← Table of contents
Mythen & Legenden van Japan

Hoofdstuk XXVI. Drie Meisjes.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

Het Meisje van Unai.

Het Meisje van Unai woonde bij haar ouders in het dorp Ashinóya. Zij was bijzonder mooi, en zij had twee vurige en volhardende minnaars—Mubara, die uit dezelfde landstreek afkomstig was, en Chinu, die uit Izumi kwam. Die twee minnaars konden even goed tweelingen geweest zijn, want zij kwamen met elkander overeen in leeftijd, uiterlijk, gelaat en lichaamsbouw. Ongelukkig hadden beiden haar met denzelfden hartstocht lief, zoodat het onmogelijk was, tusschen beiden eenig verschil te ontdekken. Hun geschenken waren dezelfde, en er scheen geen verschil te zijn in de wijze, waarop zij hun liefde betuigden. Wij krijgen een goed denkbeeld van het geheele uiterlijk van die twee minnaars, als wij kennis maken met het volgende fragment uit het gedicht van Mushimaro over dit onderwerp:

“Jaloersch bemint dit dappere paar De liefelijke maagd: Elk met de hand op ’t gevest van zijn zwaard Terwijl hij een pijlkoker draagt.

“Die pijlkoker hangt op den rug van den held; En een sneeuwwitte houten boog Rust in beider krachtige, stevige hand; Zoo hielden ze elkander vijandig in ’t oog.”

Naar B.H. Chamberlain.

Intusschen werd het Meisje van Unai droevig van gemoed. Zij nam de gaven van Mubara of Chinu nooit aan, en toch deed het haar leed, dat zij hen maand aan maand zag staan aan de poort, terwijl zij geen oogenblik in de vurige uitdrukking van hun gevoelens van liefde voor haar verslapten.

De ouders van het Meisje van Unai schenen het ingewikkelde van den toestand niet te hebben ingezien, want zij zeiden haar: “Het is droevig voor ons, om den last van uw ongepast gedrag te moeten dragen, nu gij van maand tot maand en van jaar tot jaar op de meest zorgelooze wijze anderen smart doet lijden. Als gij het aanzoek van den één aanneemt, zal de liefde van den ander na korten tijd ophouden.”

Die goed bedoelde woorden brachten het arme Meisje van Unai geen troost of geen hulp; daarom ontboden de ouders de minnaars, legden den treurigen toestand bloot en besloten, dat hij, die een watervogel zou schieten, welke zwom in de rivier Ikuta, die langs het platvorm stroomde, waarop het huis was gebouwd, hun dochter ten huwelijk zou verkrijgen.

De minnaars waren met die beslissing ten zeerste ingenomen, en verlangden er naar, dat er een einde zou komen aan die wreede onzekerheid. Op hetzelfde oogenblik spanden zij hun bogen, en te gelijk troffen hun pijlen den vogel, de ééne in den kop en de andere in den staart, zoodat geen van beiden er zich op kon beroemen de beste schutter te zijn. Toen het Meisje van Unai zag, hoe hopeloos de zaak stond, riep zij uit:

“Het is genoeg! De golf, die ik ginds zie naken, Zal aan mijn zielestrijd een droevig einde maken: Wel noemt men Settsu’s stroom den stroom van ’t leven, Maar mij zal die rivier een laatste rustplaats geven.”

Naar B.H. Chamberlain.

Na die melodramatische woorden wierp zij zich van het platvorm in de golvende wateren beneden haar.

De ouders van het meisje, die het tooneel bijwoonden, schreeuwden en raasden op het platvorm, terwijl de trouwe minnaars in de rivier sprongen. De één hield den voet van het meisje, de ander haar hand vast, en oogenblikkelijk zonken alle drie in de diepte weg. Het meisje werd daarna begraven tusschen haar beide minnaars, en tot op den huidigen dag is de plaats bekend als “Het Graf van het Meisje”. In het graf van Mubara was een holle bamboe-stok gelegd, met een boog, een pijlkoker en een lang zwaard; maar in het graf van Chinu was niets geplaatst.

Eenigen tijd daarna kwam een vreemdeling in de nabijheid van het graf en werd plotseling opgeschrikt door het geluid van een hevig gevecht. Hij zond zijn dienaren er heen, om de zaak te onderzoeken, maar zij kwamen terug met de mededeeling, dat zij niets buitengewoons konden hooren of zien. Terwijl de vreemdeling over de liefdesgeschiedenis van het Meisje van Unai zat te peinzen, viel hij in slaap. Dit was nauwelijks geschied, of hij zag vóór zich, op den grond geknield, een man met bloed bevlekt, die hem mededeelde, dat hij zeer lastig gevallen werd door de vervolgingen van een vijand, en die hem vroeg, of de vreemdeling hem zijn zwaard wilde leenen. Met eenige aarzeling werd dit verzoek toegestaan. Toen de vreemdeling ontwaakte, helde hij over tot de meening, dat de geheele zaak een droom was geweest; maar het was geen voorbijgaand nachtelijk droombeeld, want niet alleen miste hij zijn zwaard, maar hoorde hij ook in zijn onmiddellijke nabijheid het geraas van een hevig gevecht. Daarna hield het wapengekletter plotseling op, en weer stond de met bloed bevlekte man vóór hem, die aldus sprak: “Door uw welwillende hulp heb ik den vijand verslagen, die mij al die jaren heeft onderdrukt.” Hieruit kunnen wij afleiden, dat in de geesteswereld Chinu zijn mededinger bevocht en versloeg, en na een aantal jaren van bittere jaloezie was hij eindelijk in staat het Meisje van Unai de zijne te noemen.

Het Meisje van Unai
Het Meisje van Unai

Het Meisje van Unai

Het Graf van het Meisje Unai.

“Ik sta bij het graf, waar nu rust Van Unai de lieflijke maagd, Die een aantal jaloersche minnaars Bij haar leven zoozeer had behaagd.

“Dat graf moet tot ’t laatst van de jaren Verkonden het lot van de maagd, Die zelfs nog na eeuwen en eeuwen Toekomstige mannen behaagt.

“En stapelt op den straatweg Men steenen tot bergen zoo hoog, Die zoolang als de wolken drijven, Daar blijven voor ons oog.

“Als een pelgrim dit pad mocht betreden, Laat hem dan naar die steenblokken zien, En bij ’t graf van de maagd droevig weenen; De bewoners van ’t dorp bovendien

“Nooit stillen hun bittere tranen Maar scharen zich om haar graf. Laat de eeuwen haar noodlot verkonden, En de smart, die haar sterven ons gaf.

“Tot ook ik op het laatst hier zal staren Op het graf, dat haar bergt voor mijn oog, En ik droevig terug zal denken, Aan den tijd, die zóó snel vervloog.”

Sakimaro (Naar B.H. Chamberlain).

Het Meisje van Katsushika.

“Daar waar in ’t verre oostersch land, Bij ’t ochtendgloren kraait de haan, Vertelt het landvolk een verhaal, Uit tijden, dood en lang vergaan.

“Van ’t meisje uit Katsushika, Wier gordel, helderblauw, Het grofste linnen kleed omsloot, En rok van arme vrouw.

“Wier voet geen schoen ooit had omklemd Of kam geraakt het haar. Geen koningin, hoe rijk getooid Te vergelijken waar.

“Met ’t meisje, dat daar lachend stond, Een bloem in lentetijd, In schoonheid, liefheid zóó volmaakt Als maanlichts heerlijkheid.

“Gelijk een zwerm van motten, die Om ’t helder kaarslicht dwaalt, Gelijk een boot de haven zoekt, Als ’s avonds schaduw daalt.

“Zoo kwamen zwermen vrijers aan, Doch zij sprak: ‘Laat mij gaan, k Ben slechts een nederige maagd En kort is mijn bestaan’.

“Daar waar de golven met geweld Luid beuken ’t kale strand, Heeft ’t meisje van Katsushika Voor goed haar vaderland.

“Ja! ’t is een lied uit ouden tijd; Maar als ’t mijn ooren streelt, Dan rijst voor mij of ’t gisteren was, Haar vriendlijk, lieflijk beeld.”

Naar B.H. Chamberlain.

Chamberlain voegt de volgende opmerking bij de vertaling van deze Japansche ballade: “Bij de weinig vaststaande overlevering, die echter ongetwijfeld zeer oud is, en die in bovenstaande ballade is behouden gebleven, kan uit authentieke bron niets worden gevoegd. De fantasie van het volk heeft echter de leemten aangevuld, en voert een wreede stiefmoeder ten tooneele, die, zonder dat zij iets gevoelt voor de toewijding van het meisje, dat dagelijks water voor haar schept uit de eenige bron, waarvan zij het water wenscht te drinken, zóó boos op haar is, omdat zij door haar schitterende schoonheid minnaars naar het huis lokt, dat het arme meisje zich ten slotte verdrinkt, waarna de buren haar als een godin beschouwen en een tempel ter harer eere oprichten. Zoowel de tempel als de bron behooren tot de merkwaardigheden in de omstreken van Tōkyō, die nog steeds worden bezocht.”

Het Meisje met de houten Kom.

In lang vervlogen tijden leefde een oud echtpaar met hun eenig kind, een meisje van merkwaardige bekoorlijkheid en schoonheid. Toen de oude man ziek werd en stierf, werd zijn weduwe hoe langer hoe meer bezorgd over het toekomstige geluk van haar dochter.

Op zekeren dag riep zij haar kind bij zich en sprak: “Mijn lieve, uw vader ligt op gindsch kerkhof, en ik moet, daar ik oud en zwak ben, hem spoedig volgen. De gedachte, dat ik u alleen in de wereld moet achterlaten, baart mij veel zorg, want gij zijt schoon, en schoonheid is een verleiding en een verstrikking voor mannen. Al de reinheid van een witte bloem kan niet beletten, dat zij wordt geplukt en in het slijk wordt gescheurd. Mijn kind, uw gelaat is al te schoon. Het moet voor de begeerige oogen der mannen verborgen worden, daar het anders de oorzaak zal zijn, dat gij van uw goed en rein leven vervalt in een leven van schande.”

Na die woorden gesproken te hebben, plaatste zij een verlakte kom op het hoofd van het meisje, zoodat het haar bekoorlijkheden bedekte. “Draag die kom altijd, mijn lieve,” sprak de moeder, “want dit zal u beschermen als ik dood ben.”

Korten tijd nadat zij die liefderijke daad had volbracht, stierf de oude vrouw, en het meisje was verplicht haar brood te verdienen met op de rijstvelden te werken. Het was een zwaar en onaangenaam werk, maar het meisje hield zich dapper en zwoegde van den morgen tot den avond zonder een oogenblik te morren. Telkens gaf haar vreemd uiterlijk aanleiding tot veel besprekingen, en over het geheele land stond zij bekend als het “Meisje met de Kom op het Hoofd.” De jonge mannen lachten haar uit en trachtten onder de kom te kijken, en niet weinigen zelfs trachtten het houten hoofddeksel van haar hoofd te trekken, maar het kon niet worden verwijderd, en de jongelieden moesten zich onder gelach en spotternij tevreden stellen met een enkele blik op het benedengedeelte van het gelaat. Het arme meisje verdroeg die ruwe behandeling met een geduldig, maar bezwaard gemoed, daar zij meende, dat door de liefde en de wijsheid van haar moeder later een dag van vreugde zou aanbreken, die een ruime vergoeding zou zijn voor al haar droefheid.

Op zekeren dag sloeg een rijke landbouwer het meisje gade, dat op zijn rijstvelden werkte. Hij werd getroffen door haar ijver en de snelle en uitnemende wijze, waarop zij haar taak volbracht. Hij had schik in die gebogen en vlijtige kleine gestalte, en lachte niet om de houten kom op haar hoofd. Na haar gedurende korten tijd te hebben gadegeslagen, kwam hij op het meisje af en sprak: “Ge werkt goed en babbelt niet met uw makkers. Ik wensch, dat ge op mijn rijstvelden werkt tot aan het einde van den oogst.”

Toen de oogst was binnengehaald en de winter was aangebroken, vroeg haar de rijke landbouwer, die een hoe langer hoe gunstiger indruk van het meisje had gekregen, en die verlangde haar van dienst te zijn, zijn huisgenoote te willen worden. “Mijn vrouw is ziek,” voegde hij er aan toe, “en ik zou gaarne willen, dat gij haar voor mij kwaamt oppassen.”

Het meisje nam dankbaar dit voor haar zoo geschikte aanbod aan. Zij verpleegde de zieke vrouw met de grootste zorg, want dezelfde rustige ijver, dien zij op het rijstveld openbaarde, kenmerkte ook haar vriendelijk werk in de ziekenkamer. Daar de landbouwer en zijn vrouw geen dochter hadden, hechtten zij zich zeer aan die wees en beschouwden zij haar als hun eigen kind.

Na eenigen tijd keerde de oudste zoon van den landbouwer naar zijn oude woning terug. Hij was een verstandig jongmensch, die in het vroolijke Kyōto ijverig had gestudeerd en een afkeer had van een vroolijk leven vol feesten en lichtzinnige vermaken. Zijn vader en moeder verwachtten, dat hun zoon zich spoedig in het ouderlijke huis en in die omgeving zou vervelen, en dagelijks vreesden zij, dat hij bij hen zou komen, om afscheid te nemen en weer terug te keeren naar de residentie van den Mikado. Maar tot ieders verbazing gaf de zoon van den landbouwer volstrekt niet het verlangen te kennen, zijn oude woning te verlaten.

Op zekeren dag kwam de jonge man bij zijn vader en vroeg: “Wie is dat meisje in ons huis, en waarom draagt zij een leelijke kom op het hoofd?”

Toen de landbouwer het droevige verhaal van het meisje had gedaan, was zijn zoon diep bewogen; maar toch kon hij niet nalaten, een weinig om de kom te lachen. Het lachen van den jongen man duurde echter niet lang. Dag aan dag werd hij meer door het meisje bekoord. Telkens gluurde hij naar het half verborgen gelaat van het meisje, en kwam hij al meer en meer onder den indruk van haar vriendelijke manieren en haar edel karakter. Het duurde niet lang, of zijn bewondering ging in liefde over, en hij besloot dat hij zou trouwen met het “Meisje met de Kom op het Hoofd”. De meesten van zijn familieleden verzetten zich tegen die verbintenis. Zij zeiden: “Zij is in haar soort inderdaad uitstekend, maar zij is niets anders dan een gewone dienstbode. Zij draagt die kom, om hen die onverstandig zijn, te verlokken, en wij gelooven niet, dat die kom schoone gelaatstrekken bedekt, maar juist dient, om haar leelijkheid te verbergen. Zoek ergens anders een vrouw, want wij zullen dat eerzuchtige en intrigeerende meisje niet in onzen kring toelaten.”

Van dat oogenblik af had het meisje veel te lijden. Bittere en hatelijke toespelingen kreeg zij te hooren, en zelfs haar meesteres, die vóór dien tijd zoo lief en vriendelijk was geweest, koos tegen haar partij. Maar de landbouwer veranderde niet in zijn goede gezindheid jegens haar. Hij hield nog altijd van het meisje, en had er volstrekt niets op tegen, dat zij de vrouw van zijn zoon zou worden, maar ten gevolge van de heftige opmerkingen van zijn vrouw en zijn bloedverwanten durfde hij zijn wenschen in die zaak niet bekend te maken.

Al die tegenwerking, die daarenboven op zeer onvriendelijke wijze werd geuit, maakte den jongen man nog begeeriger zijn doel te bereiken. Eindelijk gaven zijn moeder en zijn bloedverwanten, toen zij zagen, dat op hun wenschen geen acht geslagen werd, hun toestemming tot het huwelijk, maar op onvriendelijke wijze.

De jonge man, die meende, dat nu alle moeilijkheden waren uit den weg geruimd, ging verheugd naar het meisje met de Kom op het Hoofd toe, en zeide: “Alle lastige tegenwerking is geëindigd, en nu verhindert ons niets, te trouwen.”

“Neen”, antwoordde het vrome meisje, terwijl zij bitter weende, “ik kan niet met u trouwen. Ik ben niets dan een dienstbode in het huis van uw vader, en daarom zou het ongepast zijn, als ik uw bruid werd.”

De jonge man sprak vriendelijk met haar. Herhaaldelijk gaf hij uiting aan zijn zoo vurige liefde voor haar, hij trachtte haar te overreden, hij smeekte; maar het meisje wilde niet toegeven. Haar houding maakte de bloedverwanten erg boos. Zij zeiden, dat het meisje hen allen voor den gek had gehouden, daar zij volstrekt niet begrepen, dat zij den zoon van den landbouwer innig liefhad, en dat zij in haar trouw hart overtuigd was, dat dit huwelijk alleen tweedracht kon brengen in het gezin, dat haar in haar armoede een schuilplaats had aangeboden.

Dien nacht huilde het meisje zich in slaap, en in haar slaap verscheen haar moeder vóór haar, en sprak: “Mijn lief kind, laat uw goed hart niet langer verdriet hebben. Trouw met den zoon van den landbouwer, en alles zal weer in orde komen.” Het meisje ontwaakte de volgenden morgen, het hart vol vreugde, en toen haar minnaar bij haar kwam en haar nog eens vroeg, of zij zijn bruid wilde worden, stemde zij er met een liefelijken glimlach in toe.

Er werden groote toebereidselen voor de bruiloft gemaakt, en toen de gasten bijeengekomen waren, meende men, dat het hoog tijd was, dat zij de houten kom van haar hoofd verwijderde. Zij zelf trachtte die af te nemen, maar de kom bleef op haar hoofd vastzitten. Toen enkelen van de familieleden met herhaalde onvriendelijke opmerkingen haar te hulp kwamen, uitte de kom vreemde kreten en zuchtte. Ten slotte naderde de bruidegom het meisje en zeide: “Laat die behandeling u geen verdriet aandoen. Gij zijt mij even lief met als zonder kom”, en na die woorden te hebben gesproken, beval hij, dat de plechtigheid voortgang zou hebben.

Daarna werden de bekers met wijn in het met gasten gevulde vertrek gebracht, en in overeenstemming met de gebruiken werd van de bruid en den bruidegom verwacht, dat zij samen de “Driemaal drie” zouden drinken ter eere van hun verbintenis. Op het oogenblik waarop het meisje den beker aan haar lippen bracht, brak de kom op haar hoofd met groot geraas, en viel er goud en zilver uit, en tevens allerlei soorten van edelgesteenten, zoodat het meisje, dat eens doodarm was geweest, nu een rijke huwelijksgift bezat. De gasten waren verbaasd, toen zij de groote hoeveelheid schitterende juweelen, goud en zilver zagen, maar nog meer verbaasd waren zij, toen zij opkeken en zagen, dat de bruid het mooiste meisje uit geheel Japan was.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings