← Table of contents
Mythen & Legenden van Japan

Hoofdstuk II. Helden en Krijgslieden.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

Yorimasa.

Langen tijd geleden werd een zekere keizer ernstig ziek. Hij kon des nachts niet slapen, het gevolg van een afschuwelijk en onverklaarbaar geluid, dat hij hoorde, en dat afkomstig was van het dak van het paleis, dat de Purperen Zaal van de Noordster heette. Een groot aantal van zijn hovelingen besloten op de loer te gaan liggen, teneinde dien vreemden nachtelijken bezoeker op te wachten. Zoodra de zon onderging, ontdekten zij, dat een donkere wolk opsteeg aan den oostelijken horizon, en neerkwam op het dak van het paleis. Zij, die de wacht hielden in het keizerlijk slaapvertrek, hoorden bijzondere krabbelende geluiden, alsof dat wat oorspronkelijk een wolk scheen te zijn, plotseling veranderd was in een beest met reusachtige en krachtige klauwen. Nacht op nacht kwam de vreeselijke bezoeker, en nacht op nacht werd de keizer hoe langer hoe zieker. Eindelijk nam zijn ziekte zóózeer toe, dat allen, die in zijn dienst waren, duidelijk zagen, dat de keizer zeker zou sterven, als niet iets kon gedaan worden, om dat monster te verdelgen.

Eindelijk werd uitgemaakt, dat Yorimasa de eenige ridder in het rijk was, die dapper genoeg was, om Zijne Majesteit te verlossen van die ontzettende beproeving. Yorimasa maakte dan ook met zorg gekozen voorbereidselen voor den strijd. Hij nam zijn besten boog en zijn beste pijlen met stalen punten, trok zijn wapenrusting aan, waarover hij een jachtkleed droeg, en zette een deftige muts op in plaats van zijn gewonen helm.

Yorimasa doodt het monster
Yorimasa doodt het monster

Yorimasa doodt het monster

Tegen zonsondergang legde hij zich buiten in een hinderlaag. Terwijl hij daar afwachtte, wat zou geschieden, ratelde de donder boven zijn hoofd, flikkerde de bliksem in de lucht en loeide de wind als een bende woeste demonen. Maar Yorimasa was een dapper man, en de woede der elementen ontmoetigde hem niet in het minst. Toen het middernacht werd, zag hij hoe een zwarte wolk door de lucht heenvloog, en zich nederzette op het dak van het paleis. Zij bleef liggen op den noordoostelijken hoek. Nog eens flikkerde de bliksem in de lucht, en nu zag hij de flikkerende oogen van een ontzaglijk dier. Na de juiste plaats van dit vreemde monster met zorg te hebben vastgesteld, spande hij zijn boog, totdat deze even rond was als de volle maan. In een volgend oogenblik trof zijn pijl met stalen punt het doel. Er werd een vreeselijk gebrul van woede gehoord, en daarna een vreeselijke smak, toen het ontzaglijke monster van het dak van het paleis op den grond viel.

Yorimasa en zijn makker holden vooruit en doodden het monster, dat zij vóór zich zagen. Dat groote monster van den nacht was zoo groot als een paard. Het had den kop van een aap, en zijn lichaam en zijn klauwen waren als die van een tijger, terwijl het den staart had van een slang en de vleugels van een vogel en de schubben van een draak.

Het is niet te verwonderen, dat de keizer bevel gaf, dat de huid van dat monster ten eeuwigen dage als een merkwaardigheid in de keizerlijke schatkamer moest worden bewaard. Van het oogenblik af, dat het monster dood was, verbeterde de gezondheid van den keizer snel, en Yorimasa werd voor zijn diensten beloond door de aanbieding van een zwaard, Shishiwo genaamd, wat beteekent “de Koning der Leeuwen”. Hij kreeg bovendien een hoogeren rang aan het Hof, en huwde ten slotte de Edele Ayame, de schoonste der hofdames aan het Keizerlijke Hof.

Yoshitsune en Benkei.

Het verhaal zegt, dat Benkei reeds bij zijn geboorte lang haar had en een volledig stel tanden, en dat hij bovendien zoo snel kon loopen als de wind. Benkei was te forsch voor een gewoon Japansch huis. Als hij het aanbeeld van Jinsaku sloeg, zonk dat nuttige voorwerp diep in de aarde, en als brandhout droeg hij een grooten pijnboom aan. Toen Benkei zeventien jaar oud was, werd hij priester in een Buddhistischen tempel; maar dit belette hem niet, een schoone jonge maagd, Tamamushi genaamd, op opzienbarende wijze te schaken. Wij zien onzen held zich spoedig losbreken uit het priesterschap en uit de liefde, en zijn volle aandacht wijden aan de opwekkende avonturen van een krijgsman, die buiten de wet stond. Wij moeten hem hiervoor een korten tijd in den steek laten, en eerst de geschiedenis verhalen van Yoshitsune, ten einde duidelijk te maken, hoe hij het groote geluk had, Benkei te ontmoeten en zich van diens hulp en vriendschap te verzekeren tot aan zijn dood.

Yoshitsune en de Taira.

De vader van Yoshitsune, Yoshitomo, was gesneuveld in een grooten slag tegen de Taira. In dien tijd was de Taira-stam oppermachtig, en zijn wreede aanvoerder, Kiyomori, deed alles wat hij kon, om de kinderen van Yoshitomo uit den weg te ruimen. Maar de moeder van die kinderen, Tokiwa, vluchtte naar een schuilplaats, waarheen zij ook haar kleinen medevoerde. Met karakteristieken Japanschen moed stemde zij er eindelijk in toe, de vrouw te worden van den gehaten Kiyomori. Zij deed dit, omdat dit de eenige was, om het leven van haar kinderen te sparen. Het werd haar geoorloofd, Yoshitsune bij zich te houden, en dagelijks fluisterde zij hem toe: “Gedenk uw vader, Minamoto Yoshitomo! Word krachtig en wreek zijn dood, want hij is gestorven door de hand der Taira.”

Toen Yoshitsune zeven jaar oud was, werd hij naar een klooster gezonden, om als monnik te worden opgeleid. Hoewel hij ijverig was in zijn studies, bewaarde de jonge knaap voortdurend de onverschrokken woorden van zijn dappere, zelfopofferende moeder in zijn hart. Zij wekten hem op en bezielden hem tot daden. Hij placht naar een bepaalde vallei te gaan, waar hij zijn klein houten zwaard zwaaide, en onder het zingen van gedeelten uit krijgszangen, uitviel tegen rotsen en steenen, in de hoop, dat hij in de toekomst een groot krijgsman mocht worden, en al de rampen en ongerechtigheden die door den Taira-stam op zijn familie waren opgehoopt, kon wreken en goedmaken.

In zekeren nacht werd hij, terwijl hij daarmede bezig was, door een hevige onweersbui overvallen, en zag hij een ontzaglijken reus vóór zich met een langen rooden neus en groote fonkelende oogen, met klauwen als van een vogel, en gevederde vleugels. Terwijl hij dapper stand hield, deed Yoshitsune navraag, wie die reus was, en werd hem medegedeeld, dat het de Koning der Tengu was—dat wil zeggen, de Koning der kaboutermannetjes uit de bergen, levendige wezentjes, die zich herhaaldelijk bezig hielden met allerlei fantastische streken.

De Koning der Tengu was Yoshitsune zeer vriendelijk gezind. Hij zeide, dat hij zijn volharding bewonderde, en deelde hem mede, dat hij voor hem was verschenen met de vriendelijke bedoeling, hem alles te leeren, wat op het gebied der krijgskunde kon worden geleerd. Het onderwijs vorderde op de meest bevredigende wijze, en het duurde niet lang, of Yoshitsune kon minstens twintig kleine tengu overwinnen, en die groote vlugheid kwam Yoshitsune goed te pas, zooals wij verder in dit verhaal zullen zien.

Toen nu Yoshitsune vijftien jaar oud was, hoorde hij dat op den berg Hiei een bijzonder woeste bonze (priester) leefde, Benkei genaamd. Benkei had een tijd lang ridders belaagd, die de Gojo Brug van Kyōto overtrokken. Zijn wensch was, duizend zwaarden te bemachtigen, en hij was zóó dapper, en tevens zulk een schurk, dat hij op ridders niet minder dan negenhonderd negen en negentig zwaarden op onwettige wijze had veroverd. Toen het bericht hiervan de ooren van Yoshitsune had bereikt, besloot hij van het onderwijs van den Koning der Tengu een goed gebruik te maken, om dien Benkei te dooden, ten einde op die wijze hem, die de schrik van het land was geworden, onschadelijk te maken.

Yoshitsune en Benkei aangevallen door een troep spookachtige Krijgers van den stam der Taira’s
Yoshitsune en Benkei aangevallen door een troep spookachtige Krijgers van den stam der Taira’s

Yoshitsune en Benkei aangevallen door een troep spookachtige Krijgers van den stam der Taira’s

Op zekeren avond trok Yoshitsune op weg, en ten einde den schijn aan te nemen van volkomen onverschilligheid, speelde hij op de fluit, totdat hij de Gojo Brug had bereikt. Onmiddellijk zag hij een reusachtigen man op hem afkomen, in een zwarte wapenrusting, die niemand anders was dan Benkei. Toen Benkei den jongeling zag, beschouwde hij het als beneden zijn waardigheid, iemand aan te vallen, die hem een zwakkeling voorkwam, een droomer, die voortreffelijk kon fluitspelen, en ongetwijfeld ook een mooi gedicht kon vervaardigen op de maan, die toen juist aan den hemel scheen, maar die volstrekt geen krijgsman was. Die beleediging maakte Yoshitsune vreeselijk woedend, en plotseling stootte hij de hellebaard van Benkei uit zijn hand.

Yoshitsune en Benkei vechten.

Benkei slaakte een kreet van woede, en sloeg er met zijn wapen in het wilde op los. Maar de vlugheid, die hij van den Koning der tengu had geleerd, kwam Yoshitsune zeer te stade. Hij sprong van den éénen naar den anderen kant, van voren naar achteren, en weer terug van achteren naar voren, terwijl hij den reus met menige grap voor den gek hield en telkens in een vroolijk gelach uitbarstte. Het wapen van Benkei zwaaide voortdurend rond en trof nu eens de lucht, dan weer de grond, maar raakte nooit zijn tegenstander.

Eindelijk werd Benkei moede, en weder sloeg Yoshitsune de hellebaard uit de hand van den reus. Toen Benkei trachtte zijn wapen weder op te nemen, wist Yoshitsune hem een beentje te lichten, zoodat hij op handen en voeten kwam te staan; de held besteeg nu met een triomfkreet den tijdelijk viervoetigen Benkei. De reus was stom verbaasd over zijn nederlaag, en toen hij hoorde, dat de overwinnaar niemand anders was dan de zoon van den Edelen Yoshitomo, nam hij niet alleen zijn nederlaag op waardige wijze op, maar verzocht hij, of hij van nu af aan in den dienst mocht treden van den jeugdigen overwinnaar.

Van dien tijd af vinden wij de namen van Yoshitsune en Benkei steeds samen verbonden, en in al de verhalen van krijgslieden, hetzij in Japan, hetzij elders, was er nooit een dapperder en meer eensgezinde verbinding van kracht en vriendschap. Wij lezen, hoe talrijke overwinningen zij op de Taira behaalden, en hoe zij hen naar zee dreven, waar deze dan bij Dan-no-ura ontkwamen.

Wij kennen nog een tweede legende in verband met Dan-no-ura. Yoshitsune en zijn trouwe makker maakten zich gereed, in een schip van de provincie Settsu over te steken naar Saikoku. Toen zij Dan-no-ura bereikten, stak een vreeselijke storm op. Geheimzinnige stemmen kwamen uit de zich opstapelende golven, een verwijderde echo van wapengekletter, van voortsnellende schepen en het suizen van pijlen, van het neervallen van duizend manschappen. Het geraas werd al luider en luider, en uit de opgezweepte, schuimende koppen van de golven verrees een spookachtige troep van den Taira-stam. Hun wapenrusting was gescheurd en met bloed bevlekt, en zij staken hun wasemige armen uit, terwijl zij trachtten de boot tegen te houden, waarin Yoshitsune en Benkei voeren. Het was een spookachtige herinnering aan den slag bij Dan-no-ura, toen de Taira een vreeselijke en onherstelbare nederlaag hadden geleden. Toen Yoshitsune dien grooten spookachtigen troep zag, riep hij om wraak, zelfs op de schimmen der gedoode Taira; maar Benkei, die steeds listig en voorzichtig was, verzocht zijn meester, zijn zwaard neer te leggen, en nam een rozenkrans ter hand en zeide een aantal Buddhistische gebeden op. Over den troep geesten daalde vrede neer, het gejammer hield op, en geleidelijk verdwenen zij weder in de zee, die daarna kalm werd.

De legende verhaalt ons, dat visschers nog altijd van tijd tot tijd schimmenlegers uit zee zien oprijzen, die jammerklachten uiten en met hun armen zwaaien. Men zegt, dat de kreeften met gevlekten rug de schimmen zijn der Tairastrijders. Wij zullen later een andere legende behandelen, die in verband staat met die ongelukkige geesten, die het nooit moede worden, het tooneel van hun nederlaag weer op te zoeken.

De Booze Geest van Oyeyama.

Tijdens de regeering van Keizer Ichijo waren er in Kyōto een aantal verhalen in omloop met betrekking tot een boozen geest, die op den Berg Oye woonde. Die booze geest kon verschillende gedaanten aannemen. Somtijds verscheen hij als een menschelijk wezen, en drong heimelijk in Kyōto binnen, waar hij uit menig huis teer geliefde zonen en dochters wegrukte. Hij nam die jongelingen en meisjes mede naar zijn vesting op den berg, en—het is droevig te verhalen—na met hen den spot te hebben gedreven, richtte hij met zijn makkers een groot feest aan en verslond daar die arme jongelieden. Zelfs het onschendbare Hof was niet beveiligd tegen die vreeselijke gebeurtenissen en op zekeren dag verloor Kimitaka zijn schoone dochter. Zij was door den Koning der Booze Geesten, Shutendoji, weggeroofd.

Toen dit treurige nieuws de ooren van den Keizer bereikte, riep hij zijn Raad te zamen, en overlegde hij, hoe zij dit vreeselijke monster zouden kunnen dooden. Zijne Majesteit hoorde van zijn ministers, dat Raiko een onverschrokken ridder was, en daarom raadden zij hem aan, dat deze met enkele makkers op dit gevaarlijke maar eervolle avontuur zoude worden uitgezonden.

Raiko koos dus vijf metgezellen, en vertelde hen wat bevolen was, en wel, dat zij een avontuurlijke reis moesten ondernemen, en den Koning der Booze Geesten moesten dooden. Hij legde hun uit, dat geslepenheid bij de uitvoering van hun plan zeer noodig was, indien zij hoopten hun taak naar behooren te volbrengen, en dat het verstandig zou zijn, zich te vermommen als priesters van het gebergte, en hun wapenrusting en wapenen op hun rug te dragen, voorzichtig verborgen in ransels, die geen achterdocht zouden wekken. Voordat zij op weg gingen, trokken twee der ridders, om te bidden, naar den tempel van Hachiman, den Oorlogsgod, twee naar het altaar van Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, en twee naar den tempel van Gongen.

Raiko en het betooverde meisje
Raiko en het betooverde meisje

Raiko en het betooverde meisje

Toen de ridders gebeden hadden, dat hun onderneming mocht gezegend worden, aanvaardden zij hun reis en bereikten na verloop van tijd de provincie Tamba, terwijl zij onmiddellijk den berg Oye tegenover zich zagen. De Booze Geest had zeker den vreeselijksten der bergen gekozen. Machtige rotsen en groote donkere bosschen belemmerden hun den weg in iedere richting, terwijl bijna bodemlooze afgronden zich aan hen voordeden, waar die het minst verwacht werden.

Toen de dappere ridders juist eenigszins moedeloos begonnen te worden, verschenen plotseling drie oude mannen vóór hen. Het eerste oogenblik werden deze nieuwe bezoekers met achterdocht aangezien, maar later met de grootste vriendelijkheid en dankbaarheid. Die oude mannen waren niemand minder dan de drie godheden, tot wie de ridders gebeden hadden, voordat zij hun tocht aanvaardden. De oude mannen boden Raiko een kruik met tooversaké aan, Shimben-Kidoku-Shu genaamd (“een hartsterking voor menschen, maar vergif voor booze geesten”), en raadde hen aan, Shutendoji door een krijgslist er toe te bewegen er van te drinken, waarna hij onmiddellijk verlamd zou worden en een gemakkelijker prooi zou zijn voor zijn vijanden. Nauwelijks hadden de oude mannen tooversaké gegeven en hun kostbaren raad daaraan toegevoegd, of een wonderbaarlijk licht schitterde om hen heen, terwijl zij in de wolken verdwenen.

Raiko en zijn paladijnen beklommen, zeer verblijd met hetgeen geschied was, verder den berg. Toen zij aan een stroom gekomen waren, zagen zij daar een schoone vrouw, die bezig was een met bloed bevlekt gewaad in het stroomende water te wasschen. Zij weende bitter, en wischte haar tranen af met de lange mouw van haar kimono. Toen Raiko vroeg, wie zij was, vertelde zij hem, dat zij een prinses was, en één der ongelukkige gevangenen van den Koning der Booze Geesten. Toen men haar had medegedeeld, dat het niemand anders was dan de groote Raiko, die vóór haar stond, en dat hij en de andere ridders gekomen waren om het afschuwelijke bergmonster te dooden, was zij onuitsprekelijk verheugd, en voerde ten slotte den kleinen troep naar een groot paleis van zwart ijzer, terwijl zij de schildwachten om den tuin leidde door hen te zeggen, dat haar volgelingen arme priesters van den berg waren, die een tijdelijke schuilplaats zochten.

Nadat zij door lange gangen waren geloopen, kwamen Raiko en zijn volgelingen in een reusachtige zaal. Aan het ééne uiteinde zat de schrikwekkende Koning der Booze Geesten. Hij had een reusachtige gestalte, met een helderroode huid en een massa wit haar. Toen Raiko hem onderdanig mededeelde, wie zij waren, noodigde de Koning, terwijl hij zijn vreugde verborg, hen uit plaats te nemen, en deel te nemen aan den feestmaaltijd, die juist zou worden voortgezet. Daarop klapte hij in zijn roode handen, en onmiddellijk kwamen een aantal schoone meisjes binnenrennen met een overvloed van spijs en drank, en toen Raiko haar aandachtig gadesloeg, begreep hij, dat zij eertijds in gelukkige woningen in Kyōto hadden gewoond.

Toen het feest in vollen gang was, haalde Raiko de kruik met de tooversaké voor den dag, en verzocht den Koning der Booze Geesten beleefd er van te proeven. Het monster dronk zonder aarzelen en zonder eenig kwaad vermoeden een weinig van de saké, en vond die zóó lekker, dat hij nog om een tweeden beker vroeg. Alle booze geesten dronken van den tooverwijn, en terwijl zij dronken, dansten Raiko en zijn metgezellen.

De tooverdrank begon zijn werking te doen gevoelen. De Koning zelf werd slaperig, totdat eindelijk hij en de andere booze geesten in een diepen slaap vielen. Toen sprong Raiko overeind, en hij en zijn makkers trokken snel hun wapenrusting aan en maakten zich gereed voor den strijd. Ten tweeden male verschenen hem de drie godheden, en zeiden tot Raiko: “Wij hebben de handen en voeten van den Boozen Geest stevig gebonden, zoodat gij niets te vreezen hebt. Terwijl de overige ridders zijn ledematen afhakken, moet gij hem het hoofd afsnijden; dood daarna de overige eni, (booze geesten) en uw taak zal volbracht zijn.” Daarna verdwenen die goddelijke wezens plotseling.

Raiko doodt den Boozen Geest.

Raiko en de overige ridders naderden voorzichtig den slapenden Koning der Booze Geesten met getrokken zwaarden. Met een reusachtigen zwaai kwam het wapen van Raiko krakend neer op den nek van den Boozen Geest. Nauwelijks was het hoofd van den romp gescheiden, of het vloog in de lucht, terwijl rook en vuur uit zijn neusgaten spoten en den dapperen Raiko brandden. Ten tweeden male viel hij met zijn zwaard uit, en nu viel het afschuwelijke hoofd op den grond en bewoog zich niet meer. Het duurde niet lang, of de dappere ridders hadden ook de volgelingen van den Boozen Geest gedood.

In een blijde stoet trokken zij uit het groote ijzeren paleis. De vijf makkers van Raiko droegen het monsterachtige hoofd van den Koning, en die afzichtige stoet werd gevolgd door een lange rij van gelukkige meisjes, die eindelijk verlost waren uit haar vreeselijke gevangenis, en er zich in verheugden weer te wandelen in de straten van Kyōto.

De Tooverspin.

Korten tijd nadat de gebeurtenis, hierboven geschetst, had plaats gegrepen, werd de dappere Raiko ernstig ziek, en hij was genoodzaakt zijn kamer te houden. Omstreeks middernacht bracht hem steeds een kleine jongen een geneesmiddel. De jongen was aan Raiko niet bekend, maar daar hij zulk een grooten stoet bedienden had, wekte dit in het begin geen argwaan op. Raiko werd echter erger, in plaats beter, en wel het ergst, onmiddellijk nadat hij het geneesmiddel had ingenomen; daarom begon hij te vermoeden, dat de ééne of andere bovennatuurlijke kracht de oorzaak was van zijn ziekte.

Ten slotte vroeg Raiko zijn voornaamsten dienaar, of hij iets wist van den knaap, die tegen middernacht bij hem kwam. Noch deze, noch iemand anders bleek iets omtrent hem te weten. Van dat oogenblik af was de achterdocht van Raiko in hooge mate opgewekt, zoodat hij besloot, de zaak met zorg na te gaan.

Toen het knaapje tegen middernacht terugkwam, wierp Raiko, in plaats van het geneesmiddel te nemen, den beker naar diens hoofd, en trachtte hem, na zijn zwaard te hebben getrokken, te dooden. Een luide kreet van pijn weerklonk door het vertrek, maar op het oogenblik, dat de knaap uit het vertrek wegvloog, wierp hij iets naar Raiko toe. Het spreidde zich uit tot een reusachtig, wit kleverig web, dat zich zóó stevig aan Raiko vasthechtte, dat hij zich nauwelijks kon bewegen. Zoodra hij het web met zijn zwaard had doorgesneden, omringde hem weer een ander. Raiko riep toen om hulp, en zijn eerste bediende ontmoette den boosdoener in één der gangen en hield hem met getrokken zwaard tegen. Ook over hem wierp de Booze Geest een web. Toen het hem eindelijk gelukt was, zich los te maken, en hij in staat was het vertrek zijns meesters binnen te hollen, zag hij, dat Raiko eveneens het slachtoffer van de Tooverspin was geworden.

De Tooverspin werd eindelijk ontdekt in een kelder, waar hij kermde van de pijn, terwijl bloed uit een wond aan zijn kop stroomde, welke wond door een zwaard was toegebracht. Onmiddellijk werd hij gedood, en met zijn dood verdween ook de kwade invloed, die de oorzaak geweest was van de ernstige ziekte van Raiko. Van dat oogenblik af kreeg de held zijn gezondheid en kracht weer terug, terwijl er een weelderige feestmaaltijd ter eere van de heugelijke gebeurtenis werd aangericht.

Een andere Lezing.

Op zekeren dag vertrok Raiko uit Kyōto met Tsuna, den meest waardigen van zijn volgelingen. Toen zij de vlakte van Rendai doortrokken, zagen zij een doodshoofd in de lucht opstijgen, en voor hen wegvluchten, alsof het door den wind werd voortgedreven, totdat het eindelijk verdween op een plaats, Kagura ga Oka genaamd.

Raiko verslaat het Spook van Oyeyama
Raiko verslaat het Spook van Oyeyama

Raiko verslaat het Spook van Oyeyama

Raiko en zijn metgezel bemerkten, zoodra zij het doodshoofd hadden zien verdwijnen, een huis in puinhoopen vóór zich. Raiko trad dit verwoeste huis binnen, en zag een oude vrouw zitten met een vreemd uiterlijk. Zij was in het wit gekleed en had wit haar; zij opende haar oogen met een klein stokje, en haar bovenste oogleden vielen als een hoed over haar hoofd; daarna gebruikte zij het stokje om haar mond te openen, en liet dan haar borst over haar knieën vallen. Daarna sprak zij den verbaasden Raiko aldus aan:

“Ik ben tweehonderd negentig jaar oud. Ik dien negen meesters, en in het huis, waarin gij staat, dwalen booze geesten rond.”

Nadat hij die woorden had gehoord, wandelde Raiko de keuken binnen, en toen hij een haastigen blik op de lucht had geslagen, zag hij, dat een vreeselijke storm in aantocht was. Toen hij er op lette, hoe de donkere wolken zich opeenpakten, hoorde hij een geluid van spookachtige voetstappen, en traden een groot aantal spoken het vertrek binnen, En dit waren niet de eenige bovennatuurlijke wezens, die Raiko ontmoette, want onmiddellijk daarna zag hij een wezen, als een non gekleed. Haar ontzettend klein lichaam was naakt tot aan haar middel, haar gelaat was twee voet lang en “haar armen waren wit als sneeuw en dun als draden.” Een kort oogenblik lachte dit afschuwelijke wezen, waarna het in den nevel verdween.

Raiko hoorde met welgevallen naar het kraaien van een haan, en meende, dat de spookachtige bezoekers hem niet meer zouden hinderen; maar weder hoorde hij voetstappen, en nu zag hij geen afschuwelijke heks, maar een bekoorlijke vrouw, “sierlijker dan de wilgentakken, als zij door een zacht windje gewiegeld worden”. Toen hij dit liefelijke meisje aanstaarde, werden zijn oogen een oogenblik verblind door haar schitterende schoonheid. Voordat hij het gezicht terugkreeg, zag hij, dat hij gehuld was in ontelbare spinnewebben. Hij sloeg met zijn zwaard naar haar, en toen verdween zij, terwijl het bleek, dat hij de planken van den vloer had doorgehakt en den hoeksteen onder den vloer had gebroken.

Op dit oogenblik kwam Tsuna bij zijn meester, en zij bemerkten, dat het zwaard bedekt was met bloed, en dat de punt in den strijd gebroken was.

Na lang zoeken ontdekten Raiko en zijn onderhoorige een hol, waarin zij een monster zagen met verschillende pooten en een kop van ontzaglijke grootte, met donzig haar bedekt. Zijn groote oogen schenen als de zon en de maan, terwijl hij luide kreunde: “Ik ben ziek en heb pijn.”

Toen Raiko en Tsuna naderbij kwamen, herkenden zij de afgebroken punt van het zwaard, die uit het monster uitstak. De helden trokken het schepsel toen uit zijn hol en hakten zijn hoofd af. Uit de diepe wond in zijn buik kwamen negentienhonderd negentig doodshoofden voor den dag en bovendien nog een aantal spinnen, zoo groot als kinderen. Raiko en zijn geleider kwamen tot de ontdekking, dat het monster vóór hen niets anders was dan de Spin op den Berg. Toen zij het groote geraamte opensneden, vonden zij binnen de ingewanden de spookachtige overblijfselen van een aantal menschenlijken.

De Avonturen van Prins Yamato Take.

Koning Keiko beval zijn jongsten zoon, Prins Yamato, weg te trekken en een aantal roovers te dooden. Vóór zijn vertrek bad de Prins aan de altaren van Isé, en smeekte, dat Ama-terasu, de Godin der Zon, zijn onderneming zou zegenen. De tante van Prins Yamato was hoogepriesteres in één der tempels te Isé, en hij deelde haar mede, welke taak zijn vader hem had toevertrouwd. De brave dame was zeer verheugd, toen zij dat nieuws hoorde, en schonk haar neef een kostbaar zilveren kleed, met de mededeeling, dat het hem geluk zou brengen en hem misschien later van dienst zou zijn.

Toen Prins Yamato naar het paleis was teruggekeerd en afscheid van zijn vader had genomen, verliet hij het hof, vergezeld van zijn vrouw, Prinses Ototachibana, en een aantal beproefde volgelingen, en begaf zich naar het Zuidelijk Eiland Kiushiu, dat door roovers werd verpest. De streek was zóó ruw en ondoordringbaar, dat Prins Yamato onmiddellijk zag, dat hij het ééne of andere listige plan moest beramen, ten einde den vijand onverhoeds aan te vallen.

Prins Yamato en Takeru
Prins Yamato en Takeru

Prins Yamato en Takeru

Toen hij tot dit besluit was gekomen, vroeg hij Prinses Ototochibana, hem het kostbare zijden kleed te brengen, dat zijn tante hem had geschonken. Hij trok dit aan, daarbij naar alle waarschijnlijkheid geholpen door zijn vrouw. Hij liet zijn haar vallen, stak daar een kam in, en tooide zich op met juweelen. Toen hij in een spiegel zag, was hij overtuigd, dat de vermomming volmaakt was, en dat hij er als een bijzonder mooie vrouw uitzag.

Zoo kostbaar aangekleed, ging hij de tent van zijn vijand binnen, waar Kumaso en Takeru gezeten waren. Toevallig spraken zij juist over den zoon des Konings en over zijn pogingen, hun rooverbende uit te roeien. Toen zij opkeken, zagen zij, dat een schoone vrouw op hen afkwam.

Kumaso was zóó verheugd, dat hij den vermomden Prins toewenkte en hem verzocht, zoo spoedig mogelijk wijn te schenken. Yamato was bijzonder in zijn schik, dat hij dit kon doen. Hij wendde vrouwelijke verlegenheid voor. Hij liep met zeer kleine stapjes, en keek schuin uit zijn ooghoeken met al de verlegenheid van een bloode maagd.

Kumaso dronk veel meer wijn dan goed voor hem was. Hij bleef voortgaan met drinken, ten einde het genot te hebben, te zien, hoe aanminnig dat liefelijke wezen den wijn voor hem inschonk.

Toen Kumaso dronken was, wierp Prins Yamato de kruik met wijn neer, trok zijn dolk uit de scheede, en stak hem dood.

Toen Takeru zag, wat zijn broeder overkomen was, trachtte hij te ontsnappen, maar Prins Yamato sprong op hem toe. Ten tweeden male flikkerde zijn dolk in de lucht, en ook Takeru viel ter aarde.

“Houd uw hand een oogenblik in”, hijgde de stervende roover. “Ik zou zoo gaarne willen weten, wie gij zijt en van waar gij gekomen zijt. Tot nu toe dacht ik, dat mijn broeder en ik de sterkste mannen van het rijk waren. Ik blijk mij echter vergist te hebben.”

“Ik ben Yamato” zeide de Prins, “de zoon van den Koning, die mij beval, zulke roovers als gij te dooden!” “Sta mij toe, u een nieuwen naam te geven”, zeide de roover beleefd. “Van nu af aan zult gij Yamato Take genoemd worden, daar gij de dapperste man in het land zijt.”

Na zoo gesproken te hebben, viel Takeru dood achterover.

Het Houten Zwaard.

Toen de Prins op den terugweg was naar de hoofdstad, ontmoette hij weer een bandiet, Idzumo Takeru genaamd. Weer maakte hij gebruik van een krijgslist, en deed zich voor, alsof hij dien kerel bijzonder goed gezind was. Hij sneed een houten zwaard en sloeg dit met geweld vast in de scheede van zijn eigen stalen wapen. Hij droeg dit telkens, als hij dacht Takeru te ontmoeten.

Bij zekere gelegenheid noodigde Prins Yamato Takeru uit, met hem in de rivier Hinokawa te gaan zwemmen. Terwijl de roover stroomafwaarts zwom, landde de Prins heimelijk, en na zich begeven te hebben naar de plaats aan den oever, waar de kleeren van Takeru lagen, gelukte het hem, diens zwaard tegen het zijne te verruilen, door zijn houten zwaard te plaatsen, waar het scherpe stalen zwaard van Takeru gelegen was.

Toen Takeru uit het water was gekomen en zijn kleeren had aangetrokken, vroeg hem de Prins, zijn bekwaamheid in het hanteeren van het zwaard te toonen, “Wij zullen,” zoo sprak hij, “onderzoeken, wie van ons beiden de beste krijgsman is.”

Daartoe volstrekt niet ongenegen, trachtte Takeru zijn zwaard uit de scheede te trekken. Het bleef vastzitten, en daar het van hout was, zou het hem natuurlijk toch niet van nut geweest zijn. Terwijl de roover aldus druk bezig was, sloeg Yamato hem het hoofd af. Ten tweede male was zijn slimheid hem te stade gekomen, en toen hij naar het paleis terugkeerde, werd hij feestelijk onthaald, en ontving hij een aantal kostbare geschenken van zijn koninklijken vader.

Het “Gras-Klievende-Zwaard”.

Prins Yamato bleef niet lang in ledigheid in het paleis, want zijn vader beval hem, weg te gaan, om een opstand der Ainu’s in de oostelijke provincies te onderdrukken.

Toen de Prins gereed was te vertrekken, gaf hem de Koning een speer, van een hulstboom vervaardigd, welke de “Achttien-Arm-Lange-Speer” werd genoemd. Met dit kostbare geschenk bezocht Prins Yamato de tempels van Isé. Zijn tante, de hooge-priesteres, begroette hem weer. Zij luisterde met belangstelling naar alles, wat haar neef haar verhaalde, en was bovenal verheugd, toen zij vernam hoe uitnemend het kleed, dat zij hem had gegeven, hem te pas was gekomen.

Toen zij naar zijn verhaal had geluisterd, ging zij den tempel binnen, en bracht zij een zwaard mede en een zak, die vuursteenen bevatte. Zij gaf deze als een afscheidsgeschenk aan Yamato.

Het zwaard was het zwaard van Murakumo, dat behoorde tot de insigniën van het Keizerlijk Huis van Japan. De Prins kon wel geen passender geschenk hebben ontvangen. Dit zwaard behoorde eertijds, zooals men zich zal herinneren, aan de Goden, en werd door Susa-no-o ontdekt.

