← Table of contents
Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Hoofdstuk XXVIII: De Godenschemering.

Reading edition

Het verhaal van de goden.

Een van de kenmerkende trekken van de Noorsche mythologie is dat het volk steeds geloofde dat hun goden tot een vergankelijk ras behoorden. De Aesir hadden een begin gehad; dus, redeneerde men, moeten zij een einde nemen; en daar zij geboren werden uit een mengsel van goddelijke elementen en van elementen der reuzen, en dus onvolmaakt waren, droegen zij de kiem des doods in zich en waren als de menschen veroordeeld den natuurlijken dood te ondergaan, teneinde geestelijke onsterfelijkheid te verkrijgen.

Het geheele schema van de Noorsche mythologie was dus een drama, waarvan elke stap gaandeweg leidde tot het toppunt of het tragisch einde, als, met echt dichterlijke rechtvaardigheid, straf en loon onpartijdig werden uitgedeeld. In de vorige hoofdstukken zijn de langzame opkomst en het verval der goden zorgvuldig vermeld. Wij hebben verhaald, hoe de Aesir de aanwezigheid van het kwaad, in Loki verpersoonlijkt, in hun midden duldden; hoe zij zwak zijn raad volgden, toestonden dat hij hen in allerlei soorten van moeilijkheden bracht, waaruit zij slechts ten koste van hun deugd of vrede konden ontkomen, en eindelijk hem veroorloofden zulk een macht over hen te krijgen, dat hij niet schroomde hen van hun liefste bezit, zuiverheid of onschuld, gepersonifieerd in Balder den goeden, te berooven.

Te laat bemerkten de goden hoe slecht deze geest was die een verblijf onder hen had gevonden, en te laat verbanden zij Loki naar de aarde, waar de menschen, volgend het voorbeeld van de goden, naar zijn lessen luisterden en bedorven werden door zijn noodlottigen invloed.

Broed’ren slaan broed’ren;

Zusterskind’ren

Storten elkaars bloed,

Vleeschlijk kwaad neemt toe,

Het zijn zwaardtijden, akstijden;

Schilden klieft men door,

Stormtijden, moordtijden

Tot de wereld sterft,

En niemand meelij voelt

Meer voor zijn nevenmensch.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

De Fimbul-winter.

Ziende dat de misdaad tierde en al het goede van de aarde verbannen was, bedachten de goden dat de van oudsher gedane voorspellingen op het punt waren in vervulling te treden, en dat de schaduw van Ragnarok, de schemering der goden, reeds over hen was. Sol en Mani werden bleek van schrik, en stuurden hunne wagens bevend langs de paden die zij moesten gaan, terwijl zij bevreesd omkeken naar de hen achtervolgende wolven, die hen spoedig zouden inhalen en verslinden; en toen hun glimlach verdween, werd de aarde droevig en koud, en de vreeslijke Fimbul-winter begon. Toen viel er sneeuw uit de vier windstreken tegelijk, de scherpe winden joegen aan van het noorden en de geheele aarde was met een dikke laag ijs bedekt.

De strenge Fimbul woedde en bracht

Op aard veel storm en sneeuwjacht,

De zee sloeg schotsen kort en klein

En wierp het ijsschuim, tot waar zijn

De bergen hoog;

Geen zoelte toog,

Geen lichtglans, zij het nog zoo flauw.

Temp’rend den nacht van vorst en kou.

Valhalla (J. C. Jones).

Deze strenge winter duurde drie volle seizoenen zonder tusschenpoozen en werd gevolgd door drie andere, even streng, waarin alle vreugde van de wereld wegging en de misdaden der menschen met vreeslijke snelheid toenamen, terwijl in den algemeenen strijd voor het leven, de laatste gevoelens van menschelijkheid en mededoogen verdwenen.

De wolven losgelaten.

In de donkere hoeken van het IJzerbosch voedde de reuzin Iarnsaxa of Angur-boda nauwgezet de wolven Hati, Sköll en Managarm, het kroost van Fenris, met het merg van moordenaars en de beenderen van echtbrekers; en zóóveel kwamen deze lage misdaden voor, dat de schier onverzadelijke monsters nooit gebrek aan voedsel hadden. Zij wonnen dagelijks aan kracht om Sol en Mani te vervolgen, en haalden hen eindelijk in en verscheurden hen terwijl zij de aarde overstroomden met bloed uit hun druipende muilen.

Zij zat in het Oosten, die oude Jarnrid,

En zij voedd’ er de kinderen, geboren uit Fenrir;

Hij zal zijn het schrikkelijkst van al, hij,

Die, onder den vorm van een monster, zal verzwelgen de maan.

Voluspa.

Bij dit vreeselijk onheil trilde en schokte de geheele aarde, de sterren, ontsteld, vielen van hunne plaatsen, en Loki, Fenris en Germ, hun pogingen vernieuwend, rukten hun keten van elkander en stormden aan om wraak te nemen. Op hetzelfde oogenblik knaagde de draak Nidhug den wortel van den esch Yggdrasil door, die tot aan zijn bovensten top sidderde; de roode haan Fialar, zwevend boven Valhalla, kraaide luid alarm, wat onmiddellijk beantwoord werd door Gullin-kambi, den huishaan in Midgard en door Hels donkerrooden vogel in Niflheim.

De haan met gouden kam

Riep luid te wapen allen in ’t Valhal;

De haan, bloedrood, roept even fel bijeen

Die zijn op aard en ook er onder.

Viking-vertellingen van het Noorden (R. B. Anderson.)

Heimdall geeft het sein.

Heimdall, deze voorzeggende teekenen bespeurend en hoorend den schrillen kreet van den haan, bracht onmiddellijk den Giallar-hoorn aan zijn lippen en blies den langverwachten klank, die door de wereld werd gehoord. Bij het eerste klinken van verzamelen sprongen Aesir en Einheriar van hun gouden bedden op en stormden dapper uit de groote hal, gewapend tot den aanstaanden slag, en, bestijgend hun ongeduldige paarden, galloppeerden zij over de sidderende regenboogbrug naar het wijde veld Vigrid, waar, zooals Vafthrudnir lang te voren voorspeld had, de laatste slag moest plaats hebben.

De verschrikkingen van de zee.

De vreeselijke Midgardslang Iörmungandr werd door de algemeene beweging gewekt, en met ontzaglijke kronkelingen en trekkingen, waardoor de zeeën tot zóó hooge golven werden opgezweept als vroeger nooit de diepte van den oceaan ontrust hadden, kroop hij op het land en haastte zich om aan den vreeslijken strijd mede te doen, waarin hij een hoofdrol zou spelen.

In reuzenbocht de slang lag neer

Diep in de zee, tot, vrij van boei,

Hij oprees op het schuimgeloei;

Onder de zwieping van zijn staart

Zwol water, bergenhoog, op ’t land.

Toen ijlend wild dwars door het diep

Stortend zijn bloedig schuim in vaart,

Als hagel, aad’mend giftig fel

Doodlijken nevel over d’ aard,

Zocht hij door branding heen het strand.

Valhalla (J. C. Jones).

Een van de golven, door Iörmungandr’s bewegingen opgezet, maakte Nagilfar vlot, het noodlottig schip, dat enkel gemaakt was uit de nagels van die doode menschen, wier verwanten, door de eeuwen heen, hun plicht verzuimd hadden om de nagels der overledenen te knippen eer zij ter ruste werden gelegd. Nauwelijks was dit schip vlot, of Loki ging er op met de vurige bende van Muspells-heim en stuurde het stout over de stormachtige wateren naar de plaats van het gevecht.

Dit was niet het eenige schip echter dat naar Vigrid koers zette, want uit een dikke mistbank noordwaarts kwam een ander schip, bestuurd door Hrym, waarin al de vorstreuzen waren, tot de tanden gewapend en zich verheugend in den strijd tegen de Aesir, die zij altijd hadden gehaat.

De verschrikkingen van de Onderwereld.

Terzelfder tijd kroop Hel, de godin van den dood, door een spleet van de aarde uit haar huis onder den grond, op den voet gevolgd door den Hellehond Garm, den boosdoener van haar vreugdeloos gebied, en den draak Nidhug, die over het slagveld vloog terwijl hij lijken op zijn schouders droeg. Zoodra hij landde, heette Loki deze versterkingen met vreugde welkom en, zich aan het hoofd plaatsend, marcheerde hij met hen ten gevecht.

Plotseling werd de lucht in tweeën gescheurd en door de vurige bres reed Surtr met zijn vlammend zwaard, gevolgd door zijn zonen; en toen zij over de brug Bifröst reden, met het plan om Asgard te bestormen, viel de roemrijke boog met gekraak onder den tred hunner paarden in.

Door het gebied der lucht,

In blinkend staal, geducht,

En in slagorden rijk;

Ging het, wijl heet gevlam

Uit snelle hoeven kwam,

Voerend zijn stoet vol glans reed Surtur

Tusschen de stroomen woedend vuur.

Valhalla (J. C. Jones.)

De goden wisten zeker dat hun einde nu nabij was en dat hun zwakheid en gebrek aan voorzorg hen in een zeer nadeeligen toestand hadden gebracht, want Odin had slechts één oog, Tyr slechts één hand, en Frey enkel één hertshoorn om zich daarmede te verdedigen, in plaats van zijn onverwinlijk zwaard. Niettemin lieten de Aesir geen wanhoop blijken, maar, als echte slaggoden van het Noorden, trokken zij hun rijkste kleeding aan, en reden vroolijk naar het slagveld, besloten hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.

Odin en Fenris
Odin en Fenris

Odin en Fenris

Dorothy Hardy.

Terwijl zij dus hunne krachten monsterden, reed Odin nog eens naar de Urdarfontein, waar, onder den nedervallenden Yggdrasil, de Nornen zaten met gesluierde aangezichten en hardnekkig zwijgend, terwijl haar weefsels verscheurd aan hare voeten lagen. Nog eenmaal fluisterde de vader der goden een geheimzinnige mededeeling aan Minir toe, waarop hij Sleipnir besteeg en met den wachtenden troep meeging.

Het groote gevecht.

De strijders waren nu samen op Vigrids breede vlakte. Aan den eenen kant waren de fiere, kalme gezichten der Aesir, Vanas en Einheriar gerangschikt; terwijl aan den anderen kant vereenigd waren de bonte troep van Surtr, de grimmige vorstreuzen, het bleeke leger van Hel, en Loki en zijn verschrikkelijk gevolg, Garm, Fenris en Iörmungandr, terwijl de beide laatsten vuur en rook braakten en wolken uitademden van schadelijke, doodelijke dampen, die den geheelen hemel en de geheele aarde met hun giftigen adem vervulden.

De jaren gaan,

Geslachten vlieden, eeuwen worden oud,

’t Brengt als ons nader tot den lesten dag,

Als uit het Zuid de vurige stoet marcheert

En overschrijdt de brug, Loki als gids,

En Fenris volgend met gebroken boei,

Terwijl van ’t oost de groote Rymer komt

En stuurt zijn schip en landen doet de slang;

En allen worden op het hemelveld

Gevoerd tegen de goden in carré.

Balder Dood (Matthew Arnold.)

Al het verborgen antagonisme van eeuwen werd nu ontbonden in een stroom van haat, terwijl ieder lid van de tegenover elkander staande legers met grimmige vastberadenheid vocht, zooals onze voorouders van ouds deden, hand tegen hand, en van aangezicht tot aangezicht. Met een hevigen schok, die gehoord werd boven het krijgsrumoer uit dat het heelal vervulde, kwamen Odin en de Fenriswolf in geweldige aanraking, terwijl Thor de Midgardslang aanviel, en Tyr handgemeen werd met den hond Garm. Frey vocht met Surtr, Heimdall met Loki, dien hij vroeger reeds verslagen had, en de rest van de goden en al de Einheriar vonden vijanden die hun dapperheid waard waren. Maar trots hun dagelijksche oefening in de hemelsche stad, was Valhalla’s schare veroordeeld om te komen, en Odin was onder de eersten der blinkenden die vallen moest. Zelfs de groote moed en de machtige eigenschappen van Alvader konden het getij van het kwaad dat in den Fenriswolf verpersoonlijkt was, niet weerstaan. Elk volgend oogenblik van den strijd nam zijn kolossale gestalte groote afmetingen aan, totdat ten slotte zijn wijdgeopende kaken de gansche ruimte tusschen hemel en aarde omvatten en het vreeslijk monster aanstormde op den vader van de goden en hem in levenden lijve met zijn verschrikkelijken muil verzwolg.

Fenrir zal met fellen tand

Aller eeuwen heer verslaan;

Vithar zal zijn wreker zijn,

En, vechtend met den ruigen wolf,

Klieven zijn bebloeden muil.

Vafthrudni’s-mal.

Geen van de goden kon Alvader een helpende hand bieden op het kritieke oogenblik, want het was voor allen een moeilijke tijd. Frey deed heldhaftige pogingen, maar Surtr’s vlammend zwaard bracht hem een doodelijken slag toe. In zijn strijd met den aartsvijand Loki ging het Heimdall beter, maar zijn laatste overwinning werd duur gekocht, want ook hij viel dood. De strijd tusschen Tyr en Garm had hetzelfde tragische einde, en Thor, na een allerverschrikkelijkst gevecht met de Midgardslang, en na hem met een slag van Miölnir te hebben neergeslagen, deinsde negen stappen terug en verdronk in den stroom vergif die uit de kaken van het stervende monster kwam.

Odins zoon gaat

Met het monster ten strijde,

Midgard’s Veor in toorn

Wil dooden den draak,

Negen voeten treedt

Fiorgyns zoon,

Door de slang gebogen

Die geen vijand vreesde.

Saemunds Edda.

Vidar kwam nu aansnellen van een verwijderd deel der vlakte om den dood van zijn machtigen heer te wreken, en de voorspelde vloek trof Fenris, wiens onderkaak nu den slag van dien schoen voelde die voor dezen dag bewaard was. Op hetzelfde oogenblik greep Vidar de bovenkaak van het monster met zijn handen, en scheurde hem met een vreeslijken ruk in tweeën.

Het verslindende vuur.

De andere goden die deelnamen aan het gevecht, en al de Einheriar waren nu gevallen, en Surtr wierp nu plotseling zijn vurige donders over hemel, aarde en de negen rijken der Hel. De woedende vlammen omringden den zwaren stam van den wereldsche Yggdrasil, en bereikten de gouden paleizen der goden die geheel verteerd werden. De plantengroei op aarde werd eveneens vernietigd en de brandende hitte deed al de wateren zieden en koken.

Vuuraâm valt aan

Den alvoedenden boom,

Stijgend vuur speelt

Naar de lucht zelfs toe.

Saemunds Edda.

De groote brand woedde verschrikkelijk totdat alles verteerd was, toen de aarde, zwart en gewond, onder de kokende golven der zee wegzonk. Ragnarok was inderdaad gekomen, de tragedie der wereld was voorbij, de goddelijke spelers waren gedood en de chaos scheen haar vroegere heerschappij herwonnen te hebben. Maar evenals in een tooneelstuk, nadat de hoofdpersonen vermoord zijn en het gordijn is gevallen, de aanwezigen nog verwachten dat de gunstelingen verschijnen en een buiging maken, zoo meenden de oude Noorsche volken dat als alles in Surtr’s vlammen was omgekomen, uit de algemeene ruïne de goedheid zou oprijzen, om hare heerschappij over de aarde te hernemen, en dat sommige goden zouden terugkeeren en voor eeuwig in den hemel zouden wonen.

Alle kwaad

Sterft een eindloozen dood, en goedheid rijst

Uit dat groot wereldvuur gezuiverd weer

Tot leven hooger, beter, eedler dan weleer.

Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

Wedergeboorte.

Onze voorouders geloofden ten volle in de wedergeboorte en hielden het er voor, dat na een zeker tijdsverloop de aarde, gezuiverd door het vuur, gelouterd door hare indompeling in de zee, weer verrees in al hare oorspronkelijke schoonheid en verlicht werd door de zon, welker kar gevoerd werd door een dochter van Sol, geboren eer de wolf haar moeder had verslonden. De nieuwe dagtoorts was niet onvolmaakt als de eerste zon was geweest, en hare stralen waren niet langer zóó sterk dat men een schild moest plaatsen tusschen haar en de aarde. Deze meer weldadige stralen deden de aarde weldra haren groenen mantel vernieuwen en haar bloemen en vruchten in overvloed voortbrengen. Twee menschelijke wezens, een vrouw Lif, en een man Lifthrasir, doken nu op uit de diepten van Hodmimir’s (Mimir’s) bosch, waarheen zij gevlucht waren toen Surtr de wereld in brand stak. Zij waren daar in vredige sluimering gezonken, onbewust van de verwoesting rondom hen, en waren er gebleven, gevoed door den morgendauw, totdat zij veilig opnieuw konden uittrekken, waarop zij bezit namen van de herboren aarde, die hun afstammelingen moesten bevolken en waarover zij volkomen heerschappij zouden voeren.

Wij zullen rijzen zien

Uit lichte zee aan onzen voet een aard

Frisscher dan de oude, bloeiender, met vrucht

Van zelf ontloken, en met menschen die

Dan zullen leven in vrede als eens in twist.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Noren landende in IJsland
Noren landende in IJsland

Noren landende in IJsland

Oscar Wergeland.

Een nieuwe hemel.

Al de goden die de ontwikkelingskrachten der natuur voorstelden, werden op het noodlottige Vigridveld verslagen, maar Vali en Vidar, de typen van de onvergankelijke krachten der natuur, keerden tot het Idavold terug, waar zij Modi en Magni, Thors zonen, ontmoetten, de verpersoonlijkingen van sterkte en energie, die den heiligen hamer van hun vader uit de algemeene verwoesting redden en hem er heen brachten.

Vithar’s dan en Vali’s kracht

Erft het ledig goôngebied;

Mothi’s spieren, Magni’s wil

Zwaaien nu den moker zwaar,

Hun bezit, sinds Donar viel.

Vafthrudni-mal.

Hier ontmoetten zij Hoenir, niet langer een balling onder de Vanas, die, als ontwikkelingskrachten, ook voor goed verdwenen waren; en uit de donkere onderwereld, waar hij zoo lang gekwijnd had, rees de stralende Balder op, samen met zijn Broeder Hodur, met wien hij verzoend was en met wien hij in volkomen vriendschap en vrede zou leven. Het verleden was voor goed voorbij en de overlevende goden konden het zonder bitterheid terugroepen. De herinnering aan hun vroegere makkers was hun echter dierbaar, en vaak keerden zij naar hun oude verblijven terug. Zoo wandelden zij eens in het lange gras op Idavold en vonden weer de gouden schijven waarmede de Aesir altijd speelden.

Wij zullen gaan weer langs ’t bekend terrein

Van Ida, en wij zullen tusschen ’t gras

Vinden de gouden schijven, waarmee eens

Wij speelden, dit herinnert ons ’t weleer,

Der goden tijdverdrijf, het wijs gesprek

Van Odin, al de vreugde van ’t verleên.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Toen de kleine stoet der goden zich bedroefd naar de plaats keerde, waar hun vorstelijke verblijven eenmaal stonden, bespeurden zij, tot hun blijde verrassing, dat Gimli, het hoogste hemelsche paleis, niet vernield was, want het rees schitterend voor hen op, terwijl zijn gouden dak de zon overscheen. Zij haastten zich er naar toe en ontdekten, tot hun nog veel grooter blijdschap, dat het het toevluchtsoord was geworden voor alle deugdzamen.

In Gimli het grootsche,

Daar zal de schaar

Der deugdzamen zijn,

En door alle eeuw

Smaken de vreugde.

Letterkunde en Romantiek van Noord-Europa (Howitt).

Een te groot om te noemen.

Daar de Noormannen, die zich op IJsland vestigden, en door wie de meest volledige expositie van het Odins geloof ons in de Eddas en Sages heeft bereikt, niet geheel bekeerd werden voor de elfde eeuw—ofschoon zij in aanraking waren gekomen met Christenen op hun vikingtochten bijna zes eeuwen vroeger,—is het zeer waarschijnlijk, dat de Noordelijke scalden eenige denkbeelden van de Christelijke leerstellingen opdeden, en dat deze kennis in zekere mate invloed op hen uitoefende, en hun beschrijvingen van het wereldeinde en de wedergeboorte der aarde kleurde. Misschien was het deze vage kennis ook, die hen er toe bracht aan de Edda een vers toe te voegen dat men gewoonlijk voor een interpolatie houdt, waarin gezegd wordt dat een andere God, te groot om te noemen, zou verrijzen om over Gimli te heerschen. Van deze hemelsche plaats zou hij de menschheid oordeelen en de boozen van de goeden scheiden. De eersten zouden worden verbannen naar de ellendige oorden van Nastrond, terwijl de goeden naar de zalige hallen van Gimli, het lieflijke, zouden worden overgebracht.

Dan komt een ander,

Nog meer machtig,

Maar Hem te noemen

Durf ik niet wagen.

Meest ziet niet verder

Men dan waar Odin

Den wolf gaat treffen.

Letterkunde en Romantiek van Noord-Europa (Howitt).

Er waren twee andere hemelsche verblijven echter, het eene afgezonderd voor de dwergen en het andere voor de reuzen; want daar deze schepselen geen vrijen wil hadden en slechts blindelings de bepalingen van het lot uitvoerden, achtte men hen niet verantwoordelijk voor eenig kwaad dat zij hadden gedaan; en dus, meende men, verdienden zij geen straf.

De dwergen, geregeerd door Sindri, bewoonden, meende men, een gebouw in de Nidabergen, waar zij de vonkelende meê dronken, dewijl de reuzen zich vermaakten in de hal Crimer, gelegen in de streek Okolnur, (niet koel), want de macht van de koude was geheel vernietigd, en er was geen ijs meer.

Verschillende mythologen hebben natuurlijk beproefd deze mythen te verklaren, en eenigen, zooals wij reeds hebben gezegd, zien in het verhaal van Ragnarok den invloed van Christelijke onderrichting en beschouwen het enkel als een barbaarsche vertolking van het wereldeinde en van de komende oorlogsdag, als een nieuwe hemel en aarde zal rijzen en alle goeden eeuwige zaligheid zullen genieten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings