Hoofdstuk IX: Frey.
Reading edition
De god van het elfenland.
Frey, of Froh, zooals hij in Duitschland heette, was de zoon van Niörd en Nerthus, of van Niörd en Skadi, en werd geboren in Vanaheim. Daarom behoorde hij tot het ras van de Vana’s, de goden van water en lucht, maar werd hartelijk welkom geheeten in Asgard toen hij er kwam als gijzelaar met zijn vader. Daar het onder de noordelijke volken gebruik was een kind een groot geschenk te geven wanneer het zijn eersten tand kreeg, gaven de Aesir het kind Frey het schoone land Alf-heim of Elfenland, het verblijf der Lichtelfen.
Alf-heim werd aan Frey
Door de goden gegeven
Eens als tandgeschenk.
Saemunds Edda.
Hier ging Frey, de god van den gouden zonneschijn en de warme zomerbuien, wonen, bekoord door het gezelschap van de elfen en feeën, die blindelings zijn bevelen gehoorzaamden, en op een teeken van hem af en aan zweefden, terwijl zij alle goeds deden dat in haar macht stond, want zij waren buitengewoon weldadige geesten.
Frey kreeg van de goden ook een wonderbaar zwaard (een beeld van de zonnestralen), dat de macht had met goed gevolg en uit zich zelf te strijden zoodra het uit de scheede getrokken was. Frey zwaaide dit vooral tegen de vorstreuzen, die hij bijna even sterk haatte als Thor, en omdat hij dit schitterende wapen droeg, is hij soms verward met den zwaardgod Tyr of Saxnot.
Met een kortgreep’gen hamer strijdt de machtige Thor,
Freys zwaard is slechts lang één el.
Viking-vertellingen van het noorden (R. B. Anderson).
De dwergen van Svart-alfa-heim gaven Frey het goudborstelige zwijn Gullin-bursti (de goudborstelige) een verpersoonlijking van de zon. De schitterende borstels van dit dier werden symbolisch verklaard òf als de zonnestralen, òf als het gouden graan dat op zijn bevel golfde over de oogstlanden van Midgard, òf als de landbouw, want het wildzwijn (dat met zijn scherpen snuit den grond omwoelt) werd geacht de menschheid het eerst geleerd te hebben hoe zij ploegen moest.
Daar was Frey en zat
Op ’t goudborstelig zwijn, dat—zeggen zij—
Ploegde de bruine aard’, ze maakte groen.
Minnaars van Goedroen (William Morris).
Frey reed soms schrijlings op dit wonderbare zwijn, welks snelheid zeer groot was en spande het op andere tijden voor den gouden wagen, die—zooals men zeide—de vruchten en bloemen bevatte welke hij kwistig over de aarde uitstrooide.
Frey was bovendien de trotsche bezitter van het onverschrokken ros Blodug-hofi, dat op zijn bevel door vuur en water zou ijlen, maar ook van het tooverschip Skidbladnir, een verpersoonlijking van de wolken. Dit schip, dat over land en zee voer, werd altijd door gunstige winden voortgestuwd, en was zóó elastisch dat, terwijl het voldoende groote afmetingen kon aannemen om de goden te dragen, hun paarden en heel hun uitrusting, het ook als een doek kon worden opgevouwen en in den zak gestoken.
Ivaldi’s zonen
Werkten in dagen van ouds
Om te maken Skidbladnir,
Het beste schip
Voor den schoonen Frey,
Niörds goeden zoon.
Grimnir-lied.
Het dingen om Gerda’s hand.
In een van de Edda-liederen wordt verteld dat Frey eens Odins troon, Hlidskialf, durfde beklimmen, van welken hoogen zetel zijn blik over de wijde wereld zwierf. Toen hij naar het bevroren noorden keek, zag hij een schoon jong meisje het huis van den vorstreus Gymir binnengaan, en toen zij haar hand ophief om de klink op te lichten, bestraalde haar schitterende schoonheid zee en lucht.
Een oogenblik later verdween dit lieflijke wezen, wier naam Gerda was en die men beschouwt als een verpersoonlijking van het flitsende noorderlicht, in het huis haars vaders, en Frey keerde in gedachten terug naar Alfheim, terwijl zijn hart vervuld was met het verlangen dit mooie meisje zijn vrouw te maken. Smoorlijk verliefd was hij zwaarmoedig en in de hoogste mate verstrooid, en begon zich zóó vreemd aan te stellen, dat zijn vader, Niörd, zeer ongerust werd over zijn gezondheid, en zijn trouwen knecht Skirnir beval de oorzaak van deze plotselinge verandering te ontdekken. Na veel overreding kreeg Skirnir ten slotte van Frey een verslag aangaande zijn beklimmen van Hlidskialf, en van het mooie schouwspel dat hij had gezien. Hij bekende zijn liefde en ook zijn uiterste wanhoop, want daar Gerda de dochter was van Gymir en Angur-boda, en een bloedverwante van den vermoorden reus Thiassi, vreesde hij, dat zij hem nooit gunstig ontvangen zou.
In Gymirs hof heb ’k haar geschouwd,
De maagd die mij gevangen houdt;
Haar sneeuwwitt’ armen, blank gezicht
Wierpen op aard’ en zee hun licht.
Haar min ik meer dan ooit voorheen
Een meisj’ een jongling dierbaar scheen;
Maar elf en god die ’t al gebiedt
Gunt ons ’t geluk der liefde niet.
Skirners lied.
Maar Skirnir antwoordde troostend dat hij geen reden kon zien waarom zijn meester een zoo wanhopigen blik op de zaak zou hebben, en hij bood aan, het meisje in zijn naam te gaan vragen, mits Frey hem zijn paard voor de reis wilde leenen en hem zijn blinkend zwaard geven tot loon.
Overgelukkig in het vooruitzicht dat hij de schoone Gerda zou winnen, gaf Frey Skirnir gaarne het blinkende zwaard, en stond hem toe zijn paard te gebruiken. Maar hij verzonk spoedig weer in den droomerigen staat die hem gewoon was geworden sinds hij verliefd geworden was, en zoo merkte hij niet dat Skirnir nog bij hem talmde, en ook niet dat hij handig de spiegeling van zijn gelaat van het oppervlak der beek stal waaraan hij gezeten was, en dat hij ze sloot in den drinkhoren, met het plan “ze uit te storten in Gerda’s beker, en door de schoonheid er van het hart der reuzin voor den heer te winnen” in wiens dienst hij nu uit vrijen ging. Toegerust met dit portret, met elf gouden appelen en met den tooverring Draupnir, reed Skirnir nu naar Jötun-heim om zijn opdracht uit te voeren. Toen hij bij Gymirs woning kwam, hoorde hij het luid en voortdurend gehuil van zijn wachthonden, die de winterwinden verpersoonlijkten. Een herder die zijn kudde in de nabijheid hoedde, vertelde hem, in antwoord op zijn vraag, dat men onmogelijk het huis kon naderen vanwege den vlammenmuur die het omringde; maar Skirnir, wetende dat Blodug-hofi door alle vuur heen kon, gaf zijn paard de sporen, en reed zonder letsel naar de deur van den reus en was weldra in tegenwoordigheid van de lieflijke Gerda.
Opdat het mooie meisje een gunstig oor zou leenen aan de voorstellen van zijn meester, toonde Skirnir haar het gestolen portret en haalde voor den dag de gouden appelen en den tooverring, die zij echter met hoogheid afwees, zeggend dat haar vader genoeg goud had en meer dan genoeg.
Ik neem niet aan dien wondren ring
Schoon ’k hem van Balders schat ontving;
’k Behoef geen goud in Gymers hal
Daar ’t mij mijn vader geven zal.
Skirners lied.
Boos omdat zij het goud versmaadde, dreigde Skirnir nu haar met zijn tooverzwaard te onthoofden, maar daar dit het meisje in het minst niet bang maakte en zij hem met kalmte tartte, nam hij zijn toevlucht tot tooverkunst. Hij sneed runen in zijn stok en zeide haar, dat, als zij niet toegaf eer de bezwering klaar was, zij òf tot eeuwige maagdelijkheid zou veroordeeld zijn òf een vorstreus zou huwen dien zij nooit zou kunnen beminnen.

Frey
Jacques Reich.
Verschrikt door de vreeslijke beschrijving van hare vreugdelooze toekomst in geval zij volhardde in hare weigering, stemde Gerda er eindelijk in toe Frey’s vrouw te worden, en liet Skirnir gaan, met de belofte dat zij haar aanstaanden bruidegom op den negenden avond in het land Burri zou ontmoeten, het groene veld, waar zij zijn somberheid zou verdrijven en hem gelukkig zou maken.
Burri is liefdes hoog verblijf
Na negen nachten, buiten kijf,
Krijgt sterken Niorders dapp’re zoon
Daar Gerda’s kus tot liefdeloon.
Skirners lied.
Verheugd over zijn succes, ijlde Skirnir naar Alf-heim terug waar Frey met vreugde den uitslag van de reis kwam te vernemen. Toen hij hoorde dat Gerda er in had toegestemd zijn vrouw te worden, straalde zijn gelaat van geluk, maar toen Skirnir hem vertelde dat hij negen nachten geduld moest hebben, eer hij de hem toegezegde bruid zou kunnen zien, ging hij bedroefd weg, zeggende dat hem die tijd eindeloos zou schijnen.
Lang is een nacht, en twee is meer,
Hoe draag ’k mijn smart ten derden keer?
Een maand van vreugde sneller vlucht
Dan halve nacht vol diep gezucht.
Skirners lied.
Trots deze minnaarswanhoop kwam de tijd van wachten echter tot een einde en Frey spoedde zich blijde naar het groene land, waar hij, trouw aan haar aanwijzing, Gerda vond, en zij werd zijn gelukkige vrouw en zat fier op haar troon naast hem.
Frey had Gerda tot vrouw;
Zij was Gymirs dochter,
Van Jötuns stam.
Saemunds Edda.
Volgens sommige mythologen is Gerda niet een verpersoonlijking van den noordelijken morgenstond maar van de aarde, die, hard, koud en onhandelbaar, de geschenken van schoonheid en vruchtbaarheid (appelen en ring), haar door den lentegod aangeboden, niet wil, de schitterende zonnestralen (Frey’s zwaard) tart, en slechts zijn kus wil ontvangen, als zij verneemt dat zij anders tot voortdurende onvruchtbaarheid zal worden veroordeeld, of geheel zal worden overgegeven in de macht der reuzen (ijs en sneeuw). De negen nachten wachtens duiden de negen wintermaanden aan; als zij ten einde zijn, wordt de aarde de bruid van de zon, in de velden waar de boomen bladeren en bloesem doen uitloopen.
Wij hooren dat Frey en Gerda de ouders werden van een zoon, Fiolnir geheeten, wiens geboorte Gerda troostte over het verlies van haren broeder Beli. Deze had Frey aangevallen en was door hem verslagen, ofschoon de zonnegod, berooid van zijn ongeëvenaard zwaard, zich had moeten verdedigen met een hertshoorn dien hij snel van den muur zijner woning nam.
Behalve den trouwen Skirnir had Frey twee andere dienstbaren, een gehuwd paar, Beyggvir en Beyla, de verpersoonlijkingen van molenafval en mest, twee ingrediënten die in den landbouw gebruikt worden om den grond vruchtbaar te maken, en daarom als Frey’s getrouwe dienaren werden beschouwd, trots hun onaangename eigenschappen.
De historische Frey.
Snorro-Sturleson zegt in zijn “Heimskringla”, of kroniek van de oude Noorweegsche koningen, dat Frey een historisch persoon was die Ingvi-Frey heette, en in Upsala regeerde na den dood van den half-historischen Odin en Niörd. Onder zijn bestuur genoot het volk zulk een welvaart en vrede dat zij zeiden dat hun koning een god moest zijn. Zij begonnen hem dus als zoodanig aan te roepen, en trokken hun enthousiaste bewondering zóó ver, dat, toen hij stierf de priesters, die het feit niet openbaar durfden maken, hem in een aardhoop legden in plaats van zijn lichaam te verbranden, zooals tot nu toe gewoonte was geweest. Zij vertelden het volk toen dat Frey—wiens naam in het noorsch synoniem is met “meester”—“in den aardhoop was gegaan”, een uitdrukking die uiteindelijk de noorsche term voor den dood werd.
Eerst drie jaren later ontdekte het volk, dat was voortgegaan met belasting te betalen aan den koning door geld, zilver en koper in de aardhoop te doen door drie verschillende openingen, dat Frey dood was. Daar hun vrede en voorspoed niet verstoord waren geworden, besloten zij dat zijn lijk nooit zou worden verbrand, en zoo voerden zij de gewoonte in, in een aardhoop te begraven, een gebruik dat te zijner tijd den brandstapel op vele plaatsen verving. Een van de drie aardhoopen bij Gamla Upsala heet nog naar den god. Zijn beelden stonden daar in den grooten tempel, en zijn naam werd behoorlijk te pas gebracht in alle plechtige eeden waarvan de gewone vorm luidde, “Zoo helpe mij Frey, Niörd en de Almachtige Asa” (Odin).
Dienst van Frey.
Geen wapens werden ooit in Frey’s tempels geduld; de beroemdste dier tempels waren te Throndhjeim in Noorwegen, en te Thvera op IJsland. In deze tempels werden hem ossen of paarden geofferd, terwijl men een zwaren gouden ring doopte in het bloed van het offerdier eer de bovenvermelde eed er plechtig over werd uitgesproken.

Freya
N. J. O. Blommér.
Frey’s beelden, evenals die van alle andere Noorsche godheden, waren ruw gehouwen houtblokken, en het laatste van deze heilige beelden schijnt door Olaf den Heilige te zijn vernield, die, zooals wij hebben gezien, velen zijner onderdanen door dwang bekeerde. Daar hij verder de god was van den zonneschijn, de vruchtbaarheid, den vrede en de welvaart, werd Frey beschouwd als de patroon van paarden en ruiters, en de bevrijder van alle gevangenen.
Frey is de beste
Van alle heeren
Onder de goden;
Hij wekt geen tranen
Bij meisjes of moeders;
Hij wil ontboeien
Hen die geketend zijn.
Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).
Het Yule-feest.
Eéne maand van elk jaar, de Yulemaand of Thor-maand, werd beschouwd als aan Frey gewijd zoo goed als aan Thor, en begon met den langsten nacht van het jaar, die den naam droeg van Moeder Nacht. Deze maand was een tijd van feest en vreugde, want zij verkondigde de wederkomst van de zon. Het feest heette Yule (wiel) omdat men vooronderstelde dat de zon op een wiel geleek dat snel door de lucht draaide. Deze gelijkenis deed een eigenaardige gewoonte ontstaan in Engeland, Duitschland en langs de oevers van den Moezel. Tot zeer onlangs vergaderde het volk op een berg, om een groot houten wiel, dat met stroo omwikkeld was, in brand te steken, en dat dan, in lichtelaaie, den heuvel af te rollen, totdat het sissend in het water neerkwam.
Weer and’ren zoeken op een wiel, versleten, waardeloos,
Omwikk’len het met stroo en touw, verbergen het een poos;
Zij sleepen ’t naar een heuveltop, het staat in vuur en gloed,
En went’len het in duist’ren nacht er af met heftigen spoed.
Zoo lijkt het op de zon, die komt dus van den hemel neer,
Het is een vreemd gezicht en wie het ziet, dien treft het zeer,
En zij gelooven dat al kwaad, dus wordt gesleept ter hel,
En nu, van smart en euvel vrij, zij leven kalm en wel.
Naogeorgus.
Al de noordelijke rassen beschouwden het Yulefeest als het grootste van het jaar, en waren gewoon het te vieren met dansen, feesten en drinken, terwijl elke god bij name werd aangeroepen. De eerste Christenzendelingen, die de groote populariteit van dit feest bespeurden, dachten dat het best was op te wekken tot drinken op het welzijn van den Heer en zijn twaalf apostelen, toen zij voor het eerst de noordelijke heidenen begonnen te bekeeren. Ter eere van Frey at men bij deze gelegenheid varkensvleesch. Gekroond met laurier en rosmarijn werd de kop van het dier in de eetzaal gebracht met veel ceremonieel—een gewoonte die men lang in eere hield, zooals blijkt uit de volgende regels.
Caput Apri defero
Reddens laudes Domino,
Den zwijnskop draag ik in mijn handen
Met rozemaryn en groenguirlanden;
Nu moet gij zingen allemaal
Qui estis in convivio.
Queens College Deun, Oxford.