Na een langen tocht kwamen Prins Yamato en zijn volgelingen in de provincie Suruga. De gouverneur ontving hen gastvrij, en bij wijze van feestelijk onthaal organiseerden zij een hertenjacht. Onze held was op zijn beurt nu ook eens het slachtoffer van de sluwheid zijner tegenstanders, en voegde zich bij de jacht zonder eenige achterdocht.

De Prins werd gebracht naar een groote en woeste vlakte, met hoog gras bedekt. Terwijl hij bezig was het wild op te jagen, ontdekte hij plotseling vuur in zijn nabijheid. In een oogenblik tijds zag hij vlammen en rookwolken in iedere richting opstijgen. Hij was omringd door vuur, waaruit hij blijkbaar niet kon ontsnappen. Te laat ontdekte de argelooze krijgsman, dat hij in een hinderlaag was gevallen en dat het vuur hem wel dicht aan de schenen werd gelegd!

Onze held opende de tasch, die zijn tante hem had gegeven, stak het gras in zijn nabijheid in brand, en met het zwaard van Murakumo sneed hij de groote groene halmen zoo snel mogelijk af. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de wind draaide plotseling om, en joeg de vlammen van hem weg, zoodat de Prins ten slotte kon ontsnappen zonder zich ook maar eenigszins te hebben gebrand. En zoo geschiedde het, dat het zwaard van Murakumo bekend werd als het “Gras-Klievende-Zwaard”.

Het Offer van Ototachibana.

In al die avonturen was de Prins gevolgd door zijn getrouwe gade, Prinses Ototachibana. Het is wel treurig te vertellen, maar onze held, hoe voortreffelijk ook in den strijd, was lang niet zoo te prijzen en te achten als echtgenoot. Hij zag op zijn vrouw neer en behandelde haar met groote onverschilligheid. Zij had, arme ziel, haar schoonheid verloren in den dienst van haar heer. Haar huid was door de zon verbrand en haar kleederen waren bevlekt en gescheurd. Toch klaagde zij nooit, en hoewel haar gelaat droevig werd, deed zij dapper haar best, haar gewone zachtheid van karakter te behouden.

Prins Yamato kwam nu toevallig in aanraking met de betooverende Prinses Miyadzu. Haar kleederen waren bekoorlijk, haar huid zoo fijn en zacht als kersenbloesem. Het duurde niet lang, of hij werd smoorlijk op haar verliefd. Toen de tijd van vertrek voor hem naderde, zwoer hij, dat hij spoedig zou terugkeeren en de schoone Prinses Miyadzu tot zijn vrouw zou maken. Nauwelijks had hij die belofte afgelegd, of hij keek op en zag Ototachibana, en op haar gelaat lag een blik van diepe treurigheid. Maar Prins Yamato verhardde zijn gemoed en reed weg, heimelijk besloten zijn belofte te houden.

Toen Prins Yamato met vrouw en volgelingen de zeekust van Idzu bereikte, wenschten zijn manschappen een aantal booten machtig te worden, ten einde de zeeëngte van Kadzusa over te trekken.

De Prins riep hooghartig: “Maar dit is niets dan een beekje! waartoe zooveel booten? Ik zou er wel overheen kunnen springen!”

Toen zij allen aan boord gestegen waren en de reis hadden aangevangen, stak er een groote storm op. De golven stegen hemelhoog, de wind loeide, de bliksem flikkerde in de donkere wolken, en de donder bulderde. Het scheen wel, alsof de boot, die den Prins en zijn vrouw droeg, noodzakelijk moest zinken, immers de storm was het werk van Rin-Jin, den Koning der Zee, die vertoornd was over de trotsche en dwaze woorden van Prins Yamato.

Toen de bemanning de zeilen gereefd had, in de hoop het schip weer vast te leggen, werd de storm heftiger in plaats van te gaan liggen. Eindelijk stond Ototachibana op, en na haar heer vergiffenis te hebben geschonken voor al het leed, dat deze haar had aangedaan, besloot zij haar leven op te offeren, ten einde haar teer geliefden echtgenoot te redden.

Zoo sprak dan de trouwe Ototachibana: “O, Rin-Jin, de Prins, mijn echtgenoot, heeft u met zijn pochen boos gemaakt. Ik, Ototachibana, geef u mijn arm leven in de plaats van dat van Yamato Take. Ik werp mij nu in uw groot golvend rijk, maar wilt gij dan ook van uw kant mijn echtgenoot veilig naar de kust brengen.”

Na die woorden te hebben gesproken, sprong Ototachibana in de kokende golven, die in een oogenblik tijds de dappere vrouw uit het gezicht sleepten. Nauwelijks had zij dit offer gebracht, of de storm ging liggen en de zon scheen aan een wolkeloozen hemel.

Yamato Take bereikte zijn bestemming, en slaagde er in, den opstand der Ainu’s te onderdrukken.

Onze held had ongetwijfeld misdreven in de wijze, waarop hij zijn trouwe vrouw had behandeld. Eerst te laat leerde hij haar goedheid op prijs stellen; maar tot zijn eer zij gezegd, dat hij haar tot aan zijn dood in liefde bleef gedenken, terwijl Prinses Miyadzu geheel vergeten werd.

Het Dooden van de Slang.

Nadat aldus Yamato Take de opdracht van zijn vader had volbracht, trok hij door de provincie Owari, totdat hij kwam in de provincie Omi.

De provincie Omi leed onder een groote ramp. Velen waren in rouw, en velen weenden en schreeuwden luid in hun smart. Toen de Prins navraag deed naar de reden dier droefheid, hoorde hij, dat een groote slang dagelijks van de bergen afdaalde en de dorpen binnenkwam, om zich te voeden met een aantal ongelukkige inwoners.

Prins Yamato ging onmiddellijk op weg om den berg Ibaki te beklimmen, waar volgens de hem verstrekte mededeelingen de slang verblijf hield. Omstreeks halfweg ontmoette hij het vreeselijke monster. De Prins was zóó sterk, dat hij de slang doodde, door zijn bloote armen om haar heen te slaan. Nauwelijks had hij dit gedaan, of plotseling viel duisternis over het land en viel de regen in stroomen neder. Later echter klaarde het weder op, en was onze held in staat, den berg af te dalen.

Toen hij zijn huis bereikte, bleek het, dat zijn voeten van een vreemde pijn brandden, en bovendien, dat hij zich zeer ziek voelde. Hij kwam tot de ontdekking, dat de slang hem had gestoken, en daar hij te ziek was om zich te bewegen, werd hij naar een geneeskrachtige bron gebracht. Hier kreeg hij volkomen zijn vroegere gezondheid en kracht terug, en voor die zegeningen bracht hij dank aan Ama-terasu, de Godin der Zon.

De Avonturen van Momotaro.

Op zekeren dag zag een oude vrouw, die aan den oever der rivier bezig was haar kleeren te wasschen, toevallig een reusachtige perzik, die op het water dreef. Het was verreweg de grootste perzik, die zij ooit had gezien, en daar die oude vrouw en haar man bijzonder arm waren, dacht zij er onmiddellijk aan, wat een uitnemend maal die buitengewonen perzik zou opleveren. Toen zij geen stok kon vinden, om daarmede de vrucht naar den oever te trekken, herinnerde zij zich plotseling het volgende versje:

“Het verwijderde water is bitter, Het nabijgelegen water is zoet; Ga voorbij het verwijderde water, En kom in het water zoo zoet.”

Dit kleine liedje had het gewenschte gevolg. De perzik kwam hoe langer hoe naderbij, totdat zij stil bleef liggen aan de voeten der oude vrouw. Zij bukte en raapte haar op. Zij was zóó verheugd over haar ontdekking, dat zij het niet kon uithouden, daar langer te blijven wasschen, maar zich zoo spoedig mogelijk naar huis begaf.

Momotaro en de fazant
Momotaro en de fazant

Momotaro en de fazant

Toen haar echtgenoot ’s avonds terugkeerde, met een bundel gras op zijn rug, haalde de oude vrouw opgewonden de perzik uit de kast en liet hem die zien.

De oude man, die vermoeid en hongerig was, was evenals zijn vrouw verheugd bij de gedachte aan een zoo heerlijk maal. Hij droeg spoedig een mes aan, en was juist op het punt de perzik door te snijden, toen die plotseling van zelf openging, en het schoonste kind, dat men zich kan voorstellen, er met een vroolijken lach uitrolde.

“Weest niet bevreesd,” zeide de kleine knaap. “De Goden hebben gehoord, hoezeer gij naar een kind hebt verlangd, en hebben mij gezonden, om een troost en een verkwikking voor u te zijn in uw oude dagen.”

Het oude paar was zóó overstelpt van vreugde, dat zij nauwelijks wisten, hoe zij zich moesten gedragen. Ieder van hen op de beurt koesterde en liefkoosde het kind, en mompelde lieve en hartelijke woordjes. Zij noemden hem Momotaro of “Zoon van een Perzik”.

Toen Momotaro vijftien jaar oud was, was hij veel langer en sterker dan andere jongens van zijn leeftijd. In zijn aderen brandde de lust, een dappere held te worden, en de ridderlijke heldenmoed, dier er naar verlangde, onrecht te herstellen.

Op zekeren dag kwam Momotaro bij zijn pleegvader en vroeg hem, of hij hem wilde toestaan, een groote reis te ondernemen naar een zeker eiland in de Noord-Oostelijke Zee, waar een aantal duivels woonden, die een groote menigte onschuldige menschen hadden gevangen genomen, van wie zij er velen verslonden. Hun boosaardigheid was boven beschrijving, en Momotaro wenschte hen te dooden, de ongelukkige gevangenen te bevrijden, en een grooten buit van het eiland mede te brengen, ten einde dien met zijn pleegouders te deelen.

De oude man was niet weinig verbaasd, toen hij dit onversaagde plan vernam. Hij wist, dat Momotaro geen gewoon kind was. Hij was uit den hemel gezonden, en hij was van oordeel, dat geen duivels ter wereld hem kwaad konden doen. Op dien grond gaf de oude man eindelijk zijn toestemming en zeide: “Ga, Momotaro, dood de duivels en breng vrede aan het land.”

Toen de oude vrouw Momotaro een aantal rijstkoeken had gegeven, nam de jongeling afscheid van zijn pleegouders, en trok hij uit, om zijn tocht te beginnen.

De Zege van Momotaro.

Terwijl Momotaro onder een haag rustte en één der rijstkoeken at, kwam een groote hond op hem af, die gromde en zijn tanden liet zien. Bovendien kon de hond spreken, en vroeg Momotaro dreigend, hem een rijstkoek te geven. “Ge moet mij òf een koek geven,” zoo sprak hij, ”òf ik zal u dooden.”

Toen de hond echter hoorde, dat de beroemde Momotaro vóór hem stond, nam hij zijn staart tusschen de pooten, en boog met den kop naar den grond, terwijl hij verzocht den “Zoon van een Perzik” te mogen volgen en hem alle diensten te mogen bewijzen, die in zijn macht lagen.

Momotaro nam volgaarne dit aanbod aan, en nadat hij den hond een halven koek had toegeworpen, gingen zij samen op weg.

Zij hadden nog geen grooten afstand afgelegd, toen zij een aap ontmoetten, die eveneens vroeg, in den dienst van Momotaro te worden opgenomen. Dit werd toegestaan, maar het duurde eenigen tijd, voordat de hond en de aap in vrede samen konden omgaan, zonder elkander te willen bijten.

Toen zij hun weg vervolgden, kwamen zij een fazant tegen. Nu ontwaakte weer de ingeboren afgunst van den hond, en hij liep naar voren en trachtte den schoon gevederden vogel te dooden. Momotaro scheidde de vechtenden, en ten slotte werd ook de fazant opgenomen in den kleinen stoet, terwijl hij keurig in de achterhoede marcheerde.

Eindelijk bereikten Momotaro en zijn volgelingen de kust der Noord-Oostelijke Zee. Hier vond onze held een boot, en na eenig tegenspartelen van hond, aap en fazant, gingen zij allen aan boord, en spoedig gleed het scheepje over de blauwe zee.

Na dagen lang op den oceaan te hebben gevaren, zagen zij in de verte een eiland. Momotaro beval den vogel weg te vliegen, als een gevleugelde bode, om zijn komst aan te kondigen, en de duivels te bevelen zich over te geven.

De fazant vloog over de zee, en zette zich na de landing neer op het dak van een groot kasteel, waar hij zijn schrikwekkende boodschap toeschreeuwde, waaraan hij toevoegde, dat de duivels als teeken van onderwerping hun horens moesten afbreken.

De duivels lachten slechts om dat bevel en schudden hun horens en hun ruig, rood haar. Daarna droegen zij ijzeren staven aan, die zij woedend naar den vogel slingerden. De fazant ontweek verstandig de werptuigen, en vloog naar het hoofd van een aantal duivels.

Intusschen was Momotaro met zijn beide makkers geland. Nauwelijks had hij dit gedaan, of hij zag twee schoone meisjes aan den oever van een rivier weenen, terwijl zij met bloed gedrenkte kleeren uitwrongen.

“Ach!” zoo spraken zij treurig, “wij zijn dochters van daimyōs, en zijn thans de gevangenen van den Boozen Geest, die Koning is over dit vreeselijke eiland. Hij zal ons spoedig dooden, en er is, helaas, niemand, om ons te hulp te komen.” Na die opmerking te hebben gemaakt, weenden de vrouwen op nieuw.

“Dames”, zeide Momotaro, “ik ben hier gekomen, met het doel uw booze vijanden te verslaan. Wijst mij een weg, om gindsch kasteel binnen te dringen.”

Aldus kwamen Momotaro, de hond en de aap door een smalle deur het paleis binnen. Toen zij eenmaal de vesting waren binnengedrongen, vochten zij hardnekkig. Een groot aantal duivels waren zóó verschrikt, dat zij van de borstweringen afvielen, en te pletter vielen, terwijl andere onmiddellijk gedood werden door Momotaro en zijn makkers. Allen werden gedood behalve de Koning, doch deze besloot verstandig, zich over te geven, en smeekte, dat zijn leven mocht gespaard worden.

“Neen”, zeide Momotaro woedend. “Ik wil uw laaghartig leven niet sparen. Gij hebt een aantal onschuldige menschen gepijnigd en het land jaren lang geplunderd.”

Hidesato en het honderdvoetig Monster
Hidesato en het honderdvoetig Monster

Hidesato en het honderdvoetig Monster

Na die woorden te hebben gesproken, stelde hij den Koning onder de bewaking van den aap, en ging daarna door al de vertrekken van het kasteel, terwijl hij de talrijke gevangenen, die hij daar vond, bevrijdde.

De terugreis was een vroolijke tocht. De hond en de fazant droegen samen den schat, terwijl Momotaro den Koning medevoerde.

Momotaro liet de twee dochters der daimyōs naar haar huis vertrekken, benevens een aantal anderen, die op het eiland gevangen genomen waren. Het geheele land verheugde zich in die overwinning, maar niemand meer dan de pleegouders van Momotaro, die hun dagen verder doorbrachten in vrede en overvloed, dank zij den grooten schat der duivels, die Momotaro hun had geschonken.

“Mijn Heer Zak met Rijst”.

Op zekeren dag kwam de groote Hidesato bij een brug, die over het schoone meer Biwa was gespannen. Hij was op het punt, de brug over te trekken, toen hij een slangendraak in diepen slaap zag, die hem in den weg lag. Hidesato klom zonder een oogenblik aarzelens over het monster heen en vervolgde zijn weg.

Hij was nog niet ver voortgeschreden, toen hij hoorde, dat iemand hem riep. Hij zag om, en zag, dat op de plaats van den draak een man stond, die met veel plichtplegingen voor hem boog. Het was een man met een vreemd uiterlijk, op wiens rood haar een kroon geplaatst was in den vorm van een draak.

“Ik ben de Drakenkoning van het meer Biwa”, zoo sprak de roodharige man. “Een oogenblik geleden nam ik den vorm aan van een vreeselijk monster, in de hoop, een sterveling te vinden, die niet bang voor mij was. Gij, o Heer, hebt geen vrees getoond, en ik ben daarover zeer verheugd. Een groote honderdpoot komt telkens van gindsche berg af, komt mijn paleis binnen en dood mijn kinderen en kleinkinderen. Één voor één zijn zij voedsel geworden voor dit ontzaglijke monster, en ik vrees, dat, als er niets gedaan kan worden, om dat dier te dooden, ik spoedig zelf het slachtoffer zal worden. Lang heb ik reeds op een dapper sterveling gewacht. Alle mannen, die mij tot nu toe in mijn drakengestalte hebben gezien, zijn weggeloopen. Gij zijt een dapper man, en ik smeek u, mijn bitteren vijand te dooden.”

Hidesato, wien een avontuur altijd welkom was, te meer als er gevaar aan verbonden was, stemde er onmiddellijk in toe, te probeeren, wat hij voor den Drakenkoning kon doen.

Toen Hidesato het paleis van den Drakenkoning bereikte, bleek het een prachtig gebouw te zijn, nauwelijks minder schoon dan het paleis van den Zeekoning zelf. Hij werd onthaald op gekristalliseerde lotusbladeren en bloemen en at de lekkernijen, die te kust en te keur hem werden voorgezet. Terwijl hij smulde, dansten tien kleine goudvischjes, en vlak achter de goudvischjes maakten tien karpers liefelijke muziek op de koto en de samisen. Juist dacht Hidesato er over na, hoe voortreffelijk hij onthaald was, en hoe bijzonder lekker de wijn was, toen zij allen een vreeselijk leven hoorden, als een dozijn donderslagen, die te gelijk losbraken.

Hidesato en de Drakenkoning stonden haastig op en liepen naar het balkon. Zij zagen, dat de berg Mikami nauwelijks te herkennen was, daar hij van den top tot den voet bedekt was door den ontzaglijken honderdpoot. In zijn kop gloeiden twee vuurballen en zijn honderd pooten waren als een lange, kronkelende ketens lantarens.

Hidesato deed een pijl op zijn boog en trok toen de pees met alle kracht aan. De pijl vloog door de lucht en trof den honderdpoot in het midden van den kop, maar sprong terug zonder een wond te hebben veroorzaakt. Weer liet Hidesato een pijl voortsuizen, weer trof die pijl het monster, maar weer viel hij op den grond, zonder schade te hebben berokkend. Hidesato had nog slechts één pijl over. Plotseling herinnerde hij zich de tooverwerking van menschelijk speeksel, en daarom stak hij de punt van den laatst overgebleven pijl een oogenblik in zijn mond, waarna hij dien haastig op den boog legde en nauwkeurig mikte.

De laatste pijl trof doel en doorboorde de hersenen van het monster. Het bewoog zich niet langer; het licht in zijn oogen en pooten verzwakte en ging eindelijk uit, en het meer Biwa, met zijn onderzeesch paleis, werd in diepe duisternis gehuld. De donder raasde, de bliksem flitste, en een oogenblik scheen het, alsof het paleis van den Drakenkoning op den grond zou vallen.

Den volgenden dag was ieder teeken van den storm verdwenen. De lucht was helder. De zon scheen schitterend aan den hemel. En in het fonkelende blauwe meer lag het lijk van den grooten honderdpoot.

De Drakenkoning en zijn omgeving waren bijzonder verheugd, toen zij zagen, dat hun gevreesde vijand gedood was. Hidesato werd weer feestelijk onthaald, zelfs nog vorstelijker dan te voren. Toen hij eindelijk vertrok, deed hij dit met een stoet van visschen, die plotseling in mannen veranderden. De Drakenkoning schonk onze held vijf kostbare gaven: twee klokken, een zak met rijst, een rol zijde en een kookpan.

De Drakenkoning vergezelde Hidesato tot aan de brug, en toen liet hij schoorvoetend toe, dat onze held met den grooten stoet van dienaren, die de geschenken droegen, wegtrok.

Toen Hidesato zijn huis bereikte, legden de dienaren de geschenken van den Drakenkoning neer en verdwenen plotseling.

De geschenken waren geen gewone gaven. De zak met rijst was onuitputtelijk, er was evenmin een einde aan de rol zijde, en in de kookpan kon gekookt worden zonder vuur. Alleen de klokken hadden geen magische eigenschappen; deze werden aan een naburigen tempel aangeboden. Hidesato werd rijk, en zijn roem verspreidde zich wijd en zijd. Het volk noemde hem nu niet langer Hidesato, maar Tawara Toda, of “Mijn Heer Zak met Rijst”.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings