De P.C. en P.P.
Reading edition
Toen de lente aanbrak, kwamen er verschillende, nieuwe vermakelijkheden aan de orde, en de lengende dagen brachten lange namiddagen voor werk en spel van allerlei aard. De tuin moest in orde gebracht worden, en ieder der meisjes had een klein lapje om mee te doen wat zij zelf wilde. Hanna zei altijd: “Ik zou je dadelijk kunnen vertellen, van wie de tuintjes waren, al zag ik ze ook in China,” en ze had gelijk, want de smaak der meisjes verschilde evenveel als hun karakters. Meta had er rozen en heliotropen, een mirthe- en een oranjeboompje in. Dat van Jo was nooit tweemaal hetzelfde, want ze probeerde telkens weer iets anders; dit jaar was het een kweekerij van zonnebloemen; van die vroolijke, hoogop strevende planten had ze het zaad tot voedsel bestemd voor “tante Kloek” en haar familie kuikentjes. Bets had ouderwetsche bloemen in haar tuin: heerlijke balsemienen en reseda, riddersporen, anjelieren, viooltjes, akeleien, muur voor haar vogel, en kattekruid voor de poesjes. Amy had een prieeltje in haar tuintje, wel klein en vol oorwurmen, maar aardig voor het oog, heelemaal overdekt met kamperfoelie en morgenschoon, die hun veelkleurige hoorntjes en klokjes in sierlijke guirlandes lieten afhangen; voorts groote witte lelies, fijne varens en zooveel schitterende, decoratieve planten als wel de goedheid wilden hebben daar te bloeien.
Tuinarbeid, wandelingen, roeitochtjes op de rivier en het verzamelen van wilde bloemen namen de mooie dagen in; en voor de regenachtige hadden ze vermakelijkheden binnenshuis, sommige oud, sommige nieuw,—alle meer of minder oorspronkelijk. Een van deze was de “P.C”, want daar geheime genootschappen in zwang waren, vonden de meisjes het noodig er ook een te hebben; en daar ze alle vier met Dickens dweepten, noemden ze zich “de Pickwick” Club. Een jaar lang hadden ze dit vrij geregeld volgehouden, en waren ze elken Zaterdagavond te zamen gekomen [88] op den grooten zolder, welke vergaderingen met de volgende plechtigheden gepaard gingen: Drie stoelen werden op een rij achter een tafel gezet; op die tafel stond een lamp, en lagen vier witte kaartjes, de clubinsignes met een groote “P.C.” er op in vier verschillende kleuren, en het weekblad, dat de “Pickwick Portefeuille” werd genoemd, en waaraan ieder haar bijdrage moest leveren. Jo, nooit gelukkiger, dan wanneer ze pen en inkt hanteerde, was redacteur. Om zeven uur trokken de vier leden naar de vergaderzaal, bonden zich de insignes om het hoofd, en namen met groote deftigheid plaats. Meta, als de oudste, stelde Samuel Pickwick voor; Jo, als de meest literarisch ontwikkelde, Augustus Stockwall; Bets, omdat zij een blozend tonnetje was, Tracy Tupman; en Amy, die altijd probeerde te doen, wat ze toch niet kon, Nathaniël Winkle. Pickwick, de president, las het blad voor, dat gevuld was met oorspronkelijke verhalen, dichtstukjes, plaatselijk nieuws, grappige advertenties, en wenken, waarmee ze elkander op een aardige manier opmerkzaam maakten op hun gebreken en tekortkomingen. Bij een dezer gelegenheden zette de heer Pickwick zijn bril op zonder glazen, tikte op de tafel, kuchte, en begon te lezen, na eerst den heer Stockwall ernstig te hebben aangestaard, die achterover in zijn stoel gevallen was van ’t lachen, en zoo tot de orde moest geroepen worden.