← Table of contents
Onder Moeders Vleugels

Brieven.

Reading edition

In de koude morgenschemering staken de meisjes het licht aan en lazen hun hoofdstuk met een tot nog toe ongekenden ernst, want nu de schaduw van wezenlijke droefheid op hen gevallen was, beseften ze eerst recht, hoe rijk aan zonneschijn hun leven geweest was. De kleine boekjes stonden vol woorden van hulp en troost, en terwijl ze zich aankleedden, kwamen ze overeen, blijmoedig en hoopvol afscheid te nemen, en hun moeder de reis te laten aanvaarden, zonder haar door tranen of klachten te bedroeven. Alles leek zoo vreemd, toen ze naar beneden gingen; buiten alles zoo donker en stil, binnen overal licht en beweging. Op dit vroege uur zag het ontbijt er zoo wonderlijk uit, en zelfs Hanna’s gezicht scheen onnatuurlijk, zooals ze door de keuken vloog met haar nachtmuts op.

De groote koffer stond klaar in de gang, Moeders hoed en shawl lagen op de canapé, en Moeder zelf zat daar en deed haar best om iets te eten, maar zag zoo bleek en afgemat door slapeloosheid en angst, dat het de meisjes veel moeite kostte zich dapper te houden. Meta’s oogen stonden gedurig, voordat ze het wist, vol tranen; Jo moest meer dan eens haar gezicht in den keukenhanddoek verbergen, en in de oogen van “de kleintjes” lag een ernstige, verwonderde uitdrukking, alsof droefheid nog nieuw voor hen was. Niemand sprak veel, maar toen de tijd van scheiden naderde en ze op het rijtuig zaten te wachten, zei mevrouw March tot de meisjes, die allen om haar heen bezig waren, de een met het opvouwen van haar shawl, de andere met het strikken van haar keellinten, de derde met het aantrekken van haar overschoenen, en de vierde met het sluiten van haar reistasch:

“Kinderen, ik laat jullie achter aan Hanna’s zorg en in de hoede van mijnheer Laurence; Hanna, onze oude getrouwe, zal jullie tot grooten steun zijn en onze goede buurman zal over jullie waken, alsof je zijn eigen dochters waart. Ik ga dus zonder zorg, wat dat betreft, maar ik wou zoo graag, dat jullie deze droefheid op de rechte manier beschouwden. Gaat, als ik weg ben, niet zitten treuren of klagen, en denkt niet, dat je getroost zult worden als je niets uitvoert. Zet als naar gewoonte je bezigheden voort, want arbeid is een groote troost. Blijft hopen en werken: en wat er ook gebeure, bedenkt dat je nooit geheel vaderloos kunt zijn.”

“Ja, Moeder.”

“Meta, lieve, wees voorzichtig, pas op de zusjes, raadpleeg Hanna, en wanneer je geen raad weet met het een of ander, ga dan naar mijnheer Laurence. Jo, wees geduldig, wordt niet moedeloos, en doe geen overijlde dingen; schrijf me dikwijls en wees mijn flinke [148] dochter, altijd gereed ons allen te helpen en op te beuren. Bets, zoek je troost in de muziek, lieve kind, en wees getrouw in je huiselijke plichten, en jij, Amy, wees zooveel mogelijk behulpzaam en gehoorzaam en blijf tevreden en rustig thuis.”

“We beloven ’t u, Moeder,” verzekerde het bedroefde viertal.

Het geratel van een naderend rijtuig deed allen opschrikken en luisteren. Nu kwam het moeilijkste oogenblik, maar de meisjes stonden het moedig door; niemand schreide, niemand liep weg, niemand klaagde, hoewel ’t hun angstig te moede werd, bij het zenden van hartelijke groeten aan Vader, terwijl ze bedachten, dat het mogelijk reeds te laat was, om ze hem te kunnen overbrengen. Kalm kusten zij hun moeder vaarwel, innig omhelsden ze haar en toen ze wegreed trachtten ze haar vroolijk na te wuiven.

“Vaarwel, lievelingen! God zegene en behoede ons allen!” fluisterde mevrouw March, terwijl ze het eene dierbare gezichtje na het andere kuste, en zoo spoedig mogelijk in het rijtuig stapte.

Terwijl ze wegreed, kwam de zon van achter de wolken te voorschijn, en toen zij nog eens omkeek, zag ze haar heldere stralen, als een goed voorteeken, rusten op het groepje bij het hek. De meisjes merkten het ook op en glimlachten en wuifden, en het laatste wat mevrouw March bij het omslaan van den hoek zag, waren de vier blijmoedige gezichtjes, en daarachter, als een soort van lijfwacht, de oude heer Laurence, de trouwe Hanna en de hartelijke Laurie.

“Wat is iedereen vriendelijk voor ons,” zei ze, zich tot den jongen man wendend, op wiens gezicht ze een nieuw bewijs van haar woorden vond, door het innig medegevoel dat er uit sprak.

“Ik zou niet weten hoe iemand dat kon laten,” antwoordde Brooke en lachte zoo aanstekelijk, dat mevrouw March een glimlach niet bedwingen kon; en zoo begon de reis onder de goede voorteekenen van zonneschijn en opwekkende woorden.

“Ik heb een gevoel of er een aardbeving geweest is,” zei Jo, toen de buren naar huis waren gegaan om te ontbijten, en de meisjes wat gingen rusten en zich verfrisschen.

“Het is net of het huis uitgestorven is,” voegde Meta er somber bij.

Bets opende den mond om ook iets te zeggen, maar kon slechts wijzen naar den stapel net gemaasde kousen, die op Moeders tafel lag, als een bewijs hoe ze nog in de laatste oogenblikken aan hen had gedacht en voor hen gewerkt had. Het was maar een kleinigheid, maar het trof de meisjes in het diepst van haar ziel, en in spijt van al hun moedige voornemens, barstten ze allen in snikken uit.

Hanna was zoo verstandig ze maar eerst te laten uitschreien; [149] en toen de bui scheen op te klaren, kwam ze te hulp, gewapend met een koffiekan.

“Nu, lieve kinders, bedenkt nu eens wat uw ma gezeid heeft van niet te treuren; kom, laten we allemaal een kopje troost drinken en dan aan ’t werk gaan, en een eer zijn voor de familie.”

Koffie was een tractatie, en Hanna toonde veel tact, door ze dien morgen te zetten. Niemand kon haar aanmoedigende knikje of den welriekenden geur uit de tuit van de koffiekan weerstand bieden. Ze schoven aan tafel, verwisselden hun zakdoeken voor servetten, en waren binnen tien minuten allen weer op streek.

“Hopen en werken,” dat is een mooi motto voor ons; laten w’ eens zien, wie dat het best onthoudt. Ik zal als naar gewoonte naar Tante March gaan; maar o, wat zál ze zeuren!” zei Jo, die met vernieuwden moed van haar kopje zat te genieten.

“Ik zal naar mijn geliefde Kings trekken, hoewel ik veel liever thuis zou blijven, om hier allerlei kleinigheden te doen,” zuchtte Meta, wenschende dat ze haar oogen niet zoo rood geschreid had.

“Dat is niet noodig; Bets en ik kunnen heel goed huishouden,” zei Amy, met een gewichtig air.

“Hanna zal ons wel zeggen wat we doen moeten; en we zullen zorgen, dat alles netjes in orde is, tegen dat jullie thuis komt,” voegde Bets er bij, terwijl ze zonder uitstel theedoek en afwaschbakje kreeg.

“Ik vind verdriet eigenlijk wel interessant,” zei Amy, die met een peinzend gezicht een hapje suiker nam.

De meisjes moesten lachen, of ze wilden of niet, en dat deed hun goed, hoewel Meta het hoofd schudde tegen de jonge dame, die troost kon vinden in den suikerpot.

Een blik op de puddingtrommeltjes maakte Jo weer ernstig, en toen het tweetal aan den dagelijkschen arbeid trok, keken zij treurig om naar het raam, waarvoor ze altijd gewoon waren Moeder te zien. Helaas, ze was verdwenen; maar Bets had gedacht aan de oude, gezellige gewoonte, en stond te knikken, te knikken—als een rooskleurig Mandarijntje.

“Net iets voor mijn Bets!” zei Jo, met een dankbaar gezicht haar hoed zwaaiende. “Adieu, Meet; ik hoop, dat de Kings vandaag niet zullen drenzen. Tob niet over Vader, beste,” voegde ze er bij, terwijl ze scheidden.

“En ik hoop, dat Tante Mach niet zal preeken. Je haar staat je erg jongensachtig, maar wel netjes,” zei Meta, die haar best moest doen niet te lachen om het krullebolletje, dat zoo grappig klein scheen op haar lange zuster.

“Dat is mijn eenige troost,” zei Jo, aanslaande à la Laurie, met een gevoel, als een geschoren schaap op een winterdag.

De eerstvolgende tijding van den zieke luidde gelukkig geruststellend; want hoewel hij gevaarlijk ziek was, had de tegenwoordigheid van de beste en teederste verzorgster hem reeds veel goed [150] gedaan. Mijnheer Brooke zond elken dag een bulletin, dat met den dag hoopvoller werd, en als hoofd des huisgezins stond Meta er op, de berichten te mogen voorlezen. In het eerst verlangden allen om het hardst te schrijven, en volgepropte enveloppes werden zorgvuldig in de bus gestoken door een van de zusjes, die zich zeer gewichtig voelden door die Washingtonsche correspondentie. De pakketten bevatten soms karakteristieke brieven van de heele familie; zoo schreef Meta:

Liefste Moeder.

Ik kan u onmogelijk zeggen, hoe blij we met uw laatsten brief waren, want het was zulk goed nieuws, dat we er om moesten lachen en schreien tegelijk. Wat is mijnheer Brooke vriendelijk, en wat een geluk, dat de zaken van mijnheer Laurence hem zoolang in Washington houden, daar hij u en Vader van zooveel dienst is. “De kleintjes” zijn erg lief. Jo helpt mij met naaien en staat er op, alle moeilijke dingen te doen. Ik zou bang zijn, dat ze zich overwerkte, als ik niet wist, dat haar “ijverige bui” wel niet lang zal duren. Bets is met al haar bezigheden zoo geregeld als de klok, en vergeet nooit wat u haar gezegd hebt. Ze treurt erg om Vader, en kijkt altijd ernstig, behalve wanneer ze voor haar piano zit. Amy is heel gehoorzaam, en ik zorg goed voor haar. Ze maakt zelf haar haar op, en ik leer haar knoopsgaten maken en kousen mazen. Zij doet aandoenlijk haar best, en ik denk, dat u blij zult zijn over haar vorderingen, wanneer u terugkomt. Mijnheer Laurence houdt de wacht over ons als een oude klokhen, zegt Jo, en Laurie is heel vriendelijk en behulpzaam. Hij en Jo houden ons vroolijk, want nu en dan zijn we erg triest en voelen we ons net weezen, nu u en Vader zoo ver weg zijt. Hanna is een ware heilige; ze bromt nooit en noemt mij “juffrouw Margaretha,” heel gepast, vindt u niet? en ze behandelt me met grappigen eerbied. We zijn allen best in orde en druk aan ’t werk, maar we verlangen dag en nacht naar uw terugkomst. Kus Vader zoo hartelijk mogelijk van

Uw eigen Meta.

Deze brief, netjes op geparfumeerd papier geschreven, vormde een groot contrast met den volgenden, die op een groot vel mailpapier was gekrabbeld, en versierd met vlekken en allerlei soort van krullen en langstaartige letters.

Mijn engelachtig Moedertje,

Driemaal hoera voor dien goeden, ouden Vader. Brooke is een juweel, ons zoo dadelijk te telegrafeeren en ons de eerste minuut de beste dat hij beter werd, dit te laten weten. Ik vloog naar den zolder toen de brief kwam en trachtte God te danken, dat Hij zoo goed voor ons was; maar ik kon alleen maar schreien en zeggen: “Wat ben ik blij! Wat ben ik blij!” ’t Was evengoed als een gebed, [151] is ’t niet, want er waren er wel honderd in mijn hart. Wij hebben zoo’n grappig leventje: iedereen is even wanhopig goed; ’t is of we in een nest van tortelduiven leven. U zoudt lachen als u Meta aan ’t hoofd van de tafel zag zitten en haar best doen om moederlijk te zijn. Ze wordt met den dag mooier, en soms ben ik een beetje verliefd op haar. De “kleintjes” zijn ware aartsengelen, en ik—ik ben Jo, en zal wel nooit iets anders zijn. O, ik moet u nog vertellen, dat ik bijna ruzie met Laurie gehad heb. Ik zei hem mijn opinie over een kleinigheid, en hij was beleedigd. Ik had gelijk, maar ik pakte het niet goed aan en hij ging naar huis en zei, dat hij niet terugkwam, voor ik hem vergeving gevraagd had. Nu, daar bedankte ik voor en ik was woedend. Het duurde den heelen dag; ik voelde mij doodongelukkig en verlangde erg naar u. Laurie en ik zijn beiden zoo trotsch, en vergeving vragen is zoo moeielijk; maar ik dacht dat hij wel komen zou, want ik had gelijk. Maar hij kwam niet, en juist ’s avonds herinnerde ik mij wat u gezegd had, toen Amy in ’t water viel. Ik las in mijn boekje, bedaarde, besloot “de zon niet over mijn toorn te doen ondergaan,” en ging naar Laurie om hem te zeggen, dat het mij speet. Bij het hek kwam ik hem tegen; hij kwam met hetzelfde doel. U begrijpt hoe wij lachten, we vroegen elkaar excuus en nu is het zaakje weer gezond.

Gisteren maakte ik een “vèrs,” terwijl ik met Hanna de wasch deed; en daar Vader nogal van mijn krabbelarijen houdt, sluit ik het in om hem te amuseeren. Geef hem de hartelijkst mogelijke omhelzing, en kus uzelf twaalf maal voor uw

Robbedoes Jo.

Zeepsop-lied.

O, zeepzop! te midden van ’t spattende schuim,

Steeg’ vroolijk mijn lied naar omhoog.

Ik waschte met ijver, ik klopte en ik wrong,

Schoon ’t nat ook om d’ ooren mij vloog,

Nu hang ik de kleeren gauw op in den wind,

Die maakt, met de zon, ze weer droog.

Och, zeepsop! konden w’ons hart, zoo bevlekt,

Ook duchtig eens doen in de wasch,

Dat water en licht met hun toovrende macht

Zoo zuiver ons maakten als glas,

Dan had hier op aarde voorzeker steeds plaats

Het heerlijkste schoonmaakgeplas.

Langs ’t pad van een flink en een nuttig bestaan

Bloeit vrede toch immers altijd,

Een ijverig mensch heeft wel anders te doen

Dan denken aan smart of aan spijt.

En zorgen worden gemakkelijk verjaagd

Door hem, die schrobt op zijn tijd.

[152]

’k Ben blij, dat iederen volgenden dag

Een taak voor mij weg is gelegd;

Ze maakt me gezond en moedig en sterk;

Zoodat mijn geweten mij zegt:

“O hoofd, mijner vrij, o hart gevoel voort,

Maar, hand, breng gij alles terecht!”

Lieve Moeder,

Er is voor mij alleen nog maar een plaats om u even goeien dag te zeggen en u een paar gedroogde viooltjes te sturen, van het plantje, dat ik zoo zorgvuldig in huis heb gehouden, om ze aan Vader te laten zien. Ik lees elken morgen, doe den heelen dag mijn best om goed te zijn, en zing mezelf in slaap met Vaders lied. Ik kan nu niet zingen: “Heerlijk land,” want dan moet ik schreien. Iedereen is heel vriendelijk, en we zijn zoo gelukkig als we zonder u kunnen zijn. Amy moet de rest van het blaadje hebben, dus eindig ik. Ik heb niet vergeten de ornamenten toe te dekken en elken dag wind ik de klok op en lucht ik uw kamers.

Kus Vader op de wang, die hij de mijne noemt. O, kom toch gauw terug bij

Uw liefhebbende kleine Bets.

“Lieve Mama,

“Wij zijn allemaal gezond, ik leer altijd mijn les en streef nooit de meisjes tegen, Meta zegt, dat ik bedoel, spreek tegen, daarom zet ik nu maar de beide woorden, dan kunt u het geschiktste kiezen. Meta is heel lief voor me, ze geeft mij altijd jelei bij de thee, het is zoo goed voor me, zegt Jo, omdat het mij zoo zoet maakt. Laurie is niet zoo beleefd voor me als hij moest, nu ik bijna dertien ben, hij noemt mij kuiken en kwetst mijn gevoel, door heel gauw Fransch tegen me te gaan praten wanneer ik net als Hattie King merci of bonjour zeg. De mouwen van mijn blauwe jurk waren heelemaal versleten, en Meta heeft er nieuwe ingezet, maar de ruimte zit niet op de goeie plaats en zij zijn blauwer dan de jurk. Het speet me erg, maar ik heb niet gepruttelt; ik doe mijn best mijn moeilijkheden goed te dragen, maar ik wou wel graag dat Hanna meer stijfsel in mijn boezelaars deed en elke dag kadetjes van de bakker nam. Mag dat niet? Heb ik dat vraagteeken niet netjes gezet? Meta zegt dat mijn spelling en mijn punktuaatsie schandelijk zijn en dat spijt me erg, maar, ik heb ook zoo vreeselijk veel te doen dat ik daar niet op letten kan.

Adieu, ik zend een heeleboel kussen aan Papa.

Uw liefhebbende dochter, Amy Curtis March.

[153]

“Lieve mevrouw March!”

Ik neem de pen op om u te zeggen alsdat wij allen gezont zijn. De Meisjes passe goed op en vliege heel ijverig door het huis. Juffrouw Meta zal een beste huishoudster wordt, ze hout van dat soort werk en heef van de dinge erg gou de slag weg. Jo doet van allemaal nog het meest haar best, maar ze denkt nooit van te vore en je ken nooit wete, waarmee ze voor den dag zal komme. Maandag heb ze een tobbe met goed gewasse, maar ze stijfde het Goed voordat het gevronge was, en haalde een rozee katoene Kleedje zoo blauw door dat ik dach alsdat ik een stuip kreeg van ’t lache. Bets is een lief schepseltje en een groot gemak voor me omdat ze zoo handig en vertrouwt is. Zij perbeert alles te leere en komt beter voor den Dag dan men van der jare verwachte zouw; alsook in het opschrijve van alles dat ze met mijn hulp verwonderlijk goed doet. We zijn tot noch toe heel zuinig gewees, ik geef de meisjes geen koffie als eens in de week, zooals u graag heef en kook eenvoudig gezond eeten. Amy pruttelt noch al niet ook niet om lekkers en om der beste Kleeren an te hebbe. Jongeneer Laurie is zoo vol grappen als altoos en zet gedurig het huis op stelte, maar hij geeft de meisjes een verzetje en daarom laat ik hun der gang maar gaan. De ouwe heer stuurt van alles en is wel wat bemoeierig maar hij meent het goed en het past mij niet er ies van te zegge. Men brood moet in den oven dus moet ik afbreke. Mijn onderdanige groetenis aan Meheer en alsdat ik hoop dat hij geen las meer van zen Longe zal hebbe. Zoo noem ik mij

U onderdanige Hanna Mullet.

Aan de Hoofdverpleegster van Zaal II.

Alles wel op de Rappahannock: de troepen in den besten welstand, buitenlandsche posterij geregeld, de Hoofdwacht, onder aanvoering van Kolonel Teddy, altijd onder de wapenen; de Opperbevelhebber, Generaal Laurence, houdt dagelijks inspectie, de kwartiermeester Mullet zorgt voor de victualiën en Majoor Lion houdt des nachts de wacht. Een salvo van vierentwintig kanonnen begroette het goede nieuws uit Washington en in het hoofdkwartier werd groot-tenue-parade gehouden. De Opperbevelhebber wenscht u alles goeds, evenals

Kolonel Teddy.

Hooggeachte Mevrouw,

De meisjes zijn allen wel; dagelijks krijg ik berichten van hen door Bets en mijn jongen; Hanna is eene voorbeeldige dienstbode en bewaakt de lieve Meta als een Cerberus. Het verheugt mij, [154] dat het gunstige weer aanhoudt; laat Brooke u zooveel mogelijk van dienst zijn en trek gerust een wissel op mij, wanneer de kosten uwe berekening mochten overtreffen. Laat het uw echtgenoot aan niets ontbreken; Goddank, dat hij beter wordt.

Uw oprechte vriend en dienaar, James Laurence.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings