← Table of contents
Onder Moeders Vleugels

Bets vindt “het Paleis der Gelukkigen.”

Reading edition

Allerlei prettige dingen gebeurden in dien tijd, want de nieuwe vriendschap groeide als gras in de lente. Ieder hield van Laurie, en hij deelde zijn gouverneur in het geheim mee, dat de Marches [51] bepaald “echt leuke” meisjes waren. Met jeugdige geestdrift namen ze den eenzamen jongen in hun midden op, bewezen hem kleine vriendelijkheden, en hij vond iets bizonder aantrekkelijks in het gezelschap van de vroolijke buurtjes. Daar hij nooit een moeder of zuster gekend had, voelde hij al heel gauw den invloed, dien ze op hem uitoefenden, en hun bezig, opgewekt leventje leerde hem zich te schamen over het luie bestaan dat hij leidde. Boeken verveelden hem, en hij vond de menschen nu zoo belangwekkend, dat de heer Brooke zich genoodzaakt zag een slecht rapport over hem uit te brengen, want Laurie verzuimde gedurig zijn lessen en was dan steeds bij de Marches te vinden.

“Enfin, laat hij maar eens vacantie nemen; hij zal het later wel weer inhalen,” zei de oude heer. “Volgens onze vriendelijke buurvrouw studeert hij te hard en heeft hij behoefte aan den omgang met jonge menschen, aan uitspanning en lichaamsbeweging. Ik geloof, dat ze gelijk heeft, en dat ik den jongen vertroeteld heb, alsof ik zijn grootmoeder was. Laat hij doen waar hij plezier in heeft, als hij maar gelukkig is; bij die kleine nonnetjes hiernaast kan hem geen kwaad overkomen, en mevrouw March doet meer voor hem, dan wij zouden kunnen.”

Wat hadden ze een prettigen tijd! Zulke heerlijke voorstellingen en tableaux, sleetochtjes en hardrijderijen op schaatsen, zulke gezellige avondjes in de oude zitkamer, en nu en dan zulke vroolijke kleine partijtjes in het groote huis. Meta mocht in de broeikas wandelen, zooveel ze maar wilde en genieten van heerlijke ruikers; Jo verslond de nieuwe bibliotheek en deed den ouden heer soms in lachen uitbarsten door haar critiek; Amy copieerde schilderijen en genoot naar hartelust van al het schoone, en Laurie speelde op de aardigste manier voor gastheer.

Maar Bets kon, hoewel ze naar de groote piano smachtte, geen moed genoeg vatten naar “het paradijs” te gaan, zooals Meta het noemde. On zekeren dag ging ze er met Jo heen, maar de oude heer, die haar zwakke zijde niet kende, staarde haar zóó aan van onder zijn zware wenkbrauwen, en zei zóó hard “hm”, dat “haar beenen klapperden,” zooals ze aan haar moeder vertelde; ze liep zoo gauw mogelijk weg en verklaarde, dat zij er nooit meer heen durfde, zelfs niet ter wille van de mooie piano. Geen overredingen of beloften konden haar vrees overwinnen, totdat de heer Laurence op geheimzinnige wijze achter de waarheid kwam en de zaak zocht te herstellen. Gedurende een van zijn korte bezoeken, bracht hij behendig het gesprek op muziek; vertelde van groote zangers en zangeressen, die hij ontmoet, van fraaie orgels, die hij gehoord had, en kende zoovele aardige anecdoten, dat Bets onmogelijk in haar stil hoekje blijven kon, maar steeds nader en nader kwam, alsof ze betooverd werd. Ze stond stil bij den rug van zijn stoel en bleef met groote oogen staan luisteren, terwijl haar wangen rood gekleurd waren door de opwinding van deze buitengewoon moedige daad. [52] De heer Laurence nam niet meer notitie van haar dan van een vlieg, sprak door over Laurie’s lessen en onderwijzers en vertelde toen, alsof die gedachte hem eensklaps inviel: “De jongen verwaarloost nu zijn muziek, en ik ben er blij om, want hij begon er al te veel van te houden. Maar de piano wordt niet beter van dat ongebruikt staan; zouden niet een paar van uw meisjes er nu en dan eens op willen studeeren, alleen maar om te zorgen, dat zij niet ontstemt?” Bets ging een stapje vooruit en bedwong met alle macht de sterke verzoeking in haar handen te klappen; de gedachte op dat prachtig instrument te mogen spelen, deed haar een oogenblik haar adem inhouden. Voordat mevrouw March nog kon antwoorden, ging mijnheer Laurence voort met een eigenaardig knikje en glimlachje: “Ze hoeven niemand te zien of te spreken, maar kunnen ten allen tijde overloopen, want ik zit toch in mijn studeerkamer aan den anderen kant van het huis; Laurie is veel uit, en de dienstboden hebben na negen uur niets meer te maken in de zitkamer.” Hier stond hij op, alsof hij wilde heengaan, en Bets was juist van plan te spreken, want die laatste schikking maakte, dat er niets te wenschen overbleef. “Wilt u zoo goed wezen dit aan de jonge dames te zeggen, en mochten ze soms geen lust hebben, dan is het ook goed.” Hier kroop een smal handje in de zijne, en Bets zag met een van dankbaarheid stralend gezichtje tot hem op en zei op haar ernstig, maar verlegen maniertje:

“O, mijnheer, ze hebben er héél veel lust in!”

“Ben jij de musicienne?” vroeg Laurie’s grootvader, zonder zijn schrikwekkend “hm!” en met een vriendelijken blik.

“Ik ben Bets, ik houd dol veel van muziek en ik wil graag komen, als u zeker weet dat niemand me hooren kan—dien het hinderen zou,” voegde ze er bij, vreezende onbeleefd te zijn en bevende over haar eigen stoutmoedigheid.

“Geen sterveling, lieve kind; het huis is den halven dag leeg, kom dus gerust en trommel zooveel je wilt, het zal mij genoegen doen.”

“Wat aardig van u, mijnheer!”

Bets bloosde als een roosje, toen hij haar zoo welwillend aankeek, maar nu was zij niet verlegen en drukte dankbaar de groote hand, omdat ze geen woorden kon vinden om hem te danken voor het kostbaar geschenk dat hij haar gegeven had. De oude heer streek haar zachtjes het haar van het voorhoofd, en zich bukkende kuste hij haar en zei op een toon, die maar zelden iemand van hem hoorde:

“Ik heb eenmaal een dochterje gehad met oogen als die van jou. God zegene je, kindlief; dag mevrouw,” en hij vertrok haastig. Bets gaf zich in haar moeders armen aan haar blijdschap over, en snelde toen naar boven om het heerlijke nieuws aan haar zieke poppenfamilie mee te deelen, daar de zusters niet thuis waren. Hoe vroolijk zong ze dien avond, en hoe lachten de anderen haar uit, omdat ze Amy ’s nachts wakker maakte, door in den slaap op haar [53] gezicht piano te spelen. Toen Bets den volgenden dag den ouden en den jongenheer had zien wegwandelen, trok ze, na twee of driemaal te zijn teruggeloopen, de stoute schoenen aan, en sloop zoo stil als een muisje naar de zitkamer, waar het voorwerp van haar vereering stond. Heel toevallig natuurlijk, lag er wat lieve, gemakkelijke muziek op de piano, en met bevende vingers, en gedurig luisterend en rondziende, raakte ze eindelijk de toetsen aan, vergat toen haar vrees, zichzelf en alles, behalve het onuitsprekelijk genot, dat de muziek haar gaf, want ze klonk haar als de stem van een geliefd vriend.

Ze bleef, totdat Hanna haar kwam halen om te eten; maar ze had geen eetlust, en kon alleen stilzitten en tegen ieder glimlachen in een staat van volkomen gelukzaligheid.

Van nu af aan zag men het kleine, bruine hoedje bijna dagelijks door de heg kruipen, en in de groote zitkamer huisde een muzikale geest, die onzichtbaar verscheen en verdween. Bets kwam nooit te weten, dat mijnheer Laurence dikwijls de deur van zijn studeerkamer openzette om naar de ouderwetsche liedjes te luisteren, die hij zoo graag hoorde; ze zag nooit, hoe Laurie in de gang de wacht hield, om de bedienden op een afstand te houden; nooit kwam de gedachte bij haar op, dat de oefeningen en de nieuwe liederen, die ze in het muziekkastje vond, daar gelegd werden voor haar bijzonder gebruik; en als Laurie thuis met haar over muziek praatte, dacht ze er alleen over, hoe vriendelijk het toch van hem was, dat hij Bets allerlei dingen vertelde, die haar zoo voorthielpen. Bets genoot dus van ganscher harte en erkende, wat niet altijd het geval is, dat haar, nu deze begeerte vervuld was, niets meer te wenschen overbleef. Misschien kreeg ze, omdat ze voor dezen zegen zoo dankbaar was, een nog grootere; ze verdiende in elk geval beiden.

“Moeder, ik wou voor mijnheer Laurence een paar pantoffels maken. Hij is zoo goed voor me, dat ik hem mijn dankbaarheid moet toonen, en ik weet niets anders. Mag ik het doen?” vroeg Bets een paar weken na zijn gewichtig bezoek.

“Ja, lieveling, het zal hem veel genoegen doen, en ’t is een aardige manier om hem te bedanken. De meisjes zullen er je aan helpen, en ik zal het opmaken betalen,” antwoordde mevrouw March, die bijzonder graag Bets’ verzoek inwilligde, omdat zij zoo zelden iets voor zichzelf verlangde. Na veel ernstige overleggingen met Meta en Jo werd het patroon gekozen, de benoodigdheden gekocht en de pantoffels begonnen. Een bouquet stemmige, maar toch vroolijke viooltjes op een donkerpurperen grond werd juist geschikt verklaard en Bets werkte vroeg en laat en werd alleen maar hier en daar bij moeilijke eindjes geholpen. Zij was een handig, klein meisje en de pantoffels waren af, voor ze iemand begonnen te vervelen. Toen schreef ze een kort, eenvoudig briefje en wist ze met Laurie’s hulp onder zijn Grootvaders schrijftafel te smokkelen, toen de oude heer nog niet bij de hand was. [54]

Toen dat pak van haar hart was, wachtte Bets af, wat er gebeuren zou. Die gansche dag ging voorbij en een gedeelte van den volgenden, zonder dat ze er iets van hoorde, en ze begon al te vreezen, dat ze haar grilligen vriend beleedigd had. Op den middag van den tweeden dag ging ze een boodschap doen en nam de arme Johanna, haar gebrekkige pop, mee voor haar dagelijksche wandeling.

Bij haar terugkomst, zag zij al uit de verte drie, neen, vier hoofden uit de ramen kijken, en zoodra die hoofden haar zagen, wuifden verscheiden handen en riepen vier stemmen vroolijk:

“Er is een brief van den ouden mijnheer; kom hem maar gauw lezen!”

“O, Bets! hij heeft je—” begon Amy en zwaaide alles behalve fatsoenlijk met de handen; maar ze kon niet verder komen, want Jo smoorde haar ontboezeming door het raam dicht te slaan.

Bets haastte zich wat ze kon met een van blijdschap bonzend hart; bij de deur namen haar zusters haar op en droegen haar in opgetogenheid naar de zitkamer, alle drie naar den hoek wijzende en roepende: “Kijk eens!” Bets keek, en werd bleek van verrukking en verrassing, want daar stond eene kleine piano met een brief er boven op, geadresseerd aan: Mejuffrouw Elizabeth March.

“Voor mij?” fluisterde Bets en hield zich vast aan Jo, met een gevoel, alsof ze op den grond zou vallen; het was alles zoo wonderlijk, zoo overstelpend!

“Ja; heelemaal voor jou, lieveling. Is dat niet kranig van hem? Vind je hem niet den liefsten ouden man in de heele wereld? De sleutel zit in den brief, we hebben hem niet opengemaakt, maar we branden van verlangen om te hooren, wat er in staat,” riep Jo, terwijl ze haar zusje opgewonden tegen zich aandrukte en haar den brief in de hand stopte.

“Lees jij hem alsjeblieft, ik kan niet, ik voel me zoo raar. O, hij is véél te mooi voor mij,” en Bets verborg haar gezicht in Jo’s boezelaar, voor het oogenblik heelemaal van streek.

Jo opende den brief en begon te lachen, want de eerste woorden, die ze zag, waren:

Mejuffrouw March,

“Waarde, jonge Vriendin.”

“Wat klinkt dat aardig! Ik wou dat iemand ook eens zoo aan mij schreef!” zei Amy, die den ouderwetschen aanhef wel “deftig” vond.

“Ik heb vele pantoffels gehad in mijn leven, maar nooit een paar, dat mij zoo goed paste, als de uwe,” ging Jo voort. “Viooltjes zijn mijn geliefkoosde bloemen en deze zullen mij altijd de lieve geefster in herinnering brengen. Ik doe gaarne mijn schulden af, en ik denk dus, dat ge “den ouden heer” wel zult willen toestaan u iets [55] te zenden, wat eenmaal behoorde aan het kleindochtertje, dat hij verloren heeft. Met hartelijken dank en beste wenschen blijf ik,

Uw dankbare vriend en dienstw. dien. James Laurence.

“Nu Bets, dàt is een eer, waar je trotsch op mag zijn, zou ik denken! Laurie vertelde me, hoeveel mijnheer Laurence van dat kind hield, en hoe zorgvuldig hij al haar dingen bewaard heeft. Denk eens, hij heeft jou haar piano gegeven! Dat komt er van als je groote blauwe oogen hebt en van muziek houdt,” zei Jo en zocht Bets te kalmeeren, die erg beefde en een kleur had van opgewondenheid.

“Zie eens wat aardige kandelaartjes voor de kaarsen, en wat mooie groene zij van achteren, in het midden opgenomen met een goud roosje, en de mooie stander en het krukje, alles bij elkander,” voegde Meta er bij, de piano openende en alle schoonheden aanwijzende.

““Uw dienstwillige dienaar, James Laurence;” verbeeldt je toch eens, dat schreef hij aan jou! Ik zal het de meisjes op school vertellen, die zullen het haast niet kunnen gelooven,” riep Amy, op wie het briefje een diepen indruk gemaakt had.

“Probeer ’m eens, liefje, laten we die dreumes van een piano eens hooren,” zei Hanna, die altijd met haar gansche hart deelde in de vreugde en droefheid der familie.

Bets speelde dus een stukje, en ieder zei, dat het de mooiste toon was, dien ze ooit gehoord hadden. Het instrument was klaarblijkelijk pas gestemd en opgeknapt; maar hoe volmaakt het ook was, geloof ik toch, dat er niets zoo bekoorlijk was als dat gelukkigste van alle gelukkige gezichtjes, die er over hingen, toen Bets met teedere handen de mooie zwarte en witte toetsen aanraakte en haar voeten de blinkende pedalen drukten.

“Je zult hem moeten gaan bedanken,” zei Jo, bij wijze van grap, want dat “het kind” werkelijk zou gaan, kwam niet in haar op.

“Ja, dat ben ik ook stellig van plan; ik geloof, dat ik nu maar moest gaan, voordat ik bang word,” en tot groote verbazing van het verzamelde gezin, stapte Bets vastbesloten den tuin in, de heg door en recht op het huis der Laurences aan.

“Wel, heb ik van me leven! als dat niet het raarste is, wat ik ooit gezien heb; de piano heeft haar heelendal van de wijs gebracht; ’t schaap zou nooit gegaan zijn, als ze bij der positieve was!” riep Hanna, haar naziende, terwijl het wonder de meisjes een oogenblik sprakeloos maakte. Ze zouden nog meer verwonderd zijn geweest, als ze gezien hadden, wat Bets verder deed. Ze liep, zonder zich ook maar een oogenblik te bedenken, naar de studeerkamer, klopte aan, en toen een forsche stem “binnen” riep, ging ze werkelijk naar binnen, stapte op mijnheer Laurence af, die zeer verwonderd opkeek, stak hem haar hand toe en zei met een maar even bevende stem: “Mijnheer, ik kwam u bedanken voor—” maar verder bracht [56] ze het niet; want hij keek haar zoo vriendelijk aan, dat ze haar toespraak vergat; en er alleen aan denkende, dat hij het kleine meisje, dat hem zoo lief was geweest, verloren had, sloeg ze beide armen om zijn hals en kuste hem.

Als het dak van het huis plotseling boven het hoofd van den ouden heer was ingestort, zou hij niet verbaasder hebben kunnen zijn, maar hij vond het heel plezierig—o ja! hij vond het bijzonder plezierig; en hij was door dit groote bewijs van vertrouwen zoo geroerd en gelukkig, dat al zijne norschheid verdween. Hij nam haar op zijn knie en vleide zijn gerimpelde wang tegen haar blozend gezichtje, en verbeeldde zich, dat hij zijn eigen kleindochtertje terug had gekregen. Van dat oogenblik af had Bets niets geen angst meer voor hem, en zat ze zoo gezellig met hem te babbelen, alsof ze hem haar leven lang gekend had; want liefde sluit vrees uit en dankbaarheid kan trots overwinnen. Toen ze naar huis terugkeerde, bracht hij haar tot aan haar eigen deur, schudde haar hartelijk de hand, nam bij het afscheidnemen zijn hoed voor haar af, en wandelde statig en deftig terug, zooals een knap, krijgshaftig oud heer betaamt.

Toen de meisjes dat zagen, moest Jo een paar bokkesprongen maken om haar blijdschap te toonen; Amy viel in haar verbazing bijna uit het raam, en Meta riep met opgeheven handen: “Nou geloof ik heusch, dat de wereld op haar eind loopt!”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings