Hoofdstuk XVIII: De Valkyren.
Reading edition
De slagmaagden.
Odin’s speciale dienaressen, de Valkyren, of slagmaagden, waren òf zijn dochters zooals Brunhild, òf het kroost van sterfelijke koningen, maagden die het voorrecht hadden onsterflijk en onwondbaar te blijven zoolang zij den god trouw gehoorzaamden en maagden bleven. Zij en hunne paarden waren de verpersoonlijking van de wolken, hare schitterende wapenen waren de bliksemschichten. De ouden dachten dat zij naar de aarde streken op Valfaders bevel, om onder de in het gevecht gesneuvelden de helden te kiezen, die waardig waren de vreugde van het Valhalla te genieten, en dapper genoeg om hulp te verleen en aan de goden wanneer de groote slag zou bevochten worden.
Daar door een slagveld, waar de mannen sneuv’len,
Rijden zij voort, haar paarden diep in ’t bloed,
Lezen de dappersten ten doode uit,
Brengen hen thuis des avonds in den hemel,
Tot vreugd der goden en tot Valhall’s feest.
Balder Dood (Matthew Arnold).
Deze maagden werden voorgesteld als jong en schoon, met verblindend witte armen en golvend gouden haar. Zij droegen helmen van zilver of goud, en bloedroode pantsers, en met blinkende speren en schilden snelden zij moedig door het gevecht op hare vurige witte rossen. Deze paarden galoppeerden door de lucht en over de sidderende Bifröst, dragende niet alleen hun schoone berijdsters, maar ook de verslagen helden, die, nadat zij den doodskus der Valkyren ontvangen hadden, dan onmiddellijk naar het Valhalla werden overgebracht.
De wolkenpaarden.
Daar de rossen van de Valkyren verpersoonlijkingen waren van de wolken, moest men natuurlijk denken dat de ruige vorst en de dauw op aarde neerdruppelden van hun schitterende manen, als zij snel af en aan stormden door de lucht. Zij werden daarom in hooge eere gehouden, want het volk schreef aan haren weldadigen invloed toe veel van de vruchtbaarheid der aarde, lieflijkheid van dal en berghelling, de pracht der pijnboomen, en de vetheid van het weideland.

Het Zwaan-Meisje
Gertrude Demain Hammond R. I.
Zij kiezen de gevallenen.
De Valkyren werden niet enkel naar de slagvelden op aarde gezonden, maar dikwijls reden zij over de zee en namen de stervende Vikings op van hun zinkende drakenschepen. Soms stonden zij op het strand om hen er heen te wenken, een onbedriegelijke waarschuwing dat de aanstaande strijd hun laatste zou zijn, en een die elke Noorsche held met vreugde ontving.
Zij reden langzaam naar de kust,
En toen men kon zien hun heir,
Scheen elk op een machtig ros in rust
En te dragen een groote veêr,
En te wenken met zachte hand
Van het donker, rotsig strand
En te drillen een blinkende speer.
Toen kwam er vrede in zijnen geest,
Wetend wat dit beduidt,
Want hij kende den stoet der Nornen die leest
De gevallen krijgers uit.
Valkyriur lied (Mrs. Hemans).
Hun getal en hun werk.
Het getal der Valkyren verschilt veel volgens onderscheiden mythologen, loopend van drie tot zestien; de meeste bronnen noemen er echter slechts negen. De Valkyren werden beschouwd als godheden van de lucht; zij werden ook Nornen of wenschmeisjes genoemd. Men zei dat Freya en Skuld haar ten strijde voerden.
Zij zag Valkyren
Komen van ver,
Tot rijden gereed
Naar der goden stam;
Skuld hield het schild
Skaugel kwam toen,
Gunnr, Hildr, Gaundul,
En Geir-skaugul,
Zoo zijn geteld
De oorlogsnornen.
Saemunds Edda.
De Valkyren hadden, zooals wij gezien hebben, belangrijke dingen in Valhalla te doen, als zij hare bloedige wapenen hadden afgedaan en de hemelsche mee voor de Einheriar inschonken. Deze drank vervroolijkte de zielen van de pas gekomenen, en zij heetten de schoone meisjes even hartelijk welkom, als toen zij ze het eerst op het slagveld hadden gezien en hadden begrepen dat zij hen zouden brengen waar zij gaarne zouden wezen.
Nu komen in schaduw zeer rijzige gestalten,
Heur handen als sneeuwvlokken blinken in ’t maanlicht;
Zij wenken, zij fluisteren, “O! met moed omgorden,
U wachten de gasten—mee schuimt in ’t Valhalla.”
Finn’s Saga (Hewitt).
Wieland en de Valkyren.
Men meende dat de Valkyren dikwijls naar de aarde vlogen in zwanenveeren, die zij afdeden als zij aan een eenzamen stroom kwamen, om een bad te nemen. Als een sterveling ze dus verraste en hare veeren wegnam, kon hij ze beletten, de aarde te verlaten en deze trotsche maagden zelfs dwingen hem ter wille te zijn, als hij dat begeerde.
Men vertelt dat drie van de Valkyren, Olrun, Alvit en Svanhvit, eens in het water speelden, toen plotseling de drie broeders Egel, Slagfinn en Völund of Wieland de smid bij ze kwamen, en hare zwanenveeren wegnemend, dwongen de jonge mannen ze op aarde te blijven en hun vrouwen te worden. De Valkyren, zoo vastgehouden, bleven bij hare mannen negen jaren, maar op het eind van dien tijd deden zij hare veêren weer aan of werd op andere wijs de betoovering verbroken, en gelukte het haar te ontvluchten.
Daar zij toefden
Zeven winters lang;
Maar in den achtsten
Greep heimwee allen;
En in den negenden
Scheidde ze ’t lot;
De meisjes smachtten
Naar ’t donker woud.
Völundlied.
De broeders voelden het verlies hunner vrouwen buitengewoon, en twee hunner, Egil en Slagfin, deden hun sneeuwschoenen aan en gingen hunne geliefden zoeken, terwijl zij in de koude en mistige streken van het Noorden verdwenen. De derde broeder Völund echter bleef thuis, wetend dat alle zoeken niets baten zou, en hij vond troost in de beschouwing van een ring, dien Alvit hem als liefdeteeken had geschonken, en hij voelde de vaste hoop dat zij zou terugkeeren. Daar hij een knap smid was en de mooiste versierselen van goud en zilver kon maken, even goed als tooverwapenen die geen slag kon breken, gebruikte hij nu zijn vrijen tijd om zeven honderd ringen te vervaardigen, die alle precies gelijk waren aan den eenen, dien zijn vrouw hem had gegeven. Toen deze klaar waren, bond hij ze samen; maar toen hij ’s nachts van de jacht thuis kwam, merkte hij dat iemand een ring had weggenomen, en zijn verwachtingen werden opnieuw aangewakkerd, want hij hield zich zelf voor, dat zijn vrouw er geweest was en spoedig voor goed zou terugkeeren.

De rit der Valkyren
J. C. Dollman.
Dienzelfden nacht echter werd hij verrast in zijn slaap en gekneveld en gevangen genomen door koning Nidud van Zweden die zijn zwaard in bezit nam, een prachtig wapen, met tooverkracht bedeeld, dat hij voor zijn eigen gebruik behield, en den liefdering, uit zuiver Rijngoud gemaakt, dien hij later gaf aan zijn eenige dochter Bodvild. Wat den ongelukkigen Völund zelf betrof, hij werd als gevangene weggevoerd naar een naburig eiland, waar, na lam gemaakt te zijn, opdat hij niet zou ontsnappen, de koning hem voortdurend aan het werk hield om wapenen en versierselen tot zijn gebruik te smeden. Hij liet hem ook een ingewikkeld labyrinth bouwen, en tot dezen dag is een doolhof op IJsland bekend als “Völund’s huis”.
Völund’s woede en wanhoop namen toe bij elke nieuwe beleediging, hem door Nidud aangedaan, en dag en nacht peinsde hij, hoe hij zich zou kunnen wreken. Ook vergat hij niet te zinnen op zijn ontsnapping, en als hij niet werkte, maakte hij een paar vleugels die geleken op die welke zijn vrouw als Valkyre gebruikt had, en deze wilde hij aandoen zoodra hij aan zijn wraak toe was. Op zekeren dag kwam de koning zijn gevangene bezoeken en bracht hem het gestolen zwaard om het te maken; maar Völund stelde er handig een ander wapen voor in de plaats dat zóó volkomen op het tooverzwaard geleek, dat het den koning misleiden moest als hij het kwam terug vragen. Eenige dagen later lokte Völund ’s konings zonen in zijn smidse en doodde ze, waarop hij knaphandig drinkschalen uit hun schedels vervaardigde en juweelen uit hun oogen en tanden, die hij bestemde voor hun ouders en zuster.
Maar hun schedels
Onder het haar
Zette hij in zilver,
Gaf ze aan Nidud;
En uit hun oogen
Vormde hij edelsteenen,
Die aan Nidud’s
Sluwe vrouw hij zond
Maar van de tanden
Maakte hij borsttooi,
Zond dien aan Bödvild.
Lied van Völund.
De koninklijke familie vermoedde niet, van waar zij kwamen; en zoo werden deze geschenken met vreugde aanvaard. Wat de arme jonge mannen betrof, men meende dat zij naar zee waren gedreven en verdronken waren.

Brunhild en Sigmund
J. Wagrez.
Kort daarop bezocht ook Bodvild, die haar ring hersteld wilde hebben, de hut van den smid, waar, toen zij er wachtte, zij onvoorziens een tooverdrank te drinken kreeg, die haar deed inslapen en in Völund’s macht gaf. Toen zijn laatste daad van wraak vervuld was, deed Völund onmiddellijk de vleugels aan die hij voor dezen dag in gereedheid had gebracht, en zijn zwaard en ring nemend steeg hij langzaam in de lucht. Hij vloog naar het paleis, hield zich buiten bereik en vertelde zijn misdaden aan Nidud. De koning, buiten zich zelven van woede, riep Egil, Völund’s broeder, die ook in zijn macht was gekomen, en beval hem zijn wonderlijke behendigheid als boogschutter te gebruiken om den onbeschaamden vogel neer te leggen. Gehoorzamend aan een wensch van Völund, mikte Egil op een knobbel onder zijn vleugel waar een blaas vol met het bloed der prinsen verborgen was, en de smid vloog triomfantelijk weg zonder letsel, zeggend dat Odin zijn zwaard zou geven aan Sigmund—een voorspelling die volkomen uitkwam.
Völund ging toen naar Alf-heim, waar, als men de legende mag gelooven, hij zijn geliefde vrouw vond, en weer gelukkig met haar leefde tot de godenschemering.
Maar zelfs in Alf-heim ging deze knappe smid voort met zijn handigheid te toonen, en tal van ondoordringbare rustingen, die hij zou hebben gemaakt, worden in latere heldendichten beschreven. Behalve Balmung en Joyeuse, de beroemde zwaarden van Sigmund en van Karel den Groote, zegt men dat hij Miming vervaardigd heeft voor zijn zoon Hermie, en vele andere merkwaardige wapenen.
Het is gelijk aan Miming
Aller zwaarden vorst,
En Wieland wrocht het,
Bitterfer zijn naam.
Angelsaksische Poëzie.
Er zijn tallooze andere verhalen van zwaanmeisjes of Valkyren die met stervelingen zouden hebben verkeerd; maar het meest populaire is dat van Brunhild, de vrouw van Siguro, een afstammeling van Sigmund en den meest beroemden van de Noorsche helden.
William Morris, in “het Land ten Oosten der Zon en ten Westen der Maan,” geeft een prachtige bewerking van een andere dezer Noorsche legenden. De geschiedenis behoort tot de schoonste der verzameling in “Het Aardsche Paradijs”.
Brunhild.
De geschiedenis van Brunhild vindt men in velerlei vorm. Sommige bewerkingen beschrijven de heldin als de dochter van een koning die Odin aannam om in zijn Valkyrenschaar te dienen, anderen als opperste der Valkyren en zijn eigen dochter. In Richard Wagners verhaal “De Ring van den Nibelung” geeft de groote toonkunstenaar een bijzonder aantrekkelijke, zij het ook een meer moderne conceptie van de opperste Strijd-maagd, en haar gehoorzaam zijn aan het gebod van Odin toen zij den jeugdigen Siegmund moest roepen van de zijde zijner geliefde Sieglinde naar de hallen der Gezaligden.