← Table of contents
Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Hoofdstuk XXIII: De Reuzen.

Reading edition

Jötun-heim.

Zooals wij reeds gezien hebben, meenden de Noorsche volken, dat de reuzen de eerste schepselen waren die het licht zagen tusschen de ijsbergen welke den grooten afgrond van Ginnunga-gap vulden. Deze reuzen waren van den beginne af de tegenstanders en mededingers der goden, en evenals de laatsten de verpersoonlijking waren van alles wat goed en liefelijk was, zoo stelden de eersten alles voor wat leelijk was en boos.

Hij komt—hij komt—de Vorstgeest komt! op den âam van noordenwind,

En het donkre noorsche pijnbosch boog, als ’t langs hij ging ontzind,

Met wilden vleugelslag kwam hij, waar ’t vuur op Hekla gloeit,

Op donkre lucht die boven is, en ’t ijs met glans besproeit.

J. G. Whittier.

Thor en de Reuzen
Thor en de Reuzen

Thor en de Reuzen

M. E. Winge.

Toen Ymir, de eerste reus, levenloos op het ijs viel, door de goden verslagen, verdronk zijn kroost in zijn bloed. Eén paar slechts, Bergelmir en zijn vrouw, ontvluchtten naar Jötun-heim, waar zij gingen wonen en de voorouders werden van het gansche reuzengeslacht. In het Noorden werden de reuzen met verschillende namen genoemd, waarvan elk een bijzondere beteekenis had. Jötun b.v. beteekent “de groote eter”, want de reuzen stonden bekend zoowel om hun ontzaglijken eetlust als om hun ongewone grootte. Zij waren verzot op drinken zoowel als op eten, en daarom heetten zij ook Thurses, een woord dat volgens sommige schrijvers hetzelfde beteekent als dorst; maar anderen denken dat zij dezen naam te danken hadden aan de hooge torens (“turseis”) die zij, zooals men veronderstelde, gebouwd hadden. Daar de reuzen tegenover de goden stonden, deden de laatsten altijd hun best hen te dwingen in Jötun-heim te blijven, dat gelegen was in de koude streken van de Pool. De reuzen werden bijna altijd verslagen in hun gevechten met de goden, want zij waren zwaar en traag van verstand, en hadden enkel steenen wapenen te stellen tegen de bronzen van de Aesir. Trots deze ongelijkheid werden zij dikwijls zeer door de goden benijd, want zij waren volkomen op de hoogte van alle kennis van het verleden. Zelfs Odin was naijverig op deze eigenschap, en zoodra hij ze verkregen had door een dronk uit Mimir’s bron, haastte hij zich naar Jötun-heim om zich te meten met Vafthrudnir, den geleerdsten van het reuzenbroed. Maar het zou hem nooit zijn gelukt, zijn tegenstander in dezen vreemden strijd te verslaan, als hij niet opgehouden had met te vragen naar het verleden en een vraag aangaande de toekomst had gesteld.

Van alle goden werd Thor het meest door de Jötuns gevreesd, want hij voerde voortdurend strijd tegen de vorst- en bergreuzen, die gaarne de aarde voor goed in hun harde boeien hadden geslagen en zoo de menschen hadden verhinderd den grond te bebouwen. In het gevecht tegen hen gebruikte Thor, zooals wij reeds gezien hebben, gewoonlijk zijn verschrikkelijken hamer Miölnir.

Oorsprong van de bergen.

Volgens Germaansche legenden werd het oneffen oppervlak der aarde veroorzaakt door de reuzen, die hare gladheid bedierven door er op te loopen toen zij nog zacht en pasgeschapen was, terwijl de stroomen werden gevormd door de vele tranen, gestort door de reuzinnen, toen zij de dalen zagen, die door de groote voetstappen hunner mannen waren gemaakt. Daar dit het Teutonische geloof was, dachten de menschen dat de reuzen, die voor hen de bergen personifieerden, ongelukkige wezens waren, die zich enkel in de duisternis of den mist konden bewegen, en versteenden zoodra de eerste zonnestralen door de duisternis drongen of de wolken verspreidden.

Dit geloof bracht hem er toe, een van hun voornaamste bergketenen het Reuzengebergte te noemen. De Skandinaviërs deelden dit geloof ook, en tot dezen dag duiden de IJslanders hun hoogste bergtoppen aan met den naam Jokul, een wijziging van het woord “Jötun”. In Zwitserland, waar de eeuwige sneeuw rust op de hooge bergtoppen, vertellen de menschen nog oude geschiedenissen van den tijd toen de reuzen rondzwierven; en als een lawine van de berghelling is afgestort, zeggen zij dat de reuzen onrustig een deel van den ijslast hebben afgeschud van hun wenkbrauwen en hun schouders.

De eerste goden.

Daar de goden ook verpersoonlijkingen waren van sneeuw, ijs, koude gesteenten en onderaardsch vuur, heette het, dat zij afstamden van den oorspronkelijken Fornjotnr, dien sommige bronnen met Ymir vereenzelvigen. Volgens deze lezing van de mythe had Fornjotnr drie zonen: Hler, de zee; Kari de lucht; en Loki het vuur. Deze drie godheden, de eerste goden, vormden de oudste drieëenheid, en hun respectieve afstammelingen waren de zeereuzen Mimir, Gymir en Grendel, de stormreuzen Thiassi, Thrym en Beli en de reuzen van vuur en dood, zooals de Fenriswolf en Hel.

Daar al de koninklijke dynastieën beweerden af te stammen van een of ander mythisch wezen, verzekerden de Merovingers dat hun eerste voorvader een zeereus was, die uit de golven opsteeg in de gedaante van een os, en de koningin verraste, toen zij alleen op het zeestrand wandelde, en haar dwong zijn vrouw te worden. Zij schonk een zoon het levenslicht, die Meroveus heette, de stichter van de eerste dynastie der Frankische koningen.

Er zijn reeds vele verhalen gedaan over de belangrijkste reuzen. Zij keeren terug in vele der latere mythen en sprookjes, en vertoonen, na de invoering van het Christendom, een bijzonderen afkeer van den klank van kerkklokken en het zingen van monniken en nonnen.

De reus verliefd.

De Skandinaviërs vertellen, in dit verband, dat in de dagen van Olaf den heilige een reus, Senjemand geheeten, op het Eiland Senjen woonde, en hij was heel boos, omdat een non op het eiland Grypto dagelijks hare morgenhymne zong. De reus werd verliefd op een mooi meisje, Juterna-jesta geheeten, en het duurde lang eer hij moed vond haar te vragen. Toen hij ten slotte zijn stotterend aanzoek deed, wees de schoone dame hem toornig af, zeggend dat hij veel te oud en te leelijk was naar haar smaak.

“Ellendige Senjemand—leelijk en grauw!

Gij minnen het meisje van Kvedfiord!

Neen—een lummel zijt gij en blijft gij ook steeds.”

Ballade.

In zijn boosheid, omdat hij zoo toornig was afgewezen, zwoer de reus wraak en kort daarop schoot hij een grooten steenen pijl van zijn boog op het meisje, dat tachtig mijlen ver woonde. Een ander minnaar, Torge, ook een reus, die het gevaar zag waarin zij verkeerde en haar wilde beschermen, wierp zijn hoed naar den voortsnellenden pijl. Deze hoed was duizend voet hoog en naar verhouding breed en dik, maar de pijl doorboorde niettemin den bol, bereikte echter zijn doel niet. Senjemand, ziende dat hij gemist had en den toorn van Torge vreezend, besteeg zijn paard en wilde zoo snel mogelijk wegrijden; maar de zon, die toen juist boven den horizon rees, veranderde hem in steen, samen met den pijl en Torge’s hoed; de groote massa heette Torghattenberg. Men wijst nog een obelisk aan waarvan men zegt dat hij de steenen pijl is; verder een gat in den berg, 289 voet hoog en 88 voet breed, dat heet te zijn de opening door den pijl in zijn vlucht door den hoed gemaakt; eindelijk den ruiter op Senjen-eiland, die blijkbaar een kolossaal paard berijdt en de vouwen van zijn wijden rijmantel dicht om zich heen trekt. De non, wier gezang Senjemand zoo in verwarring bracht, werd ook versteend en ontrustte nooit weer iemand met haar psalmgezang.

Thorgatten
Thorgatten

Thorgatten

De Reus en de kerkklokken.

Een andere legende vertelt, dat een van de bergreuzen, gehinderd door het gelui van kerkklokken op meer dan vijftig mijlen afstand, eens een hooge rots nam die hij naar het heilige gebouw smeet. Gelukkig raakte zij niet en brak in tweeën. Sedert dien tijd, zeggen de boeren, komen de heksen op Kerstavond steeds het grootste steenblok op steenen pilaren zetten en er onder dansen en feestvieren. Een dame, die wilde weten of dit verhaal waar was, zond eens haar knecht naar de plaats. De heksen kwamen en boden hem gastvrij een dronk aan uit een horen met goud gemonteerd en versierd met runen. Den horen grijpende, wierp de knecht den inhoud weg en snelde er mee heen in wilden galop, op den voet gevolgd door de heksen, die hij enkel ontsnapte door te gaan door een stoppelveld en over stroomend water. Eenige harer kwamen den volgenden dag bij de dame om dezen horen terug te vragen, en toen zij weigerde er afstand van te doen, vervloekten zij haar, zeggende dat haar kasteel verbranden zou telkens als de horen van zijn plaats zou genomen worden. De voorspelling is driemaal uitgekomen en nu bewaakt de familie de reliek met bijgeloovige zorg. Een dergelijke drinkbeker, verkregen op bijna dezelfde wijze door de familie Oldenburg, wordt vertoond in de verzameling van den koning van Denemarken.

Men dacht dat de reuzen geen vast verblijf hadden maar in het donker zich bewogen, soms groote massa’s aarde en zand dragend, die zij lieten vallen hier en daar. De zandheuvels in Noord-Duitschland en Denemarken waren, meende men, aldus gevormd.

Het schip van de reuzen.

Een Noord-Friesche overlevering verhaalt, dat de reuzen een kolossaal schip hadden, Mannigfual genaamd, dat steeds rondvoer in den Atlantischen Oceaan. Zóó groot was het schip dat, naar men zeide, de kapitein het dek te paard overging, terwijl het tuig zóó uitgebreid en de masten zóó hoog waren, dat de matrozen die er als jongelingen inklommen als grijsaards naar beneden kwamen, terwijl zij gerust en zich verfrischt hadden in vertrekken, toebereid en met levensmiddelen voorzien tot dat doel in de groote blokken der katrollen.

Bij ongeluk gebeurde het eens, dat de stuurman het reusachtige schip in de Noordzee stuurde, en daar hij zoo snel mogelijk terug wilde naar den Atlantischen Oceaan en in zoo kleine ruimte niet durfde draaien, stuurde hij in het Engelsche kanaal. Verbeeld u de teleurstelling van allen die aan boord waren, toen zij den doorgang nauwer en nauwer zagen worden hoe verder zij kwamen. Toen zij aan de nauwste plaats kwamen, tusschen Calais en Dover, scheen het totaal onmogelijk dat het schip, met den stroom drijvend, zich er een weg door zou kunnen banen. De kapitein met loflijke tegenwoordigheid van geest, beval onmiddellijk zijn mannen de zijden van het schip met zeep in te smeren, en een extra dikke laag op het stuurboord te leggen, waar de puntige klippen van Dover dreigend verrezen. Nauwelijks waren deze bevelen uitgevoerd, of het schip ging de nauwe ruimte binnen, en, dank zij de voorzorgen van den kapitein, gleed het er veilig door. De rotsen van Dover schrabden er echter zóóveel zeep af, dat zij sedert steeds bijzonder wit zijn geweest, en de golven die er tegen aan slaan, hebben een ongewoon schuimig aanzien.

Deze pakkende ervaring was niet de eenige die de Mannigfual had, want wij vernemen dat zij eens, niemand weet hoe, in de Baltische zee kwam, waar het water niet diep genoeg was om het schip vlot te houden en de kapitein beval dat alle ballast overboord zou worden geworpen. Het materiaal dat dus aan beide kanten van het schip in zee werd gegooid, vormden de twee eilanden Bornholm en Christiansoë.

Prinses Ilse.

In Thüringen en in het Zwarte Woud zijn de verhalen over de reuzen legio, en een der meest geliefkoosde bij de boeren is dat van Ilse, de lieflijke dochter van den reus van den Ilsenstein. Zij was zóó bekoorlijk dat zij wijd en zijd bekend was als de Schoone Prinses Ilse, en door een aantal ridders gevrijd werd, van wie zij den Heer van Westerburg koos. Maar haar vader vond volstrekt niet goed dat zij met een eenvoudig sterveling omgang had, en verbood haar haar minnaar te zien. Prinses Ilse was echter stijfhoofdig, en in weerwil van haars vaders verbod bezocht zij dagelijks haren minnaar. De reus, woedend over haar volharding en ongehoorzaamheid, strekte ten slotte zijn groote handen uit, greep de rotsen en maakten een groote kloof tusschen de hoogte waar hij woonde en het kasteel Westerburg. Hierop ging Prinses Ilse naar de diepte die haar van haar minnaar scheidde en wierp zich roekeloos over de steilte in den kokenden stroom beneden, en werd daar in een betooverende waternimf veranderd. Zij woonde vele jaren in de heldere wateren, van tijd tot tijd verschijnend om haar betoovering op stervelingen uit te oefenen, en zelfs, zegt men, won zij de liefde van Keizer Hendrik, die vele bezoeken bracht aan haren waterval. Haar laatste verschijning was, volgens het volksgeloof, op Pinksteren, honderd jaar geleden, en de bewoners zien nog steeds uit naar de schoone prinses, die, zegt men, nog druk den stroom bezoekt en haar witte armen zwaait om de reizigers in den koelen stroom van den waterval te lokken.

Ik ben de Prinses Ilse

En ik woon in Ilsenstein;

Kom met mij naar mijn brug en

Wij zullen zalig zijn.

Uw hoofd wil ik besproeien

Met mijnen held’ren stroom,

Gij zult uw smart vergeten

In zoeten, teeren droom.

En in mijn blanke armen

En aan mijn borst gevleid

Daar zult gij liggen droomen

Van ouden zaal’gen tijd.

Heine.

Het speelgoed van de reuzin.

De reuzen bewoonden de geheele aarde voordat deze aan de menschheid gegeven was, en slechts met tegenzin maakten zij plaats voor het menschelijk geslacht, en trokken zich terug in de woeste en dorre deelen van het land, waar zij hun gezin grootbrachten in strenge afzondering. Zóó groot was de onkunde hunner kinderen, dat een jonge reuzin, van huis weggezworven, eens in een bewoond dal kwam, waar zij voor het eerst in haar leven een boer zag ploegen op den heuvelkant. Daar zij hem een aardig speelgoed vond, nam zij hem met zijn span op en deed hem in haar schort en bracht hem met vreugde thuis om hem aan haar vader te laten zien. Maar de reus beval haar onmiddellijk boer en paarden naar de plaats terug te brengen waar zij hen had gevonden, en toen zij dit gedaan had, vertelde hij haar mismoedig dat de schepselen, die zij voor niet meer dan speelgoed aanzag, eens het reuzenvolk zouden verdrijven, en heeren der aarde zouden worden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings