Hoofdstuk VI: Bragi.
Reading edition
Het ontstaan van de dichtkunst.
Ten tijde van den twist tusschen de Aesir en de Vanas, toen men vrede gesloten had, werd een vaas in de vergadering gebracht, waarin beide partijen plechtig spuwden. Uit het speeksel schiepen de goden Kvasir, een wezen dat beroemd was wegens zijn wijsheid en goedheid, die de wereld rondging en antwoordde op alle hem gestelde vragen, en zoo de menschheid onderrichtte en gelukkig maakte. De dwergen, vernemend van Kvasirs groote wijsheid, begeerden hem, en toen zij hem op zekeren dag slapende vonden, versloegen twee hunner, Fialar en Galar, hem verraderlijk, en vingen iederen druppel van zijn bloed in drie vaten—den ketel Od-hroerir (ingeving) en de bekers Son (boete) en Boden (offer). Na dit bloed flink met honig vermengd te hebben, vervaardigden zij er een soort drank uit, die zóó inspireerend was, dat wie er van proefde onmiddellijk een dichter werd, en kon zingen met een lieflijkheid die stellig alle harten moest veroveren.
Ofschoon de dwergen deze wonderbare meê tot eigen gebruik hadden gebrouwen, proefden zij er nu in het geheel niet van, maar verborgen haar op een geheime plaats, terwijl zij op zoek gingen naar verdere avonturen. Zij waren nog niet ver gegaan, toen zij den reus Gilling ook in diepen slaap vonden, liggend op een steilen oever, en zij rolden hem boosaardig in het water, waar hij omkwam. Toen zich naar zijn woning spoedend, klommen eenigen op het dak, dragend een grooten molensteen, terwijl de anderen naar binnen gingen en aan de reuzin vertelden dat haar man dood was. Toen zij door de deur ging rolden de ondeugende dwergen den molensteen op haar hoofd en doodden haar. Volgens een ander verhaal verzochten de dwergen den reus met hen te gaan visschen en slaagden er in hem te vermoorden doordat zij hem uitzonden in een lek schip dat zonk onder zijn gewicht.
De zoo bedreven dubbele misdaad bleef niet lang ongestraft, want Gillings broeder, Suttung, ging snel de dwergen zoeken, besloten hem te wreken. Hij pakte hen in zijn machtige vuist en zette hen op een zandbank ver in zee, waar zij zeker zouden zijn omgekomen, ware het hun niet gelukt hun leven te redden door te beloven dat zij den reus hun pas gebrouwen meê zouden geven. Zoodra Suttung hen op het land zette, gaven zij hem daarom dit kostelijke mengsel, dat hij aan zijn dochter Gunlod toevertrouwde terwijl hij haar beval er dag en nacht voor te waken, en er noch goden noch menschen van te laten proeven. Om zijn gebod beter na te komen bracht Gunlod de drie vaten in den hollen berg, waar zij de wacht over ze hield met de meest angstvallige nauwgezetheid, en zij vermoedde niet dat Odin de plaats had ontdekt waar zij verborgen waren, dank de scherpe oogen van zijn altijd waakzame raven Hugin en Munin.
Het zoeken van den drank.
Toen Odin de runenwijsheid bemachtigd had en had geproefd de wateren van Mimirs fontein, was hij reeds de wijste der goden; maar toen hij vernam van de macht van den drank der inspiratie, die gemaakt was uit Kvasirs bloed, werd hij zeer verlangend om het toovervocht in bezit te krijgen. Met dit doel voor oogen zette hij dus zijn breed geranden hoed op, wikkelde zich in zijn wolkenmantel, en trok naar Jötun-heim. Op weg naar de woning van den reus kwam hij voorbij een veld waar negen leelijke kerels bezig waren met hooien. Odin bleef een oogenblik staan en keek naar hun werken, en merkende dat hun sikkels inderdaad heel stomp schenen, bood hij aan ze te slijpen, een aanbod dat de kerels gaarne aannamen.
Een slijpsteen van zijn boezem halend, ging Odin aan het scherpen van de negen sikkels, en gaf hun handig een zóó scherpe snede dat de kerels er plezier aan hadden en vroegen of zij den steen konden krijgen. Met genoegen stond Odin dit toe en wierp den slijpsteen over den muur; maar toen de negen kerels te gelijk aansprongen om hem te pakken, wondden zij elkander met hun scherpe sikkels. Boos over hun aller groote zorgeloosheid begonnen zij nu te vechten en hielden niet op voordat zij allen doodelijk gewond of dood waren.
Niets zich aantrekkend van deze treurige geschiedenis ging Odin verder en kwam kort daarop aan het huis van den reus Baugi, een broeder van Suttung, die hem zeer gastvrij ontving. In den loop van het gesprek vertelde Baugi hem dat hij in groote verlegenheid was, want het was oogsttijd en al zijn werklui waren juist dood in het hooiland gevonden.
Odin die bij deze gelegenheid zich Bolwerk (kwaaddoener) had genoemd, bood dadelijk den reus zijn diensten aan en beloofde evenveel werk te zullen verrichten als de negen kerels samen, en ijverig den heelen zomer te zullen werken in ruil voor een teug van Suttungs toovermeê, als het drukke jaargetij ten einde was. Deze overeenkomst werd onmiddellijk gesloten, en Baugi’s nieuwe knecht, Bolwerk, werkte den ganschen zomer onophoudelijk door; hij deed meer dan de afspraak nakomen en bracht al het graan veilig in de schuur voordat de herfstregens begonnen te vallen. Toen de eerste dag van den winter kwam, verscheen Bolwerk voor zijn meester en vroeg zijn loon. Maar Baugi aarzelde en weifelde en zeide dat hij niet ronduit zijn broeder Suttung om de teug der inspiratie durfde vragen, maar zou trachten ze door bedrog te krijgen. Samen togen Bolwerk en Baugi toen naar den berg waar Gunlod woonde, en daar zij geen andere manier konden vinden om den verborgen kelder binnen te komen, haalde Odin zijn betrouwbare boor, Raki geheeten, voor den dag en beval den reus met alle kracht te boren om een gat te maken waardoor hij naar binnen zou kunnen kruipen.
Baugi gehoorzaamde zwijgend, en na eenige oogenblikken werkens trok hij het gereedschap terug, zeggend dat hij het door den berg had geboord en dat Odin er gemakkelijk in kon komen. Maar de god vertrouwde zijn bewering niet, blies in het gat en toen het stof en de spaanders hem in het gezicht vlogen, beval hij Baugi streng weer te gaan boren en niet weer te trachten hem te bedriegen. De reus deed zooals hem bevolen was, en toen hij zijn werktuig terugtrok, verzekerde Odin zich ervan dat het gat werkelijk klaar was. Hij veranderde zich in een slang en wrong er zich zóó merkwaardig snel doorheen, dat hij de scherpe boor ontweek die Baugi hem verraderlijk in het gat nastootte om hem te vermoorden.
Raki’s mond liet ik
Maken een gat,
Doorknagen de rots;
Over en onder mij
Was der reuzen weg:
Dus waagde ik mijn hoofd.
Hávamál.
De roof van den drank.
Toen hij het binnenste van den berg had bereikt, nam Odin zijn gewone godengestalte weer aan en droeg weer zijn besterden mantel; zoo vertoonde hij zich in de met druipsteen behangen grot voor de schoone Gunlod. Hij was van plan haar liefde te winnen om haar er zoo toe te krijgen dat zij hem een slokje zou geven uit al de vaten, die aan hare zorg waren toevertrouwd.
Gewonnen door zijn hartstocht stemde Gunlod er in toe zijn vrouw te worden, en nadat hij drie volle dagen met haar in dit verblijf had doorgebracht, haalde zij de vaten uit de verborgen plaats en zeide hem dat hij van elk een teug mocht nemen.
En hij kreeg een dronk
Van de kostb’re mee.
Gemaakt uit Od-hroerir.
Odins Runenlied.
Odin maakte flink gebruik van deze toestemming en dronk zóóveel dat hij alle drie vaten heelemaal leegdronk. Na dus verkregen te hebben al wat hij wenschte, dook hij weer op uit het hol, deed zijn arendsvleugelen aan en steeg hoog in de lucht, en, na een oogenblik boven den bergtop gezweefd te hebben, richtte hij zijn vlucht naar Asgard.
Hij was nog ver van het gebied der goden, toen hij een vervolger bemerkte, en inderdaad, Suttung, die ook de gestalte van een arend had aangenomen, kwam hem snel achterna om hem tot teruggave van de gestolen mee te dwingen. Odin vloog daarom sneller en sneller, zich inspannend om Asgard te bereiken voordat de vijand hem inhaalde, en toen hij naderkwam, keken de goden met spanning naar den strijd.
Ziende dat Odin slechts met moeite zou kunnen ontsnappen, haalden de Aesir alle brandbare stoffen, die zij konden vinden, bij elkaar, en toen hij over de muren van hun huis vloog, staken zij de massa brandstof aan, zoodat de vlammen hoog op rezen en de vleugels van Suttung zengden, terwijl hij den god volgde, en hij midden in het vuur viel waar hij verbrandde.
Odin vloog tot waar de goden vaten hadden neergezet voor de gestolen mee, en hij spuwde den drank der inspiratie zoo snel uit dat een paar druppels neervielen en over de aarde verspreid werden. Daar werden zij het deel van rijmelaars en poëtasters, terwijl de goden het voornaamste tot eigen gebruik behielden, en slechts bij gelegenheid een teug toestonden aan den dezen of genen begunstigden sterveling, die, onmiddellijk daarop, wereldberoemd zou worden door zijn geïnspireerde zangen.
Van een welgekozen vorm
Maakt’ ik goed gebruik;
Weinig mist de wijze;
Want Od-hroerir
Is gekomen nu
Op d’ aarde der menschen.
Hávamál.
Daar menschen en goden het onwaardeerbare geschenk aan Odin te danken hadden, waren zij steeds bereid hem hun erkentelijkheid uit te drukken, en zij noemden het niet alleen naar zijn naam, maar zij vereerden hem als patroon van welsprekendheid, poëzie en zang en van alle skalden.
De god der muziek.
Ofschoon Odin dus de gave der poëzie bemachtigd had, maakte hij zelden daarvan gebruik. Het was voorbehouden aan zijn zoon Bragi, het kind van Gunlod, de god van poëzie en muziek te worden, en de wereld door zijn liederen te betooveren.
Wit gebaard, oud
Speelt Bragi zijn gulden
Harp—en nog zachter
Sluipt weg de dag.
Viking-vertellingen van het Noorden (R. B. Anderson).
Zoodra Bragi geboren was in de met druipsteen behangen grot waar Odin Gunlods liefde had gewonnen, begiftigden de dwergen hem met een gouden tooverharp, en zetten hem op een van hun eigen schepen en zonden hem de wijde wereld in. Toen de boot langzaam uit het onderaardsche duister kwam en over den drempel van Nain, het gebied van den dwerg des doods, ging, zat Bragi, de schoone en zuivere jonge god, die tot nu toe geen teekenen van leven had gegeven, plotseling overeind, greep zijn gouden harp die naast hem lag, en begon het wonderbare lied van het leven te zingen, dat soms ten hemel steeg en dan zonk tot het vreeslijk gebied van Hel, de godin van den dood.
Yggdrasils esch is
Van alle boomen ’t schoonst,
En van alle schepen Skidbladnir;
Van de Aesir, Odin,
Van de paarden Sleipnir;
Bifröst van de bruggen,
Van de dichters Bragi.
Lied van Grimnir.
Terwijl hij speelde, gleed het schip zacht over de door de zon beschenen wateren en naderde weldra de kust. Bragi ging toen te voet verder, zijn weg banend door het kale en zwijgende bosch, spelend terwijl hij liep. Op het geluid van zijn teere muziek begonnen de boomen te knoppen en te bloeien, en het gras onder zijn voeten werd met tallooze bloemen gesierd.

Idoen
B. E. Ward.
Hier ontmoette hij Idoen, dochter van Ivald, de schoone godin van onsterflijke jeugd, wie de dwergen toestonden de aarde van tijd tot tijd te bezoeken, terwijl, bij haar nadering, de natuur steeds haar lieflijksten en bekoorlijksten aanblik kreeg.
Het was te verwachten, dat twee zulke wezens zich tot elkaar zouden voelen aangetrokken, en Bragi kreeg de schoone godin tot vrouw. Samen haastten zij zich naar Asgard, waar beiden hartelijk welkom werden geheeten, en waar Odin, na runen te hebben getrokken op Bragi’s tong, besloot, dat hij de hemelsche minstreel en dichter zou zijn van liederen op de goden en de helden die hij ontving in het Valhalla.
Vereering van Bragi.
Daar Bragi de god was van poëzie, welsprekendheid en zang, noemden de noordelijke volken de poëzie ook naar hem, en Skalden van beide geslachten werden dikwijls aangeduid als Bragi-mannen of Bragi-vrouwen. Bragi werd hooggeëerd door alle noordelijke volken, en daarom werd zijn gezondheid altijd gedronken bij plechtige of feestelijke gelegenheden, maar vooral bij begrafenisplechtigheden en bij Yuletijdvieringen.
Wanneer het tijd was om een dronk op hem in te stellen, die gediend werd in bekers in den vorm van een schip en die Bragaful heetten, werd eerst het heilige teeken van den hamer er over gemaakt. Dan verbond zich de nieuwe heer of het hoofd van de familie plechtig tot de eene of andere dappere daad, die hij binnen het jaar moest volvoeren, tenzij hij als eerloos wilde zijn beschouwd. Zijn voorbeeld volgend legden al de gasten gewoonlijk dezelfde gelofte af en zeiden wat zij zouden doen, en daar sommigen hunner, die eerst hadden gedronken, al te vrij praatten over hun voornemens bij deze gelegenheden, schijnt deze gewoonte den naam van den god te hebben verbonden met het gemeenzame maar typische Engelsche werkwoord “to brag” (pochen).
In de kunst wordt Bragi gewoonlijk voorgesteld als een oudachtig man met lang wit haar en baard, die de gouden harp vasthoudt, waaraan zijn vingers zulke tooverachtige wijzen konden ontlokken.