← Table of contents
Mythen & Legenden van Japan

Hoofdstuk XXIV. Over thee.1

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

Hoofdstuk XXIV. Over thee.1

Lotung.

Theedrinken in Europa en in Japan.

In Europa beschouwen wij de thee eenvoudig als een drank, een verfrisschend en zacht opwekkingsmiddel, waarbij dames met haar vriendinnen plegen te babbelen. Er is niets romantisch in onze theepotten en theeketels en lepeltjes; zij komen uit de keuken en worden weer in de keuken teruggebracht met voorgeschreven regelmatigheid. Wij maken eenige stereotiepe opmerkingen over thee, en kunnen nauwkeurig den prijs opgeven, dien onze grootouders voor dien drank betaalden. Wij hebben onze vaste meening, in hoeverre thee liever met of zonder suiker moet genomen worden, en hebben het dikwijls een krachtig middel gevonden, om hoofdpijn te verdrijven.

Toen de thee omstreeks 1650 tot Europa doordrong, werd er melding van gemaakt als van “dien uitstekenden en door alle geneesheeren aanbevolen Chineeschen drank, door de Chineezen Tcha, en door andere naties Tay, ook wel Tee genaamd.” In 1711 merkte de Spectator op: “Ik zou deze mijn overpeinzingen op een bij zondere wijze aanbevelen aan alle ordelijke gezinnen, die elken morgen een uur aan hun thee, brood en boter besteden; en zou hen ernstig willen aanraden in hun eigen belang, om te bevelen, dat dit blad hun stipt wordt uitgereikt en door hen als een deel van hunne uitrusting bij de thee wordt beschouwd.” Dr. Johnson gaf van zich zelf een beschrijving als van een “verstokt en schaamteloos theedrinker, die gedurende twintig jaar zijn maaltijden verdunde alleen met dit afgietsel van den betooverenden drank; die zijn avonden met thee verkortte, in den middernacht troost vond in thee, en met thee den ochtend verwelkomde.” Maar er is niets romantisch, geen oude traditie aan ons theedrinken verbonden. Misschien is het maar goed, dat de dames, die in onze deftige salons zitten, niet bekend zijn met de sombere en pathetische legende, die verhaalt hoe een Buddhistische priester tijdens zijn overpeinzingen in slaap viel. Toen hij wakker werd, sneed hij zijn oogleden af, die zoozeer gezondigd hadden, en wierp ze op den grond, waar zij onmiddellijk veranderden in de eerste theeplant.

In Japan is het theedrinken een godsdienstige handeling geworden. Het is evenzeer een maatschappelijke handeling als een tijd voor rustige overpeinzing. De uitgewerkte ceremonies bij de thee, cha-no-yu, hebben haar thee-ceremoniemeesters, etiquette en talrijke plechtigheden. Een kop Japansche thee is verbonden met geestelijke en artistieke beschaving. Maar voordat wij deze zeer belangwekkende ceremonies bespreken, moeten wij iets leeren omtrent de beteekenis van thee in China, want het drinken van dien drank in het Hemelsche Rijk, verbonden met het kostbaarste en zeldzaamste porcelein en met aesthetische en godsdienstige gedachten, heeft tot de vereering van de thee in het Land der Goden geleid.

Thee in China.

De theeplant, afkomstig uit Zuidelijk China, werd oorspronkelijk als een geneesmiddel beschouwd. Bij de classieke schrijvers komt zij voor onder de namen Tou, Tseh, Chung, Kha en Ming, en werd op hoogen prijs gesteld om haar geneeskrachtige eigenschappen. Zij werd als een uitnemend waschmiddel beschouwd, om de oogen te versterken, en zij had bovendien de macht, vermoeienis te bannen, den wil te sterken, en de ziel te verheugen. Somtijds werd er een deeg van gemaakt, en men meende, dat het een afdoend middel was tegen rheumatische pijnen. De Taoïsten gingen zelfs zóóver, dat zij beweerden, dat thee één van de bestanddeelen was van het Levenselixer, terwijl de Buddhistenpriesters die dronken, zoo dikwijls zij het noodig achtten om gedurende de lange uren van den nacht te peinzen en te overdenken.