De vader van het gezin legde zijn hand op den gewijden schotel, die “het zwijn der verzoening” heette, en bezwoer dat hij zijn familie trouw zou zijn en al zijn verplichtingen zou nakomen, een voorbeeld dat door alle aanwezigen werd gevolgd, van de hoogsten tot de laagsten. De schotel mocht slechts worden aangesneden door een man van onbevlekten naam en beproefden moed, want de zwijnskop was een gewijd zinnebeeld dat—zoo dacht men—elk met vrees vervulde. Om die reden werd dikwijls een zwijnskop gebruikt als versiering voor de helmen der Noorsche koningen en helden, wier dapperheid buiten twijfel was.
Daar Frey’s naam Fro naar den klank dezelfde is als het woord dat in het Duitsch voor blijdschap wordt gebruikt, werd hij als de beschermer van alle vreugde beschouwd en werd steeds aangeroepen door gehuwde paren die in harmonie wilden leven. Zij die er in slaagden dit een bepaalden tijd te doen, werden openlijk begiftigd met een stuk zwijnevleesch, dat in latere tijden door de Engelschen en Weeners vervangen werd door een zij spek of ham.
Gij zult zweren, door kracht van belijdenis,
Als ooit in uw huw’lijk verkeerd iets is,
Hetzij ge zijt getrouwd als vrouw of man,
Als de eendracht bij u niet blijven kan,
Of anders, aan tafel of te bed hebt verstoord
Gij elkanders stemming in doen of in woord;
Of, sinds de priester u heeft getrouwd,
Gij u ongehuwd wenschtet, daar de stap u heeft berouwd;
Of wel, in twaalf maanden en een dag tijd,
Gij niet werdt vervuld met zulk een spijt,
Maar bleeft bij uw denken en uw verlangen
Als toen uw handen elkaar in het koor hielden omvangen.
Als hierop, met vrijmoedigen geest,
Gij vast kunt zweren dat het zóó is geweest,
Dan zult gij krijgen een stuk spek en van hier
Het medenemen met groot plezier;
Want dit is gebruik te Dunmow, steeds en nu—
Schoon de vreugd is aan ons, het spek is van u.
Brands Populaire Oudheden.
In het dorp Dunmow in Essex bestaat de oude gewoonte nog. In Weenen werd de ham of het stuk spek boven de stadspoort gehangen, vanwaar de gelukkige candidaat het moest halen, nadat hij den rechters de zekerheid had gegeven, dat hij met zijn vrouw in vrede had geleefd, maar niet onder de plak zat. Men zegt dat in Weenen deze ham sedert lang niet was opgeëischt, totdat een waardig burger zich voor de rechters vertoonde en bij zich had de geschreven verzekering van zijn vrouw dat zij twaalf jaren gehuwd waren en nooit twist hadden gehad—een bewering die door al hunne buren gestaafd werd. De rechters, tevreden met de bewijzen die zij voor oogen hadden, zeiden den candidaat dat de prijs hem zou worden gegeven, en dat hij alleen maar de ladder had te beklimmen, die er onder stond, en hem naar beneden moest halen. Blij dat hij een zoo mooie ham had gekregen, klom de man vlug op de ladder; maar toen hij op het punt was naar de ham te reiken bemerkte hij, dat de ham, aan de middagzon blootgesteld, begon te smelten, en dat een druppel vet op zijn Zondagsche jas dreigde te vallen. Snel trok hij zich terug en deed zijn jas uit, met de schertsende opmerking dat zijn vrouw hem een heftigen uitbrander zou geven als hij haar vuil maakte, een bekentenis die alle omstanders in den lach deed schieten, en die hem zijn ham kostte.
Een ander Yuletijdgebruik was het branden van een groot houtblok, dat den nacht door moest duren, anders werd het als een heel slecht teeken beschouwd. De verkoolde overblijfselen van dit blok werden zorgvuldig verzameld en bewaard om het blok van het volgenden jaar aan te steken.
Met hout van vorig jaar
Ontsteek het nieuwe, maar
Grijp uw geluk met handen,
Speel op uw luit een lied
Dat voorspoed talme niet
Maar kome onder ’t branden.
Hesperides (Herrick).
Dit feest was zóó populair in Scandinavië, waar het in Januari werd gevierd, dat koning Olaf, ziende hoe dierbaar het was aan het Noorsche gemoed, vele van zijn gebruiken overbracht naar den Kerstdag en daardoor het onkundige volk met hun verandering van godsdienst verzoende.
Als god van vrede en voorspoed meent men dat Frey dikwijls op aarde is teruggekeerd, en dat hij over de Zweden geregeerd heeft, onder den naam van Ingvi-Frey, waarnaar zijn afstammelingen Inglings heeten. Hij regeerde ook over de Denen onder den naam Fridleef. In Denemarken, zegt men, trouwde hij een mooi meisje Freygerda, die hij van een draak had bevrijd. Hij had bij haar een zoon, Frodi, die hem later als koning opvolgde.
Frodi regeerde over Denemarken in de dagen toen er “vrede over de wereld” was, dat is, juist toen Christus werd geboren in Bethlehem van Judea; en omdat al zijn onderdanen in eensgezindheid leefden, was hij algemeen bekend als Vrede-Frodi.
Hoe de zee zout werd.
Men verhaalt dat Frodi eens van Hengikiaptr een paar magische molensteenen, Grotti geheeten, kreeg, die zóó zwaar waren dat geen zijner knechten en zelfs geen van zijn sterkste soldaten ze konden omkeeren. De koning begreep dat de molen betooverd was en al wat hij wilde zou malen; daarom was hij verlangend hem aan het werk te zetten, en, bij een bezoek aan Zweden, zag hij de twee reuzinnen Menia en Fenia, wier geweldige spieren en gestalten zijn aandacht trokken. Hij kocht ze als slavinnen.
Toen hij thuis kwam, voerde Vrede-Frodi zijn nieuwe dienstbaren naar den molen, en beval haar de maalsteenen rond te draaien en te malen goud, vrede en voorspoed, en onmiddellijk vervulden zij zijn wensch. Vroolijk werkten de vrouwen door, uur op uur, totdat ’s konings kisten vol goud waren, en voorspoed en vrede heerschten in zijn land.
Malen wij schatten voor Frothi!
Malen wij hem, blijde
Om veelheid van stof,
Op vroolijken steen.
Grotta Savngr.
Maar toen Menia en Fenia gaarne wat zouden gerust hebben, beval de koning, wiens hebzucht was gewekt, haar door te werken. In weerwil van haar smeeken beval hij ze te arbeiden uur op uur, en stond hij ze slechts zooveel rusttijd toe als noodig was om een gezang vers te zingen, totdat, door zijn wreedheid vertoornd, de reuzinnen ten slotte besloten zich te wreken. Op zekeren nacht toen Frodi sliep, veranderden zij haar gezang, en in plaats van voorspoed en vrede, begonnen zij boos te malen een gewapend leger, waardoor zij den Viking Mysinger in het land brachten met een groote troepenmacht. Terwijl de tooverij aan het werk was, bleven de Denen slapen, en dus werden zij geheel en al verrast door de Vikingenschaar, die hen allen versloeg.
Een leger moet komen
Hier direct,
En branden de stad
Neer voor den vorst.
Grotta Savnrg.
Mysinger nam de toovermolensteenen en de twee slavinnen en zette ze aan boord van zijn schip; toen liet hij de vrouwen zout malen, wat in die dagen een handelsartikel van groote waarde was. De vrouwen gehoorzaamden en hare molensteen en draaiden rond, malend zout in overvloed; maar de Viking, even wreed als Frodi, wilde den armen vrouwen geen rust gunnen, waarom hij en de zijnen zwaar werden gestraft. Een zóó groote hoeveelheid zout werd door de tooversteenen gemalen dat ten slotte zijn gewicht het schip deed zinken en alles wat aan boord was.
De zware steenen zonken in zee in de Pentland-Firth, of aan de noordwestelijke kust van Noorwegen, waar zij een diep rond gat maakten, en de wateren, die in de draaikolk stroomden en in de gaten, die in de steenen waren, klokten, veroorzaakten de groote draaikolk die als de Maelstroom bekend is. Wat het zout betreft, dit smolt spoedig; maar zóó groot was de onmetelijke hoeveelheid die de reuzinnen hadden gemalen, dat het al de wateren van de zee doortrok, die sedert altijd zeer zout is geweest.