← Table of contents
Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Hoofdstuk XIX: Hel.

Reading edition

Loki’s kroost.

Hel, de godin van den dood, was de dochter van Loki, den god van het kwaad, en van de reuzin Angur-boda, de voorzegster van ellende. Zij kwam ter wereld in een donkere hal in Jötun-heim tegelijk met de slang Iörmungandr en den vreeselijken Fenriswolf, en deze drie werden beschouwd als de voorstellingen van smart, zonde en dood,

Loki verschijnt, bron van al leed

Hem vloekt die mensch of Aesir heet,

De goden zullen rouwen lang,

Om, zelfs nog na der tijden gang,

Zijn laag bedrog op Asgardsburg.

En diep in Jötun-heim, zoo fel,

Zijn Fenrir, Slang en gruw’bre Hel,

Zijn kindren drie, Pijn, Zond’ en Dood,

Hij heeft ze lief en bracht ze groot,

Door hen brengt hij der wereld nood.

Valhalla (J. C. Jones).

Te zijner tijd bespeurde Odin het vreeslijke gebroed dat Loki koesterde, en hij besloot, zooals wij reeds gezien hebben, ze van het gelaat der aarde te verbannen. De slang werd daarom in zee geworpen, waar, zoo dacht men, haar gekronkel de verschrikkelijkste stormen veroorzaakte; de wolf Fenris werd in ketenen geslagen, dank den onverschrokken Tyr; en Hel of Hela, de godin van den dood, werd in de diepten van Niflheim gestort, waar Odin haar macht gaf over negen werelden.

En Hela storttet gij in Niflheim,

En gaaft haar negen duistere werelden,

Als koningin die over dooden heerscht.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Hel’s Koninkrijk in Niflheim.

Dit gebied, dat,—meende men—onder de aarde lag, kon men enkel na een lastige reis over de ruwste wegen in de koude, donkere streken van het verste Noorden naderen. De poort was zóó ver van alle menschelijke woning, dat zelfs Hermod de snelle, op Sleipnir gezeten, negen lange nachten moest reizen eer hij de rivier Giöll bereikte. Deze vormde de grens van Niflheim, en over haar was een brug geslagen van kristal met gouden boog, die aan een enkel haar hing, en die steeds bewaakt werd door het grimmige geraamte Mödgud, dat elken geest een tol in bloed liet betalen, eer het hem doorliet.

De glazen brug hing aan een haar.

Over den stroom van duisternis,

De Giöll, die grens der Helle is.

Hier stond de gruwbre maagd Mödgud,

En wachtt’ als tol des geesten bloed.

Een vrouw, verschriklijk van gelaat,

Ontvleescht, met lake’ en doodsgewaad.

Valhalla (J. C. Jones).

De geesten gingen meestal over deze brug op de paarden of in de wagens die op den brandstapel met den doode tot dat doel waren verbrand, en de Noorsche volken zorgden er goed voor, dat aan de voeten van den overledene een bijzonder sterk paar schoenen werden gebonden, Helschoenen geheeten, opdat zij geen pijn zouden lijden gedurende de lange reis over ruwe wegen. Spoedig nadat de Giallar-brug was gepasseerd, bereikte de geest het IJzerbosch, waar enkel kale boomen met ijzeren bladeren stonden, en, als hij er door was, kwam hij aan de Hellepoort, waarnaast de vraatzuchtige, met bloed bevlekte hond Garm wacht hield, neergehurkt in een donker hol, dat bekend stond als de Gnipa-spelonk. De woede van dit monster kon enkel gestild worden doordat men het een Helle-koek gaf, waaraan zij nooit gebrek hadden, die altijd aan de behoeftigen brood hadden geschonken.

Luid blaft Garm,

Voor het Gnipa-hol.

Saemunds Edda.

Binnen de poort, te midden van de hevige koude en de ondoordringbare duisternis, hoorde men het zieden van den grooten ketel Hvergelmir, het rollen van de gletschers in de Elivagar en andere stroomen van de Hel, onder andere de Leipter, waarbij plechtige eeden werden gezworen, en de Slid, in welker woelige wateren steeds bloote zwaarden rolden.

De weg naar Valhalla
De weg naar Valhalla

De weg naar Valhalla

Severin Nilsson.

Verderop in dit gruwelijk gebied was Elvidner (ellende), de hal van de godin Hel, wier tafel Honger was. Haar mes was Begeerigheid. “Luiheid was de naam van haar man, Traagheid van haar dienstmaagd, Verval van haar drempel, Verdriet van haar bed, en Brand van hare gordijnen”.

Elvidner was het huis van haar,

Met ijzren bout en muren zwaar;

Wie ’t zag ontzette zich, en daar

Was Honger haar tot leegen disch,

Begeert’ een mes, heur bed Gemis,

Brandende Angst richtt’ aan haar feest,

In botten zat er elke geest.

Pest sprak met Nood haar runen uit,

Gemengd met Wanhoops schor geluid,

Weedom ook en Stervenspijn

Zullen in Hel’s woning zijn.

Valhalla (J. C. Jones).

De godin had verschillende woningen voor de gasten, die dagelijks tot haar kwamen, want zij ontving niet enkel meineedigen en misdadigers van allerlei slag, maar ook hen, die ongelukkig genoeg waren om te sterven zonder bloed te vergieten. Ook werden naar haar gebied verwezen zij die van ouderdom of aan een ziekte stierven—een wijze van overlijden die men met verachting “strooien dood” noemde, daar de bedden van de menschen doorgaans van die stof waren.

Hun zenuwen gehard

Door storm en vorst en werk, het kroost van hen

Wier eenige vrees een bloedloos sterven was.

Thomson.

Denkbeelden aangaande het toekomstige leven.

Ofschoon de onschuldigen vriendelijk door Hel behandeld werden en een toestand van negatieve gelukzaligheid genoten, verwondert het ons niet, dat de bewoners van het Noorden terugschrikten voor een bezoek aan haar vreugdelooze woning. En terwijl de mannen zich gaarne met de speerpunt wondden, zich van een helling wierpen, of zich lieten verbranden, voordat het leven geheel was gebluscht, deinsden de vrouwen niet terug voor even heldhaftige handelwijzen. In het uiterste harer smart aarzelden zij zich niet van een berg af te storten of in het zwaard te vallen, dat haar bij haar huwelijk gegeven was, opdat haar lichamen zouden mogen verbrand worden met die van hen die zij liefhadden, en haar geesten bevrijd om hen in de blijde woning der goden te ontmoeten.

Verdere verschrikkingen wachtten echter hen, wier levens misdadig of onrein waren geweest, daar deze geesten naar Nastrond, het strand der lijken, verbannen waren, waar zij waadden in ijskoude stroomen vergif, door een hol dat van door elkaar gevlochten slangen gemaakt was, welker giftige vangarmen naar hen waren toegekeerd. Nadat zij daar onuitsprekelijke weeën hadden doorstaan, werden zij gewasschen in den ketel Hvergelmir, waar de slang Nidhug een oogenblik ophield met het knagen aan den wortel van den boom Yggdrasil, om te eten van hun beenderen.

Een hal staande

Ver van de zon

In Nâströnd;

Haar deuren zijn noordwaarts gekeerd,

Giftdruppelen vallen

Door haar spleten binnen;

Omgord is die heel

Met tal van slangen.

Zij zag er waden

Door trage stroomen

Bloeddorstige mannen

En meineedigen,

En hem die snood verleidd’

Eens and’ren vrouw.

Daar Nidhog teert

Op doode lijven.

Saemunds Edda.

Pestilentie en honger.

Men meende, dat Hel zelve soms haar afschuwelijke woning verliet om op de aarde te zwerven op haar wit paard met drie pooten, en in tijden van pest of honger, als een deel der bewoners van een streek vluchtten, zeide men dat zij een hark hanteerde, en als heele dorpen en provinciën ontvolkt werden, zooals dit het geval was tijdens de in de geschiedenis bekende epidemie van den Zwarten Dood, vertelde men dat zij met een bezem gereden had.

De Noordelijke volken meenden verder, dat de geesten van de dooden soms de aarde weer mochten bezoeken en aan hun verwanten verschijnen, wier smart of vreugde hun zelfs na hun dood ter harte ging, zooals verteld wordt in de Deensche ballade van Aager en Else, waar een doode minnaar zijn geliefde beveelt te glimlachen opdat zijn kist met rozen moge gevuld worden in plaats van met de geronnen bloeddruppels, teweeggebracht door hare tranen.

Luister nu, mijn dierbare Aager,

Bruidegom, al wat ’k behoef

Is te weten hoe het gaat u

In uw still’ en sombre groef,

Elken keer als gij verheugd zijt

En ’t geluk uw hart vermooit,

Wordt mijn stille graf met blaad’ren,

Rozenbladeren getooid.

Elken keer als, lief, gij jammert

En uw ziele tranen stort,

Weet dan, dat mijn stille grafsteen

Vol van somb’ren bloedstroom wordt.

Ballade van Aager en Else.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings