoeveel nader [128] wij er aan toe zijn dan nu,” zei Jo, die altijd met een plan gereed was.
“Och hemel, wat ben ik dan al oud—zeven-en-twintig,” zuchtte Meta, die zich als een volwassen dame beschouwde, daar ze juist zeventien was geworden.
“Jij en ik zullen zes-en-twintig zijn, Teddy; Bets vier-en-twintig en Amy twee-en-twintig; wat een eerwaardig gezelschap!” riep Jo.
“Ik hoop, dat ik tegen dien tijd iets gedaan zal hebben om trotsch op te wezen; maar ik ben zoo’n luie hond, dat ik vrees, ik zal blijven lanterfanten, Jo.”
“Je hebt maar een prikkel noodig, zegt Moeder; als je dien eenmaal hebt, zul je wel flink aan ’t werk gaan,” zegt ze.
“Zegt je Moeder dat? Bij Jupiter, ik zal het doen, zoo gauw ik er kans toe zie!” riep Laurie uit, met plotselinge geestdrift overeind komend. “Het moest mij genoeg zijn, wanneer ik Grootvader tevreden stel; en ik doe ook mijn best, maar het is tegen stroom opvaren, zie je, en dat valt niet mee. Hij wil, dat ik, net als hij vroeger, als koopman naar Indië zal gaan, maar ik laat me nog liever doodschieten; ik heb een hekel aan thee en zij en specerijen en al dien rommel, die met zijn schepen hierheen komt, en zoodra ze van mij zijn, kan ’t me niets schelen, of zij naar den kelder gaan. Grootpapa moest tevreden zijn als ik de academie afloop; wanneer ik hem vier jaar van mijn leven geef, behoorde hij mij van den handel vrij te laten; maar hij staat er op, dat ik net doe, zooals hij gedaan heeft. Als ik maar niet wegloop en mijn eigen hoofd volg, zooals mijn vader! Was er maar iemand, om bij den ouden heer te blijven, dan deed ik het morgen.”
Laurie sprak opgewonden, en keek, alsof hij bereid was bij de minste aanleiding zijn bedreiging ten uitvoer te brengen; hij ontwikkelde zich sterk, en niettegenstaande zijn onverschillige manieren, had hij den gewonen jongensafkeer van onderdanigheid, en een rusteloos verlangen zelf zijn weg door de wereld te zoeken.
“Ik zou in een van mijn eigen schepen wegzeilen en niet terugkomen, voor ik mijn fortuin beproefd had,” zei Jo, wier verbeelding geprikkeld werd bij de gedachte aan den moed, die zulk een heldenfeit vereischte, en wier sympathie dadelijk was opgewekt door wat ze het “onrecht” noemde, Teddy aangedaan.
“Dat is niet goed, Jo; zoo moet je niet spreken en Laurie mag je slechten raad niet opvolgen. Je moet doen, wat je grootvader van je verlangt,” zei Meta op haar moederlijksten toon. “Doe je best aan de academie, en wanneer hij ziet dat je hem plezier wilt doen, ben ik zeker, dat hij niet hard of onrechtvaardig tegen je zal zijn. Er is, zooals je zegt, niemand om bij hem te blijven en hem lief te hebben, en je zou het je zelf nooit vergeven, als je hem zonder zijn toestemming verliet. Laat er je niet door terneer slaan, maar doe je plicht, dan zul je tenminste net als mijnheer Brooke de voldoening hebben, dat ieder je acht en van je houdt.” [129]
“Wat weet jij van Brooke?” vroeg Laurie, dankbaar voor den goeden raad, maar ongeduldig over de vermaning, en verlangend om, na zijn ongewone uitbarsting, het gesprek van zichzelf af te leiden.
“Alleen maar wat je Grootvader aan Moeder verteld heeft; hoe hij zorgde voor zijn moeder, tot zij stierf, en dat hij niet met een goede familie als gouverneur buitenslands wou gaan, omdat hij haar niet kon achterlaten, en dat hij nu een oude vrouw onderhoudt, die zijn moeder heeft opgepast, en er nooit tegen iemand van spreekt en altijd zoo edelmoedig en geduldig is, als een man maar wezen kan.”
“Dat is-ie, die beste kerel,” riep Laurie hartelijk, toen Meta met een kleur eindigde. “Net iets voor Grootvader, om, zonder het Brooke te laten merken, dat alles van hem uit te visschen, om het dan aan anderen te vertellen, zoodat ze van hem gaan houden. Brooke kon ook al niet begrijpen, waarom je moeder zoo aardig voor hem was, en hem met mij meevroeg, en hem op haar lieve, vriendelijke manier behandelde. Hij vond haar absoluut volmaakt, geloof ik, en was in geen dagen over jullie allemaal uitgepraat. Je had hem eens moeten hooren! Wanneer ooit mijn wenschen uitkomen, zul j’ eens zien, wat ik voor Brooke doen zal.”
“Begin nu maar liever, door hem niet dood te ergeren,” zei Meta scherp.
“Hoe weet je, dat ik dat doe, mejuffrouw?”
“Ik kan ’t altijd zien aan zijn gezicht, als hij weggaat. Wanneer je je best gedaan hebt, ziet hij er tevreden uit, en loopt hij vlug en opgewekt voorbij, maar als je hem geplaagd hebt, kijkt hij ernstig en loopt hij langzaam, alsof hij liever terug zou keeren, en het nog eens overdoen.”
“Zoo, dat is mooi! Jij houdt dus, volgens Brooke’s gezicht, een aanteekenlijst van mijn goed of slecht gedrag? Ik zie hem wel buigen en glimlachen, wanneer hij jullie huis voorbijgaat, maar ik wist niet, dat er een telegraaf tusschen jou en hem bestond.”
“Dat is ook niet zoo; wees er maar niet boos om en o! vertel hem alstjeblieft niet, dat ik iets gezegd heb. Ik zei het alleen om je te toonen, dat ik wel weet, hoe je het maakt, en wat hier gezegd wordt, is in vertrouwen gezegd, dat begrijp je,” riep Meta, ongerust over de mogelijke gevolgen van haar onnadenkende uitlating.
”Ik klik niet,” zei Laurie met zijn “hooghartig air,” zooals Jo een zekere uitdrukking noemde, die zijn mond soms aannam. “Maar wanneer Brooke voor thermometer gebruikt wordt, dien ik te zorgen dat hij altijd op “mooi weer” staat.”
“Och toe, Laurie, wees maar niet boos; ik wou eigenlijk niet preeken of zoo flauw zijn alles over te brieven; ik was alleen maar bang, dat Jo je zou aanmoedigen in gevoelens, waarover je later berouw zou hebben. Je bent zoo vriendelijk voor ons, dat we je als een broer beschouwen en alles zeggen, wat we denken; neem ’t me [130] maar niet kwalijk, ik meende het goed!” en Meta stak hem vriendschappelijk, maar verlegen de hand toe.
Laurie drukte het handje en zei openhartig, daar hij beschaamd was over zijn oogenblikkelijke opwelling: “Ik heb eerder vergiffenis noodig; ik ben den heelen dag al uit mijn humeur. Ik vind het best, hoor, dat je mij op mijn gebreken wijst en een beetje over me “moedert;” geef er dus maar niet om, wanneer ik eens kwaad word; ik ben er je toch wel dankbaar voor.”
Om te toonen, dat hij niet beleedigd was, gedroeg Laurie zich verder zoo “beminnelijk” mogelijk; hij wond garen voor Meta op, reciteerde verzen voor Jo’s plezier, schudde dennenappels voor Bets, hielp Amy met haar varens—en bewees zoo, dat hij waardig was om tot de “Nijvere-Bij-club” te behooren. Midden onder een levendige discussie over de gewoonten van schildpadden (daar juist zoo’n beminnelijk diertje uit de rivier was komen aanwandelen), waarschuwde hen het verwijderd geluid van de bel, dat Hanna de thee gezet had, en dat zij maar juist bijtijds voor het avondeten thuis zouden kunnen zijn.
“Mag ik weerkomen?” vroeg Laurie.
“Ja, “mits gij braaf oppast en naarstig leert,” zooals de jongetjes in het A-B-C-boekje,” zei Meta glimlachend.
“Ik zal mijn best doen.”
“Dan mag je komen, en zal ik je leeren breien, zooals de Schotten; er is nu juist behoefte aan sokken,” zei Jo, terwijl ze met de hare als een blauwe, gebreide banier tot afscheid wuifde.
Terwijl Bets dien avond in den schemer voor grootvader Laurence speelde, stond “Teddy” in de schaduw voor het gordijn naar “de kleine David” te luisteren, wier eenvoudige muziek altijd zijn oproerige gedachten tot bedaren bracht, en toen hij naar den ouden man keek, zooals hij daar, met het grijze hoofd op de hand gesteund, verzonken zat in gedachten aan het verloren kind, dat hij zoo innig had liefgehad, herinnerde Laurie zich opeens het gesprek van dien middag, en zei hij tot zichzelf: “Ik zal mijn luchtkasteel opgeven en bij Grootpapa blijven, zoolang hij het verlangt, want ik ben alles wat hij nog in de wereld heeft.”