Hoofdstuk XXV. Legenden uit de Spokenwereld.1
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Hoofdstuk XXV. Legenden uit de Spokenwereld.1
“Hōïchi zonder Ooren.”
“Deze wereld is het gebied der smart, een verwijderde plek, klein als een gierstkorrel. Maar onder de golven is een prachtige stad, het Reine Land van Volmaakt Geluk genoemd. Daarheen voer ik u.” Met zoodanige woorden kalmeerde zij hem. Het kind bond toen zijn strik op het hoofd vast aan het Keizerlijke kleed dat de kleur had van een bergduif en treurig vouwde hij zijn vriendelijke handjes samen. Eerst wendde hij zich naar het Oosten, en nam afscheid van den tempel van den grooten God van Ise en den tempel van Hachiman. Daarna wendde hij zich naar het Westen, en riep den naam van Buddha aan. Toen hij dit had gedaan, nam Niidono hem moedig in haar armen, en na hem te hebben gevleid met de woorden, ‘Er is een stad ver weg onder de golven,’ zonk zij op den bodem ter diepte van duizend vademen.
Men zegt, dat zevenhonderd jaar na dien grooten zeestrijd de zee en de kust in de nabijheid door de geesten van den Taira stam werden bezocht. Geheimzinnige vuren schenen op de golven, en de lucht was gevuld met het geluid van strijd. Om de ongelukkige geesten tot rust te brengen, werd de tempel van Amidaji te Akamagaséki gebouwd, en werd er dichtbij een kerkhof aangelegd, en daarop verschillende gedenksteenen geplaatst, waarop de namen van den verdronken keizer en zijn voornaamste volgelingen waren gegrift. Die tempel en dat kerkhof brachten de spookverschijningen tot op zekere hoogte tot rust, maar van tijd tot tijd geschiedden er een aantal vreemde dingen, zooals wij uit de volgende legende zullen zien.
Er leefde eens in den tempel van Amidaji een blinde priester Hōïchi genaamd. Hij was beroemd om zijn voordragen en zijn wonderbaarlijke bekwaamheid in het spelen op de biwa (een luit met vier snaren), en hij had er bijzonder veel genoegen in, verhalen voor te dragen, die in verband stonden met den langdurigen oorlog tusschen de Taira en de Minamoto stammen.
Eens op een avond was Hōïchi alleen in den tempel achtergelaten, en daar het een zeer warme avond was, bleef hij op de veranda zitten, waar hij herhaaldelijk op zijn biwa speelde. Terwijl hij daarmede druk bezig was, hoorde hij iemand naderen, die den kleinen achtertuin van den tempel overstak.
Daarna riep een diepe stem van onder de veranda: “Hōïchi!” En nog eens klonk de stem: “Hōichi!”
Hōïchi, die daardoor zeer ontsteld werd, antwoordde, dat hij blind was, en gaarne wilde weten, wie zijn bezoeker was.
“Mijn meester,” zoo sprak de vreemdeling, “houdt zich thans te Akamagaséki op met een aantal volgelingen, en hij is daarheen gegaan, om het tooneel van den slag bij Dan-no-ura te aanschouwen. Hij heeft gehoord, hoe voortreffelijk gij het verhaal van den strijd voordraagt, en heeft mij bevolen, u vóór hem te geleiden, opdat gij hem uw bekwaamheid kunt toonen. Breng uw biwa mede en volg mij. Mijn meester en zijn doorluchtig gezelschap wachten op uw geëerde tegenwoordigheid.”
Hōïchi, die meende, dat de vreemdeling de één of andere edele samurai was, gehoorzaamde onmiddellijk. Hij trok zijn sandalen aan en nam zijn biwa mede. Met ijzeren hand geleide hem de vreemdeling, en zij liepen haastig voort. Hōïchi hoorde wapengekletter naast zich; maar hij was geen oogenblik bevreesd, en hij verheugde zich in het vooruitzicht van de eer, zijn bekwaamheid te kunnen toonen voor een uitgezocht gezelschap.
Toen hij aan de poort kwam, riep de vreemdeling luide: ”Kaimon!” Onmiddellijk werden de grendels van de poort verwijderd en werd deze geopend, waarna beide mannen naar binnen gingen. Daarna werd het geluid gehoord van een aantal voeten, die naderden, en een geritsel als van schermen, die geopend werden. Hōïchi werd geholpen bij het beklimmen van een aantal trappen, en toen hij boven was gekomen, werd hem bevolen, zijn sandalen achter te laten. Een vrouw leidde hem toen bij de hand voort, totdat hij zich in een groot vertrek bevond, waar hij meende, dat een groot gezelschap bijeen was. Hij hoorde het onderdrukt gefluister van stemmen en de zachte beweging van zijden gewaden. Toen Hōïchi had plaats genomen op een kussen, verzocht hem de vrouw, die hem geleid had, de geschiedenis te vertellen van den grooten slag bij Dan-no-ura.
Hōïchi begon te zingen onder begeleiding van zijn biwa. Zijn bekwaamheid was zóó groot, dat de snaren van zijn muziekinstrument het geluid van roeiriemen, de beweging van schepen, het geschreeuw der bemanning, het geluid der zich verheffende baren en het snorren van pijlen schenen na te bootsen. Een zacht gemompel van goedkeuring begroette Hōïchi’s prachtige voordracht. Aangemoedigd door die bewijzen van tevredenheid, zong en speelde hij nog prachtiger en kunstiger voort. Toen hij begon te zingen van den dood der vrouwen en kinderen, het zich in zee storten van Niidono met den jeugdigen keizer in haar armen, begon het gezelschap te weenen en te jammeren.
Toen Hōïchi geëindigd had, zeide hem de vrouw, die hem had geleid, dat haar meester zeer ingenomen was met zijn voordracht, en dat hij verlangde, dat hij ook de zes volgende nachten voor hem zou spelen. “De bediende,” voegde zij er aan toe, “die u van nacht hier bracht, zal morgen op hetzelfde uur uw tempel bezoeken. Gij moet die bezoeken geheim houden, en kunt nu naar huis terugkeeren”.
Weer geleidde de vrouw Hōïchi door het vertrek, en na de trappen bereikt te hebben, werd hij door denzelfden bediende teruggeleid naar de veranda aan de achterzijde van den tempel waar hij woonde.
Den volgenden nacht werd Hōïchi weer weggeleid, om het gezelschap te onderhouden, en weer werd zijn voordracht bewonderd. Maar nu werd ook zijn afwezigheid ontdekt, en bij zijn terugkomst vroeg hem zijn medepriester er naar. Hōïchi ontweek de vraag van zijn vriend, en zeide hem, dat hij alleen maar even uit was geweest, om een private aangelegenheid te behandelen.
Zijn collega was volstrekt niet voldaan. Hij betreurde de stilzwijgendheid van Hōïchi en vreesde, dat er iets niet in den haak was, en dat misschien wel de blinde priester door booze geesten was betooverd geworden. Hij beval daarom de mannelijke bedienden, streng de wacht te houden over Hōïchi, en hem te volgen, als hij den volgenden nacht weer den tempel zou verlaten.

Hōïchi de Man zonder ooren
Weer verliet Hōïchi zijn woning. De mannelijke bedienden staken haastig hun lantarens aan en volgden hem zoo haastig mogelijk; maar hoewel zij snel liepen, overal rondzagen en voortdurend onderzoek deden, gelukte het hun niet Hōïchi te ontdekken, of iets omtrent hem gewaar te worden. Op hun terugtocht schrikten zij echter, toen zij het geluid van een biwa hoorden op het kerkhof van den tempel, en toen zij die sombere plaats binnentraden, zagen zij den blinden priester zitten. Hij zat op het graf van Antoku Tenno, den jeugdigen keizer, waar hij zijn biwa luid deed klinken en tegelijk met luider stem het verhaal zong van den slag bij Dan-no-ura. Aan weerszijden van hem fonkelden geheimzinnige vlammen, als een groote menigte brandende kaarsen.
“Hōïchi! Hōïchi!” riepen de mannen. “Houd onmiddellijk op met spelen! Gij zijt betooverd, Hōïchi!” Maar de blinde priester bleef doorspelen en zingen, naar het scheen, in een vreemden en ijselijken droomtoestand verkeerend.
De mannelijke bedienden gingen toen tot krachtiger maatregelen over. Zij schudden hem heen en weer, en riepen in zijn oor: “Hōïchi, kom dadelijk met ons terug!”
De blinde priester berispte hen, en zeide, dat een dergelijke stoornis door het aanzienlijke gezelschap, waar hij zich bevond, niet zou worden geduld.
De mannen sleepten nu Hōïchi met geweld mede. Toen hij den tempel bereikte, werden hem zijn natte kleeren uitgetrokken, en werd hem spijs en drank voorgezet.
Hōïchi’s ambtgenoot was toen vreeselijk boos, en volkomen terecht drong hij aan op een volledige verklaring van zijn vreemd gedrag. Na langdurige aarzeling verhaalde Hōïchi zijn vriend alles, wat hem was overkomen. Toen hij zijn vreemde avonturen had verhaald, zeide de priester:
“Arme vriend! Ge hadt mij dit eer moeten verteld hebben. Gij hebt niet het deftige huis van een aanzienlijk man bezocht, maar gij hebt op gindsch kerkhof gezeten voor het graf van Antoku Tenno. Uwe groote gaven hebben de geesten van den Tairastam opgeroepen. Hōïchi, gij verkeert in groot gevaar, want gij hebt u, door aan die geesten te gehoorzamen, ongetwijfeld in hun macht geplaatst, en vroeg of laat zullen zij u dooden. Het is ongelukkig, dat ik tegen den nacht ontboden ben, om een godsdienstplechtigheid te vervullen, maar voordat ik wegga, zal ik er voor zorgen, dat uw lichaam met heilige teksten bedekt wordt.”
Vóór het aanbreken van den nacht werd Hōïchi ontkleed, en een tempeldienaar schreef met penseelen op zijn lichaam de tektsten van de sutra, die bekend staat als Hannya-Shin-Kyō. Die tektsten werden geschreven op zijn borst, hoofd, rug, gelaat, nek, beenen, armen en voeten, ja zelfs op de zolen van zijn voeten. Daarna sprak de priester: “Hōïchi, gij zult van nacht weer weggeroepen worden. Blijf stil zitten, zeg niets, en blijf voortdurend peinzen. Als gij die dingen doet, zal u geen kwaad overkomen.”
Dien nacht zat Hōïchi alleen in de veranda, terwijl hij nauwelijks een spier bewoog en zeer zacht adem haalde.
Weer hoorde hij het geluid van voetstappen. “Hōïchi!” riep een diepe stem. Maar de blinde priester antwoordde niet. Hij bleef doodstil zitten, in den grootsten angst.
Telkens werd zijn naam weer gehoord, doch zonder eenig resultaat. “Dit geeft niets”, bromde de vreemdeling. “Ik moet zien, waar de kerel is”. De vreemdeling sprong in de veranda en ging vóór Hōïchi staan, die over zijn geheele lichaam beefde, ontzet over den toestand.
“Ha!” riep de vreemdeling. “Dit is de biwa, maar in plaats van den speler zie ik—niets dan twee ooren! Nu begrijp ik, waarom hij niet antwoordde. Hij heeft geen mond, alleen zijn beide ooren! die ooren zal ik naar mijn meester brengen!”
Een oogenblik later werden Hōïchi de ooren van het hoofd getrokken, maar in weerwil van de vreeselijke pijn gaf de blinde priester geen geluid. Daarna vertrok de vreemdeling, en toen zijn voetstappen waren weggestorven, was het eenige geluid, dat Hōïchi hoorde, het druppelen van het bloed op de veranda, en zoo vond de priester bij zijn terugkomst den ongelukkigen man.
“Arme Hōïchi!” riep de priester. “Het is mijn eigen schuld. Ik vertrouwde erop, dat mijn tempeldienaar heilige teksten op ieder deel van uw lichaam zou schrijven. Hij verzuimde dit echter op uw ooren te doen. Ik had er op moeten letten, dat hij mijn bevelen behoorlijk uitvoerde. Maar gij zult in het vervolg niet meer door die geesten gehinderd worden.” Sedert dien tijd was de blinde priester bekend onder den naam van Mimi-nashi-Hōïchi, “Hōïchi de Man zonder ooren.”
De Lijken-eter.
Musō Kokushi, een priester, verdwaalde, toen hij door de provincie Mino zwierf. Daar hij er aan wanhoopte, een menschelijke woning te vinden, was hij op het punt, in de open lucht te gaan slapen, toen hij toevallig een kleine kluizenaarswoning (anjitsu) ontdekte.
Een oude priester begroette hem, en Musō verzocht, dat hij hem voor één nacht een schuilplaats zou willen geven. “Neen”, antwoordde de oude priester nijdig, “ik verleen nooit iemand een schuilplaats. In gindsche vallei zult gij een gehucht vinden; zoek daar een schuilplaats voor één nacht.”
Met deze tamelijk onbeleefde woorden vertrok Musō, en toen hij het gehucht bereikt had, werd hij gastvrij opgenomen in de woning van het dorpshoofd. Zoodra hij het voornaamste vertrek binnentrad, zag de priester, dat daar een aantal menschen verzameld waren. Hem werd een afzonderlijk vertrek aangewezen, en hij was op het punt in slaap te vallen, toen hij klagende geluiden hoorde, en korten tijd daarna verscheen een jonge man vóór hem, die een lantaarn in zijn hand hield.
“Goede priester”, zeide deze, “ik moet u zeggen, dat mijn vader onlangs gestorven is. Wij wilden u dit niet bij uw komst mededeelen, omdat gij vermoeid waart en veel rust noodig hadt. Al de menschen, die gij in het voornaamste vertrek bijeen zaagt, waren gekomen, om den doode eer te bewijzen. Nu moeten wij allen weggaan, want dit is de gewoonte in ons dorp als iemand sterft, omdat vreemde en vreeselijke dingen met lijken gebeuren, als zij alleen gelaten worden; maar misschien zult gij, die een priester zijt, niet bang zijn om achter te blijven bij het lijk van mijn armen vader.”
Musō antwoordde, dat hij volstrekt niet bang was, en zeide den jongen man, dat hij een lijkdienst zou houden en bij den gestorvene den wacht zou houden, zoolang het gezelschap afwezig was. Daarop verliet de jonge man te zamen met de overige rouwdragers het huis, en Musō bleef achter, om zijn eenzame nachtwake te houden.
Nadat Musō den lijkdienst had verricht, bleef hij verscheidene uren peinzen. Toen de nacht ver gevorderd was, zag hij, dat een vreemde gedaante in het vertrek was, die er zóó verschrikkelijk uitzag, dat de priester zich noch kon bewegen noch kon spreken. De gedaante kwam naderbij, tilde het lijk op en verslond het snel. Niet tevreden met dit afgrijselijke maal, at de geheimzinnige gedaante ook de doodenoffers op, en verdween daarna.
Den volgenden morgen keerden de dorpsbewoners terug, en zij waren volstrekt niet verbaasd, toen zij hoorden, dat het lijk verdwenen was. Nadat Musō zijn vreemd avontuur had verhaald, vroeg hij, of de priester op den heuvel niet somtijds den lijkdienst verrichtte. “Ik bezocht hem den vorigen nacht in zijn anjitsu, en hoewel hij mij een onderkomen weigerde, zeide hij mij, waar ik een rustplaats zou kunnen vinden.”
De dorpsbewoners waren over die woorden zeer verbaasd, en vertelden Musō, dat er volstrekt geen priester of anjitsu op gindschen heuvel was. Zij waren zoo positief mogelijk in hun beweringen, en verzekerden, dat Musō door den één of anderen boozen geest hieromtrent moest zijn bedrogen. Musō antwoordde niet, en korten tijd later vertrok hij, vast besloten zoo mogelijk het geheim te onthullen.
Het kostte Musō volstrekt geen moeite de anjitsu terug te vinden. De oude priester kwam naar buiten, en trad hem tegemoet, boog, en zeide, dat hij spijt had van zijn vroegere onbeleefdheid. “Ik schaam mij,” voegde hij er aan toe, “niet alleen, omdat ik u geen schuilplaats heb verleend, maar ook omdat gij mij in mijn ware gedaante hebt gezien. Gij hebt mij een lijk en de doodenoffers zien verslinden. Ik ben, helaas, goede man, een jikininki (menschenetend spook), en als gij mij wilt aanhooren, zal ik u mijn ellendigen toestand duidelijk maken.
“Jaren geleden was ik in dit district priester, en ik volbracht een groot aantal lijkdiensten; maar ik was geen trouwe priester, want het was niet uit waren godsdienstzin, dat ik mijn taak verrichtte, en ik dacht alleen aan de goede en schoone kleeren, die ik door mijn beroep kon verdienen. Om die reden werd ik als jikininki herboren, en heb daarom de lijken verslonden van allen, die in dit district gestorven zijn. Ik smeek u, heb toch medelijden met mijn ellendig lot, en zeg ten mijnen behoeve enkele gebeden op, opdat ik spoedig weer vrede vinde en opdat mijn groote slechtheid een einde neme.”
Onmiddellijk nadat die woorden gesproken waren, verdwenen de kluizenaar en zijn kluis plotseling, en Musō bleek geknield te zijn voor een met mos bedekt graf, dat waarschijnlijk het graf was van den ongelukkigen priester.
De Spookmoeder.
Weer kwam de geheimzinnige vrouw in den kleinen winkel, maar nu kocht zij geen midsu-ame, maar wenkte zij den winkelier haar te volgen. De bleeke vrouw liep de straat af, gevolgd door den koopman in barnsteenstroop en enkelen van zijn vrienden. Toen zij het kerkhof bereikten, verdween de vrouw in een graf, en zij, die er buiten stonden, hoorden kindergehuil. Toen het graf geopend was, zagen zij het lijk van de vrouw, die zij gevolgd hadden, en naast haar lag een levend kind, dat lachte bij het licht van de lantarens, en dat zijn kleine handjes uitstrekte naar een kop midzu-ame. De vrouw was in der tijd te vroeg begraven en haar kind in het graf geboren. Iederen avond ging de stilzwijgende moeder van het kerkhof weg, om voedsel voor haar kind te halen.
De Futon van Tottori.
In Tottori was een kleine en eenvoudige herberg. Het was een nieuwe herberg, en daar de herbergier arm was, was hij verplicht, die te voorzien van goederen, die afkomstig waren uit een tweedehandswinkel in de buurt. Zijn eerste gast was een koopman, die met buitengewone beleefdheid werd behandeld, en die veel warme saké kreeg. Toen de koopman den verfrisschenden rijstwijn had gedronken, ging hij rusten en viel hij in slaap. Hij had nog niet lang gesluimerd, of hij hoorde het geluid van kinderstemmen in zijn kamer en hoorde hen op treurigen toon roepen: “Is mijn oudste Broeder niet erg koud?” “Neen, jij bent zeker koud?” Telkens herhaalden de kinderen die klagende woorden. De koopman, die dacht, dat bij ongeluk kinderen in zijn kamer verdwaald waren, berispte hen zachtmoedig en maakte zich gereed weer in slaap te gaan. Na een oogenblik stilte riepen de kinderen weer: “Is mijn oudste Broeder niet erg koud?” “Neen, jij bent zeker koud?” Die woorden werden telkens herhaald en de gast bemerkte verstijfd van schrik, dat de stemmen uit zijn futon (deken) afkomstig waren.
Haastig ging hij den trap af en vertelde den herbergier, wat geschied was. De herbergier was boos. “Gij hebt te veel warme saké gedronken,” zeide hij. “De warme saké heeft u kwade droomen gebracht.” Maar de gast betaalde zijn rekening en zocht ergens anders een onderkomen.
Den volgenden nacht sliep een andere gast in de betooverde kamer, en ook hij hoorde dezelfde geheimzinnige stemmen, betaalde den herbergier en vertrok haastig. De herbergier kwam toen zelf het vertrek binnen. Hij hoorde de treurige kinderkreten, die uit de futon te voorschijn kwamen, en was nu wel verplicht de vreemde geschiedenis te gelooven, die zijn twee gasten hem hadden verteld.
Den volgenden dag ging de herbergier naar de tweedehandswinkel, waar hij de futon had gekregen, en deed navraag naar de zaak. Nadat hij van den eenen winkel naar den anderen was gegaan, hoorde hij eindelijk het volgende verhaal over de geheimzinnige futon:
Er woonde eens in Tottori een arme man, met zijn vrouw en twee kinderen, die zes en acht jaar oud waren. De ouders stierven, en de arme kinderen waren verplicht hun weinige bezittingen te verkoopen, totdat zij eindelijk niets anders over hadden dan een dunne en versleten futon, om hen des nachts te dekken. Ten slotte hadden zij geen geld om de huishuur te betalen, of zich eenig voedsel te verschaffen.
Toen de tijd der ergste koude was gekomen, hoopte de sneeuw zich zóó dik om de nederige woning op, dat de kinderen niets anders wisten te doen, dan de futon om zich heen te trekken, en elkander op hun gewone vriendelijke, pathetische wijze toe te fluisteren: “Is mijn oudste Broeder niet erg koud?” “Neen, jij bent zeker koud?” En terwijl zij snikkend die woorden spraken, omvatten zij elkander, bevreesd voor de duisternis en den snerpenden, ijskouden wind.
Terwijl hun arme lichaampjes elkander omvat hielden, ten einde elkander te verwarmen, kwam de hardvochtige huisheer binnen, en toen hij zag, dat er niemand was, om de huishuur te betalen, joeg hij de kinderen het huis uit, met niet anders gedekt dan met een dunne kimono. Zij trachtten den tempel van Kwannon te bereiken, maar de sneeuw lag te dik, en zij verborgen zich achter hun oud huis. Een deken van sneeuw bedekte hen, en zij vielen in slaap aan den barmhartigen boezem der Goden, en werden begraven op het kerkhof van den Tempel van Kwannon-met-de-Duizend-Armen.
Toen de herbergier die droevige geschiedenis had gehoord, gaf hij de futon aan de priesters van den tempel van Kwannon, gebeden werden opgezegd voor de zielen der kinderen, en van dat uur af hield de futon op, de genoemde klagende geluiden voort te brengen.
De Terugkeer.
In het dorp Mochida-no-ura woonde een boer. Hij was vreeselijk arm, maar toch bracht zijn vrouw zes kinderen ter wereld. Onmiddellijk nadat een kind was geboren, wierp de wreede vader het in de rivier en beweerde, dat het bij de geboorte gestorven was, zoodat al zijn zes kinderen op die verschrikkelijke manier vermoord werden.
Na verloop van jaren geraakte de boer in betere omstandigheden, en toen hem een zevende kind, een jongen, geboren werd, was hij bijzonder gelukkig en had hij het kind innig lief.
Op zekeren avond nam de vader het kind in zijn armen, en wandelde er mede in den tuin, terwijl hij in verrukking fluisterde: “Wat een heerlijke zomeravond!”
Het kind, dat toen eerst vijf maanden oud was, nam een oogenblik de wijze van uitdrukking van een volwassene over, en zeide: “De maan schijnt precies zóó, als toen gij mij laatst in het water wierpt!”
Toen het kind die woorden had gesproken, werd hij weer gelijk aan andere kinderen; maar de boer, die nu eerst doordrongen was van het verschrikkelijke van zijn misdaad, werd onmiddellijk daarna priester.
De Liefde op de proef gesteld.
Er was eens een mooi meisje, wie, in strijd met de Japansche gewoonte, was toegestaan, haar eigen echtgenoot te kiezen. Een aantal vrijers dongen naar haar hand, en brachten haar geschenken en schoone gedichten, en spraken veel lieve woordjes tot haar. Zij sprak vriendelijk tot iederen vrijer en zeide: “Ik zal trouwen met den man, die dapper genoeg is, om een bepaalde proef te doorstaan, die ik hem zal opleggen, en wat die proef ook moge zijn, ik verwacht, dat hij, op de onschendbare eer van een samurai, het geheim niet zal openbaren.” De vrijers aanvaardden onmiddellijk die voorwaarden, maar één voor één verlieten zij haar, met afschuw op hun gelaat, lieten hun vrijerij in den steek, maar repten met geen enkel woord van het vreemde en vreeselijke geheim.
Eindelijk kwam een arme samurai, wiens eenige rijkdom in zijn zwaard bestond, bij het meisje, en zeide haar, dat hij bereid was, iedere proef te doorstaan, hoe zwaar ook, om haar als zijn vrouw te krijgen.
Toen zij ’s avonds het avondmaal hadden gebruikt, verliet het meisje het vertrek, en keerde lang na middernacht terug, in een wit gewaad gekleed. Zij gingen samen het huis uit, door tallooze straten, waar honden blaften, en toen naar buiten, totdat zij op een groot kerkhof kwamen. Hier ging het meisje vooraan, terwijl de samurai volgde, met de hand op zijn zwaard.
Toen de vrijer in staat was, door de duisternis heen te zien, zag hij, dat het meisje den grond met een spade weggroef. Zij groef met groote haast, en tilde eindelijk het deksel op van een kist. Het volgende oogenblik haalde zij het lijk van een kind er uit, trok er een arm af, brak dien, en begon er een stuk van op te eten, terwijl zij haar vrijer een ander stuk toewierp en uitriep: “Als gij mij lief hebt, eet dan wat ik eet!”
Zonder een oogenblik te aarzelen, ging de samurai aan den rand van het graf zitten, en begon zijn helft van den arm op te eten. “Heerlijk!” riep hij uit, “geef mij nog een stukje!” Op dit punt verdwijnt gelukkig plotseling het huiveringwekkende der legende, want noch de samurai noch het meisje hadden van een lijk gegeten—de arm was gemaakt van het heerlijkste gebak!
Het meisje sprong met een kreet van vreugde overeind, en zeide: “Eindelijk heb ik een dapper man gevonden! Ik zal met u trouwen, want gij zijt de echtgenoot, naar wien ik altijd heb verlangd, en dien ik tot van nacht nooit heb gevonden.”