Luwuh en de Chaking.

In de vierde en vijfde eeuw blijkt de thee een zeer geliefkoosde drank te zijn geweest onder de bevolking der Yangtse-Kiang Vallei. In dien tijd ook werden de dichters welsprekend bij het verkondigen van haar lof. Maar in die dagen was de thee een walgelijk brouwsel, want het werd gekookt met rijst, zout, gember, sinaasappel-schillen, en niet zelden met uien! Lawuh echter, die in de achtste eeuw leefde, keurde het vreemde brouwsel af, dat wij zooeven genoemd hebben. Hij was de eerste Chineesche theemeester, en niet alleen, dat hij de thee idealiseerde, maar met een helder poëtisch inzicht begreep hij, dat de plechtigheden bij het drinken bevorderlijk waren aan de harmonie en de orde in het het dagelijksch leven.

In zijn Chaking (“De Heilige Schrift van Thee”) beschrijft hij den aard der theeplant, en hoe haar bladeren moeten worden verzameld en uitgezocht. Hij was van oordeel, dat de beste bladeren plooien moesten hebben als de leeren laarzen van Tartaarsche ruiters, gekruld moesten zijn als de keellap van een krachtigen os, moesten worden losgevouwen als een nevel, die uit een ravijn opstijgt, moesten glinsteren als een meer, door den westenwind bewogen, en vochtig en zacht moesten zijn als fijne aarde, juist te voren door den regen bespoeld. Luwuh beschrijft de verschillende gereedschappen, die met de plechtigheid van het theedrinken verbonden zijn, en beweert, dat de groene drank moet worden gedronken uit blauwe porceleinen koppen. Hij behandelt in bijzonderheden de keuze van het water, en de wijze, hoe het gekookt moet worden. In poëtische bewoordingen beschrijft hij de drie trappen van koken. Hij vergelijkt de kleine belletjes bij het begin van het koken met de oogen van visschen, de kleine belletjes bij het tweede koken met een fontein, gekroond met opgehoopte kristallenknopjes, en het laatste kooksel wordt beschreven als gelijkend op het verrijzen van kleine golven. De laatste hoofdstukken van de Chaking behandelen de gewone en niet-orthodoxe methoden van theedrinken, en de vurige meester geeft een lijst van beroemde theedrinkers, en somt de beroemde Chineesche theeplantages op. Het bekoorlijke werk van Luwuh werd als een meesterstuk beschouwd. Hij was in hoog aanzien bij Keizer Taisung, trok een aantal leerlingen naar zich toe, en werd beschouwd als de grootste autoriteit op het gebied van thee en theedrinken. Zijn roem hield niet op bij zijn dood, immers sedert zijn dood is hij door Chineesche handelaars in thee als een beschermgod vereerd.

De Japansche Theeceremonies.

Men meent, dat de groote Buddhistische heilige, Dengyō Daishi, de thee uit China in Japan invoerde in het jaar 805. In ieder geval stond het theedrinken in Nippon in verband met het Buddhisme, en voornamelijk met de Zen-secte, die zoovele van de Taoïstische leerstellingen had overgenomen. De priesters van die orde dronken thee uit één enkelen kom voor het beeld van Bodhi Dharma (Daruma). Zij deden dit in den geest van aanbidding en beschouwden het theedrinken als een heilig sacrament. Het was die plechtigheid bij de Zen-secte, die uitsluitend van godsdienstigen aard was, welke zich ten slotte ontwikkelde tot de Japansche theeceremonies.

“De theeceremonies”, zoo schrijft Professor B.H. Chamberlain, “hebben gedurende de zes of zeven honderd jaren van haar bestaan drie gedaanteverwisselingen ondergaan. Zij hebben een geneeskundig godsdienstigen trap, een wellustigen, en ten slotte een aesthetischen trap doorloopen. Op den godsdienstigen trap schreef de Buddhistische priester Eisai een korte verhandeling, die tot titel droeg De Heilige Invloed van het Theedrinken, waarin hij beweerde, dat die drank de macht had, kwade geesten te verdrijven. Hij voerde een godsdienstige plechtigheid in, in verband met de vereering der voorouders, vergezeld met het slaan van trommen en het verbranden van vuurwerk. Eisai schreef zijn verhandeling met de bedoeling, Minamoto-no-Sanetomo te bekeeren van zijn misdadige liefde voor den wijnbeker, en trachtte de voortreffelijkheid der theeplant boven het druivensap aan te toonen.” Het blijkt dat de theeceremonies in den loop der tijden haar godsdienstige beteekenis verloren. “De Daimio’s”, zoo schrijft Chamberlain, “die daaraan deelnamen lagen op rustbanken, bedekt met tijgervellen en vellen van luipaarden. De muren der ruime vertrekken, waarin de gasten waren verzameld, waren niet alleen behangen met Buddhistische teekeningen, maar met damasten brokaat, met gouden en zilveren vaatwerk, en zwaarden met schitterende scheeden. Kostbare reukwerken werden gebrand, zeldzame visschen en vreemde vogels werden opgedischt met suikerwerk en wijn, en de aardigheid van het feest bestond hierin, dat men moest raden, waar de grondstof voor iederen kop thee was voortgebracht; want er werden zooveel mogelijk soorten binnengebracht, om als gezelschapsspel of als raadsel dienst te doen.... Voor iederen keer, dat men goed geraden had, ontving de oplosser één der schatten ten geschenke, die rondom het vertrek hingen. Maar hij mocht die niet zelf medenemen. De regels der theeceremonies, zooals zij toen beoefend werden, eischten, dat alle kostbare en zeldzame dingen, die tentoongesteld waren, door de winners ten geschenke werden gegeven aan de zang- en dansmeisjes, van wie steeds een groot aantal tegenwoordig waren, om het gezelschap bij hun feest bij te staan.”

Die vorm van theeceremonies, die inderdaad een vreeselijk onzedelijke slemppartij blijkt geweest te zijn, gaf een beeld van het weelderige en losbandige tijdperk, waarin die theeceremonies plaats hadden. De theeceremonie, in haar meer blijvenden en karakteristieken vorm, was bestemd, alle gemeene vertooningen op zijde te zetten, een zeker bedrag aan godsdienst en wijsbegeerte te omvatten, en bovenal een middel te schenken, om de kunst en de schoonheid der Natuur te bestudeeren. De theesalon werd niet een plaats voor drinkgelagen, maar een plaats, waar de reiziger vrede zou kunnen vinden in plechtige overpeinzing. Zelfs het tuinpad, dat naar de theekamer leidt, had zijn symbolische beteekenis, want het beteekende den eersten trap naar zelf-verlichting. De volgende regels geven een denkbeeld van de voorstelling, die Kobori Enshiu zich maakt van het pad, dat naar de theekamer leidt:

“Een groep zomerboomen, Een deel van de zee, Een bleeke avondmaan”.

Zulk een tafereel was bestemd, den reiziger een denkbeeld te geven van geestelijk licht. De boomen, de zee en de maan wekten oude droomen, en hun aanwezigheid was de reden, dat de gast verlangend was, over te gaan naar de grootere vreugden van den theesalon. Geen samurai mocht met zijn zwaard in het geurige heiligdom van den vrede binnentreden, en in een aantal theesalons was er een lage deur, waardoor de gasten binnenkwamen met gebogen hoofd, als een teeken van nederigheid. In stilte maakten de gasten een diepe buiging vóór een kakomono of vóór een eenvoudige schoone bloem op de tokonoma (alkoof), en gingen dan op de matten zitten. Als zij dit gedaan hadden, kwam de gastheer binnen, en hoorde men het water in den ketel met een muzikaal geluid koken, het gevolg van enkele stukken ijzer, die daarin lagen. Zelfs het koken van het water in den ketel was verbonden met een poëtische gedachte, want het gezang van water en metaal moest een voorstelling geven van “de echo’s van een waterval, door wolken bedekt, van een verwijderde zee, die tegen de rotsen breekt, van een regenvlaag, die door een bamboebosch vliegt, of van het suizen van pijnboomen op den één of anderen verwijderden heuvel”. Er was een gevoel van harmonie in den theesalon. Het licht was als het zachte licht van den avond, en de kleederen van het gezelschap waren even rustig en stemmig als de grijze vleugels van een nachtvlinder. In dat rustige vertrek dronken de gasten hun thee en peinsden, en keerden weder beter en krachtiger in de wereld terug, nadat zij in stilte het schoone en het edele in godsdienst, kunst en natuur hadden overdacht en beschouwd. “Daar zij voortdurend in harmonie trachtten te zijn met den grooten rhythmus der natuur, waren zij steeds voorbereid, het onbekende binnen te treden.”

De Dood van Rikiu.

Rikiu was één der grootste theemeesters, en langen tijd bleef hij de vriend van Taiko-Hideyoshi; maar de tijd waarin hij leefde, was vol verraad. Er waren velen, die afgunstig waren op Rikiu, velen, die op zijn dood loerden. Toen een verkoeling ontstond tusschen Hideyoshi en Rikiu, maakten de vijanden van den grooten theemeester gebruik van die verkoeling en verspreidden het gerucht, dat Rikiu van plan was, vergif te doen in een kop thee, en dat aan zijn edelen beschermer aan te bieden. Spoedig vernam Hideyoshi dat gerucht, en zonder de moeite te nemen, de zaak nader te onderzoeken, veroordeelde hij Rikiu, zelfmoord te plegen.

Den laatsten dag, dat de beroemde theemeester leefde, noodigde hij een aantal van zijn leerlingen uit, hem te bezoeken bij zijn laatste theeceremonie. Terwijl zij in het tuinpad wandelden, leek het, alsof geesten in de ritselende paden fluisterden. Toen de leerlingen den theesalon binnentraden, zagen zij een kakemono in de tokonoma hangen, en toen zij hun bedroefde oogen ophieven, zagen zij, dat het geschrift het voorbijgaan van alle aardsche dingen beschreef. Er was poëzie in het gezang van den theeketel, maar het was een droevig gezang, als het klagende geluid van een insect. Rikiu kwam kalm en waardig in den theesalon, volgens de gewoonte liet hij den voornaamsten gast de verschillende voorwerpen bewonderen, die met de thee-ceremonie in verband stonden. Toen alle gasten die hadden beschouwd, met een bloedend hart hun schoonheid bewonderend, bood Rikiu iederen leerling een aandenken aan. Hij nam zijn eigen theekop in de hand en zeide: “Nooit meer zal die kop, bezoedeld door de lippen van het ongeluk, door een mensch gebruikt worden”. Na die woorden gesproken te hebben, brak hij den kop ten bewijze, dat de thee-ceremonie geëindigd was, en de gasten namen een droevig afscheid. Slechts één bleef achter, om getuige te zijn, niet van het drinken van nog een kop thee, maar van den dood van Rikiu. De groote meester trok zijn bovenkleeren uit, en toen kwam het reine witte Doodskleed voor den dag. Nog altijd even kalm en waardig, keek hij naar zijn dolk, en zeide hij met onbewogen stem het volgende vers op:

“Een welkom zij u gewijd, O zwaard der eeuwigheid! Door Buddha En ook door Daruma Hebt gij uw weg gebaand.”

Hij, die het oude gedicht placht aan te halen, “aan hen, die alleen naar bloemen verlangen, zou ik gaarne de in vollen bloei staande lente willen laten zien, die woont in de zwellende knoppen op de heuvelen met sneeuw bedekt”, heeft de Japansche thee-ceremonie met een onsterfelijke bloem gekroond.

Daruma.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings