Hoofdstuk VI. Jizō, de god van Kinderen.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
De beteekenis van Jizō.
Jizō, de God van kleine kinderen en de God, die de bewogen zee tot rust brengt, is ongetwijfeld de meest beminnelijke der Buddhistische goden, hoewel Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, in eigenschappen veel met hem overeenkomt. De meest populaire Goden, zoowel in het Oosten als in het Westen, zijn die, welke de meest menschelijke eigenschappen bezitten. Hoewel Jizō van Buddhistischen oorsprong is, is hij toch in zijn wezen Japansch, en wij kunnen hem het best beschrijven als de schepping van tallooze Japansche vrouwen, die er naar verlangd hebben, in de Oneindigheid, in het omsluierde leven na den dood, een wezen te plaatsen, dat een goddelijke Vader en Moeder zou zijn voor de zielen hunner kleinen. En dit is het wat Jizō inderdaad is, een God uitsluitend van het vrouwelijke hart, en niet een wezen, dat heen en weer geslingerd wordt in de haarkloverijen van in het debat vergrijsde theologen. Een bestudeering van den aard en de karakteristieke eigenschappen van Jizō zal ons het beste doen kennen, wat in de Japansche vrouwen wordt gevonden; immers hij openbaart ons haar liefde, haar zin voor het schoone en haar oneindig medelijden. Jizō heeft al de wijsheid van Buddha zelf, met dit verschil dat Jizō Nirvana heeft op zijde geschoven, en niet op den Gouden Lotus zit, maar door een heerlijk schoone zelfopoffering de goddelijke speelmakker en beschermer van Japansche kinderen is geworden. Hij is de God van glimlachjes en lange mouwen, de vijand van booze geesten, en het éénige wezen, dat de wonde eener moeder kan genezen, die haar kind door den dood heeft verloren. Er is een spreekwoord, dat alle rivieren haar weg naar zee vinden. Voor de Japansche vrouw, die haar kleine grafwaarts heeft gedragen, kronkelen alle rivieren haar zilveren loop naar de plaats, waar de eeuwig wachtende en eeuwig vriendelijke Jizō is. Dit is de reden, dat moeders, die haar kinderen door den dood hebben verloren, gebeden schrijven op kleine strooken papier, en die volgen, terwijl zij de rivieren afdrijven op weg naar den grooten geestelijken Vader en de Moeder, die met een liefhebbende glimlach al hun smeekingen zullen beantwoorden.
Aan het altaar van Jizō.
“Tegenover Jizō’s altaar Bloeien nu de kerseboomen, Aan de wiegelende takken Rijke bloesems zijn gekomen.
“Tegen ’t mos de rose scheemring, Takjes door den wind bewogen, Toonen ’t beeld in al zijn kalmte, Als de zon verlicht de oogen.
“’k Pluk een tak in de ochtendscheemring, En een stroom van rose blaâdren In welriekend frissche luchten Zich op ’t wieglend gras vergaadren”.
“En in warme middaguren Doe ik traag mijn vingers spelen, Tusschen geurig zoete bloesems, Die zich onder ’t spel verdeelen.”
“Daalt de zon ter westerkimme, Dan laat ik de hand weer zinken, Jizō, bloesems, zijn verdwenen, Aan de lucht geen sterren blinken”.
Naar Clara A. Walsh.
Jizō en Lafcadio Hearn.
Bij zekere gelegenheid wenschte Lafcadio Hearn, die een warme bewondering had voor dien God, den kop en de armen van een gebroken beeld van Jizō te herstellen. Zijn vrouw opperde bezwaren tegen hem, en wij halen zijn eigenaardig antwoord aan, omdat het ons niet weinig herinnert aan de laatste legende, die in dit hoofdstuk wordt vermeld: ”Gomen, gomen! (Vergeef mij!) Ik meende alleen eenige vreugde te schenken, naar ik hoopte. De Jizō, over wien ik u schreef, is niet die, welken gij op de kerkhoven vindt; maar het is Jizō, die de zeeën wil bewaken en tot rust brengen. Het is geen droevige soort, maar gij voelt niet voor mijn denkbeeld, daarom heb ik mijn voornemen opgegeven. Het was alleen een dwaas denkbeeld van papa. Maar toch weende de arme Jizōsama bitter, toen hij uw antwoord aan mij hoorde. Ik zeide hem: ‘Ik kan het niet helpen, daar moeder San uw waren aard in twijfel trok, en meent, dat gij de bewaker zijt van een kerkhof. Ik weet, dat gij de redder zijt van zeeën en zeelieden. De Jizō weent zelfs nu nog.’”
“De Droge Bedding van de Rivier der Zielen”.
Onder de aarde is de Sai-no-Kawara, of “de Droge Bedding van de Rivier der Zielen”. Dit is de plaats, waar alle kinderen na hun dood heengaan, en, behalve de kinderen, zij die ongehuwd zijn gebleven. Hier spelen de kleinen met den kleinen Jizō, en hier bouwen zij kleine torens van steenen, want in de bedding dier rivier zijn zeer veel steenen. De moeders van die kinderen, in de wereld boven hen, stapelen eveneens steenen op rondom de beelden van Jizō, immers die kleine torens stellen gebeden voor; zij zijn toovermiddelen tegen de oni, of slechte geesten. Somtijds behalen de oni in de Droge Bedding van de Rivier der Zielen voor een oogenblik een tijdelijke overwinning, en werpen de kleine torens omver, die de geesten der kinderen onder zooveel gelach hebben opgebouwd. Als een dergelijk ongeluk geschiedt, houdt het gelach op, en vliegen de kleinen naar Jizō om bescherming te vinden. Hij verstopt hen in zijn lange mouwen, en jaagt met zijn heiligen staf de oni met roode oogen weg.

Jizō
De plaats, waar de zielen der kinderen vertoeven, is een schaduwrijke en grijs getinte wereld van donkere heuvelen en valleien, waartusschen de Sai-no-Kawari zich een weg kronkelt. Al de kinderen zijn gekleed in korte, witte kleeren, en als somtijds de booze geesten hen verschrikken, dan is Jizō er steeds, die hun tranen droogt, en is er altijd iemand, die hen weer naar hun spookachtige spelen terugzendt.
Het volgende loflied op Jizō, bekend als “De Legende van het Gonzen der Sai-no-Kawari”, geeft ons een prachtige en levendige voorstelling van Jizō en van dat spookachtige land, waar kinderen spelen:
De Legende van het Gonzen der Sai-no-Kawara.
“Niet van deez’ aarde is ’t verhaal van de smarte,
’t Verhaal van de Sai-no-Kawara
Aan den voet van de sombere heuvels;—
Niet van deez’ aarde is ’t verhaal; toch is het zoo droevig te hooren.
Want in de Sai-no-Kawara verzameld
Zijn kind’ren, nog jeugdig van jaren, zoo velen,—
Kind’ren slechts twee of drie jaar,
Kind’ren van vier of vijf, kinderen nog jonger dan tien.
In de Sai-no-Kawara zijn zij vereenigd.
En de stem van verlangen om beide hun ouders,
De stem, die weent om hun moeders en vaders—
Is niet zooals die van ’t geween van de kind’ren op aarde,
Maar een weenen zóó droevig te hooren,
Dat, als het gehoord werd, ’t zou dringen door vleesch en door beend’re
En treurig is dan ook de taak, door hen te verrichten,—
De steenen van ’t bed der rivier te verzaam’len.
Om daarmeê de torens van hunne gebeden te bouwen.
De eerste dier torens, dat zijn de gebeden voor ’t heil van hun vaders;
De tweede dier torens, dat zijn de gebeden voor ’t heil van hun moeders;
De derde dier torens, dat zijn de gebeden voor broeders en zusters en allen te huis, die zij minden.
Dit is overdag droeve ontspanning.
Maar telkens als de zon ter kimme zal gaan neigen,
Dan komen tot hen de demonen van de hel, de Oni,
En zeggen hun: “Wat is die arbeid hier door u verricht?
Helaas! uw ouders, die nog leven in de Shaba-wereld,
Zij doen niet anders dan uw lot beklagen van ’s morgens vroeg tot laat des avonds,
Ach, hoe treurig en hoe onbarmhartig!
Waarlijk, de oorzaak der smarten, door u geleden,
Is niets dan het klagen, ’t gezucht uwer ouders.”
En tevens zeggen zij ach, “laak ons niet!”
De geesten werpen neer de opgehoopte torens,
En met hun ijzeren staven verspreiden zij de steenen.
Maar zie! daar komt de leeraar Jizō,
Zoo vriend’lijk nadert hij de kind’ren in hun droefheid:
Mijn lieven, vreest toch niet! wees nimmer angstig!
Gij arme, jonge zielen, wier aardsch bestaan zoo kort was!
Te snel moest gij den tocht doen, den droeven, naar de Meido,
Den langen tocht, die voert naar het gebied der dooden!
Vertrouwt mij! ’k Ben uw Vader en Moeder in de Meido,
De vader aller kinderen, in het gebied der dooden!”
En om hen slaat hij teeder den schoot van ’t schittrend kleed:
Zoo vriendlijk voelt hij mede met ’t droevig lot der jeugd.
Hij streelt, omhelst de kleinen, hij drukt hen aan zijn boezem,
Zoover gaat ’t medelijden en mint hij de arme kleinen.
Naar Lafcadio Hearn.
Die verblijfplaats van de zielen van kinderen is zeker geen ideaal land. Het is Jizō, en niet zijn land, die zijn oorsprong heeft in de harten der Japansche vrouwen. De strenge Buddhistische leer van oorzaak en gevolg, van geboorte en wedergeboorte, is zelfs op kleine kinderen van toepassing. Maar indien het Groote Wiel van het Bestaan met onfeilbare kracht rondwentelt, en alleen gaat stilstaan, als het verlangen naar niet-bestaan eindelijk in Nirvana vervuld is, dan staat Jizō liefhebbend aan de voeten van het Noodlot, en maakt het pad gemakkelijker, waarop de voeten van kleine kinderen zich zoo zacht bewegen.
Het Hol van de Geesten der Kinderen.
De Fontein van Jizō.
Een ander schoon hol in zee bevat de Fontein van Jizō. Het is een fontein van vloeiende melk, waar de zielen der kinderen haar dorst lesschen. Moeders, die lijden aan gebrek aan melk, komen aan die fontein en bidden tot Jizō, en moeders, die meer melk hebben dan hun kinderen noodig hebben, bidden denzelfden God, dat hij wat van haar melk wegneme en het geve aan de zielen van kinderen in zijn uitgestrekt, schaduwrijk koninkrijk. En men zegt, dat Jizō hun gebeden verhoort.
Hoe Jizō zich een goede daad herinnerde.
Een vrouw, Soga Sadayoshi genaamd, voedde voor haar levensonderhoud zijdewormen, en verzamelde hun zijde. Op zekeren dag, toen zij den tempel van Ken-cho-ji bezocht, meende zij, dat een beeld van Jizō er koud uitzag, en ging zij naar huis, vervaardigde een muts, keerde daarmede terug, en plaatste die op het hoofd van Jizō, terwijl zij zeide: “Was ik maar rijk genoeg, om u een kostbare bedekking te geven voor uw geheele verheven lichaam; maar helaas! ik ben arm, en zelfs deze muts, die ik u aanbied, is niet waardig, door uw goddelijken geest te worden aangenomen.”
Op haar vijftigste jaar stierf de vrouw, en daar haar lichaam gedurende drie dagen warm bleef, wilden haar bloedverwanten geen verlof geven, haar te begraven. Op den avond van den derden dag echter keerde zij, tot groote verbazing en vreugde van hen, die in haar nabijheid waren, weer in het leven terug.
Korten tijd nadat de vrouw weer haar gewone werkzaamheden had hervat, verhaalde zij, hoe haar ziel verschenen was voor den grooten en verschrikkelijken Emma-Ō, den Heer en Rechter der dooden, en hoe dat gevreesde wezen op haar vertoornd geweest was, omdat zij in strijd met de leerstellingen van Buddha tallooze zijdewormen had gedood. Emma-Ō was zóó vertoornd geweest, dat hij bevolen had, haar in een pot te werpen, die met gesmolten metaal was gevuld. Terwijl zij in ontzettenden zielsangst het uitschreeuwde, kwam Jizō naast haar staan, en toen hield het metaal onmiddellijk op, haar te branden. Nadat Jizō vriendelijk met de vrouw had gesproken, voerde hij haar naar Emma-Ō, en verzocht hem, dat aan haar, die eens één van zijn beelden had warm gehouden, vergiffenis zou worden geschonken. En Emma-Ō vervulde den wensch van den steeds liefhebbenden en medelijdenden God, en de vrouw kon weder terugkeeren naar de zonnige wereld van Japan.