Doodsbericht.
Reading edition
Het is ons een treurige plicht u het plotseling en geheimzinnig verdwijnen mede te deelen van onze geliefde vriendin, mevrouw Witvoet. Deze beminnenswaardige en beminde poes was de lieveling van een grooten kring warme en bewonderende vrienden; haar schoonheid trok aller oogen tot zich, haar bevalligheden en deugden verzekerden haar een plaats in ieders hart, en haar verlies wordt door het geheele gezelschap diep gevoeld.
Ze is het laatst gezien bij het hek, waar ze de kar van den slagersjongen met hare opmerkzaamheid vereerde, en wij vreezen, dat de een of andere ellendeling, verlokt door haar bekoorlijkheden, haar heeft gestolen. Weken zijn voorbijgegaan, maar geen spoor van haar is ontdekt; wij geven alle hoop op, binden een zwart lint om haar mandje, zetten haar schotel ter zijde en beweenen haar als ééne, die ons voor altijd ontvallen is.
Een medegevoelend vriend zendt ons het volgende dicht-kleinood.
Klaaglied op Witvoet
Onze kleine Witvoet
Is helaas niet meer.
Z’s plotseling verdwenen,
En ach, wij treuren zeer.
’t Grafje van haar kleintje
Onder gindschen eik,
Gaan wij trouw bezoeken—
Maar waar rust haar lijk?
Ledig staat het mandje,
Roerloos ligt haar bal.
Kon ik maar vergeten,
Dat ik nooit meer zal
Hooren ’t zacht miauwen,
’t Vriendelijk gespin—
Alsof zij wou zeggen,
“Toe, laat mij er in.”
Ach, een ander katje
Loert op rat en muis,
Maar dat zal nooit worden
Speelpop hier in huis.
Want helaas! haar kopje
Is niet mooi of lief,
En zij mist de gratie
Van mijn hartelief.
En waar vroeger Witvoet
O, zoo rap en vlug!
Vreemde honden wegjoeg—
Blaast met hoogen rug,
Achter veil’ge tralies,
Nel naar ’t vreemd gespuis;
Neen, zij zal nooit worden
’t Sieraad van ons huis.
Z’ is wel goed en nuttig,
En ’t is waar, haar plicht
Wordt heel trouw en ijverig,
Steeds door haar verricht:
Maar zij streelt niet de oogen;
Dus—zóó innig teer,
Als wij u beminden,
Minnen wij nooit weer.
A. S. [92]