← Table of contents
Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Hoofdstuk IV: Thor.

Reading edition

De Donderaar.

Volgens sommige mythologen is Thor, of Donar de zoon van Jörd (Erda) en van Odin, maar anderen zeggen dat zijn moeder Frigga was, de koningin der goden. Dit kind was zeer opmerkelijk groot en sterk, en heel spoedig na zijn geboorte verbaasde hij de verzamelde goden spelenderwijs op te tillen en weg te smijten tien groote balen berenhuiden. Ofschoon doorgaans goed gehumeurd, kon Thor soms in vreeselijke woede geraken, en daar hij dan heel gevaarlijk was, zond zijn moeder, die hem niet kon beteugelen, hem van huis, en vertrouwde hem toe aan de zorg van Vingnir (den gevleugelde), en van Hlora (hitte). Deze pleegouders, die men ook beschouwde als de verpersoonlijking van het bliksemgeflits, slaagden er weldra in, den lastigen pupil te bedwingen, en brachten hem zóó verstandig groot, dat de goden een zeer dankbare herinnering bewaarden aan hun vriendelijke hulp. Toen Thor tot het besef kwam wat hij hun verschuldigd was, nam hij de namen Vingthor en Hlorridi aan, waaronder hij ook bekend is.

Schreeuw dan, Vingi-Thor, maar wild

Als de maliënkolder schudt en danst het deukig oorlogschild,

Sigurd de Volsung (William Morris).

Toen hij volgroeid was en de jaren des onderscheids had bereikt, werd Thor tot Asgard toegelaten onder de andere goden, waar hij een van de twaalf zetels in de groote oordeelshal bezette. Hij kreeg ook de streken Thrud-vang of Thrud-heim, waar hij een wonderbaar paleis bouwde, Bilskirnir (bliksem) geheeten, het grootste in heel Asgard. Het had vijfhonderd veertig hallen, ten dienste van de lijfeigenen, die na hun dood werden welkom geheeten in zijn huis, waar zij op dezelfde manier werden bejegend als hun meesters in het Valhalla, want Thor was de beschermgod van de boeren en de lagere standen.

Vijfhonderd hallen

En veertig nog,

Dunkt mij, houdt

Bilskirnir omvat.

Geen huis met dak

Is er gelijk

Aan dat van mijn Zoon.

Saemunds Edda.

Daar hij de god van den donder was, mocht Thor nooit alleen gaan over de wonderbare brug Bifröst, opdat hij ze niet zou in brand steken door de hitte van zijn aanwezigheid; en als hij zijn medegoden wenschte te ontmoeten bij de Urdar-fontein, onder de schaduw van den heiligen boom Yggdrasil, moest hij zijn weg daarheen te voet afleggen, wadend door de rivieren Kormt en Ormt, en de twee stroomen Kerlaug, naar de verzamelplaats.

Thor, die geëerd werd als de hoogste god in Noorwegen, was de tweede in de trilogie van al de andere landen, en werd “de oude Thor” genoemd, omdat, zooals sommige mythologen gelooven, hij tot een oudere dynastie van goden behoorde en niet wegens zijn feitelijken ouderdom, want hij werd voorgesteld en beschreven als een man in zijn jeugd, slank en welgevormd, met gespierde ledematen, en borstelig rood haar, waaruit, als hij toornig was, vonken in stroomen te voorschijn schoten.

Eerst Thor, wiens oog nederstaart,

Momp’lend zacht in zijn rossen baard

(Zijn oog fonkel’ naar bliksemaard)

Komt, terwijl dond’rend hij ment

Zijn kar, aangerend,

Bij zijn wilden mokerslag

Schudt hemel en aard’ van ontzag

Wolken scheuren wijl siddert de aard.

Valhalla (J. C. Jones).

De noordelijke rassen versierden hem verder met een kroon, en op elke punt daarvan was een schitterende ster of een steeds brandende vlam, zoodat zijn hoofd altijd omringd was door een krans van vuur, zijn eigen element.

Thors hamer.

Thor was de fiere bezitter van een hamer die Miölnir (de verbrijzelaar) heette en dien hij naar zijn vijanden wierp, de vorstreuzen, met vernielende kracht, en die de wonderbare eigenschap bezat dat hij steeds in zijn hand terugkeerde, hoe ver hij hem ook wierp.

Ik ben de Dond’rer!

Hier in mijn noorden,

Mijn vastheid en sterkte,

Heersch ik voor eeuwig.

Hier tusschen gletschers

Regeer ik de volken,

Dit is mijn hamer,

Miölnir de sterke;

Reuzen noch toovenaars

Bieden hem weerstand.

Sage van koning Olaf (Longfellow).

Daar deze groote hamer, het beeld van de bliksems, doorgaans rood-heet was, had de god een ijzeren handschoen, Iarn-greiper geheeten, waarmee hij hem stijf kon vasthouden. Hij kon Miölnir ver wegwerpen, en zijn kracht, die altijd aanzienlijk was, werd verdubbeld als hij zijn toovergordel droeg, Megin-giörd genoemd.

Dit is mijn gordel.

Als ik hem draag

Is m’n kracht verdubbeld.

Sage van koning Olaf (Longfellow).

Thor
Thor

Thor

B. E. Fogelberg.

Thors hamer werd zóó heilig geacht door het oude Noorsche volk, dat zij gewoon waren het teeken van den hamer te maken, evenals de Christenen hen later het teeken van het kruis leerden maken om alle verkeerde invloeden af te wenden en zegeningen te verwerven. Hetzelfde teeken werd ook gemaakt over het pasgeboren kind, wanneer water over zijn hoofd werd gegoten en het een naam kreeg. De hamer werd gebruikt om grenspalen in te slaan, en men hield het voor heiligschennis ze te verzetten; verder, om den dorpel van een nieuw huis te zegenen, een huwelijk plechtig in te wijden, en ten slotte speelde hij een rol in de heiliging van den brandstapel waarop de lichamen van helden, tegelijk met hun wapenen en paarden, en soms met hun vrouwen en onderhoorigen, werden verbrand.

In Zweden dacht men dat Thor, evenals Odin, een breedgeranden hoed droeg, en daarom heeten de stormwolken in dat land Thors hoed, een naam dien men ook aan een van de belangrijkste bergen in Noorwegen heeft gegeven. Het gerommel en gerol van den donder hield men voor het rijden van zijn wagen, want hij was de eenige onder de goden die nooit op een paard zat, maar die liep, of reed in een koperen kar, getrokken door twee geiten, Tanngniostr (tandenkraker) en Tanngrisnr (tandenknarser), van wier tanden en hoeven voortdurend vonken uitgingen.

Toen kwaamt gij eerst, o machtige krijgsman Thor!

Hamer op schouder, rijdend in uw kar,

Sturend de geiten aan haar zilveren toom.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Wanneer de god dus van plaats tot plaats reed, werd hij Aku-thor genoemd, of Thor de wagenman, en in Zuid-Duitschland beweerde het volk, denkend dat een koperen wagen alleen niet al het leven kon maken dat zij hoorden, dat die wagen met koperen ketels beladen was, die ratelden en kletterden, en daarom noemde het hem dikwijls, met oneerbiedige gemeenzaamheid, den ketelverkooper.

Thors familie.

Thor was tweemaal getrouwd; eerst met de reuzin Iarnsaxa (ijzeren steen) die hem twee zonen schonk, Magni (kracht) en Modi (moed), beiden bestemd hun vader en de godenschemering te overleven en te heerschen over de nieuwe wereld die als een phoenix uit de asch van de eerste zou verrijzen. Zijn tweede vrouw was Sif, de goudharige, die hem ook twee kinderen schonk Lorride, en een dochter, Trud, een jonge reuzin, beroemd wegens hun moed en kracht. Overeenkomstig het bekende feit dat tegenstellingen elkander zoeken, werd Trud gevrijd door den dwerg Alvis, wien zij vrij goed gezind was; en op zekeren avond, toen deze aanbidder, die als dwerg het daglicht niet kon verdragen, in Asgard kwam om hare hand te vragen, weigerden de vergaderde goden hun toestemming niet. Zij hadden echter nauwelijks hun goedkeuring te kennen gegeven, toen Thor, die afwezig was geweest, plotseling verscheen en met een blik van verachting op den nietigen minnaar verklaarde dat deze moest toonen dat zijn wetenschap zijn dwergachtigheid goed maakte eer hij zijn bruid winnen kon.

Ten einde Alvi’s geestvermogens op de proef te stellen ondervroeg Thor hem dan in de taal der goden, Vanas, elven en dwergen, slim zijn onderzoek voortzettend tot zonsopgang, toen de eerste lichtstraal, op den ongelukkigen dwerg neergestreken, hem deed versteenen. Daar stond hij, een blijvend voorbeeld van de macht van den god, dat alle andere dwergen tot waarschuwing kon strekken, als zij de proef durfden nemen.

Nooit in menschen boezem

Vond ik zooveel woorden

Uit den ouden tijd.

U met vlotte slimheid

Heb ik nu bedrogen

Op den grond staat ge; dwerg

Door den dag overrompeld,

Klaar zonlicht vult de hal.

Saemunds Edda.

Sif, de goudharige.

Sif, Thors vrouw, was zeer trotsch op een prachtig hoofd met lang gouden haar, dat haar van het hoofd tot de voeten als een schitterende sluier bedekte; en daar zij ook het symbool van de aarde was, zeide men dat heur haar het lange gras voorstelde, of het gouden graan, dat de noordelijke oogstvelden bedekte. Thor was zeer trotsch op het mooie haar van zijn vrouw; verbeeld u dus zijn teleurstelling, toen hij op zekeren morgen wakker werd en haar geschoren zag en even kaal en ontsierd als de aarde wanneer het koren in de schuur gebracht is en enkel de stoppels resten! In zijn toorn sprong Thor op en bezwoer dat hij hem zou straffen die hem deze beleediging had aangedaan; onmiddellijk en terecht vermoedde hij dat dit Loki zou wezen, de aartsschurk die altijd er op uit was om een booze daad te verrichten. Thor nam zijn hamer en ging Loki zoeken, die den vertoornden god trachtte te ontwijken door van gedaante te veranderen maar dit hielp niets, Thor kreeg hem spoedig in zijn macht en greep hem met niet veel omslag bij den hals en worgde hem bijna eer hij toegaf aan zijn smeekende gebaren en zijn machtige vuist losliet. Toen hij adem kon krijgen smeekte Loki om vergiffenis, maar al zijn woorden waren vergeefsch, totdat hij beloofde Sif een nieuw hoofd met haar te zullen bezorgen, even mooi als het vorige, en even welig van groei.

Vandaar zal ik brengen nieuw gouden haar

Voor Sif, eer de dag vergleed,

Dat zij lijkt een veld in het vroege jaar

Met zijn bloesembestikte kleed.

De Dwergen (Oehlenschläger).

Toen liet Thor den verrader gaan; dus kroop Loki vlug in het hart der aarde waar Svart-alfa-heim lag, om den dwerg Dvalin te smeeken niet alleen het kostbare haar in orde te brengen, maar ook een geschenk voor Odin en Freya, wier boosheid hij wilde bedwingen.

Zijn verzoek werd goedgunstig ingewilligd en de dwerg maakte de speer Gungnir, die nooit zijn doel miste, en het schip Skidbladnir, dat, altijd voortgestuurd door gunstige winden, zoowel door de lucht als door het water kon varen, en dat verder de wonderbare eigenschap bezat, dat, ofschoon het al de goden en al hun paarden kon bevatten, het kon worden opgenomen in de kleinste ruimte en in den zak kon worden gestoken. Ten slotte spon hij den fijnsten gouden draad, waaruit hij het haar vervaardigde dat Sif noodig had, en hij zeide, dat, zoodra het haar hoofd aanraakte, het er vast zou groeien en als haar eigen haar zou worden.

Nu schijnen zij dood, doch zij raken haar hoofd

En elk haar voelt het leefsap weer gaan,

Door slechtheid noch kunst wordt ooit Sif meer beroofd

Van de lokken die prachtig heur staan.

De Dwergen (Oehlenschläger).

Loki was zóó ingenomen met deze proeven van de kunst der dwergen, dat hij den zoon van Ivald den handigsten der smeden noemde. Deze woorden werden opgevangen door Brock, een anderen dwerg, die uitriep dat zijn broeder Sindri drie voorwerpen kon maken die de andere, nu in Loki’s handen, te boven gingen, niet slechts in innerlijke waarde maar ook in tooverkracht. Loki daagde onmiddellijk den dwerg uit, zijn kunstvaardigheid te toonen, zijn hoofd verweddend tegen dat van Brock na afloop van de onderneming.

Sif en Thor
Sif en Thor

Sif en Thor

J. C. Dollman.

Toen Sindri de weddenschap hoorde nam hij Brocks aanbod om den blaasbalg te blazen aan, waarschuwde hem echter dat hij steeds moest doorwerken en geen oogenblik vertragen als hij wilde dat hij zou slagen, daarop wierp hij wat goud in het vuur en ging de gunst verzoeken van de verborgen machten. Tijdens zijn afwezigheid hanteerde Brock ijverig den blaasbalg, terwijl Loki, in de hoop hem te doen ophouden, zich in een paardenvlieg veranderde en hem hevig in de hand stak. Trots de pijn bleef de dwerg blazen, en toen Sindri terugkeerde trok hij uit het vuur een enorm wild zwijn, Gullin-bursti geheeten, wegens zijn gouden borstels, dat de kracht had licht te verspreiden als het door de lucht schoot, want het kon door de lucht vliegen met verwonderlijke snelheid.

Toen kwam uit het vuur, ongeloofelijk schier,

Gullinbörst, het goudharig wild zwijn,

Dat zou worden de bode des zonnegods,

Vast het eerste dat ooit er zou zijn.

De Dwergen, Oehlenschläger.

Toen dit eerste stuk werk klaar was, wierp Sindri nog wat meer goud op het vuur, en zette zijn broeder weer aan het blazen, terwijl hij weer op weg ging om tooverhulp te zoeken. Dezen keer stak Loki, nog als paardenvlieg vermomd, den dwerg in zijn wang; maar in weerwil van de pijn werkte Brock door, en toen Sindri terugkeerde, trok hij triomfantelijk uit de vlammen den tooverring Draupnir, het zinnebeeld van vruchtbaarheid, waarvan elken negenden nacht acht gelijke ringen afvielen.

Zij werkten en smeedden met wonder talent

Tot de wondere kracht hij ontving,

Dat er afvielen iederen negenden nacht

Acht stuks van d’ oorspronk’lijken ring.

De Dwergen, Oehlenschläger.

Nu werd een brok ijzer in de vlammen geworpen, en met vernieuwde oplettendheid dat hun welslagen niet door gebrek aan zorg zou bedorven worden, ging Sindri weg en liet Brock als te voren den blaasbalg hanteeren. Loki was nu in wanhoop en bereidde zich voor tot een laatste poging. Nu, nog in de gedaante van een paardenvlieg, stak hij den dwerg boven het oog, totdat het bloed in zulk een stroom begon te vloeien, dat het hem belette te zien wat hij deed. Snel hief Brock zijn hand op, een seconde maar, en wischte den bloedstroom weg; maar hoe kort de stoornis ook was, zij bewerkte onherstelbaar letsel, en toen Sindri zijn werk uit het vuur trok, uitte hij een kreet van teleurstelling want de hamer, dien hij had gemaakt, was te kort van handvat.

En de dwerg hief uit pijn zijn hand op naar ’t oog,

Voor het ijzer gesmeed was dit keer,

En hij merkte: het heft was een duim slechts te kort,

Maar verand’ren kon hij ’t niet meer.

De Dwergen, Oehlenschläger.

Trots de mislukking was Brock er zeker van dat hij de weddingschap zou winnen, en hij aarzelde niet naar de goden in Asgard te gaan, waar hij Odin den ring Draupnir gaf, Frey het wild zwijn Gullin-Bursti, en Thor den hamer Miölnir, welks macht niemand kon weerstaan.

Loki gaf op zijn beurt de speer Gungnir aan Odin, het schip Skidbladnir aan Frey, en het gouden haar aan Thor; maar ofschoon dit laatste onmiddellijk ging groeien op Sif’s hoofd en men eenstemmig verklaarde dat het schooner was dan hare eigen lokken ooit geweest waren, beslisten de goden dat Brock de weddingschap had gewonnen op grond dat de hamer Miölnir, in Thors handen, onschatbaar zou blijken tegen de vorstreuzen op den laatsten dag.

En aan hun hoofd kwam Thor,

Beurend zijn hamer, dien de reuzen kenden.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Om zijn hoofd te redden, vluchtte Loki hals over kop, maar werd ingehaald door Thor die hem terugbracht en aan Brock gaf, met de woorden echter, dat, ofschoon Loki’s hoofd hem rechtens toekwam, hij zijn hals niet moest aanraken. Dus in zijn volledige wraakoefening belemmerd, besloot de dwerg Loki te straffen door zijn lippen samen te naaien, en daar zijn zwaard ze niet kon doorboren, leende hij tot dit doel zijns broeders els. Loki echter, na een poosje den spot der goden stilzwijgend verdragen te hebben, deed zijn best den draad door te krijgen en was spoedig weer even spraakzaam als ooit.

In weerwil van zijn geweldigen hamer werd Thor niet gevreesd als de booze god van den storm, die vredige woningen vernielde en den oogst vernietigde door plotselinge hagelslagen en wolkbreuken. De Noormannen geloofden dat hij dien enkel blies tegen ijsreuzen en rotsmuren, deze laatste vergruizend om de aarde vruchtbaar te maken en te zorgen dat zij een rijken oogst zou schenken aan de landbouwers.

In Duitschland, waar de oostelijke stormen altijd koud en verwoestend zijn, terwijl de westelijke warme regens en zacht weer brengen, geloofde men dat Thor altijd van het Westen naar het Oosten reisde om de booze geesten te bestrijden die het land gaarne zouden hebben gewikkeld in ondoordringbare nevelsluiers en ze in ijsboeien hebben vastgelegd.

Thors Reis naar Jötun-heim.

Daar de reuzen van Jötun-heim voortdurend koude winden zonden om de teedere knoppen te kwetsen en den groei der bloemen te belemmeren, besloot Thor nog eens op het pad te gaan en hen tot beterschap te dwingen. Vergezeld door Loki ging hij uit in zijn wagen, en na een geheelen dag te hebben gereden kwamen de goden bij het vallen van den avond aan de grenzen van de wereld der reuzen, waar zij in een boerenhut, die zij ontdekten, besloten te toeven om er te rusten en zich te verfrisschen.

Hun gastheer was gastvrij maar heel arm, en Thor, ziende dat hij ternauwernood het noodige voedsel zou kunnen verschaffen om zijn geenszins kleinen eetlust te bevredigen, slachtte zijn beide geiten, die hij kookte en toebereidde, waarna hij zijn gastheer en diens familie uitnoodigde vrijelijk mee te eten van de dus verstrekte spijs, terwijl hij hen echter waarschuwde al de beenderen, zonder ze te breken, in de huiden van de geiten te werpen die hij op den vloer had uitgespreid.

De boer en zijn gezin aten met graagte, maar zijn zoon Thialfi, aangemoedigd door den boozen Loki, waagde een van de beenderen te breken en het merg uit te zuigen, denkende dat zijn ongehoorzaamheid niet zou worden ontdekt. Den volgenden morgen echter sloeg Thor, die tot zijn vertrek gereed was, de geitenhuiden met zijn hamer Miölnir, en onmiddellijk sprongen de geiten even levend als te voren op, behalve dat een wat lam scheen. Bespeurend dat men zijn geboden niet gehoorzaamd had, wilde Thor in zijn boosheid de heele familie vermoorden. De schuldige bekende echter en de boer bood aan, om het verlies goed te maken, den toornigen god niet alleen zijn zoon Thialfi, maar ook zijn dochter Roskva te geven, om hem voor goed te dienen.

Thor droeg den man op goed te zorgen voor de geiten die hij daarachter liet totdat hij terugkwam, en beval de jonge boeren hem te vergezellen; daarop ging hij met Loki te voet verder, en, na den geheel en dag gezworven te hebben, bereikte hij bij het vallen van den avond een koud en kaal land, dat in bijna ondoordringbaren nevel was gehuld. Na eenigen tijd te hebben gezocht zag Thor door den mist de vage omtrekken van wat uitzag als een vreemd gevormd huis. Het open portaal daarvan was zóó ruim en hoog dat het den geheelen eenen kant van het huis scheen te beslaan. Toen zij er binnentraden en er vuur nog licht vonden, wierpen Thor en zijn makkers zich moe op den vloer om te slapen, maar werden spoedig ontrust door een eigenaardig gedruisch, en een langdurig beven van den grond onder hen. Vreezend dat het geheele dak gedurende deze aardbeving zou neervallen, vluchtten Thor en zijn makkers in een vleugel van het gebouw, waar zij weldra in diepen slaap vielen. Toen de dag aanbrak, gingen de god en zijn makkers naar buiten, maar zij waren nauwelijks op weg of zij zagen dat een reus lag te slapen en ontdekten dat de eigenaardige geluiden, die hun rust hadden gestoord, teweeggebracht werden door zijn gesnork. Op dat oogenblik werd de reus wakker, stond op, rekte zich uit, keek rond naar zijn eigendom dat hij kwijt was, en nam een seconde later het ding op dat Thor en zijn gezellen in het donker ten onrechte voor een huis hadden gehouden. Toen bespeurden zij met verbazing dat dit niets anders was dan een groote handschoen en dat de vleugel waarin zij allen hadden geslapen de afgezonderde plaats was voor den grooten duim van den reus! Vernemend dat Thor en zijn makkers op weg waren naar Utgard, zooals het gebied der reuzen ook heette, stelde Skrymir, de reus, voor hun gids te zijn; en na den geheelen dag met hen te hebben gewandeld, bracht hij hen, toen de avond viel, op een plaats, waar hij hen voorstelde te rusten. Maar eer hij ging liggen bood hij hun de proviand in zijn knapzak aan. Maar trots hun ingespannen poging konden noch Thor noch zijn makkers de knoopen losmaken die Skrymir had gelegd.

Skrymir riemen

Schenen te hard

Toen gij het voedsel niet krijgen kondet,

Toen gij, gezond, van honger stierft.

Saemunds Edda.

Utgard-Loki.

Boos over zijn gesnork, dat hem wakker hield, deelde Thor hem driemaal geweldige slagen toe met zijn hamer. Deze slagen, echter, in plaats van het monster te vernietigen, hadden niet meer uitwerking op den slapende dan wanneer een stukje boomschors of een takje van een vogelnest boven op zijn gezicht was gevallen. Vroeg in den morgen verliet Skrymir Thor en zijn makkers, en wees hun den kortsten weg naar Utgard-Loki’s kasteel, dat van groote ijsblokken gebouwd was, met hooge schitterende ijskegels als pilaren. De goden slopen tusschen de sluitboomen van de groote poort door en gingen moedig naar den koning der reuzen, Utgard-Loki, die hen herkende en dadelijk beweerde heel verwonderd te zijn over hun kleine gestalte, en den wensch uitdrukte te zien wat zij wel konden, daar hij dikwijls hun wakkerheid had hooren roemen.

Loki, die langer had gevast dan hij wenschte, zei onmiddellijk dat hij bereid was met wien dan ook een wedstrijd te houden in het eten. Dus liet de koning een grooten houten trog vol vleesch in de hal brengen, en zette Loki aan den eenen kant en zijn kok Logi aan den anderen, en beval hun te laten zien wie het zou winnen. Ofschoon Loki wonderen deed en weldra het midden van den trog bereikte, bespeurde hij dat, terwijl hij zelf de beenderen had schoongekluifd, zijn tegenpartij die beenderen had verslonden mét den trog.

Utgard-Loki glimlachte verachtelijk en zei dat zij blijkbaar in het eten niet heel sterk waren, en dit prikkelde Thor zoo, dat hij verklaarde dat, indien Loki niet kon eten als de gulzige kok, hij stellig het grootste vat in huis zou kunnen leegdrinken, zoo onleschbaar was zijn dorst. Onmiddellijk werd een horen binnengebracht, en Utgard-Loki zeide dat goede drinkers dien in een teug leegden, matig dorstige personen in twee teugen en kleine drinkers in drie. Thor zette nu zijn lippen aan den rand, maar ofschoon hij een zóó diepe teug nam dat hij dacht te barsten, kwam het vocht nog bijna aan den rand toen hij zijn hoofd ophief. Een tweede en derde poging om dezen horen te ledigen bleek al even weinig succes te hebben. Thialfi stelde toen een wedloop voor, maar een jonge kerel, Hugi geheeten, die het tegen hem opnam, kwam hem weldra voorbij, ofschoon Thialfi heel vlug liep.

Thor stelde vervolgens voor zijn kracht te toonen door gewichten op te tillen, en werd uitgedaagd de kat van den reus op te nemen. Hij nam een kans te baat om zijn gordel Megin-giörd, die zijn kracht in hooge mate vermeerderde, vast te maken en trok toen en deed zijn best, maar kon enkel een harer poten van den vloer oplichten.

Sterk is Thor, buiten kijf, als Megin-garder

Hij dicht sluit om zijn rotsge lend’nen heen.

Vikingverhalen van het noorden (R. B. Anderson).

Een laatste poging van zijn kant om te worstelen met Udgard-Loki’s oude voedster Elli, de eenige partij die men een zoo nietigen kerel waardig keurde, eindigde even ongelukkig, en toen de goden bekenden, dat zij verslagen waren, werden zij gastvrij onthaald. Den volgenden morgen werden zij begeleid tot de grenzen van Utgard, waar de reus hun beleefd te kennen gaf dat hij hoopte dat zij nooit meer hem zouden uitdagen, daar hij genoodzaakt was geweest toovermacht tegen hen te gebruiken. Hij vertelde toen dat hij de reus Skrymir was, en dat, had hij de voorzorg niet genomen een berg te zetten tusschen zijn hoofd en Thors slagen, terwijl hij schijnbaar lag te slapen, hij gedood zou zijn, evenals diepe kloven in de berghelling, waarop hij wees, getuigden van de kracht van den God. Verder deelde hij mede dat Loki’s tegenpartij Logi was (wild vuur); dat Thialfi een wedloop had gehouden met Hugi (gedachte), den allersnelsten looper; dat Thors drinkhoren was verbonden met den oceaan, waar zijn diepe teug een aanmerkelijke ebbe had veroorzaakt, dat de kat in werkelijkheid de verschrikkelijke Midgardslang was die de wereld omgordt, welke Thor bijna uit de zee had getrokken; en dat Elli, zijn voedster, de ouderdom was die niemand kon weerstaan. Toen hij deze woorden geëindigd had en hen had gewaarschuwd nooit weer terug te keeren, of hij zou zich zelf verdedigen door gelijke toovenarijen, verdween Utgard-Loki, en ofschoon Thor vertoornd zijn hamer zwaaide en zijn kasteel had willen verbrijzelen, omhulde dit een nevel zoo dicht dat het niet zichtbaar was, en de dondergod was genoodzaakt terug te keeren naar Trud-vang zonder dat hij zijn bedoelde heilzame les aan het geslacht der reuzen gegeven had.

En zwaar gewapend ging

Wel dikwijls Thor den weg naar Jötun-heim

Maar trots zijn gordel, trots zijn stalen mantel

Zit steeds nog Udgard-Loki op zijn troon,

Kwaad, zelf en kracht, gaat voor geen kracht op zij.

Vikingverhalen van het noorden (R. B. Anderson).

Thor en Hrungnir.

Odin zelf ijlde eens door de lucht op z’n achtpootig paard Sleipnir, toen hij de aandacht trok van den reus Hrungnir die een wedloop voorstelde, zeggende dat Gullfaxi zijn paard Sleipnir in snelheid evenaarde. In de hitte van den strijd merkte Hrungnir de richting niet waarin zij gingen, totdat, in de ijdele verwachting dat hij Odin zou inhalen, hij zijn paard voortdreef tot de poorten van het Valhalla. Toen hij ontdekte waar hij was, werd de reus bleek van angst, want hij wist dat hij zijn leven op het spel had gezet door zich in de burcht van de goden, zijn erfvijanden, te wagen.

Thor en de Berg
Thor en de Berg

Thor en de Berg

J. C. Dollman.

De Aesir echter stonden te hoog om zelfs bij een vijand van tegenspoed te profiteeren, en in plaats van hem kwaad te doen, noodigden zij hem in hun eethallen, waar hij flink begon te drinken van de hemelsche mee die voor hem werd neergezet. Hij werd al spoedig zóó opgewonden dat hij zich op zijn macht begon te beroepen en verklaarde dat hij eens zou komen en Asgard in bezit nemen, dat hij met de goden samen vernielen zou, behalve Freya en Sif, naar wie hij met bewonderenden blik keek.

De goden die wisten dat hij niet toerekenbaar was, lieten hem ongehinderd doorpraten, maar Thor, die toen juist van een zijner reizen thuis kwam en die zijn dreigement hoorde, dat hij de beminde Sif zou weghalen, werd vreeselijk woedend. Hij zwaaide razend zijn hamer met het doel den grootspreker te vernietigen. Dit wilden de goden echter niet toestaan en wierpen zich snel tusschen den toornigen Thor en zijn gast, terwijl zij Thor smeekten de heilige rechten der gastvrijheid te eeren, en hun vreedzame plaats niet te ontheiligen door het vergieten van bloed.

Thor werd ten slotte er toe gebracht zijn toorn te breidelen, maar hij vroeg dat Hrungnir tijd en plaats zou aangeven voor een “holmgang” zooals een noorsch tweegevecht gewoonlijk werd genoemd. Dus uitgedaagd beloofde Hrungnir Thor te zullen treffen te Griottunagard, de grenzen van zijn gebied, drie dagen later, en vertrok wat ontnuchterd door den schrik, dien hij had gekregen. Toen zijn medereuzen hoorden hoe onnadenkend hij was geweest, scholden zij hem erg uit; maar zij overlegden samen hoe het beste te maken van den leelijken toestand. Hrungnir vertelde hun dat hij het voorrecht mocht hebben vergezeld te zijn door een krijger met wien Thialfi zou vechten, en daarom gingen zij een wezen maken uit klei, negen mijlen lang en naar evenredigheid breed, dat zij Mokerkialfi (nevelwader) noemden. Daar zij geen menschelijk hart konden vinden dat groot genoeg was om het in de borst van dit monster te steken, namen zij dat van een merrie, dat echter van vrees sidderde en beefde. De dag van het tweegevecht kwam. Hrungnir en zijn krijger wachtten op het terrein de aankomst van hun respectieve partijen. De reus had niet alleen een steenen hart en schedel, maar ook een schild en knots van dezelfde stof, en hield zich daarom bijna voor onoverwinlijk. Thialfi kwam voor zijn meester en kort daarop was er een heftig gedruisch en geschud waardoor de reus merkte dat zijn vijand door den grond zou komen en hem van onder aanvallen. Hij volgde dus een wenk van Thialfi en stond op zijn schild.

Een oogenblik later zag hij echter zijn vergissing, want, terwijl Thialfi Mokerkialfi aanviel met een spade, kwam Thor plotseling op het tooneel en wierp zijn hamer vlak naar het hoofd van zijn tegenpartij. Hrungnir hield, om den slag af te weren, zijn steenen knots, die in stukken over de aarde vloog en oorzaak werd van al de keiën welke men er later zou vinden, en een stuk drong diep in Thors voorhoofd. Toen de god bewusteloos ter aarde viel, kraakte zijn hamer tegen het hoofd van Hrungnir, die dood naast hem neerviel, in dier voege dat een zijner zware beenen over den god kwam te liggen.

Gij doet mij denken nu

Hoe ik met Hrungnir vocht,

Dien stoutmoedigen Jötun,

Wiens hoofd was gansch van steen;

Toch deed ik hem vallen

En voor mij tuim’len.

Saemunds Edda.

Thialfi die intusschen had afgerekend met den grooten reus van klei met zijn laf merriehart, ijlde nu zijn meester te hulp, maar zijn pogingen waren vruchteloos, en ook konden de andere goden, die hij snel te hulp riep, het belemmerende been niet oplichten. Toen zij daar stonden, zich hulpeloos verbazend wat zij verder zouden doen, kwam Thors zoontje, Magni, aan. Volgens verschillende berichten was hij toen slechts drie dagen of drie jaar oud, maar hij greep snel den voet van den reus, en, zonder dat iemand hem hielp, bevrijdde hij zijn vader, zeggend dat indien men hem slechts eerder had geroepen hij met beiden, reus en krijger, zou hebben afgerekend. Deze openbaring van kracht verbaasde de goden zeer, en deed hun de waarheid merken van de verschillende voorspellingen, die alle verklaarden dat hun afstammelingen machtiger zouden zijn dan zij, hen zouden overleven en op hun beurt over den nieuwen hemel en de nieuwe aarde zouden regeeren.

Om zijn zoon te beloonen voor zijn tijdige hulp gaf Thor hem het ros Gullfaxi (goud-manig), dat hem krachtens recht van buitmaking toekwam, en Magni reed voortaan steeds op dit wonderbare paard, dat bijna den beroemden Sleipnir evenaarde in snelheid en weerstandsvermogen.

Groa, de toovenares.

Na een vergeefsch pogen om den steensplinter uit zijn voorhoofd te verwijderen, keerde Thor bedroefd naar Thrud-vang terug, waar Sifs liefderijke pogingen even weinig succes hadden. Zij besloot dus om Groa (groenmaakster) te zenden, een toovenares, beroemd om hare bedrevenheid in de geneeskunst en om de kracht harer tooverformulen en bezweringen. Groa verklaarde zich dadelijk bereid alles wat in haar vermogen was te doen om den god te helpen, die zoo vaak haar terwille was geweest, en begon plechtig voor te dragen machtige runen, onder welker invloed Thor den steen losser en losser voelde worden. Zijn vreugde bij het uitzicht op een spoedige verlossing deed Thor wenschen de toovenares direct te beloonen, en wetend dat niets grooter genot kon geven aan een moeder dan het uitzicht een langverloren kind terug te zien, ging hij haar vertellen dat hij pas den Elivagar of ijsstroom had overgestoken, om haar zoontje Orvandil (zaad) uit de wreede macht der reuzen te bevrijden, en dat hij er in geslaagd was hem in een mandje mee te voeren. Maar daar de kleine ondeugd volhield een van zijn bloote teenen door een gat in de mand te steken, was deze bevroren, en Thor brak hem toevallig af en wierp hem in de lucht, waar hij als een ster zou schijnen, in het Noorden als “Orvandils Teen” bekend.

Verheugd bij dit nieuws hield de profetes met hare bezweringen op om haar blijdschap uit te drukken, maar daar zij juist vergeten was waar zij was gebleven, kon zij haar betoovering niet voortzetten en de keisteen bleef in Thors voorhoofd zitten waar hij nimmer kon worden uitgehaald.

Daar Thors hamer hem altijd zulke goede diensten bewees werd deze het meest van alles wat hij had geprezen, en groot was zijn teleurstelling toen hij op zekeren morgen wakker werd en de hamer weg bleek. Zijn kreet van toorn en teleurstelling riep Loki weldra aan zijn zijde en hem vertrouwde Thor het geheim van zijn verlies toe, zeggende dat als de reuzen er achter kwamen zij weldra Asgard zouden trachten te bestormen en de goden te vernielen.

Toornig werd Thor, ontwaakt nu weer,

En vond zijn trouwe knots niet meer,

Hij fronsde ’t hoofd, hij streek zijn baard,

Toen keek rondom de zoon der aard,

En daar hij sprak dit woord vóór al:

“Nu luister wat ’k u zeggen zal,

Wat god noch mensch weet, leer ik u:

Weg is mijn knots, wat moet ik nu?”

Thryms Quida.

Thor en Thrym.

Loki zeide dat hij zijn best zou doen om den dief te ontdekken en den hamer terug te vinden, als Freya hem haar valkenveeren wilde leenen, en hij haastte zich onmiddellijk naar Folkvang om ze te vragen. Zijn reis had succes, en in de gestalte van een vogel vloog hij toen over de rivier Ifing en over de kale uitgestrektheid van Jötun-heim, waar hij vermoedde dat de dief zich ophield. Daar zag hij Thrym, heer der vorstreuzen en god van den verwoestenden donder, alleen aan een heuvelhelling zitten. Hem listig uitvragend, kwam hij spoedig te weten dat Thrym den hamer had gestolen en hem diep onder den grond begraven had. Bovendien merkte hij dat er weinig kans was hem terug te krijgen tenzij Freya hem gebracht werd als een vogel uitgedost.

Ik houd des Dond’rers knots bewaard

Acht meters diep beneden d’ aard;

Geen is er die mij hem zal ontstelen

Als hij Freya niet brengt om mijn bed te deelen.

Thryms Quida.

Verontwaardigd over de laatdunkendheid van den reus, keerde Loki terug naar Thrud-vang, maar Thor meende dat het goed zou zijn Freya op te zoeken en te trachten haar over te halen dat zij zich zou opofferen ten algemeenen nutte. Maar toen de Aesir de godin der schoonheid vertelde wat hij van haar wilde, werd zij zóó woedend dat haar halsketting barstte. Zij zeide hem dat zij nooit haren geliefden echtgenoot zou verlaten voor welken god ook, veel minder een afschuwelijken reus huwen en in Jötun-heim wonen, waar alles uiterst somber was, en waar zij spoedig zou sterven aan heimwee naar de groene velden en de bloemrijke weiden, waarin zij zoo gaarne rondzwierf. Ziende dat verdere overreding vruchteloos zou zijn, keerden Loki en Thor huiswaarts en overlegden er een ander plan om den hamer terug te krijgen. Op Heimdall’s raad, die echter slechts met grooten tegenzin werd aangenomen, leende Thor de kleeren van Freya en haar halsketting, trok deze aan en wikkelde zich in een dichten sluier. Nadat Loki zich als een kamenier had vermomd, steeg hij met hem in den wagen, met geiten bespannen, en het vreemd uitgedoste paar vertrok naar Jötun-heim, waar zij de respectieve rollen zouden spelen van de godin der schoonheid en hare dienstbare.

Naar huis gedreven

Werden de geiten,

Gespannen voor de kar;

Vlug moest het gaan—

De bergen dreunden,

De aarde stond in vlam;

Odins zoon

Reed naar Jötun-heim.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Thrym heette zijn gasten welkom aan de deur van het paleis, zeer verheugd bij de gedachte, dat hij weldra in het volle bezit zou zijn van de godin der schoonheid, naar wie hij lang te vergeefs had gezucht. Hij voerde hen vlug naar de eetzaal, waar Thor, de uitverkoren bruid, zich onderscheidde door een os op te eten, acht groote zalmen, en al de koeken en zoetigheden die voor de vrouwen bestemd waren, terwijl hij deze verschillende gerechten wegspoelde met den inhoud van twee vaten mee. De reus-bruidegom sloeg deze gastronomische daden gade met verwondering, waarop Loki, om hem gerust te stellen, vertrouwelijk fluisterde dat de bruid zóó verliefd op hem was, dat zij in meer dan acht dagen niet in staat was geweest een bete te nuttigen. Thrym trachtte toen de bruid te kussen, maar week terug, ontsteld door het vuur van haar blik, dien Loki uitlegde als een brandenden liefdeblik. Op de zuster van den reus, die om de gewone geschenken vroeg, werd niet eens gelet; daarom fluisterde Loki den verbaasden Thrym weer toe dat liefde de menschen afgetrokken maakt. Opgewonden door hartstocht en mee, die ook hij in groote hoeveelheden had gedronken, beval de bruidegom zijn dienaren nu den heiligen hamer te brengen ten einde het huwelijk in te zegenen, en zoodra hij er was legde hij hem in den vermeenden schoot van Freya. Dadelijk greep een sterke hand het korte handvat, en weldra werden de reus, zijn zuster, en al de genoodigde gasten verslagen door den vreeslijken Thor.

“Haal nu den hamer, breng hem der maagd

En leg hem neer op den schoot der vrouw”,

De Dond’rer lacht, stil verblijd,

Toen de hamer werd op zijn schoot geleid,

Eerst bracht hij Thrym, den koning, om,

En verder al de reuzen rondom.

Thryms Quida.

Een rookende puinhoop achterlatend reden de goden toen snel naar Asgard terug, waar de geleende kleederen aan Freya werden teruggegeven, zeer tot verlichting van Thor, en de Aesir zich verheugde over de ontdekking van den kostbaren hamer. Toen later Odin keek naar dien kant van Jötun-heim van zijn troon Hlidskialf, zag hij de ruïnen bedekt met teedere groene spruiten, want Thor had, na zijn vijand overwonnen te hebben, zijn land in bezit genomen, dat voortaan niet langer kaal en woest zou blijven maar in overvloed vrucht voortbrengen zou.

Thor en Geirrod.

Loki leende eens Freya’s valkengewaad en vloog uit op zoek van avonturen naar een anderen kant van Jötun-heim, waar hij ging zitten boven op den gevel van Geirrods huis. Hij trok al spoedig de aandacht van dezen reus, die een van zijn knechten beval den vogel te vangen. Loki had vermaak in de onhandige pogingen van den man om hem te pakken en vloog van plaats tot plaats, zich enkel bewegend juist wanneer de reus op het punt was hem te grijpen, toen hij zich vergiste in den afstand en hij plotseling merkte dat hij gevangen was.

Aangetrokken door de schitterende oogen van den vogel keek Geirrod er oplettend naar en besloot dat het een god was in vermomming, en toen hij zag dat hij hem niet tot spreken kon dwingen, sloot hij hem in een kooi, waar hij hem drie heele maanden hield zonder spijs of drank. Ten slotte door honger en dorst genoopt vertelde Loki wie hij was en herkreeg zijn vrijheid door te beloven dat hij Thor zou overhalen Geirrod te bezoeken zonder zijn hamer, gordel of magischen handschoen. Loki vloog toen naar Asgard terug en zei Thor dat hij koninklijk was onthaald en dat zijn gastheer een sterk verlangen had te kennen gegeven om den machtigen dondergod te zien, van wien hij zulke wonderbare verhalen gehoord had. Gevleid door deze listige woorden stemde Thor toe in een vriendschappelijken tocht naar Jötun-heim, en de twee goden vertrokken, de drie wapenen thuis latend. Zij waren nog niet ver gekomen, toen zij het huis bereikten van Grid, een van Odins vele vrouwen. Toen zij zag dat Thor ongewapend was, waarschuwde zij hem zich in acht te nemen voor verraad en leende hem haar eigen gordel, staf en handschoen. Korten tijd daarna verlieten Thor en Loki haar en kwamen aan de rivier Veimer, die de Donderaar, het waden gewoon, wilde doorloopen, terwijl hij Loki en Thialfi zich liet vasthouden aan zijn gordel.

Geirrod neemt Loki gevangen
Geirrod neemt Loki gevangen

Geirrod neemt Loki gevangen

Patten Wilson.

Maar midden in den stroom greep hem een plotselinge wolkbreuk en vloed; de wateren begonnen te rijzen en te bruischen, en, ofschoon Thor stevig op zijn staf leunde, werd hij bijna weggezweept door de kracht van den woedenden stroom.

Was niet, Veimer,

Nu ’k doorwaden u wil

Naar des reuzen land!

Weet als gij wast,

Wast mijn godensterkte

Hoog als de hemelen.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Thor bespeurde nu dat stroomop Geirrods dochter Gialp zich bevond, en terecht vermoedend dat zij den storm veroorzaakte, nam hij een zwaren kei en gooide haar daarmee, mompelend dat de beste plaats om een rivier af te dammen bij haar bron was. Het werptuig had de bedoelde uitwerking, want de reuzen vluchtten, de wateren vielen, en Thor, uitgeput maar gered, trok zich op den anderen oever aan een kleinen struik op, den bergesch of sorbe. Deze staat sedert bekend als “Thors redding” en verborgen machten worden er aan toegeschreven. Na een poos rusten hervatten Thor en zijn makkers hun reis; maar toen zij aan Geirrods huis kwamen was de god zóó uitgeput dat hij moe neerviel op den eenigen stoel die er was. Maar tot zijn verbazing voelde hij hem onder zich oprijzen, en, vreezende dat hij tegen de balken zou verpletterd worden, stiet hij den geleenden staf tegen den zolder en drukte den stoel met alle macht naar beneden. Toen volgden een geweldig gekraak, plotselinge kreten en zuchten van pijn; en toen Thor aan het onderzoeken ging, bleek het dat de dochters van den reus, Gialp en Greip, onder zijn stoel waren geslopen om hem verraderlijk te vermoorden, en dat zij een verdiend loon hadden gekregen en beiden verpletterd waren.

Eens gebruikte ik

Mijn asa-macht

In het reuzenland,

Toen Gialp en Greip

Mij naar boven tilden.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Geirrod verscheen nu en daagde Thor uit tot een proeve van kracht en handigheid, maar zonder te wachten op een van te voren afgesproken teeken wierp hij hem met een rood-gloeiende wig. Thor, vlug van oogen en een ervaren opvanger, ving het werptuig op met den ijzeren handschoen van de reuzin en sloeg het terug naar zijn tegenpartij. Zóó groot was de kracht van den god, dat het ding niet alleen heenging door den pilaar waarachter de reus gevlucht was, maar door hem zelf heen en door den muur van het huis, en diep in den grond buiten, zich begroef.

Thor ging toen naar het lijk van den reus, dat op den slag van zijn wapen versteend was, en zette het op een zichtbare plaats, als een herinnering aan zijn kracht en aan de overwinning, die hij behaald had op zijn verschrikkelijke vijanden, de bergreuzen.

De vereering van Thor.

Thors naam is gegeven aan vele plaatsen die hij dikwijls bezocht, zooals de voornaamste haven van de Faroe-eilanden, en aan geslachten die beweren van hem af te stammen. Hij komt nog voor in namen als Thunderhill in Surrey, en in de geslachtsnamen Thorburn en Thorwaldsen, maar is het duidelijkst in den naam van een der dagen van de week, Thors dag of Thursday (Donderdag).

Over heel d’ aard

Is het nog Thors dag.

Sage van koning Olaf (Longfellow).

Thor werd beschouwd als een buitengewoon goede god, en daarom werd hij in zoo breeden kring gehuldigd en rezen tempels hem ter eere op in Moeri, Hlader, Godey, Gothland, Upsala en op andere plaatsen, waar het volk nooit verzuimde hem te smeeken op Yuldag, zijn hoofdfeest, om een gunstig jaar. Men was gewoon dien dag een groot blok van een eik, den hem geheiligden boom, te branden, als een zinnebeeld van de warmte en het licht van den zomer, die zouden verdrijven de duisternis en de koude van den winter.

Bruiden droegen altijd rood, Thors geliefkoosde kleur, die als het zinnebeeld van de liefde gold, en om dezelfde reden waren verlovingsringen in het noorden bijna altijd van een rooden steen voorzien.

Thors tempels en beelden waren, evenals die van Wodan, uit hout gemaakt, en het meerendeel er van werd vernield gedurende de regeering van koning Olaf den Heilige. Volgens oude kronieken dwong deze vorst zijn onderdanen met geweld Christen te worden. Hij was vooral boos op de bewoners van een zekere provincie, omdat zij een ruw beeld van Thor dienden, dat zij met gouden versierselen bedekten, en waarvoor zij iederen avond voedsel neerzetten, bewerend dat de god het opat, daar er den volgenden morgen geen spoor meer van over was.

Toen de bevolking werd aangezegd in 1030, dat zij dit beeld moest verloochenen ten gunste van den waren god, beloofde zij dit te zullen doen als den volgenden dag de lucht bewolkt was; maar toen na een heelen nacht, dien Olaf in vurig gebed had doorgebracht, er een bewolkte dag volgde, zeide het obstinate volk nog niet overtuigd te zijn van Gods macht, en enkel te zullen gelooven als de zon den volgenden dag scheen.

Opnieuw bracht Olaf den nacht biddend door, maar, toen de morgen daagde, was tot zijn groote spijt de lucht bewolkt. Niettemin verzamelde hij het volk bij Thors standbeeld, en na heimelijk zijn eersten dienstman te hebben opgedragen het beeld met zijn strijdbijl te verbrijzelen als het volk een oogenblik de oogen afwendde, begon hij het toe te spreken. Plotseling, toen allen aan het luisteren waren, wees Olaf naar den horizon, waar de zon langzaam door de wolken brak, en riep uit “Zie onzen God!” Het heele volk keerde zich om, om te zien wat hij bedoelde en de dienstman benutte deze gelegenheid om het beeld aan te vallen, dat gemakkelijk voor zijn slagen bezweek, en een menigte muizen en ander ongedierte kwamen haastig uit zijn inwendige, dat hol was, te voorschijn. Toen de menschen zagen dat het voedsel, door hen geplaatst voor hun god, was verslonden door schadelijke dieren alleen, hielden zij op Thor te vereeren, en namen voor goed het geloof aan, dat koning Olaf hun zoo lang en te vergeefs had willen opdringen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings