← Table of contents
Onder Moeders Vleugels

Goede Buren.

Reading edition

“Wat ter wereld ga je nu doen, Jo?” vroeg Meta op een sneeuwachtigen middag, toen haar zuster de gang door kwam stappen, met overschoenen aan, een ouden mantel om, een versleten hoed op het hoofd, een bezem in de eene hand en een schop in de andere.

“Buiten wat bewegingen nemen,” antwoordde Jo met van ondeugendheid flikkerende oogen.

“Ik zou denken, dat twee lange wandelingen per dag genoeg waren. Het is koud en akelig buiten, en ik raad je, liever warm en droog bij ’t vuur te blijven, zooals ik van plan ben,” zei Meta huiverend.

“Ik volg nooit iemands raad op, ik kan niet den heelen dag stilzitten, en omdat ik nu eenmaal geen poes ben, houd ik er niet van bij het vuur te zitten dommelen. Ik houd van avonturen, en ik ga ze opzoeken.”

Meta ging weer in de kamer om haar voeten te roosteren en “Ivanhoe” te lezen, en Jo toog met grooten ijver aan ’t werk. De sneeuw lag niet hoog en met haar bezem had zij gauw een pad schoon geveegd, de heele lengte van den tuin, zoodat Bets, als de zon doorkwam, zou kunnen wandelen, want de zieke poppen hadden behoefte aan frissche lucht. Het huis der familie March grensde aan dat van den heer Laurence; beide lagen in een der buitenwijken, waar het nog landelijk was, met boschjes en laantjes, groote tuinen en stille straten, en een lage heg scheidde de twee eigendommen. Aan de eene zijde stond een oud, bruin huis, dat er wel wat kaal en armoedig uitzag, nu het beroofd was van de dichte wijngaard-blâren, die in den zomer zijn muren bedekten, en van de bloemen, die het dan omgaven; aan de andere zijde een statig steenen gebouw, dat duidelijk de kenteekenen droeg van gemak en weelde: van het groote koetshuis en den goed onderhouden tuin af, tot de serre toe, terwijl men hier en daar tusschen de zware gordijnen door, een kijkje kon nemen van de weelde daar binnen. Toch scheen het een eenzaam, uitgestorven soort van huis, want geen kinderen stoeiden op het grasveld, geen moederlijk gelaat glimlachte ooit achter de vensters en zelden ging er iemand in of uit, behalve de oude heer en zijn kleinzoon.

Voor Jo’s levendige verbeelding scheen de mooie villa een soort van betooverd paleis, vol heerlijke, wonderlijke dingen, waarvan niemand genoot. Ze had er al lang naar gehunkerd deze verborgen pracht eens te zien en “die jongen van hiernaast” te leeren kennen, die er wel naar uitzag, alsof hij kennis wilde maken, als hij maar wist hoe te beginnen. Sedert de partij was ze begeeriger dan ooit geweest en had ze menig plan gemaakt om vriendschap met hem [41] te sluiten; maar in den laatsten tijd scheen hij nooit voor den dag te komen, zoodat Jo al begon te denken, dat hij weg was, toen ze op zekeren dag voor een der bovenvensters, een gebruind gezicht zag verschijnen, dat met verlangende oogen naar hun tuin tuurde, waar Bets en Amy elkander met sneeuwballen gooiden.

“Die jongen snakt naar gezelschap en vroolijkheid,” zei ze tot zich zelf. “Zijn grootvader weet niet wat goed voor hem is en houdt hem eenzaam opgesloten. Hij heeft behoefte aan een troep jongens om mee te spelen, of aan iemand die jong en vroolijk is. Ik heb grooten lust eens over te wippen en dat aan den ouden heer te gaan vertellen.”

Dat denkbeeld vatte post bij Jo, die graag waagstukken volbracht en Meta altijd ergerde door haar wonderlijke bedenksels. Het plan om “over te wippen” werd niet vergeten, en toen de sneeuwmiddag kwam, besloot Jo eens te probeeren wat ze kon doen. Zoodra ze mijnheer Laurence zag wegrijden, stapte ze naar buiten om een pad tot aan de heg te maken, waar ze even rust hield en eens rondkeek. Alles was stil, de gordijnen beneden waren neergelaten, de bedienden niet te zien, en nergens iets te bekennen, behalve een donker hoofd voor een der bovenramen.

“Daar is hij,” dacht Jo, “arme jongen! heelemaal alleen en ziek op zoo’n somberen dag. Het is schande! Ik zal een sneeuwbal naar boven gooien, dan zal hij wel eens kijken, en dan zal ik hem eens een vriendelijk woordje toeroepen.”

Een stevige bal vloog de lucht in, en het hoofd keerde zich dadelijk om en vertoonde een gezicht, dat onmiddellijk begon te glimlachen. Jo knikte, lachte terug en riep, zwaaiend met haar bezem:

“Hoe gaat het? Ben je ziek?”

Laurie schoof het raam op en riep met een schorre stem:

“Wat beter, dank je. Ik ben geweldig verkouden geweest en heb een week huisarrest gehad.”

“Dat spijt me. Wat voer je uit?”

“Niks, ’t is hier zoo stil als in een graf.”

“Lees je niet?”

“Niet veel; ze willen het niet hebben.”

“Kan niemand je voorlezen?”

“Grootpapa doet het soms, maar hij vindt mijn boeken vervelend en ik heb er een hekel aan, het altijd aan Brooke te vragen.”

“Is er dan niemand, die je eens komt opzoeken?”

“Er is niemand, dien ik graag zou willen zien. Jongens maken zoo’n kabaal en ik heb erge hoofdpijn.”

“Is er niet het een of ander aardig meisje, dat je zou willen voorlezen en gezelschap houden? Meisjes zijn stil en spelen graag voor ziekenoppasster.”

“Ik ken er geen een.”

“Je kent mij toch!” begon Jo lachend en zweeg toen.

“Dat is waar! Wil jij komen?” riep Laurie. [42]

“Ik ben toevallig niet stil en aardig, maar ik wil wel komen, als Moeder ’t goedvindt. Ik zal ’t haar even vragen. Doe het raam nu weer dicht als een brave jongen en wacht tot ik kom.”

Met die woorden nam Jo den bezem op haar schouder en wandelde naar huis, in nieuwsgierige afwachting, wat de anderen wel tegen haar zeggen zouden. Laurie, wat opgewonden bij de gedachte, dat hij bezoek zou krijgen, vloog rond om alles in orde te maken; want hij was, zooals mevrouw March het uitdrukte, “een heertje”, en ter eere van de verwachte gast, borstelde hij zijn haar glad, deed hij een schoon boord om, en begon hij de kamer op te ruimen, die er, ondanks een half dozijn dienstboden, alles behalve netjes uitzag. Na een poosje werd er haastig aan de bel getrokken en een flinke stem vroeg naar “mijnheer Laurie”, waarop een verbaasde dienstbode naar boven liep om een jonge dame aan te dienen.

“In orde, laat haar maar boven komen, ’t is juffrouw Jo,” zei Laurie en ging Jo tot aan de deur van zijn kleine zitkamer te gemoet. De bezoekster zag er blozend en vriendelijk uit en was volmaakt op haar gemak; in de eene hand hield ze een dekschaaltje en in de andere Bets’ drie kleine katjes.

“Hier ben ik met pak en zak,” zei ze vroolijk. “Moeder laat je vriendelijk groeten en was heel blij, dat ik iets voor je kon doen. Meta wou, dat ik wat blanc manger meenam; ze heeft ze zelf zoo lekker klaargemaakt, en Bets dacht, dat je haar katjes wel aardig zou vinden. Ik wist wel, dat je er om lachen zou, maar ik kon het haar niet weigeren, ze wou zoo graag iets voor je doen.”

Het toeval wilde, dat Bets’ pleegkinderen juist van pas kwamen, want Laurie vergat al lachende om de jolige jonge poesen zijn verlegenheid en was dadelijk heel gezellig.

“Dat ziet er te lekker uit om op te eten,” zei hij glimlachend, toen Jo het deksel van het schaaltje nam en den blanc manger vertoonde, omgeven door een krans van groene blaadjes en de vuurroode bloemen van Amy’s lievelings-geranium.

“Het is niet veel bijzonders, maar ze waren allemaal even vriendschappelijk gestemd en wilden dat ook graag toonen. Zeg aan de meid, dat ze het bewaart voor van avond bij de thee; er is niets scherps in, zoodat j’er gerust van kunt eten; ’t is een echt ziekenkostje en glijdt gemakkelijk naar binnen, zonder je pijnlijke keel zeer te doen. Wat is dit een gezellige kamer.”

“Dat zou hij kunnen zijn, als ’t hier maar wat netter was, maar de meiden zijn lui, en ik weet niet hoe ik het aan moet leggen om te maken, dat ze den boel onderhouden; ’t is vervelend.”

“Ik zal ’t binnen een paar minuten in orde brengen; want er mankeert niets aan, dan dat het om den haard wat aangestoft moet worden, zoo—en nu de ornamenten recht op den schoorsteen,—zoo en de boeken hier en de fleschjes daar, en je canapé met den rug naar het licht en de kussens een beetje opgeschud. [43] Ziezoo, nu is het prettig.”—En dat was waar, want al lachend en pratend had Jo de dingen op hun plaats gezet en de kamer een heel ander aanzien gegeven. Laurie keek in eerbiedige stilte naar haar; en toen ze hem uitnoodigde op de canapé te gaan zitten, zette hij zich met een zucht van voldoening neer en zei dankbaar:

“Dank je wel! Ja, dat ontbrak er aan. Neem nou als t’ je belieft dien grooten stoel en laat ik iets doen om mijn gast te amuseeren.”

“Neen, ik kwam juist om jou te amuseeren. Zal ik iets voorlezen?” en Jo keek verlangend naar een stapeltje uitlokkende boeken in de nabijheid.

“Dank je, ik heb ze allemaal al gelezen en als je ’t goedvindt zou ik liever wat praten,” antwoordde Laurie.

“Heel goed, ik kan den heelen dag wel praten, als je me maar aan den gang brengt. Bets zegt, dat ik nooit weet op te houden.”

“Is Bets niet het meisje met de roode wangen, dat veel thuis blijft en soms uitgaat met een mandje?” vroeg Laurie belangstellend.

“Ja, dat is Bets, ze is mijn lievelingetje en een echte dot.”

“De mooie is Meta, en de kleine met de krullen Amy, is ’t niet?”

“Hoe ben je dat te weten gekomen?”

Laurie bloosde, maar antwoordde oprecht: “Och, zie je, ik hoor jullie dikwijs elkaar roepen, en als ik hier boven alleen ben, kan ik niet nalaten naar je huis te kijken; jullie schijnt altijd zooveel pret te hebben. Neem me niet kwalijk, dat ik zoo gegluurd heb, maar je vergeet soms wel eens het gordijn te laten vallen voor het raam, waar de bloemen staan, en als de lamp dan aangestoken is, lijkt het precies een plaatje: het vuur en jullie allemaal om de tafel met je moeder; ze zit met haar gezicht hier naar toe en ze ziet er zoo vriendelijk uit achter die bloemen, dat ik niet kan laten er naar te kijken. Ik heb geen moeder zooals je weet,” en Laurie pookte in het vuur om een lichte trilling van zijn lippen, die hij niet kon bedwingen, te verbergen.

De droefgeestige, hongerige blik in zijn oogen vond rechtstreeks den weg naar Jo’s warm hart. Ze was zoo eenvoudig opgevoed, dat er geen oogenblik dwaze gedachten in haar hoofd kwamen en ze op vijftienjarigen leeftijd even onschuldig en open was als een kind. Laurie was ziek en eenzaam; en gevoelende hoe rijk zij was aan huiselijk geluk en onderlinge liefde, wilde ze dien schat graag met hem deelen. Haar donkere oogen keken heel vriendelijk en haar scherpe stem klonk ongewoon zacht, toen ze zei:

“We zullen dat gordijn nooit meer dicht doen, en ik geef je permissie zooveel te gluren als je wilt. Maar ik zou veel liever willen, dat je in plaats van naar ons te zitten kijken, ons eens kwam opzoeken. Moeder zou zoo hartelijk voor je zijn, en Bets kon voor je zingen, als ik het haar vroeg en Amy dansen; Meta en ik zouden je aan ’t lachen kunnen maken met onze gekke vertooningen en zoo [44] konden we samen een dolprettigen tijd hebben. Zou je grootvader het goed vinden?”

“Ik denk het wel, als je moeder het hem vroeg. Grootpapa is heel aardig, al ziet hij er niet naar uit, en hij laat me vrij wel doen wat ik wil; hij is alleen maar bang, dat ik lastig zou zijn voor vreemden,” zei Laurie opgevroolijkt.

“Wij zijn geen vreemden, wij zijn buren, en je hoeft nooit te denken, dat het ons lastig zou zijn. Wij verlangen er naar dat je komt; ik heb al zoo vaak geprobeerd kennis te maken. We wonen hier nog niet lang, maar we kennen toch al onze buren, behalve jullie.”

“Ja, zie je, Grootpapa leeft in zijn boeken, en geeft niet veel om de buitenwereld. Mijnheer Brooke, mijn gouverneur, woont hier niet in huis, en ik heb niemand om met mij te loopen, dus blijf ik maar thuis en breng, zoo goed en zoo kwaad het kan, mijn tijd door.”

“Wat saai. Je moest het maar eens wagen om overal, waar je gevraagd wordt, een visite te gaan maken; dan zou je een massa vrienden krijgen en gelegenheid hebben om uit te gaan. Je moet j’ er niet aan storen, of je wat verlegen bent; dat zal wel overgaan, als je maar veel uitgaat.”

Laurie kreeg weer een kleur, maar werd toch niet boos, dat hij zoo van verlegenheid beschuldigd werd, want Jo scheen zoo welgezind, dat het niet mogelijk was haar rondborstige verklaringen anders op te nemen, dan ze bedoeld waren.

“Ga je op een prettige school?” vroeg hij, van onderwerp veranderend na een kleine pauze, waarin hij in het vuur had zitten staren en Jo voldaan had zitten rondkijken.

“Ik ga niet naar school, ik ben een man van zaken, een “meisje” van zaken, bedoel ik. Ik houd mijn tante gezelschap, een lieve, kribbige, oude ziel,” antwoordde Jo.

Laurie opende zijn mond om nog een andere vraag te doen, maar zich bijtijds herinnerende, dat het niet beleefd is te veel naar iemands omstandigheden te informeeren, deed hij hem weer dicht en keek min of meer verlegen voor zich. Jo vond zijn bescheidenheid heel aardig en had er niets tegen, tante March tot onderwerp van het gesprek te maken; ze gaf hem dus een levendige beschrijving van die knorrige oude dame, haar vetten poedel, de papegaai, die Spaansch sprak, en de bibliotheek, waarvan ze genoot. Laurie had er veel plezier in, en toen ze hem vertelde van den deftigen ouden heer, die tante March eens het hof kwam maken, en hoe Poll hem, in het midden van een teederen volzin, tot zijn groote ontzetting, zijn pruik had afgerukt, viel de jongen achterover en lachte totdat de tranen langs zijn wangen liepen, en de meid haar hoofd binnen de deur stak om te zien wat er aan de hand was.

“Prachtig! Je maakt me heelemaal beter; vertel nog meer als ’t je blieft,” zei hij rood en stralend van pret uit de canapékussens [45] opduikende. Opgewonden door dien bijval, vertelde Jo verder over hun spelen en plannen, hun hoop en vrees voor vader, en de belangrijkste gebeurtenissen uit de kleine wereld, waarin de zusjes leefden. Toen begonnen ze over boeken te praten, en bemerkte Jo tot haar verrukking, dat Laurie evenveel van lezen hield als zij, en nog meer gelezen had.

“Als je zooveel van boeken houdt, kom dan eens mee naar beneden om onze bibliotheek te zien. Grootpapa is uit, dus je hoeft niet bang te zijn,” zei Laurie opstaande.

“Ik ben nergens bang voor,” antwoordde Jo, trotsch het hoofd oprichtend.

“Dat geloof ik ook!” riep de jongen haar bewonderend aanziende, hoewel hij bij zichzelf dacht, dat ze toch alle reden zou hebben bevreesd te zijn voor den ouden heer, als ze hem in een van zijn booze buien aantrof.

Daar er in het heele huis een zomersche temperatuur heerschte, leidde Laurie haar van kamer tot kamer en liet haar rustig alles bekijken wat haar aandacht trok, tot ze ten laatste bij de bibliotheek kwamen, waar Jo in de handen klapte en stond te trippelen van plezier, zooals ze altijd deed, wanneer ze bijzonder opgetogen was. De muren waren bezet met boekenkasten, er hingen mooie platen, hier en daar stonden statuetten, en allerliefste kleine kastjes met munten en curiositeiten, en heerlijke, gemakkelijke stoelen en aardige tafeltjes en bronzen ornamenten, en het best van alles was een groote open haard, met ouderwetsche tegels gevoerd.

“Wat is ’t hier mooi!” zuchtte Jo en zonk in een uitlokkenden armstoel neer, met een uitdrukking van de grootste voldoening om zich heen ziende. “Theodoor Laurence, jij moet wel de gelukkigste jongen op de wereld zijn,” voegde ze er met nadruk bij.

“Och, je kunt niet van boeken alleen leven,” zei Laurie, terwijl hij op een tafel tegenover haar wipte. Eer hij er nog meer kon bijvoegen, werd er gescheld, en Jo sprong op, verschrikt uitroepend: “O, hemel! daar is je grootpapa!”

“Nou, wat zou dat? Jij bent immers voor niemand bang,” antwoordde Laurie ondeugend.

“Ik geloof toch, dat ik een beetje bang voor hem ben, al zou ik niet weten waarom. Moeder zei, dat ik mocht gaan, en ik geloof niet, dat jij er erger door bent geworden,” zei Jo op bedaarden toon, hoewel ze haar oogen op de deur gevestigd hield.

“Ik voel me veel beter en ben er heel dankbaar voor. Als jij door al dat praten maar niet moe bent geworden, maar ’t was zoo prettig, dat ik je niet kon laten ophouden,” zei Laurie hartelijk.

“Daar is de dokter, jongeheer,” en de meid wenkte hem terwijl ze sprak.

“Mag ik je een oogenblikje alleen laten? Ik moet even naar hem toe,” zei Laurie.

“Bekommer je niet om mij. Ik ben hier zoo gelukkig als een [46] krekel,” antwoordde Jo. Laurie ging heen en zijn gast vermaakte zich op haar eigen wijze. Ze stond voor een mooi portret van den ouden heer, toen de deur weer openging en ze, zonder zich om te keeren, op beslisten toon zei: “Ik geloof nu zeker, dat ik niet bang voor hem zou zijn, want hij heeft heel vriendelijke oogen, maar zijn mond is streng, en hij ziet er uit, of hij een ontzettend vasten wil heeft. Hij is niet zoo knap als mijn grootvader, maar hij lijkt me aardig.”

“Dank u, juffrouw,” zei een barsche stem achter haar; en zich omkeerende, zag ze tot haar grooten schrik den ouden heer Laurence voor zich staan.

De arme Jo bloosde tot achter de ooren, en haar hart begon geweldig te kloppen, toen ze bedacht wat ze gezegd had. Een oogenblik overviel haar een onweerstaanbare begeerte weg te loopen; maar dat was laf en de meisjes zouden haar uitlachen. Ze besloot dus te blijven, en zich zoo goed mogelijk uit de verlegenheid te helpen. Een tweede blik overtuigde haar, dat de levendige oogen onder de dikke, grijze wenkbrauwen nog vriendelijker waren dan de geschilderde, en er speelde eene lichte flikkering in, die haar vrees voor een groot deel wegnam. Maar de barsche stem was barscher dan ooit, toen de oude heer na een vreeselijke pauze kortaf vroeg:

“Je bent dus niet bang voor me, hè?”

“Niet erg, mijnheer.”

“En je vindt me niet zoo knap als je grootvader?”

“Niet precies, mijnheer.”

“En ik heb een ontzettend vasten wil, nietwaar?”

“Ik heb alleen maar gezegd, dat ik dat dacht.”

“Maar ik lijk je toch wel aardig?”

“Ja, mijnheer.”

Dat antwoord beviel den ouden heer. Hij lachte, gaf haar een hand, en haar bij de kin nemende, lichtte hij haar gezicht op, bezag het ernstig en liet haar toen weer los, zeggende: “Je aardt naar je grootvader, al lijkt je dan ook uiterlijk niets op hem. Hij was een knap man, beste meid, maar wat nog beter is, hij was een braaf en een eerlijk man, en ik was er trotsch op zijn vriend te wezen.”

“Dank u, mijnheer,” zei Jo en voelde zich van nu af volkomen op haar gemak, want zooiets viel juist in haar smaak.

“Wat heb je met dien jongen van mij uitgevoerd, zeg?” was de volgende vraag, op eenigszins scherpen toon gedaan.

“Ik heb alleen geprobeerd hem wat op te beuren, mijnheer,” en Jo vertelde, hoe zij er toe gekomen was hem op te zoeken.

“Je meent dus, dat hij wat vroolijkheid noodig heeft, is ’t niet zoo?”

“Ja, mijnheer; hij voelt zich wat eenzaam, geloof ik, en jongens van zijn leeftijd zouden hem misschien goed doen. Wij zijn maar meisjes, maar we zouden hem graag helpen, als ’t kan, want we [47] zijn het heerlijke Kerstpresent nog niet vergeten, dat u ons gezonden hebt,” zei Jo levendig.

“Tut, tut, tut, dat was het werk van den jongen. Hoe gaat het met die arme vrouw?”

“Dat gaat nogal, mijnheer.” Jo stak in zee en sprak heel snel, en vertelde alles van de Hummels, voor wie haar moeder de belangstelling van een paar rijke vrienden had opgewekt.

“Dat is juist dezelfde manier, waarop haar vader weldeed. Ik zal uw moeder eens komen bezoeken. Zeg haar dat. Daar gaat de bel; wij drinken vroeg thee om Teddy. Ga mee naar beneden en zet de kennismaking voort.”

“Als u goed vindt dat ik blijf, mijnheer.”

“Anders zou ik het niet vragen,” zei mijnheer Laurence en bood haar met ouderwetsche beleefdheid zijn arm.

“Wat zou Meta hier wel van zeggen?” dacht Jo, terwijl zij naast Laurie’s grootvader voortstapte, en haar oogen dansten van pret bij de gedachte, hoe ze alles thuis zou vertellen.

“Heila! wat ter wereld bezielt den jongen nu?” riep de oude heer, toen Laurie de trappen afkwam stormen en met een kreet van verbazing eensklaps bleef stilstaan, toen hij Jo gearmd zag loopen met zijn gevreesden grootvader.

“Ik wist niet, dat u thuis was, Grootvader,” begon hij, toen Jo hem zegevierend aanzag.

“Dat schijnt zoo, te oordeelen naar de wijze waarop je de trappen af rent. Komt, laat ons gaan theedrinken en gedraag je fatsoenlijk,” en na den knaap bij wijze van liefkoozing aan het haar te hebben getrokken, ging de heer Laurence naar de andere kamer, terwijl Laurie achter hun rug allerlei dwaze gebaren maakte, die Jo bijna deden uitbarsten in lachen.

De oude heer zei niet veel onder het uitdrinken van zijn vier kopjes thee, maar hij sloeg de jongelui gade, die weldra als oude vrienden zaten te keuvelen, en de verandering in zijn kleinzoon ontging hem niet. Er was nu kleur, licht en leven op het gelaat van den knaap, zijn manieren waren levendig en zijn lach klonk echt vroolijk.

“Ze heeft gelijk, de jongen heeft het eenzaam. Ik zal eens kijken, wat die kleine meisjes voor hem doen kunnen,” dacht de heer Laurence, toeziende en luisterende. Jo trok hem aan; haar eigenaardige, maar open manieren vielen in zijn smaak, en ze scheen zijn kleinzoon bijna zoo goed te begrijpen, alsof ze zelf een jongen geweest was.

Indien de Laurences geweest waren wat Jo “stijf en harkerig” noemde, zou ze niet met hen overweg hebben gekund, want zulke menschen maakten haar altijd verlegen en onhandig; maar toen ze zag, dat ze vrij en gemakkelijk waren, werd zij het ook, en maakte een goeden indruk.

Toen ze van de theetafel opstonden, stelde ze voor naar huis [48] te gaan, maar Laurie zei, dat hij haar nog iets moest laten zien, en nam haar mee naar de oranjerie, die ter harer eere verlicht was. Jo voelde zich als in een feeënpaleis, toen ze daar op en neer wandelde tusschen al de bloemen en planten—het zachte licht, de vochtig warme lucht, en de zeldzame klimplanten en palmen, hoog boven haar—en intusschen sneed haar nieuwe vriend zooveel van de mooiste bloemen af, tot hij ze niet meer houden kon. Toen bond hij ze bij elkaar en zei met den opgeruimden blik, dien Jo zoo graag zag: “Geef deze bouquet als ’t je blieft aan je moeder, en zeg haar, dat het geneesmiddel dat ze mij zond, bizonder in mijn smaak is gevallen.”

Ze vonden den heer Laurence voor het vuur staan in de zitkamer, maar Jo’s aandacht werd aanstonds getrokken door een prachtige piano, die open stond.

“Speel je?” vroeg ze, met iets van eerbied in haar stem, aan Laurie.

“Soms,” antwoordde hij bescheiden.

“Och, speel dan nu eens, ik zou ’t zoo graag eens willen hooren, om het aan Bets te kunnen vertellen.”

“Wil jij niet eerst?”

“Ik zou niet weten hoe; te dom om ’t te leeren, maar ik houd dol veel van muziek.”

Laurie begon dus te spelen en Jo luisterde, haar neus begraven in heliotropen en theerozen. Haar achting en bewondering voor “die jongen van hiernaast” stegen ten top, want hij speelde bijzonder goed en nam volstrekt geen airs aan. Jo wilde maar, dat Bets hem kon hooren, maar ze zei er niets van, en prees hem, tot hij verlegen werd en zijn grootvader hem te hulp kwam.

“Genoeg, jongejuffrouw, genoeg; te veel zoetigheid is niet goed voor hem. Zijn spel is niet kwaad, maar ik hoop, dat hij het in belangrijker zaken evengoed zal maken. Ga je weg? Nu, ik ben je ten hoogste verplicht en hoop je eens weer te zien. Mijn beleefde groeten aan je moeder. Slaap wel, dokter Jo!”

De oude heer drukte haar hartelijk de hand, maar zag er toch uit, alsof iets hem niet beviel. Toen ze in de gang waren gekomen, vroeg Jo aan Laurie, of ze iets verkeerds gezegd had, maar hij schudde zijn hoofd.

“Neen, dat was om mij; Grootpapa hoort me niet erg graag piano spelen.”

“Waarom niet?”

“Dat vertel ik je wel eens op een anderen keer. John zal je thuisbrengen; ik kan het nu niet doen.”

“Dat hoeft niet hoor, het is maar een stapje. Zul je goed op je zelf passen?”

“Ja, maar je komt toch terug, hoop ik?”

“Als je belooft bij ons te komen, zoodra je weer beter bent.”

“Ja, dat zal ik doen.” [49]

“Dag Laurie!”

“Dag Jo, slaap wel!”

Toen alle merkwaardigheden van dien avond verteld waren, voelde de heele familie lust om gezamenlijk een bezoek te brengen in het groote huis aan de andere zijde van de heg; want ieder had iets, wat er haar speciaal aantrok. Mevrouw March verlangde wat te praten over haar vader met den ouden man, die hem blijkbaar niet vergeten had. Meta zou graag eens in de oranjerie wandelen. Bets smachtte naar de prachtige piano, en Amy wenschte niets vuriger dan de mooie platen en beeldjes te zien.

“Moeder, waarom zou mijnheer Laurence Laurie niet graag hebben hooren spelen?” vroeg Jo, die van een onderzoekende natuur was.

“Ik weet het niet zeker, maar ik denk, omdat zijn zoon, Laurie’s vader, met een Italiaansche dame, een zangeres trouwde, waar de oude heer, die heel trotsch is, diep verontwaardigd over was. De jonge vrouw was goed en lief en beschaafd, maar hij hield niet van haar en zag zijn zoon niet weer na dat huwelijk. Ze stierven beiden, toen Laurie nog een klein kind was, waarna zijn grootvader hem tot zich nam. Waarschijnlijk is de jongen, die in Italië geboren werd, niet heel sterk, en is de oude man, uit angst hem te verliezen, zoo bezorgd voor hem. Laurie heeft een aangeboren talent voor muziek, want hij lijkt op zijn moeder en ik veronderstel, dat zijn grootvader bang is, dat hij lust zal krijgen zich aan de muziek te wijden; in elk geval herinnert zijn talent hem de vrouw, van wie hij niet veel hield, en daarom werd hij er zoo warm over, zooals Jo het uitdrukt.”

“Stel je voor, wat romantisch!” riep Meta.

“Bespottelijk,” zei Jo, “laat den jongen musicus worden als hij dat verlangt, en plaag hem niet dood door hem naar de academie te sturen, als hij er een hekel aan heeft.”

“Daarom heeft hij dus zulke mooie zwarte oogen en zulke aardige manieren; Italianen zijn altijd beleefd, geloof ik,” zei Meta, die wat sentimenteel was.

“Wat weet jij van zijn oogen en manieren? Je hebt nauwelijks twee woorden met hem gesproken,” riep Jo, die niet sentimenteel was.

“Ik heb hem toch op de partij gezien, en uit je verhalen blijkt, dat hij zich goed kan voordoen. Dat was heel aardig wat hij zei over het geneesmiddel, dat Moeder hem zond.”

“Hij meende zeker den blanc manger.”

“Wat bén je toch nog een kind; hij bedoelde jou natuurlijk!”

“Ja?” en Jo zette groote oogen op, alsof het iets heel nieuw voor haar was.

“Ik heb nooit iemand zooals jij gezien; je begrijpt niet eens een complimentje, als j’ er een krijgt,” zei Meta, met het air van een jonge dame, die er alles van wist.

“Onzin! Ik wou, dat je niet mal was en al mijn plezier bedierf. [50] Laurie is een aardige jongen; ik houd van hem, en ik verkies geen gekheden te hooren over complimentjes en zulke flauwiteiten. We zullen allemaal aardig voor hem zijn, omdat hij geen moeder heeft, en hij mag hier bij ons komen, is ’t niet, Moeder?”

“Ja, Jo, je vriend is van harte welkom, en ik hoop, dat Meta bedenken zal, dat kinderen zoolang mogelijk kinderen moeten blijven.”

“Ik noem me zelf geen kind, en ik ben toch nog niet eens dertien,” merkte Amy op. “Wat zeg jij er van, Bets?”

“Ik dacht over onzen “Pelgrimstocht,” antwoordde Bets, die niet naar het gesprek geluisterd had. “Hoe we uit den “wankelmoedspoel” en door het “struikelaarspoortje” kwamen, door ons vast besluit om goed te zijn, en ons best te doen den heuvel op te klauteren, en dat het groote huis van Laurie’s grootvader met al de mooie dingen misschien ons Paleis der Gelukkigen zal zijn.”

“Wij moeten eerst nog de leeuwen voorbij,” zei Jo, op een toon alsof ze dat denkbeeld wel aardig vond.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings