Hoofdstuk XVII. Feestdagen.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Nieuwjaar.
De San-ga-nichi, of “drie dagen” van het Nieuwe Jaar, is één van de belangrijkste van de Japansche feestgetijden, want de Japanners vieren het nieuwjaarsfeest veel feestelijker dan wij. Zij beschouwen de eerste drie dagen van het jaar als een geschikte gelegenheid, om zich voorspoed en geluk voor de toekomst te verzekeren, en om dit gedaan te krijgen, worden een aantal vreemde en oude gebruiken in acht genomen. Voordat de huizen worden versierd, heeft er eerst een afdoende winterschoonmaak plaats. “In oude tijden”, zoo schrijft Mevrouw Salwey, “werd dit gebruik in acht genomen zoowel aan het Hof van den Keizer als in de hut van den boer, en wel zóó nauwgezet, dat het Hof van den Shōgun opzichters leverde, die rondgingen met versierde stoffers, om het werk der bedienden na te zien, en die hun officieele bezems over richels en spleten bewogen, terwijl zij daarbij hun tooverroeden op een bepaalde wijze zwaaiden, om daarmede het Chineesche teeken, dat water beteekende, aan te duiden.” Niet alleen wordt het geheele huis door en door gereinigd en alles op zijn plaats gezet, maar men wordt verlost van de booze geesten, door erwten en boonen uit de open shoji te werpen, of ook wel papiersnippers.
Bij het Nieuwjaarfeest worden de huizen en deurposten versierd met koorden van stroo, en deze worden dikwijls zóó gemaakt, dat zij de getallen drie, vijf of zeven voorstellen, welke getallen bij de Chineezen als gelukkig worden beschouwd. Het voornaamste voedsel, dat bij die gelegenheid wordt gegeten, bestaat uit zeekreeften (wier gebogen en oud uiterlijk op een lang leven wijst), sinaasappels en enkele soorten van eetbaar zeegras. Bovendien zijn er spiegelkoeken, in verband met de Zonnegodin, en die koeken, die uit rijst bestaan, worden gegeten met de sinaasappelen en de zeekreeften, en opgediend op zuiver witte bakken. Een andere belangrijke versiering mag niet over het hoofd gezien worden, en wel de takken van een pijnboom. Die takken zijn het zinnebeeld van een lang leven, en om de ééne of andere niet bekende reden worden zij verbrand, zoodra het feest is afgeloopen.
De Feestdag voor Jongens.
De Tango no Sekku, of Feestdag voor Jongens, wordt gevierd op den 5den Mei, en dient, om de Japansche jeugd met krijgshaftige eigenschappen te bezielen. Het is de dag, waarop overal vlaggen worden gezien, waarop de daken der huizen met irisbladeren worden versierd, zoodat de vlag der Natuur en de vlag door menschenhanden vervaardigd, beide in het oog vallen op dien vroolijken feestdag, die algemeen bekend staat onder den naam van het Vlaggenfeest. De knapen krijgen dien dag kleine beeldjes ten geschenke, die bepaalde groote helden uit het verleden voorstellen, terwijl oude zwaarden, bogen, pijlen, speren en dergelijke van het ééne geslacht van kinderen aan het andere worden overgegeven.
Misschien is wel de meest op den voorgrond tredende trek van dit feest de papieren vlag, die de gedaante heeft van een karper. Zij is hol, en als zij met wind wordt gevuld, heeft zij het voorkomen, alsof zij krachtig door de lucht vliegt. De karper is meer dan een gewoon symbool van den ruwen oorlogsgeest, want hij is het zinnebeeld van vasthoudendheid in den opzet en van ontembaren moed. Zooals de karper tegen den stroom opzwemt, zoo wordt van de Japansche jeugd verwacht, dat zij tegen de krachtigste stroomingen van den tegenspoed kan strijden. Dit denkbeeld is waarschijnlijk ontleend aan de betooverende Chineesche legende van den Drakenkarper, wien het na een langen strijd gelukte, voorbij de watervallen van den Drakenpoort te zwemmen, en die duizend jaar leefde, totdat hij eindelijk in de lucht opsteeg.
Het Doodenfeest.
Het feest heeft plaats van 13 tot 15 Juli. In dien tijd van het jaar zijn de meeste huizen niets dan geraamten, daar zij aan alle kanten aan de zomerbries toegang verschaffen. Men loopt in de lichtst mogelijk gewaden rond. De vlinders vermaken zich, in ontelbare hoeveelheden rondvliegend over een koel lotusveld of zich neerzettend op de purperen bloemblaadjes van een iris. De Fuji steekt zijn grooten kop in de heldere blauwe lucht uit, en draagt als een witte sluier een strook van snel wegsmeltende sneeuw.
Als de ochtend van den 13den Juli aanbreekt, worden nieuwe matten van rijststroo op alle Buddhistische altaren witgespreid en op de kleine tempels in huis. Ieder Japansch huis houdt dien dag een eigenaardig nauwkeurig omschreven maal gereed voor de groote menigte geesten.
Tegen het ondergaan van de zon zijn de straten helder verlicht door de vlammen der fakkels, en de ingangen der huizen hebben een vroolijk aanzien door de helder gekleurde lantarens. Zij, voor wie dit feest in bijzondere mate geldt, en dus niet als voor ieder ander—dat wil zeggen, zij, die kort geleden iemand hebben verloren, die hun dierbaar was—gaan dien nacht naar buiten, om de kerkhoven te bezoeken, waar zij bidden, offers brengen, wierook branden en water uitgieten. Lantarens worden aangestoken en bamboevazen met bloemen gevuld.
Op den avond van den 15den Juli worden de geesten van den Kring der Boetedoening of Gakidō gevoed, en bovendien al die geesten, die onder de levenden geen vrienden hebben, die voor hen zorgen. Er is een legende, die betrekking heeft op dit bijzonder onderdeel van het Doodenfeest. Dai-Mokenren, een groot leerling van Buddha, kreeg eens toestemming, de ziel van zijn moeder in de Gakidō te bezoeken. Hij had zóó bitter verdriet over haar ontzettend lijden, dat hij haar een kom gaf, die het meest uitgelezen voedsel bevatte. Maar iederen keer, als zij trachtte er van te eten, veranderde het voedsel plotseling in vuur, en eindelijk in asch. Toen vroeg Mokenren Buddha, hem te willen mededeelen, wat hij kon doen om het lijden van zijn moeder te verzachten. Hem werd toen bevolen, om de schimmen der groote priesters in alle landen “op den vijftienden dag der zevende maand” te spijzigen. Toen dit geschied was, keerde Mokenren terug en vond zijn moeder weer, springende van vreugde. In dien gelukkigen dans na veel beproevingen vinden wij de sporen terug van den oorsprong der Bon-odori, die plaats heeft in den derden nacht van het feest.
Als de avond van den derden nacht aanbreekt, worden voorbereidselen gemaakt voor het vertrek der geesten. Duizenden bootjes worden volgeladen met voedsel en met vriendelijke afscheidsgroeten. De vertrekkende geesten stappen in die bootjes. Liefhebbende handen plaatsen die brooze bark op rivier, meer of zee. Een kleine lantaren brandt aan den voorsteven, terwijl lichtblauwe wolken van wierook van den achtersteven opstijgen. Hearn schrijft: “Langs alle kreken, rivieren en kanalen gaan de spookachtige vloten flikkerend naar zee; en de geheele zee glinstert over den geheelen horizon van de lichten der dooden, en de zeewind is welriekend door het wierook.”
Er is een pathetische bekoring in dat feest. Het is volstrekt niet alleen in Japan, dat het gevierd wordt; immers het komt overeen met het Indische Sraddha; maar in Japan wordt het aangeraakt door een fijnere en meer betooverende schoonheid. Niemand is tot nu toe in staat geweest, den oorsprong der Torii onfeilbaar vast te stellen, die wonderlijke poort, die nergens heenleidt. Wat een bekoorlijke ingang of uitgang voor een troep ronddolende schimmen! Wat een prachtige plaats voor geesten is een Japansche tuin, met zijn meren en maanvormige brug, zijn steenen lantarens, zijn paden met zilverzand, om daarin te spelen en bij tijden te droomen! En wat een prachtige straat om daarin te wandelen is voor geesten de Eeuwigdurende Straat, die zóó nabij is aan de straat van Oude Mannen! In de volgende bewoordingen geeft Yone Noguchi de tooverpracht weer van een Japansche nacht, één van die drie nachten, als de zielen in aanraking komen met oude aardsche herinneringen:
“De geurig purpren bries van een Japanschen nacht! De oude maan, die als een tooverschip vol goud Begint te wieg’len door de zee der droomen: (Ik hoor den nooit gehoorden Schoonheidszang in ’t schip der maan, Ik hoor zelfs ’t zacht gefluister van hun gouden kleed). Die honderden lantarens, in liefde brandend en gebed, Bewegen zich langs weg en straat, als dolende herinnering. De zilveren muziek van ’t houten schoeisel der Japansche meisjes! Zijn dit niet kleine geesten, gekomen uit den boezem van den ouden tijd? Heeft hun terugkomst soms ten doel, hun duizend wenschen, reeds vergeten, te vervullen? Hoe groot is toch de fantaisie van den Japanschen nacht Geboren uit de oude liefde en onvervulde wenschen! De droeve minnezang in den Japanschen nacht, De samisen muziek van hartstocht en van tranen! De droeve harteklacht door duisternis en liefde!”
Het Lachfeest van Wasa.
In den loop van het jaar worden er een aantal andere Japansche feesten gevierd, en twee daarvan, het Poppenfeest en het Feest van Tanabata, het Wevende Meisje, zijn reeds vroeger door ons besproken. Misschien is het Lachfeest van Wasa wel het meest vreemde onder al de Japansche feesten. Gedurende de maand October vormen een aantal oude mannen een optocht, waarbij zij twee kisten vol met sinaasappelen dragen, en persimonpruimen op stokken gestoken. Die oude mannen worden gevolgd door kinderen met dezelfde vruchten op bamboestokken. Op het oogenblik, waarop de aanvoerder den tempel nadert, draait hij zich om en trekt een allerbespottelijkst gezicht, dat onmiddellijk gevolgd wordt door een onbedaarlijke lachbui. Die onweerstaanbare vroolijkheid berust op de volgende legende.
De Goden waren gewoon in de maand October bijeen te komen in een grooten tempel te Izumo; het doel van hun bijeenkomst was, de liefdesaangelegenheden van het volk in orde te brengen. Toen de Goden in den tempel zaten, zeide één van hen: “Waar is Miwa Daimyō-jin?” Alle Goden keken overal naar hem uit, maar hij kon niet gevonden worden. Nu was Miwa Daimyō-jin erg doof, en daardoor had hij zich vergist in den grooten dag, waarop de Goden te zamen kwamen. Toen hij te Izumo aankwam, was de bijeenkomst reeds ontbonden en alle Goden lachten uitgelaten, toen zij dit hoorden, een gelach, dat jaar aan jaar wordt herhaald bij het Lachfeest, waarover wij hebben gesproken.
De Torii.
Wij hebben in dit hoofdstuk en reeds vroeger melding gemaakt van de torii, en hoewel de verschillende autoriteiten op dit gebied verschillen in hun opvatting omtrent gebruik en oorsprong, is het onderwerp zeer aantrekkelijk en de studie overwaard. Volgens de populaire opvatting beteekent het woord torii “hoenderplaats” of “vogelrustplaats.” Op den top van dien indrukwekkende poort verkondigden de hoenders het aanbreken van den dageraad, en waarschuwden door hun gekraai de priesters om met hen morgengebeden te beginnen. In één legende wordt ons medegedeeld, dat de zon op aarde neerdaalt in den vorm van den Ho-Ho Vogel, den bode van liefde, vrede en welgezindheid, en dat zij op één der torii rust.
Mevrouw Salway schrijft naar aanleiding van den bouw van die poorten: “De oudste torii van Japan... waren vervaardigd van gewoon ongevernist hout. Zij werden gemaakt van rechte, hooge boomstammen in hun natuurlijken toestand, hoewel zij somtijds beroofd waren van hun buitenschors. Later werd het hout geverfd in een donkere vermiljoenkleur, misschien wel om het effect te verhoogen als de achtergrond dicht begroeid was”. Hoewel de torii oorspronkelijk met het Shintōïsme verbonden waren, werden zij later ook door de Buddhisten overgenomen, die de eenvoudige maar schoone constructie aanzienlijk wijzigden door de hoeken der horizontale balken naar boven te buigen, en door opschriften daarop aan te brengen en verschillende soorten van versieringen.
“Het Voetbankje van den Koning”.
Wat ook de oorsprong en de beteekenis der Shintō torii mogen zijn, niemand zal hun bijzondere schoonheid ontkennen, en velen zullen met ons van oordeel zijn, dat het de schoonste poort ter wereld is. Misschien is de schoonste torii die, welke voor den tempel van Itsukushima staat op het eiland Myajima, en deze wordt “Het Voetbankje van den Koning”, “De Poorts des Lichts”, of “de Waterpoort van het Heilige Eiland” genoemd.
Mevrouw Salway schrijft: “Is niet die Poort het symbool van de Goede Richting, volgens de leerstellingen van den Shintō Eeredienst, het Doel, waarnaar het gelaat moet gericht worden—‘De Weg der Goden’. Zijn het niet waarschuwers, die hun mystieke boodschap als in eigenaardige teekens van den Heerscher der Goden voor de opkomende en ondergaande zon schrijven, terwijl zij door hun tegenwoordigheid de dichte weelderigheid der geheimzinnige lanen vergrooten, en zich weerspiegelen in de donkere, stille rivieren of de zilveren rimpels der Binnenzee?” Wij moet tevreden zijn met die liefelijke verklaring van het symbolisme der torii, want zij voert ons door de poort van tegenstrijdige theorieën, en geeft ons iets, dat ons meer voldoet dan de ingewikkelde vertakkingen der woordafleiding.