← Table of contents
Mythen & Legenden van Japan

Hoofdstuk XXI. Donder.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

“De aarde is vol salpeter en zwavel, die opstijgen in den vorm van nevel, en die, na zich in de lucht te hebben verbonden, een damp worden, die de eigenschap van buskruit heeft. Als die damp de hevige hitte der zon bereikt, ontploft hij, als een natuurlijk gas; en het ontzettende geluid wordt over de geheele wereld gehoord. De schok, die dieren treft en vogels, die door de wolken trekken, slingert ze op den grond. Daarom zijn donder en bliksem, en de schepselen, die uit de wolken neerslaan, niet één en dezelfde zaak.”

”Shin-rai-ki.” (Verslag van den Donder).

Raiden.

Het Donderdier.

Raijū, of het Donderdier, blijkt nauwer verbonden te zijn met den bliksem dan met den donder. Hij wordt gezien in vormen, die gelijken op een wezel, das of aap. In de Shin-rai-ki (“Verslag van den Donder”) lezen wij het volgende: “Op den twee en twintigsten dag der zesde maand van het tweede jaar van Meiwa (Juli 1766), viel een Donderdier te Oyama (Groote Berg) in de provincie Sagami. Het werd door een landbouwer gevangen, die het naar Yedo bracht en het voor geld op de Riyo-goku Brug liet zien. Het schepsel was iets grooter dan een kat, en geleek op een wezel: het had zwart haar, en vijf klauwen aan iederen poot. Als het goed weer was, was het zeer zacht en tam; maar vóór en tijdens een storm was het vreeselijk woest en onhandelbaar.” In China wordt het Donderdier beschreven als een dier met “den kop van een aap, hoogroode lippen, oogen als spiegels en twee scherpe klauwen aan iederen poot.” Tijdens een storm springt het Japansche Donderdier van den éénen boom op den anderen, en als het blijkt, dat enkele van die boomen door den bliksem zijn getroffen, dan meent men, dat dit het woeste werk is van de klauwen van het Donderdier. Dat wezen heeft, naar men zegt, evenals de Dondergod zelf, een bepaalde voorliefde voor menschelijke navels, zoodat dan ook om die reden vele bijgeloovige menschen tijdens een onweersbui trachten zoo mogelijk op hun buik te liggen. Boomschors, door het Donderdier afgescheurd, wordt zorgvuldig bewaard, en is, naar men meent, een uitstekend geneesmiddel tegen kiespijn.

De Dondervogel en de Dondervrouw.

Raicho, de Dondervogel, gelijkt op een kraai, maar hij heeft sporen van vleesch, die, zoodra zij hard tegen elkander geslagen worden, geluid voortbrengen. Het is de vogel, op wien de Keizer van Goto-bain doelde in het volgende gedicht:

“In de schaduw van den pijnboom van Shiro-Yama Rusten dondervogels, die den nacht daar doorbrengen.”

Die vogels voeden zich met den boomkikker rai (donder genaamd), en vliegen altijd tijdens een onweer in de lucht rond.

Er is omtrent Kaminari (Dondervrouw) weinig bekend, behalve dat zij bij zekere gelegenheid moet verschenen zijn in de gestalte van een Chineesche Keizerin.

Vreemde Denkbeelden.

Bakin maakt de opmerking, dat bij hen, die bevreesd zijn voor den donder, de In, of het vrouwelijke beginsel de overhand heeft, terwijl bij hen, die niet bevreesd zijn, de Yo of het mannelijke beginsel overheerschend is. Dezelfde schrijver wijst op het volgende gebruik ten opzichte van hen, die ziek zijn ten gevolge van een donderbui, en wij vestigen er de aandacht op, dat de nadruk gelegd wordt op donder als de verwoestenden kracht—dus eer een heftig geluid dan een fel licht: “Als iemand door den donder is getroffen, laat hem dan op zijn rug liggen en leg een levenden karper in zijn boezem. Als de karper zich beweegt en springt, zal de patiënt herstellen. Dit is onfeilbaar waar. Als de donder het vleesch verschroeit, brand dan Ko (wierook) onder den neus van den lijder. Dit zal hem aan het hoesten maken, en de betoovering van den Dondergod verbreken.”

Het Kind van den Dondergod.

De meeste legenden, die met Raiden en zijn verwante geesten in betrekking staan, zijn van een kwaadaardige natuur; maar in het volgende verhaal zien wij, dat het kind van den Dondergod grooten voorspoed aanbracht.

Dicht bij den Berg Hakuzan leefde eens een zeer arme landbouwer, Bimbo genaamd. Zijn stukje land was bijzonder klein, en hoewel hij daarop werkte van den vroegen morgen tot laat op den avond, kostte het hem groote moeite, voor zich en zijn vrouw genoeg rijst daarvan binnen te halen.

Op zekeren dag zag Bimbo na een langdurige droogte treurig naar zijn verdorde rijsthalmen. Toen hij daar zoo stond, en vreesde voor gebrek in de naaste toekomst, daalde plotseling de regen neder, vergezeld van heftige donderslagen. Toen Bimbo op het punt was een schuilplaats te zoeken tegen den storm, werd hij bijna verblind door een bliksemstraal, en hij bad vurig tot Buddha om bescherming. Nadat hij dit had gedaan, keek hij om zich heen, en tot zijn verbazing zag hij een klein jongetje, dat lachte en kraaide, terwijl het op den grond lag.

Bimbo nam het knaapje in zijn armen, en droeg het teeder naar zijn nederige woning, waar zijn vrouw het met verrassing en genoegen begroette. Het kind werd Raitaro, het Kind van den Donder, genoemd, en leidde bij zijn pleegouders een gelukkig leven, terwijl het zich tegenover hen zeer gehoorzaam gedroeg. Hij speelde nooit met andere kinderen, want hij vond het heerlijk in de velden rond te dolen en den stroom gade te slaan en de snelle vlucht der wolken boven zijn hoofd.

Met de komst van Raitaro kwamen ook welvaart en voorspoed in Bimbo’s woning binnen, immers Raitaro kon de wolken naar zich toe wenken en ze bevelen, regendroppels uitsluitend te doen neervallen op het veld van zijn pleegvader. Toen Raikaro tot een schoonen jongeling van achttien jaar was opgegroeid, bedankte hij het echtpaar nog eens voor alles wat zij voor hem gedaan hadden, en deelde hun mede, dat hij nu afscheid van hen moest nemen.

Bijna voordat de jongeling had uitgesproken, veranderde hij plotseling in een kleinen witten draak, bleef nog een oogenblik talmen en vloog toen weg.

Het oude paar rende naar de deur. Naarmate de witte draak in den hemel opsteeg, werd hij al grooter en grooter, totdat hij achter een groote wolk was verdwenen.

Toen Bimbo en zijn vrouw gestorven waren, werd een witte draak op hun graftombe gebeeldhouwd ter herinnering aan Raitaro, het Kind van den Donder.

Shokuro en de Dondergod.

Shokuro, die op goeden voet wilde staan met Torū, het hoofd van zijn district, beloofde hem den Dondergod te zullen pakken. “Indien ik”, zoo sprak Shokuro, “den navel van een mensch zou kunnen vastbinden aan het uiteinde van een vlieger, en dien op een stormachtigen dag zou oplaten, zou ik Raiden zeker kunnen pakken, daar de Dondergod niet in staat zou zijn aan zulk een maaltijd weerstand te bieden. Het is echter moeilijk een navel meester te worden.”

Met dit doel ging Shokuro op reis, om voedsel voor den Dondergod te zoeken. Toen hij een boschje bereikte, zag hij een schoone vrouw, Chiyo genaamd. Zonder de minste gewetenswroeging doodde hij het meisje, en na zijn doel te hebben bereikt, wierp hij haar lijk in een diepe gracht. Hij ging toen met een verlicht gemoed op weg.

Raiden zag, terwijl hij op een wolk gezeten was, het lijk van het meisje in een gracht liggen. Hij daalde snel neer, en daar hij onder de bekoring kwam van de schoonheid van Chiyo, nam hij een navel uit zijn mond, en gaf haar het leven terug, waarna zij samen de lucht in vlogen.

Eenige dagen later was Shokuro buiten, terwijl hij jacht maakte op den Dondergod, en zijn vlieger met zijn afgrijselijk aanhangsel hoog over de boomen heen en weer vloog in den krachtigen wind. Chiyo zag den vlieger, en daalde hoe langer hoe meer. Eindelijk pakte zij hem en zag zij, wat er aan bevestigd was. Ten diepste verontwaardigd keek zij naar beneden, om te zien wie den vlieger opliet, en was zij ten hoogste verbaasd, toen zij haar moordenaar herkende. Op dat oogenblik daalde Raiden woedend neer, doch alleen om zwaar gekastijd te worden door Shokuro, die daarna vrede sloot met Chiyo, en later een beroemd man in zijn dorp werd. Dit is inderdaad een vreemde geschiedenis!

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings