← Table of contents
Onder Moeders Vleugels

In vertrouwen.

Reading edition

Ik geloof niet, dat er woorden zijn, waarmee ik de ontmoeting van mevrouw March met haar dochters kan beschrijven. Zulke uren zijn heerlijk om te doorleven, maar men kan er niet goed over spreken; daarom zal ik dit maar aan de verbeelding van mijn lezers overlaten, en alleen zeggen, dat ze zich óver- en óvergelukkig voelden, en dat Meta’s wensch vervuld werd, want de eerste dingen, waarop Bets’ blik viel, toen ze uit haar eersten, verkwikkenden slaap ontwaakte, waren het roosje en Moeders gezicht. Nog te zwak om zich over iets te verwonderen, glimlachte Bets dus slechts, en nestelde zich in de liefhebbende armen, die haar omvat hielden, met het zalige gevoel dat haar smachtend verlangen eindelijk bevredigd was. Toen viel ze weer in slaap, en de meisjes bedienden hun moeder, want ze wilde de vermagerde handjes niet losmaken, die de hare, zelfs in den slaap, omvat hielden.

Hanna had een kolossaal ontbijt voor de reizigster opgedischt, omdat ze op geen andere manier haar blijdschap wist lucht te geven, en Meta en Jo voerden hun moeder, als plichtmatige jonge ooievaars, terwijl ze luisterden naar haar gefluisterd verhaal over Vaders [176] toestand, de belofte van Brooke om bij hem te blijven en hem op te passen, het gedurig oponthoud, dat de storm op de terugreis had veroorzaakt en de onuitsprekelijke verlichting, die Laurie’s hoopvol gezicht haar gegeven had, toen ze, uitgeput door vermoeidheid, angst en koude, aankwam.

Wat was dat een vreemde en toch gelukkige dag! Buiten zoo schitterend en vroolijk, want iedereen scheen de eerste sneeuw te willen verwelkomen; binnen zoo rustig en kalm, daar allen sliepen, uitgeput door het waken. Een ware Sabbathstilte heerschte in het huis, terwijl de glimlachende Hanna aan de deur de wacht hield. Met het heerlijke gevoel, dat er een drukkende last van hen was afgewenteld, sloten Meta en Jo hun vermoeide oogen, tot rust gekomen als door storm voortgezweepte scheepjes, die eindelijk in een veilige haven waren beland. Mevrouw March wilde geen oogenblik Bets’ zijde verlaten, maar sliep in den grooten leuningstoel, gedurig wakker schrikkend om naar haar kind te kijken, haar aan te raken en zich over haar heen te buigen, als een gierigaard over een herwonnen schat.

Intusschen vloog Laurie weg om Amy te vertroosten, en deed zijn verhaal zóó welsprekend, dat Tante March waarlijk zelf moest “snuffen” en geen enkele maal zei: “Ik heb het wel gezegd!” Amy gedroeg zich heel verstandig bij deze gelegenheid; het scheen werkelijk, alsof de goede gedachten in het bidkamertje al vrucht begonnen te dragen. Zij droogde spoedig haar tranen, bedwong haar ongeduld om haar moeder te zien en dacht geen oogenblik aan het turkooizen ringetje, toen de oude dame van harte instemde met Laurie’s verzekering, dat ze zich gedroeg “als een ferme, kleine meid”. Zelfs Polly scheen er van onder den indruk, want hij noemde haar “meisjelief” en verzocht haar op zijn vriendelijksten toon: “Ga wat wandelen, liefje.” Amy zou graag uitgegaan zijn om van het mooie winterweer te genieten; maar toen ze merkte, dat Laurie knikkebolde van den slaap, in spijt van zijn mannelijke pogingen het te verbergen, haalde ze hem over wat op de canapé te gaan liggen, terwijl zij een briefje aan haar moeder schreef. Ze was er lang mee bezig, en toen ze terugkwam, lag hij in een diepen slaap, met de armen onder het hoofd, terwijl Tante March de gordijnen had laten vallen, en in een plotselingen aanval van goedhartigheid er bij zat zonder iets te doen.

Na een poosje begonnen ze te vreezen, dat hij misschien wel niet voor den avond zou wakker worden, en dat zou hij ook niet geworden zijn, wanneer hij niet was opgeschrikt door een vreugdekreet van Amy bij het zien van haar moeder.

Er waren dien dag waarschijnlijk wel veel gelukkige, kleine meisjes in en rondom de stad, maar ik ben overtuigd dat Amy het gelukkigst van hen allen was, toen ze op haar moeders schoot zat en haar wederwaardigheden vertelde, troost en vergoeding ontvangende in den vorm van goedkeurende glimlachjes en innige liefkoozingen. [177]

Ze waren samen alleen in het bidkamertje, waartegen haar moeder geen bezwaren had, toen haar was uitgelegd hoe het gebruikt werd.

“Integendeel, ik keur het heel goed, lieve kind,” zei ze, van den stoffigen rozenkrans naar het veelgebruikte boekje en de mooie plaat met den krans van klimopbladeren ziende. “Het is een uitmuntend plan, een plaatsje te hebben, waar wij rustig alleen kunnen zijn, wanneer ons iets hindert of bedroeft. Er zijn veel moeilijke tijden in ons leven, maar we kunnen die altijd verdragen, wanneer wij op de rechte plaats hulp zoeken. Ik hoop, dat mijn kleine meid bezig is dit te leeren?”

“Ja, Moeder, en als ik thuis kom, zal ik in de groote hangkast een hoekje leegmaken, waar ik mijn boeken kan neerleggen en de copie ophangen van deze plaat, die ik geprobeerd heb na te maken. Het gezicht van de vrouw is niet goed; dat is te mooi voor me om goed na te teekenen, maar het kindje is beter gelukt, en ik houd er erg veel van.”

Toen Amy het glimlachend Christuskind op den schoot der madonna aanwees, zag mevrouw March iets aan het opgeheven handje, dat haar deed glimlachen. Ze zei niets, maar Amy begreep den blik, en na een oogenblik zwijgen ging zij ernstig voort:

“Ik had u ook hierover willen spreken, maar ik vergat het. Tante gaf mij vandaag dit ringetje. Ze riep me bij zich en kuste me, en zei dat ik haar eer aandeed, en dat ze me wel graag altijd bij zich zou willen houden. Kijk, dit aardige ringetje heeft Tante erbij gegeven om den ring tegen te houden, hij is me nog te wijd. Ik wou ze zoo graag dragen, Moeder. Mag ik?”

“Ze zijn heel mooi, maar ik vind je nog wel wat jong voor zulke sieraden, Amy,” zei mevrouw March, met een blik op het ronde handje, waaraan de blauwe steenen schitterden, vastgehouden door twee kleine gouden, in elkander gevatte handjes.

“Ik zal mijn best doen niet ijdel te zijn,” beloofde Amy; “ik geloof ook niet, dat ik er blij mee ben alleen omdat ik ze mooi vind, maar ik zou ze graag dragen, zooals het meisje in het verhaal haar armband, om mij aan iets te herinneren.

“Meen je aan tante March?” vroeg haar moeder lachende.

“Neen, om me te herinneren niet zelfzuchtig te zijn.” Amy zag er bij die woorden zoo ernstig en oprecht uit, dat haar moeder ophield te lachen en aandachtig naar het plannetje luisterde.

“Ik heb in den laatsten tijd veel nagedacht over mijn “zondenpak” zooals Jo zegt en ik geloof, dat zelfzucht mijn ergste gebrek is, en nu ga ik mijn best doen om die af te leeren, als ik kan. Bets is niet zelfzuchtig, en daarom houdt iedereen van haar. ’t Zou verschrikkelijk zijn als we haar verloren. De menschen zouden niet half zoo bedroefd om mij zijn, als ik ziek was, en dat verdien ik ook niet, maar ik wou toch ook wel graag door zooveel vrienden gemist worden, en daarom zal ik al mijn best doen om te worden [178] zooals Bets. Ik vergeet zulke goeie dingen zoo licht, maar als ik altijd iets bij me had om er mij aan te herinneren, geloof ik, dat het misschien gaan zou. Mag ik het eens probeeren?”

“Ja, maar ik heb meer vertrouwen in het hoekje van de groote hangkast. Draag je ring, mijn kind, en doe je best, en ik geloof dat het je lukken zal, want de vaste wil om goed te zijn, is al de helft van ’t werk. Nu moet ik weer naar Bets. Blijf maar goedsmoeds, mijn dochtertje, en we zullen je gauw weer naar huis halen.”

Toen Meta dien avond bezig was aan haar vader te schrijven, om Moeders goede overkomst te berichten, sloop Jo naar boven, naar Bets’ kamer en toen zij haar moeder op haar gewone plaatsje zag zitten, bleef ze een oogenblik staan, met een uitdrukking van twijfel en teleurstelling op haar gezicht, de hand door het haar strijkende.

“Wat is er, kindlief?” vroeg mevrouw March, terwijl ze haar de hand toestak met een glimlach, die tot vertrouwen uitlokte.

“Ik moet u iets vertellen, Moeder.”

“Omtrent Meta?”

“Wat kunt u dat vlug raden! Ja, ’t is over haar en hoewel het maar een kleinigheid is, hindert het mij toch.”

“Bets slaapt; spreek zachtjes en vertel er mij alles van. Die Moffat is toch niet hier geweest?” vroeg mevrouw March op tamelijk scherpen toon.

“Neen, ik zou hem de deur voor den neus hebben toegegooid,” zei Jo, terwijl zij bij haar moeder op den grond ging zitten.

“Verleden zomer liet Meta een paar handschoenen bij de Laurences liggen, en er kwam er maar één terug. Wij dachten daar natuurlijk niet meer om, totdat Teddy mij vertelde, dat Brooke hem had. Hij droeg hem in zijn vestjeszak, en eens viel hij er uit, en toen Teddy er hem mee plaagde, erkende Brooke dat hij erg veel van Meta hield, maar er niet over durfde spreken, omdat zij zoo jong en hij zoo arm was. Vindt u dat niet verschrikkelijk?”

“Denk je, dat Meta van hem houdt?” vroeg mevrouw March met een bezorgden blik.

“Genade! ik heb niets geen verstand van liefde en zulk gezeur!” riep Jo, met een grappig mengelmoes van belangstelling en verachting. “In romans toonen de meisjes het door te schrikken en te blozen, flauw te vallen, mager te worden en zich als gekkinnen aan te stellen. Maar Meta doet niets van dien aard; ze eet en drinkt en slaapt als een gewoon mensch; ze kijkt mij vlak in de oogen, wanneer ik over dien man spreek, en bloost alleen maar een klein beetje, als Teddy gekheid maakt over aanbidders. Ik verbied hem wel dat te doen, maar hij luistert niet zoo naar mij, als hij moest.”

“Dus denk je dat Meta niet van John houdt?”

“Van wien?” riep Jo verbaasd.

“Van Brooke; ik noem hem nu John; we kwamen daar zoo toe in het hospitaal, en hij heeft het graag.” [179]

“O zoo! dan weet ik al, dat u zijn partij zult nemen; hij is goed voor Vader geweest en nu zult u hem niet weg willen sturen, maar hem met Meta laten trouwen, als ze wil. Echt min! om Vader te gaan oppassen en u te flikflooien, om u te bewegen van hem te gaan houden,” en Jo gaf een verontwaardigden ruk aan haar haar.

“Lieve kind, word er niet boos om, ik zal je vertellen hoe het gebeurd is. John ging met mij mee, op verzoek van mijnheer Laurence, en hij was zóo zorgzaam voor Vader, dat wij wel van hem moesten gaan houden. Hij was omtrent Meta volmaakt open en eerlijk, want hij zei ons dat hij haar liefhad, maar dat hij eerst een goed tehuis voor haar wilde verdienen, eer hij haar ten huwelijk vroeg, ’t Is werkelijk een flink jongmensch, en we konden niet weigeren naar hem te luisteren; maar ik zal niet toestaan, dat Meta zich zoo jong engageert.”

“Natuurlijk niet, het zou idiotenwerk zijn! Ik dacht wel, dat er iets kwaads broeide; ik voelde het, en nu is het nog erger dan ik dacht. O, ik wou maar, dat ik zelf met Meta trouwen kon en haar zoo veilig in de familie houden.”

Mevrouw March glimlachte bij de gedachte aan zoo’n eigenaardige schikking, maar hernam ernstig: “Jo, ik vertrouw je, en verlang, dat je er vooreerst nog niet met Meta over spreken zult. Als John terugkomt en ik hen samen zie, kan ik beter over haar gevoelens voor hem oordeelen.”

“Ze zal de zijne zeker in “die mooie oogen” lezen, waarover ze altijd praat, en dan is ze natuurlijk dadelijk verloren. Ze heeft zoo’n gevoelig hart, dat het stellig als boter in de zon zal smelten, wanneer iemand haar sentimenteel aankijkt. De korte berichten, die hij schreef, las ze veel vaker over dan uw brieven, en ze kneep mij in mijn arm, toen ik daar iets van zei, en zij houdt van bruine oogen, en ze vindt John geen leelijken naam, en ze zal wel heel gauw verliefd worden, en dan is er een eind aan vrede en plezier en aan ons gezellig samenzijn! Ik zie het al vooruit; ze zullen loopen vrijen door het huis, en wij kunnen ons afsloven. Meta zal afgetrokken zijn, en nergens meer voor deugen; Brooke zal op de een of andere manier een fortuin oploopen, haar meenemen en een bres in de familie maken; en ik zal mij dood ongelukkig voelen; en ons heele leven zal afschuwelijk ongezellig worden. Och, och!! waarom zijn we maar niet allemaal jongens! dan zou er niets geen ellende zijn!”

Jo leunde in eene wanhopige houding met haar kin op haar knieën, en balde haar vuist tegen den schuldigen John, totdat mevrouw March zuchtte en ze eenigszins bemoedigend opkeek.

“Vindt u het ook niet prettig, Moeder? Daar ben ik blij om; laten we hem dan zijn afscheid geven, en er niets van aan Meta zeggen en even gezellig samen voortleven als we altijd gedaan hebben.”

“Het was niet goed van me, dat ik zuchtte, Jo. Het is niet meer [180] dan natuurlijk en billijk, dat jullie allen, in vervolg van tijd een eigen huis zult krijgen; maar ik houd mijn meisjes graag zoo lang mogelijk bij me; en het spijt me dat dit al zoo gauw gebeurd is, want Meta is pas zeventien, en het zal nog wel eenige jaren duren, eer John genoeg verdient. Vader en ik hebben besloten, dat zij zich in geen enkel opzicht moet binden, en in geen geval trouwen voor haar twintigste jaar. Wanneer zij en John elkaar liefhebben, kunnen ze wachten en hun liefde daardoor op de proef stellen. Meta heeft een ernstig karakter, en ik ben niet bang dat ze hem onvriendelijk behandelen zal. Onze lieve, teerhartige oudste! Ik hoop zoo innig, dat ze gelukkig mag worden!”

“Zoudt u niet liever willen, dat ze met een rijken man trouwde?” vroeg Jo, toen haar moeder de laatste woorden aangedaan uitsprak.

“Geld is een goed en nuttig ding, Jo; en ik hoop, dat mijn meisjes het gemis er van nooit al te zeer zullen gevoelen, evenmin als de verzoeking van te veel te hebben. Ik zou ’t liefst zien dat John goed en wel gevestigd was in de een of andere zaak, die hem genoeg opbracht om buiten schulden te kunnen leven en Meta in haar stand te onderhouden. Ik verlang geen groot fortuin, geen hooge positie, of beroemden naam voor mijn meisjes. Wanneer rang en rijkdom gepaard gaan met liefde en een flink karakter, zou ik ze dankbaar aannemen en mij in jullie geluk verheugen, maar ik weet bij ondervinding, hoe gelukkig een mensch kan zijn in een klein, eenvoudig huisje, waar het dagelijksch brood verdiend moet worden en waar de ontberingen het genot van de genoegens verhoogen. Dat Meta eenvoudig beginnen moet, vind ik niets, want ik weet dat ze rijk zal zijn in het bezit van een besten man, en dat is meer waard dan een groot fortuin.”

“Ik begrijp u, Moeder, en ben het met u eens, maar ik ben zoo teleurgesteld in Meta, want ik had zoo’n mooi plannetje gemaakt, dat zij later met Teddy zou trouwen en haar heele leven in rijkdom leven. Zou dat niet aardig zijn!” vroeg Jo met een verhelderd gezicht opkijkende.

“Hij is wat jonger dan zij, zooals je weet,” begon mevrouw March, maar Jo viel haar in de rede:

“O, dàt komt er niet op aan! Hij is oud voor zijn jaren en lang; en u weet, dat hij in zijn manieren al precies een heer kan zijn. En hij is rijk en hartelijk en goed, en houdt van ons allemaal, en ik zeg, dat het jammer is als mijn plan mislukt!”

“Ik ben bang, dat Laurie voor Meta nog niet menschelijk genoeg is, en op het oogenblik te veel een weerhaan, dan dat iemand zich op hem zou kunnen verlaten. Maak geen plannen, Jo, maar laat het aan den tijd en aan de eigen harten van je vrienden over, om elkander te vinden. Het is niet goed zich met zulke dingen te bemoeien, en beter geen “romantischen onzin,” zooals jij het noemt, in je hoofd te halen, op gevaar af, dat het onze vriendschappelijke verhouding benadeelen zou.” [181]

“Goed, ik beloof u dat ik het niet doen zal; maar ik kan niet uitstaan, alle dingen kris kras door elkaar te zien gaan en in de war te zien komen, wanneer een rukje hier en een duwtje daar, alles in orde zou kunnen brengen. Ik wou, dat wij zware gewichten op ons hoofd konden dragen, om het groeien tegen te houden. Maar knoppen worden rozen en poesjes worden katten—jammer genoeg.”

“Wat is dat over gewichten en katten?” vroeg Meta, die zachtjes de kamer binnenkwam met den geschreven brief in haar hand.

“O, niks! Een van mijn onzinnige redevoeringen. Ik ga naar bed; ga je mee?” zei Jo, terwijl ze met een geheimzinnig gezicht opstond.

“Heel goed en netjes geschreven. Zet er nog bij, dat ik mijn hartelijke groeten aan John zend,” zei mevrouw March, die den brief had doorgekeken en hem teruggaf.

“Noemt u hem John?” vroeg Meta glimlachend, met haar onschuldige oogen haar moeder aanziende.

“Ja, hij is als een zoon voor ons geweest, en we houden heel veel van hem,” zei mevrouw March met een onderzoekenden blik.

“Daar ben ik blij om; hij voelt zich zoo eenzaam. Nacht, Moes. Wat is het toch heerlijk u weer hier te hebben,” was Meta’s kalm antwoord. De kus, dien haar moeder haar gaf, was bijzonder teeder, en toen zij de kamer uit ging, zei mevrouw March bij zichzelf, met een wonderlijke mengeling van blijdschap en spijt: “Ze heeft hem nog niet lief, maar het zal er misschien wel toe komen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings