Geschiedenis van een Meloen.
Reading edition
Op zekeren dag zaaide een hovenier een zaadje in zijn tuin, en na een poosje ontkiemde het en werd een flinke plant en droeg verscheiden meloenen. Op zekeren dag in October, toen ze rijp waren, plukte hij er een af en bracht dien naar de markt. Een kruidenier kocht hem en legde hem in zijn winkel. Dienzelfden morgen ging een klein meisje, met een bruinen hoed, een blauwe jurk en een stompen neus naar den winkel en kocht hem voor haar moeder. Ze bracht hem naar huis, sneed hem open, kookte hem in een grooten pot, en diende een gedeelte er van op met suiker voor het middagmaal; bij het overschietende deed zij een pintje melk, twee eieren, vier lepels suiker, wat nootmuskaat, en een paar beschuiten, deed het in een diepen schotel en bakte het, totdat het lekker bruin was: en den volgenden dag werd het opgegeten door een familie, March geheeten.
T. Tupman.
Aan den heer Pickwick.
Mijnheer,
Ik heb u iets te schrijven over een overtreding, de zondaar dien ik bedoel is een man, Winkle genaamd die heel lastig is in de vergadering, omdat hij lacht en soms geen stukken wil schrijven in dit bewonderde blad en ik hoop, dat u hem zijn zonde wilt vergeven en hem toe wilt staan een Fransche fabel in te zenden, omdat hij niet uit zijn hoofd kan schrijven en omdat hij zooveel lessen moet leeren en er geen hoofd voor heeft. In ’t vervolg zal ik probeeren den tijd bij de horens te vatten en een stukje klaar te maken dat geheel comme la fo zal zijn, ik bedoel heelemaal in orde, ik eindig in haast want het is bijna schooltijd.
Uw dienaar,
N. Winkle.
(Het bovenstaande is een mannelijke en flinke erkenning van vroeger slecht gedrag. Als onze jonge vriend zich eens op de interpunctie wilde toeleggen, zou dat niet kwaad zijn.)