← Table of contents
Onder Moeders Vleugels

Liefelijke Weiden.

Reading edition

De weken, die nu volgden, waren als zonneschijn na den storm. De zieken namen voortdurend in beterschap toe, en mijnheer March begon er van te spreken, om in het begin van het nieuwe jaar naar huis terug te keeren. Bets was spoedig weer in staat den heelen dag op de rustbank te liggen, in het eerst spelend met de geliefde katjes, en daarna bezig met naaiwerk voor haar poppen, waarmee ze droevig ten achteren was gekomen. Haar eens zoo vlugge leden waren zoo stijf en zwak geworden, dat Jo haar dagelijks in haar sterke armen door het huis droeg, om een luchtje te scheppen. Meta verbrandde en bevuilde bereidwillig haar blanke handjes met het klaarmaken van lekkernijen voor “de lieve schat”, terwijl Amy, onder den invloed van haar ring, bij haar thuiskomst aan de zusters zooveel van haar bezittingen uitdeelde, als ze maar wilden aannemen.

Toen Kerstmis naderde, begon de gewone geheimzinnigheid in [193] huis te heerschen, en Jo bracht gedurig de heele familie buiten zichzelf, door het opperen van volstrekt onmogelijke en onuitvoerbare, maar prachtige en origineele feestelijkheden, waardoor dit zoo buitengewoon vroolijk Kerstfeest luister moest bijgezet worden. Laurie was even onpractisch, en zou, als hij zijn zin had gehad, vreugdevuren, vuurpijlen en eerepoorten op het programma hebben gezet. Na veel schermutselingen en tegenstand, meende men de begeerten van het eerzuchtig paar genoeg gefnuikt te hebben; ze liepen dan ook met jammerlijke gezichten rond, die evenwel niet best gerijmd konden worden met de uitbarstingen van gelach, wanneer zij bij elkaar waren.

Verscheiden buitengewoon zachte dagen gingen een prachtigen Kerstdag vooraf. Hanna “voelde het in haar botten, dat het een bijzonder feestelijke dag zou zijn,” en ze bleek een goede profetes te wezen, want alles en iedereen scheen het er op gezet te hebben mee te werken tot een heerlijk geheel. Om te beginnen: mijnheer March schreef dat hij spoedig bij hen zou zijn; dan voelde Bets zich dien morgen bijzonder wel, en werd ze, gewikkeld in de gift van haar moeder, een lekkere, roode shawl, in triomf naar het raam gedragen om het present van Jo en Laurie te aanschouwen. De “onafscheidelijken” hadden zich niet uit het veld laten slaan; als kabouters hadden ze bij nacht hun werk verricht en een grappige verrassing tot stand gebracht. Buiten in den tuin stond een prachtige sneeuwjonkvrouw, met een krans van hulst om het hoofd, in de eene hand een mandje met vruchten en bloemen, in de andere eene groote rol nieuwe muziek, en op de kille schouders een voetenzak met alle kleuren van den regenboog, terwijl op een rose strook papier, het volgende Kerstlied uit haar mond vloeide:

De Jonkvrouw tot Bets.

God zeegne u, lieve, kleine Bets

Op dezen Kerstfeestdag;

Dat heil, gezondheid, vrede en vreugd

U voortaan tegenlach’.

Zie bloemen hier en lekker fruit

Voor onze nijvre bij;

Een rol muziek, een voetenzak,

En óók wat snoeperij.

Joanna’s beeld, een meesterstuk

Van onzen Rafaël,

Die ’t maalde met de meeste zorg—

Mij dunkt, het lijkt ook wel.

Ontvang hierbij een helrood lint

Voor uw beminde kat.

Van Meta wat vanille-ijs:

Een gletscher in een vat.

[194]

Mijn makers legden in mijn borst

Van sneeuw hun warme min

Ik kom van Laurie en van Jo—

Zoo ’k hoop, u naar den zin.

Wat moest Bets lachen toen ze ’t allemaal zag?

Wat liep Laurie heen en weer om de presenten aan te brengen, en wat grappige toespraken hield Jo bij het overhandigen.

“Ik ben zoo boordevol geluk, dat er, als Vader er nu nog was, geen enkel droppeltje meer bij zou kunnen,” zei Bets, met een zucht van tevredenheid, toen Jo haar naar de studeerkamer droeg, om na al die drukte wat uit te rusten, en zich te verkwikken met een gedeelte van de heerlijke druiven, die de “Sneeuwjonkvrouw” haar gebracht had.

“Het gaat mij net zoo,” riep Jo, terwijl zij eens op den band van het zoo lang gewenschte “Undine en Sintram” klopte.

“En mij,” juichte Amy, die zat te genieten van een gravure, voorstellende de Madonna en het kind, die haar moeder haar in een mooi lijstje gegeven had.

“Mij natuurlijk ook,” riep Meta, de zilverachtige plooien van haar eerste zijden japon gladstrijkende, want mijnheer Laurence had er op gestaan haar die te geven.

“Kinderen, wat een gelukkige dag!” zei mevrouw March dankbaar, en haar oogen dwaalden van den brief van haar man naar het glimlachend gezichtje van Bets, terwijl haar hand de broche met grijs, goudblond, kastanje- en donkerbruin haar liefkoosde, die de meisjes haar juist hadden voorgespeld.

Nu en dan gaat het wel eens in de wezenlijke wereld op de echte boekenmanier, en wat is dat dan heerlijk! Een half uur, nadat zij allen verklaard hadden zóó gelukkig te zijn, dat ze geen enkelen droppel meer in zich op konden nemen, kwam de droppel. Laurie opende de deur van de zitkamer en stak langzaam, bedaard het hoofd naar binnen, maar hij kon evengoed een luchtsprong gemaakt of een Indiaanschen strijdkreet aangeheven hebben, want zijn oogen verrieden zoo veel ingehouden opgewondenheid, en zijn stem was zoo verraderlijk vroolijk, dat iedereen opvloog, hoewel hij slechts op vreemden, gejaagden toon zei: “Hier is nóg een present voor de familie March.”

Eer de woorden goed en wel uit zijn mond waren, verdween hij, en in zijn plaats verscheen een lange, mannelijke gestalte tot aan de oogen ingepakt en geleund op den arm van eene andere lange, mannelijke gestalte, die iets trachtte te zeggen, maar er niet uit kon komen. Natuurlijk volgde er een algemeene agitatie; in de eerstvolgende oogenblikken scheen ieder zijn verstand verloren te hebben, want de vreemdste dingen werden gedaan, en niemand sprak een geregeld woord. Mijnheer March werd onzichtbaar in de omhelzing van vier paar liefhebbende armen; Jo beleefde de schande [195] van bijna flauw te vallen en werd door Laurie in de gang gecureerd; Brooke kuste Meta heelemaal bij vergissing, zooals hij eenigszins onsamenhangend verklaarde, en Amy, de welgemanierde, struikelde over een voetenbankje, en omhelsde, zonder te wachten tot ze weer stond, de laarzen van haar vader en bedauwde ze met tranen op een alleraandoenlijkste manier. Mevrouw March herstelde zich het eerst en hield haar hand op met een waarschuwend: “Stil, denk aan Bets!”

Maar het was al te laat; de deur van de studeerkamer ging open—de kleine, roode shawl verscheen op den drempel—vreugd verleende kracht aan de zwakke beenen, en Bets vloog regelrecht in haar vaders armen. Vraag maar niet wat er toen gebeurde, want de overkropte harten vloeiden over, zoodat al de bitterheid van het verleden werd uitgewischt en niets dan het blijde heden overbleef.

Het was wel niet romantisch, maar een hartelijk gelach bracht ieder weer tot zichzelf—want achter de deur stond Hanna, snikkende over den vetten kalkoen, dien zij in de haast vergeten had neer te leggen, toen zij de keuken uitstormde. Zoodra het gelach ophield, begon mevrouw March Brooke te danken voor de trouwe zorg, die hij voor haar echtgenoot gedragen had, waarop Brooke zich plotseling herinnerde, dat mijnheer March rust noodig had, en Laurie bij de hand nemende, zoo haastig mogelijk verdween. Toen werd den twee invaliden bevolen rust te nemen, hetgeen ze ook deden, door samen in één grooten stoel te zitten en zoo druk mogelijk te praten.

Mijnheer March vertelde, hoe hij verlangd had hen te verrassen, en hoe de dokter hem toegestaan had van het zachte weder gebruik te maken; hoe onschatbaar Brooke geweest was, en hoe hij in alle opzichten een hoogst achtenswaardig en ferm jongmensch was. Waarom mijnheer March juist toen een oogenblik ophield en, na een blik op Meta geworpen te hebben die hevig in het vuur stond te poken, zijn vrouw met vragend opgetrokken wenkbrauwen aanzag, laat ik aan uw verbeelding over, als ook, waarom mevrouw March zacht met het hoofd knikte en hem eenigszins plotseling vroeg, of hij niet wat te eten wilde hebben. Jo zag en begreep den blik, wandelde verontwaardigd weg om wijn en bouillon te halen en sloeg de deur vrij hard achter zich toe, bij zichzelf mompelend: “Ik háát achtenswaardige, ferme jongelui met bruine oogen!”

Nooit was er zoo’n vroolijke maaltijd op Kerstmis als dien dag. De vette kalkoen was een lust om te zien, toen Hanna hem opgevuld, heerlijk bruin gebraden en versierd binnen bracht. De plumpudding smolt in den mond, evenals de vla en de gelei, waarvan Amy genoot als een vlieg in een stroopkan. Alles viel goed uit; hetgeen volgens Hanna een gelukkig toeval was, “want ik was zoo veraltereerd, mevrouw, dat het een wonder is, dat ik de podding niet heb gebraden, en den kalkoen met rozijnen heb opgevuld, of hem in een doek gekookt.” [196]

Mijnheer Laurence en zijn kleinzoon dineerden bij hen, evenals Brooke, die, tot Laurie’s groot vermaak, voortdurend vijandig door Jo werd aangestaard. Twee gemakkelijke stoelen stonden naast elkander aan het boveneinde van de tafel, waarin Bets en haar vader zaten, die zich vergenoegden met een kipje en wat vruchten. Zij dronken, toastten, deden verhalen, zongen, “haalden op uit den ouden tijd,” zooals oude menschen zeggen en vierden allerheerlijkst feest. Er had een plan bestaan op een sleetochtje, maar de meisjes wilden hun vader niet verlaten; dus vertrokken de gasten vroeg, en toen de schemer inviel vereenigde zich de gelukkige familie om het vuur.

“Juist een jaar geleden zaten we te brommen over den treurigen Kerstdag, dien wij verwachtten. Weet jullie ’t nog wel?” vroeg Jo, een korte stilte afbrekende, die op een gesprek over allerlei onderwerpen gevolgd was.

“Het werd over ’t geheel tóch een goed jaar,” zei Meta, die glimlachend in het vuur staarde, en zich gelukwenschte, dat ze Brooke met waardigheid had behandeld.

”Ik vind, dat het een moeilijk jaar is geweest,” merkte Amy op, terwijl ze met peinzenden blik naar het flikkeren van het licht op haar ring keek.

“Ik ben blij, dat het om is, omdat wij u weer terug hebben,” fluisterde Bets, die op Vaders knie zat.

“Het was wel een oneffen weg voor jullie, mijn kleine pelgrims, vooral het laatste gedeelte. Maar je bent moedig voortgegaan, en ik geloof, dat de pakken mooi op weg zijn af te vallen,” zei mijnheer March, terwijl hij met vaderlijk welgevallen de vier jonge gezichtjes aankeek.

“Hoe weet u dat? Heeft Moeder u daarvan verteld?” vroeg Jo.

“Niet veel, maar aan den weerhaan ziet men, uit welken hoek de wind waait, en ik heb vandaag verscheiden ontdekkingen gedaan.”

“O, vertel dan eens gauw wát!” riep Meta uit, die naast hem zat.

“Hier is er een!” en haar hand vattende, die op den arm van zijn stoel rustte, wees hij op den ruwen wijsvinger, een blaartje op den rug en een paar harde plekjes in de palm. “Ik herinner mij een tijd, toen dat handje wit en zacht was, en toen het je voornaamste zorg scheen, het zoo te houden. Het was toen heel mooi, maar in mijn oog is het nu mooier, want in die schijnbare ontsieringen lees ik een heele geschiedenis. De ijdelheid is opgeofferd; dit vereelte handje heeft nog iets beters dan blaren opgedaan, en ik geloof zeker, dat het naaiwerk door deze beprikte vingertjes verricht, lang zal duren, daar de steken met zooveel goeden wil gemaakt werden. Metalief, ik schat de vrouwelijke bekwaamheden, die een thuis aangenaam maken, hooger dan witte handen of fraaie talenten, ik ben er trotsch op, dat ik dit flinke, ijverige handje drukken mag, en ik hoop, dat men ons niet gauw vragen zal, het weg te geven.” [197]

Wanneer Meta een belooning verlangd had voor uren van geduldigen arbeid, ontving ze die nu in den handdruk en den goedkeurenden glimlach van haar vader.

“Wat hebt u van Jo te zeggen? Toe, zeg iets goeds, want ze heeft zoo haar best gedaan, en ze is zoo heel, heel lief voor mij geweest,” fluisterde Bets haar vader in het oor.

Mijnheer March glimlachte en keek naar het lange meisje tegenover hem, met die ongewoon zachte uitdrukking op haar bruin gelaat.

“Ondanks den krullebol zie ik niet meer den “zoon Jo,” dien ik een paar jaar geleden achterliet,” zei mijnheer March. “Ik zie eene jonge dame, die haar kraagjes recht speldt, haar laarzen netjes toerijgt, en niet meer fluit, ruwe woorden gebruikt of languit op het haardkleed ligt, zooals vroeger. Op het oogenblik is zij vrij bleek en mager door zorg en waken; maar ik zie haar graag aan, want haar gezicht is vriendelijker en haar stem is zachter geworden; ze stampt niet meer, maar beweegt zich licht, en draagt voor zeker klein persoontje zorg op een moederlijke wijze, die ik met blijdschap opmerk. Ik mis mijn wilde meid wel min of meer, maar als ik daarvoor een sterke, behulpzame, teerhartige vrouw in de plaats krijg, zal ik meer dan voldaan zijn. Ik weet niet of ons zwart schaap door het scheren zoo bedaard is geworden, maar wel weet ik, dat ik in heel Washington niets kon vinden, mooi of goed genoeg, om er de vijfentwintig dollars voor uit te geven, die mijn dochter mij gezonden heeft.”

Jo’s heldere oogen werden een oogenblik dof, en bij het licht van het vuur zag Bets, dat haar bleeke wangen door een blos overtogen werden bij den lof van haar vader, dien zij wist, voor een deel althans, verdiend te hebben.

“Nu Bets,” zei Amy, die verlangde dat haar beurt kwam, maar bereid was te wachten.

“Er is zoo weinig van haar over, dat ik niet veel durf zeggen, uit vrees, dat zij heelemaal zal verdwijnen, hoewel ze niet meer zoo verlegen is als vroeger,” schertste haar vader vroolijk; maar bij de herinnering hoe zij hem bijna ontvallen was, sloot hij haar vast in zijn armen, legde zijn wang tegen de hare en eindigde teeder: “Hier heb ik je veilig en wel, mijn kind, en hoop je zoo te behouden, als God wil.”

Na een oogenblikje stilzwijgen keek hij naar Amy, die op een voetenbankje voor hem zat en begon, terwijl hij haar glanzend haar liefkoosde:

“Ik zag, dat Amy aan tafel de minst lekkere kluifjes nam, dat ze den heelen middag voor Moeder heen en weer liep, van avond Meta haar plaats afstond, en iedereen geduldig en vriendelijk bediend heeft. Ik merkte ook op, dat zij niet pruilde of in den spiegel keek, en dat ze geen woord gesproken heeft over het mooie ringetje, dat ze draagt; daaruit besluit ik, dat ze meer aan anderen en minder [198] aan zichzelf heeft leeren denken en haar best gedaan om evengoed haar karakter te vormen, als haar figuurtjes van klei. Daar ben ik blij om, want, hoewel ik heel trotsch zou zijn op een mooi, door haar geboetseerd beeld, zal ik nog oneindig trotscher zijn op een lieve dochter, die de gave bezit, het leven voor anderen en voor zichzelf gelukkig te maken.”

“Waar denk je aan, Bets?” vroeg Jo, toen Amy haar vader had bedankt, en de geschiedenis van haar ring verteld had.

“Ik las vandaag in “de Pelgrimstocht”, hoe, na veel moeiten en gevaren, Christiana en Groothart aan een mooie, groene weide kwamen, waar de lelies het heele jaar door bloeiden, en dat ze daar heerlijk bleven uitrusten, zooals wij nu doen, voordat ze de reis verder voortzetten,” antwoordde Bets, en voegde er bij, terwijl ze zich langzaam losmaakte uit de armen van haar vader en naar de piano ging: “Het is tijd om te zingen, en ik verlang mijn oude plaats weer in te nemen. Ik zal probeeren het liedje van den herdersjongen te zingen, dat de Pelgrims hoorden. Ik heb de wijs voor Vader gemaakt, omdat hij zooveel van de woorden houdt.”

Bets ging voor haar piano zitten, raakte zacht de toetsen aan, en het lieve stemmetje, dat ze gevreesd hadden nimmer weer te zullen hooren, zong met eigen begeleiding het oude lied, dat zoo bijzonder op haar toepasselijk was:

Die laag staat, vreeze voor geen val,

De needrige geen trots;

Die klein van kracht is, bouwe vrij

Op God, als op een rots.

Ik ben tevreê met wat ik heb,

Of ’t veel of weinig zij:

Tevreden wíl ik zijn, o Heer:

Dezulken toch mint Gij.

Voor hen is overvloed tot last,

Wier weg naar boven leidt.

Hier weinig en hiernamaals veel

Is ’t best voor d’ eeuwigheid.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings